De killer van het Joods Museum: portret van Mehdi Nemmouche

Hij is onze nationale nachtmerrie. De eerste teruggekeerde Syriëstrijder die ook in West-Europa de wapens heeft opgenomen. In het Joods Museum vermoordde hij naar alle waarschijnlijkheid vier mensen in koelen bloede, in Syrië was hij de meedogenloze bewaker van westerse gijzelaars. Maar de beschuldigde ontkent alles. Qui est Mehdi Nemmouche?

Op zaterdag 24 mei 2014 loopt om vier uur ’s middags een merkwaardige man in de Brusselse Miniemenstraat. Hij draagt een donkere pet van Nike op zijn hoofd, een GoPro-camera op zijn borst en twee grote tassen over zijn schouders. Hij gaat het Joods Museum binnen. Met een revolver schiet hij een Joods koppel door het hoofd. Zijn wapen blokkeert. Hij haalt een kalasjnikov boven en lost een salvo dwars door de glazen deur van de balie heen: hij doodt een Joodse vrijwilligster van het museum. De jonge Joods-Arabische communicatieverantwoordelijke, die zich achter zijn bureau heeft verschanst, maakt hij van dichtbij af. Hij bergt zijn moordtuig op, schoudert zijn tassen en loopt weer naar buiten.

'Er zullen nog onbetekenende lui opduiken die met terreurdaden naar bevestiging zoeken'

Beelden van de viervoudige moord, die later door de politie worden verspreid, wekken op geen enkel moment de indruk dat de dader zenuwachtig of verontrust is. Integendeel, hij is een koelbloedige killer die bij zijn exit feilloos voor de juiste route kiest. Hij gaat niet naar links, waar even verderop een jazzfestivalletje plaatsvindt, nee, hij gaat naar rechts: hij duikt een steegje in waar geen enkele wagen hem kan volgen. Hij neemt gelijk een voorsprong op de politie.

‘De aanslag was goed voorbereid,’ zegt veiligheidsexpert Claude Moniquet van het European Strategic Intelligence and Security Center. ‘De man is ook niet herkend op de videobeelden van het Joods Museum in de dagen vóór de aanslag. De kans is groot dat hij niet zelf de voorbereidingen heeft getroffen: hij heeft wellicht hulp gekregen.’

Na de aanslag verdwijnt de dader van de radar. Tot hij zes dagen later, in de middag van vrijdag 30 mei, bij een routinecontrole van een Eurolines-bus in Marseille tegen de lamp loopt. Een agent van de Franse douane, die op zoek is naar drugs, stuit op een verdachte zak. Hij vermoedt dat er een geweer in verborgen zit. Hij vraagt: ‘Van wie is deze zak?’ Geen reactie. Mine de rien brengt hij de zak naar de chauffeur van de bus. Daarna gaat hij over tot fouillering. Mehdi Nemmouche, een 29-jarige Fransman uit Roubaix, moet opstaan. Nemmouche heeft op alle voorafgaande vragen vriendelijk geantwoord, zij het met nietszeggende formules, maar nu wordt hij toch een tikje zenuwachtig. De agent in Paris-Match: ‘Ik had links van zijn borst een kleine uitstulping opgemerkt. Toen ik hem vroeg zijn armen in de lucht te steken, heb ik het voorwerp gevonden dat daar verscholen zat: een .38 Special revolver.’

Nemmouche wordt in de boeien geslagen. De inhoud van zijn zak is verpletterend: munitie, de revolver van de aanslag in Brussel, de kalasjnikov ook, de blouson waarop een GoPro-camera is bevestigd, de donkere pet van Nike, persknipsels over de aanslag, een fototoestel en een gasmasker. De kalasjnikov is gewikkeld in een vlag met Arabisch opschrift – later zal blijken: een vlag van Islamitische Staat. Kortom, Nemmouche is er gloeiend bij. Maar bekennen doet hij niet. Hij zegt dat hij een ordinaire inbreker is. En dat hij de zak uit een wagen in Brussel heeft gestolen, zonder dat hij wist wat erin zat.

‘Flauwekul,’ zegt zijn advocaat Sébastien Courtoy. ‘Dat verhaal over een gestolen zak slaat nergens op: natuurlijk wist hij wat erin zat. Dat geeft mijn cliënt inmiddels ook toe. Maar de waarheid bewaren wij voor het hof van assisen. Ik verzeker u: in deze kwestie is niets wat het lijkt te zijn.’ Mehdi Nemmouche houdt vol dat hij niet de dader van de aanslag in het Joods Museum is.


Omar de Moker

Eind juli levert Frankrijk Mehdi Nemmouche aan België uit. Hij gaat naar de gevangenis van Brugge. Maar ook daar houdt hij de lippen op elkaar. De speurders vinden geen nieuw bewijs om hem voorgoed als uitvoerder van de moorden in het Brusselse museum aan te wijzen: de videobeelden geven geen uitsluitsel, niemand van de getuigen herkent hem. Er is alleen de zak die hij op de bus bij zich had.

Begin september komt er groot nieuws uit Frankrijk. Le Monde brengt uit dat de vier gegijzelde Franse journalisten, die in april waren vrijgekomen na een tien maanden durende opsluiting in Syrië, Mehdi Nemmouche hebben herkend als één van hun bewakers.

‘De gijzelaars zijn onmiddellijk na hun bevrijding ondervraagd door de Franse inlichtingendiensten,’ zegt Claude Moniquet. ‘In het jargon heet dat: een debriefing. Tijdens die debriefing hebben ze verteld dat ze door Fransen waren bewaakt. Dat zeiden ze alle vier – in april, lang voor Mehdi Nemmouche in het Joods Museum had toegeslagen. Later, na de arrestatie van Nemmouche, hebben twee van de vier gijzelaars hem formeel geïdentificeerd, met details die ze al in hun eerste ondervragingen hadden gegeven.’

Didier François, grand reporter bij Europe 1, beschrijft Nemmouche in een interview voor zijn televisiezender als een heetgebakerd baasje. ‘Hij kookte voortdurend,’ zegt hij. François is naar eigen zeggen ook het slachtoffer van schijnexecuties geweest.

Het meest expliciet is Nicolas Hénin, journalist bij Le Point. Hij geeft een persconferentie waarop hij Mehdi Nemmouche afschildert als een losgeslagen avonturier. Over Allah sprak Nemmouche in Aleppo niet, godsdienst of politiek deden er niet toe: de jihad was slechts een middel om zijn buitenmaatse ego op te vijzelen. Nemmouche heette in Syrië Abou Omar, bijgenaamd de Moker, omdat hij sloeg op alles wat bewoog.

In juli 2013 kreeg Hénin in het duister van de nacht voor het eerst een klap van de Moker. Toen hij tegenover zijn ondervragers niet toegaf dat hij een spion van de Franse inlichtingendiensten was, was Omar de beul met dienst. Hij brak de neus van de journalist. En hij sloeg ’m buiten westen met een rake klap op zijn slaap.

Toen Hénin weer bij bewustzijn kwam, zag hij naar eigen zeggen vijf gemaskerde jonge strijders om zich heen. Zijn ondervrager zat in een zetel tegenover hem met een gordel vol explosieven om zijn middel, ‘het ontstekingsmechanisme ter hoogte van zijn navel’.

Als Hénin zich achteraf in het toilet mag opknappen, loopt Omar met hem mee. Citaat uit het stuk van Hénin in Le Point: ‘Hij keek naar zijn handen, liet zijn vingers kraken alsof hij een bokser was en trok zijn handschoenen aan. ‘Zie je die motorhandschoenen?’ vroeg hij. ‘Heb ik speciaal voor jou gekocht. Om je te slaan. Vond je het prettig?’’

Het is de eerste ontmoeting tussen Abou Omar en Nicolas Hénin, niet de laatste. ‘Ik zal hem nog vaak terugzien. En meestal zal zijn gezicht niet bedekt zijn.’ Abou Omar is niet de hele tijd bij de Franse journalisten. Hij verdwijnt geregeld om oorlog te voeren aan het front. Tenminste, dat is zijn verklaring. Als hij weer opduikt, is hij radicaler dan ooit. Zijn woorden verraden een diep misprijzen voor de bange blanke gijzelaars. Hij treitert hen met liedjes van Charles Trenet en Charles Aznavour. ‘La bohème,’ zingt hij, ‘ça voulait dire on est heureux.’ Maar als hij over Joden en afvallige moslims praat, loopt hij over van de haat. Over sjiieten is hij vernietigend.

Hénin citeert Omar in Le Point: ‘Weet je wat er gebeurt als ik het huis van een sjiiet binnenga? Eerst pak ik de grootmoeder. Weinig interessant, met één kogel ben ik klaar – meer is ze ook niet waard. Daarna richt ik mijn aandacht op de vrouw des huizes. Dat is al interessanter. Ik verkracht haar, ik snijd haar de keel door, maar daar krijg je honger van: ik loop naar de koelkast om iets te zoeken dat mijn maag vult. Daarna is het tijd voor de baby. Ah, een baby! Je hebt er geen idee van wat voor een plezier het is een baby te onthoofden.’

Abou Omar zou één van de bewakers van de Amerikaanse journalist James Foley zijn geweest. Foley werd, als eerste westerse gijzelaar, onthoofd. Didier François beweert te weten wie de beul van Foley is. Een naam heeft hij in het openbaar niet genoemd.

In de Franse media ontstaat een heftig debat over de uitgelekte identificatie van Nemmouche. Heeft Le Monde met haar scoop het leven van in Syrië achtergebleven gijzelaars niet in gevaar gebracht? De meningen zijn grondig verdeeld. Maar als klap op de vuurpijl gaat ook Libération citeren uit geheime documenten van de inlichtingendiensten: Abou Omar zou tegenover de Franse gijzelaars plannen hebben ontvouwd voor een aanslag op het defilé van de Franse nationale feestdag. De bedoeling was ook om de Franse president François Hollande uit te schakelen. Omar kwalificeerde zijn plannen als ‘vijf keer beter dan Mohammed Merah’.

Ter herinnering: Mohammed Merah, ‘de killer op de scooter’, vermoordde twee jaar geleden in Toulouse drie parachutisten en vier mensen in een Joods schooltje. Hij werd uiteindelijk, na een bestorming door de speciale eenheden van de Franse politie, zelf neergekogeld.

Didier François: ‘Merah was het grote idool van Abou Omar.’

Nicolas Hénin: ‘Abou Omar wilde, net als Merah, de voorpagina van de krant halen. Hij wilde helemaal niet sterven als een martelaar.’

Sébastien Courtoy, de advocaat van Abou Omar alias Mehdi Nemmouche, veegt de plannen voor ‘een Frans 9/11’ verontwaardigd van tafel. ‘Onzin! Mijn cliënt was niet van zin François Hollande om te leggen. Waar halen ze het?’

Ook de martelpraktijken van zijn cliënt loochent hij. ‘Meneer Hénin beweert dat Mehdi Nemmouche ook Syrische gevangenen heeft gemarteld, ‘van ’s avonds laat tot ’s ochtends vroeg’. Dat heeft hij vanuit zijn cel gehoord, zegt hij. Zou hij, om geloofwaardig te zijn, die dingen niet gezien moeten hebben? Trouwens, ik vond meneer Hénin er goed uitzien bij zijn vrijlating, niet wat je veronderstelt na maanden van marteling en geweld.’

Marie-Laure Ingouf, advocate van Nicolas Hénin: ‘Valse beschuldigingen? Ik stel vast dat mijn confrater tot op vandaag geen klacht wegens laster heeft ingediend tegen mijn cliënt, maar ook niet tegen de andere Franse gijzelaars.’

Sébastien Courtoy suggereert een complot: ‘Net op het moment dat ze niet met hun onderzoek opschieten, dat ze behalve een zak niks hebben dat mijn cliënt met de aanslag op het Joods Museum verbindt, komen ze aanzetten met getuigenissen van gijzelaars. Getuigenissen die geheim horen te blijven. Vindt u dat niet vreemd?’


Geen lone wolf

In maart 2012 zit Mehdi Nemmouche al vier jaar vast. Zijn opvattingen zijn in de loop van zijn opsluiting radicaal geworden. Televisie, radio en kranten hoeft hij niet meer: hij bidt vijf keer per dag, leest de Koran en wijdt zijn leven uitsluitend aan Allah. Maar als hij lucht krijgt van de moordende raid van Mohammed Merah op een Joods schooltje in Toulouse, vraagt hij de gevangenisdirectie om een televisietoestel in zijn cel. ‘Hij keek er gebiologeerd naar,’ verklaart een cipier in Paris-Match, ‘geen beeld wilde hij missen.’ Als de aandacht van de media voor Merah na verloop van tijd verdwijnt, levert hij het toestel weer in.

Nemmouche bewondert Merah voor de zorgvuldigheid waarmee hij zijn slachtoffers uitkoos. Merah durft rücksichtslos de grootste vijanden van moslimextremisten aan te pakken: de Joden. Maar ook de anderen die minstens even fout zijn: de afvallige moslims, geloofsgenoten die zichzelf verloochenen om voor de vijand te werken. De Franse parachutisten die onder de kogels van Merah vielen, waren allemaal moslims van origine. Dat was geen toeval.

Merah had zijn wandaden ook met een GoPro-camera gefilmd, met de bedoeling ze later via het internet of Al-Jazeera te verspreiden. Dat is uiteindelijk niet gelukt, maar ook Nemmouche wilde zijn aanslag in het Joods Museum vastleggen. Alleen, de camera deed het niet op het cruciale moment, en Nemmouche was daar behoorlijk ontstemd over. Op de geheugenkaart van het fototoestel dat de douane in Marseille in beslag nam, staat een filmpje van 45 seconden waarop een stem de aanslag in het museum opeist, maar betreurt dat die niet is gefilmd. Een woordvoerder van het Franse parket: ‘De stem lijkt op die van Mehdi Nemmouche.’

Nemmouche en Merah zijn ook allebei naar het buitenland vertrokken om een heilige oorlog uit te vechten. Merah is niet voorbij de Afghaanse grens geraakt, Nemmouche heeft wel één jaar lang in Syrië verbleven.

‘Het klopt niet hen als lone wolves af te schilderen,’ zegt iemand van de inlichtingendiensten. ‘Ze hebben niet op eigen houtje gehandeld. Van Merah weten we dat hij bij de voorbereiding hulp heeft gekregen, van Nemmouche vermoeden we dat ook. Toen hij uit Syrië terugkeerde, heeft hij de halve wereld rondgereisd om zijn sporen uit te wissen. Hij heeft drie bestemmingen in Azië aangedaan. Hoe doe je dat zonder netwerk? Nee, de enige lone wolf die ik ken, is Anders Breivik. De planning, de financiering, zelfs het vervaardigen van explosieven – alles heeft hij zelf gedaan. Maar zulke mensen zijn zeldzaam.’


Allergisch voor gezag

Claude Moniquet: ‘Nemmouche en Merah zijn allebei kinderen uit gebroken gezinnen. Ze zijn op het slechte pad geraakt. En in de gevangenis zijn ze radicaal geworden.’

‘Ze hadden geen kompas in hun leven,’ zegt de vertegenwoordiger van de inlichtingendiensten. ‘Nemmouche had geen vader in zijn leven, Merah had een overbezorgde moeder. Hun relatie was zelfs op het randje van het oedipale. Dat zie je bij wel meer Syriëstrijders, ook omdat de Koran het aanmoedigt: ‘Het paradijs begint aan de voeten van de moeder.’ Vaders hebben te weinig gezag om tegen de wil van hun zonen in te gaan: ze hebben geen werk of ze zijn afwezig. En dus zijn moeders hun zonen volledig ter wille, zo houden ze de boel bij elkaar in veel migrantengezinnen. De Syriëstrijders zijn het bewijs van onze mislukte migratiepolitiek.’

Mehdi Nemmouche wordt in 1985 geboren in Roubaix. Zijn Franse vader, een kleine winkelier, erkent hem niet. Zijn Algerijnse moeder heeft geestelijke problemen: ze schommelt voortdurend op de grens van depressie. Souleifa Badaoui, de eerste advocate van Mehdi Nemmouche, zegt: ‘Zijn moeder was van huis weggelopen en in het milieu van de bars beland.’ De baby pendelt tussen staatsinstellingen en tehuizen. Op zijn derde wordt hij bij een pleeggezin in Tourcoing geplaatst. Hij krijgt er, met andere pleegkinderen, een opvoeding à la française. Hij is wel de enige Maghrebijn. Van zijn moeder verneemt hij weinig, soms verdwijnt ze maanden uit beeld.

De familie van Mehdi is niet gelukkig met de plaatsing: de tantes nemen zijn moeder kwalijk dat hij niet aan hun zorgen is toevertrouwd. ‘Ze dacht dat hij beter af was bij het Franse gezin,’ zeggen ze in Le Monde. ‘Omdat die Fransen ingenieurs waren.’

Halfweg de lagere school wordt de band met zijn moeder weer wat hechter: ze komt vaker op bezoek. En hij gaat ook geregeld mee op bezoek bij oma. Een tante zegt: ‘Hij was goed bij dat Franse gezin, met de moeder kon hij het wel vinden, maar hij haatte de vader. Alleen, hij zei daar niks over. Hij kropte het op.’

Langzaam glijdt Mehdi Nemmouche af. De politie noteert 22 vergrijpen tussen zijn 13de en 22ste, van rijden zonder rijbewijs tot een gewapende winkeloverval. Net voor zijn eerste opsluiting, op zijn 16de, zet het pleeggezin uit Tourcoing hem aan de deur. Hij vliegt naar een tehuis in Parijs. Eén jaar later beslist de jeugdrechter dat zijn oma, die hij ‘mama’ noemt, hem mag opvangen.

Hij behaalt een diploma in het beroepsonderwijs, maar faalt voor zijn bac – zijn diploma algemeen middelbaar onderwijs. Hij heet een tikje nerveus te zijn, allergisch voor gezag. Maar wat erger is, hij sukkelt van de regen in de drop: hij heeft nog maar net een gevangenisstraf uitgezeten of hij vliegt alweer voor een ander misdrijf achter de tralies. Veel tijd in vrijheid brengt hij niet door tussen 2007 en 2012.

Ook in de cel is hij een ongeleid projectiel: hij gebruikt geweld tegen cipiers en hij verhuist opnieuw van de ene instelling naar de andere.

In 2011 stuurt hij een brief naar Sanabil, de vereniging die Franse moslimgevangenen bijstaat. Hij wil weten hoe hij, volgens salafistische opvattingen, met ongelovigen zoals Joden, christenen en afvallige moslims moet omgaan. Het is een keerpunt in zijn leven.

De gevangenisdirectie isoleert hem en seint de staatsveiligheid in, maar als hij eind 2012 de gevangenis van Toulon verlaat, duurt het welgeteld drie weken voor hij – na een bezoek aan een vriend in Kortrijk – het vliegtuig naar Syrië neemt. Hij reist in etappes: hij vliegt van Londen via Libanon naar Istanbul.

Karim Mokhtari heeft in het Franse gevangeniswezen ongeveer hetzelfde als Nemmouche meegemaakt. Hij heeft er een boek over geschreven: ‘Rédemption’, heet het, ‘Verlossing’. Mokhtari: ‘Je bent kwetsbaar in de gevangenis: je bent opgegeven door je familie, je land – door ongeveer iedereen. Je zit slecht in je vel. En plots heb je mensen die wél naar je luisteren. Ze laten je jezelf weer beter voelen. En dan slaan ze toe: ze indoctrineren je. Ze verwarren islam met geweld.’

‘Op een bepaald moment werd de man die mij in de islam had geïntroduceerd naar een andere gevangenis verplaatst. De directie vond hem te gevaarlijk worden. ‘Ze proberen de islam te kortwieken,’ zei hij. En hij vond dat ik ook in opstand moest komen. Ik kon op trainingskamp naar Pakistan of Afghanistan. Ik moest de mécréants (ongelovigen, red.) leren uitschakelen en vermoorden. Gelukkig heb ik ‘nee’ gezegd. Mijn leven was al ontspoord ten gevolge van geweld. Ik wilde daarvan weg.’

‘In de Franse gevangenis heb je georganiseerde ronselpraktijken van radicale elementen. Dat is een groot gevaar,’ zegt Mokhtari.

‘In België is het niet anders,’ zegt arabist Pieter Van Ostayen. ‘Ik heb nog lesgegeven in de gevangenissen van Mechelen en Leuven: ik heb mensen voor mijn ogen zien radicaliseren.’

‘Het gebeurt almaar sneller,’ zegt de vertegenwoordiger van de inlichtingendiensten. ‘Vroeger in de loop van één jaar, nu in de loop van een paar maanden.’

Claude Moniquet: ‘Het is een probleem in alle Belgische gevangenissen: 70 procent van de gedetineerden is moslim. Je kunt ze onmogelijk in één gevangenis samenbrengen, maar ze verspreiden is ook geen oplossing: dan kunnen de radicalen zich overál manifesteren.’


Nog mysteries

Het contact met Mehdi Nemmouche in de Brugse gevangenis verloopt goed, zegt advocaat Sébastien Courtoy. Maar het is niet eenvoudig om een vertrouwensband op te bouwen. ‘Er zitten wel honderd gaten in de muur van de kamer waar ik met hem spreek. Ik ben, als ik het confidentieel wil houden, verplicht met mijn hand voor mijn mond te spreken.’

De gevangenisdirectrice heeft Courtoy gevraagd of zijn cliënt niet met handboeien op het eerste gesprek moest verschijnen. Courtoy was met stomheid geslagen. ‘Ik zeg: ‘Waarom vraagt u dat?’ – ‘Omdat uw confraters dat soms als voorwaarde stellen.’ Waarop ik: ‘Die confraters moeten dringend ander werk zoeken.’’

Courtoy noemt Nemmouche ‘vriendelijk, beleefd en welopgevoed: een zachtaardige jongen’. En behoorlijk evenwichtig: stemmingswisselingen heeft hij nog niet bespeurd, zelfs geen fanatisme. ‘U weet: ik heb als advocaat de reputatie een antisemiet te zijn, omdat ik de politicus Laurent Louis en de komiek Dieudonné verdedig. Wel, meneer Nemmouche heeft niet één keer een opmerking over Joden gemaakt in de tien keer dat ik hem drie à vier uur lang heb gesproken. Ik voer uitgebreide gesprekken met cliënten, ik ga door tot ik het weet. Maar niet één keer heeft hij het gesprek onderbroken om te bidden of me de les te spellen over mijn rookgedrag.’

Sébastien Courtoy is de steun en toeverlaat van de radicale islamisten in dit land. Een flamboyant type dat flirt met extreemrechts, maar verbazend goede resultaten neerzet.

Met betrekking tot het Belgische luik van het onderzoek, de moorden in het Joods Museum, is het standpunt van de verdediging duidelijk: Nemmouche ontkent alles. Met betrekking tot het Franse luik, de martelpraktijk in Syrië, is het iets genuanceerder: Nemmouche was in Syrië – punt.

Courtoy: ‘Wat is er misdadig aan vechten in Syrië? Waarom worden Amerikaanse huurlingen niet opgepakt? Of Israëlische?’ Courtoy beweert dat we nog geen idee hebben van wat er zich in de Miniemenstraat heeft afgespeeld. Onze ogen zullen nog opengaan. Hij somt wat mysteries op: ‘Volgens alle getuigen droeg de moordenaar een zonnebril. Ik heb dat gecontroleerd op de beelden en de foto’s van de aanslag: ik zie nergens een zonnebril.’

En: ‘Je hebt twee personen die het museum binnengaan, het is te zeggen: er is iemand die verderop in de straat de wacht houdt. Wist u dat?’

En ook: ‘Er is een belangrijke getuige die nog nooit verhoord is. Ik zal hem laten spreken.’

En ook nog: ‘Er is een getuige die de man met de tassen in een ondergrondse parkeergarage heeft gezien op een tijdstip dat niet strookt met de gebeurtenissen in het museum.’

Het zal naar boven komen als zijn cliënt op het proces vertelt hoe hij aan de zak met de bezwarende inhoud is gekomen, zegt hij. Dan zal hijzelf ook uitleggen waarom Nemmouche zich als een amateur in Marseille heeft laten vangen, ‘hoe hij, als zogenaamde bewaker van gijzelaars in Syrië, geen weerstand bood aan een bierbuik van de douane’.

Courtoy wijst op het profiel van de slachtoffers. Het vermoorde koppel werkte voor de Mossad, zegt hij. Een stelling waarover discussie bestaat. ‘De Israëlische kwaliteitskrant Haaretz heeft het zélf geschreven. De vrouw was een tijdlang cultureel attaché in Berlijn, met een bijzondere belangstelling voor sjiitische kringen.’ Courtoy lijkt een aanslag van de Mossad op zijn eigen mensen te suggereren, een scenario waarop ook islamoloog Tariq Ramadan op Twitter heeft gealludeerd.

Courtoy: ‘Ik heb nitroglycerine in handen: ik zal met een verhaal komen dat niet in de kranten staat. En ik zal het bewijzen. Mijn pleidooi zal minstens drie dagen duren.’


Dringender zaken

Merkwaardig blijft dat Mehdi Nemmouche bij zijn terugkeer uit Syrië ongestoord zijn gang kon gaan. Half maart 2014 landt hij, na omzwervingen in Azië, op de luchthaven van Frankfurt. De Duitse inlichtingendienst seint de Franse in. Toch gaat hij even later ondergronds. Hij blijft onzichtbaar tot zijn arrestatie, 2,5 maand later.

Een fout van de Franse inlichtingendienst, schrijft Le Nouvel Observateur op zijn site: ‘Ze hebben Nemmouche onder de naam van zijn oom in hun bestand opgeslagen.’ Eén dag later moet het blad alweer het bericht corrigeren: er heeft geen persoonsverwisseling plaatsgevonden.

Maar wat is er dan wel gebeurd? ‘Geen idee,’ zegt Courtoy, met een brede glimlach die verraadt dat hij hogere machten vermoedt.

‘Heel simpel,’ zegt de vertegenwoordiger van de inlichtingendiensten. ‘Nemmouche heeft de identiteit van een vriend uit Kortrijk aangenomen. Met een vals paspoort heeft hij zichzelf onzichtbaar gemaakt.’

Het is maar de vraag of dat klopt. Eind juli bracht De Standaard uit dat Nemmouche van begin april tot half mei, tot enkele dagen voor de aanslag in het Joods Museum dus, op een appartement in Molenbeek heeft gewoond. Bij de arrestatie van Nemmouche belde de Molenbeekse huisbaas meteen naar de politie: hij had de dader herkend. ‘Twijfel was er niet. Bij het sluiten van zijn huurcontract gaf Nemmouche namelijk ook een kopie van zijn paspoort aan de huisbaas.’ Dat zet de theorie van het valse paspoort op losse schroeven.

De vertegenwoordiger van de inlichtingendiensten zucht. Het dossier-Nemmouche heeft hij al een poos geleden gesloten, zegt hij. Er zijn dringender zaken te doen: ‘Er zullen nog kerels van hetzelfde slag opduiken, onbetekenende lui die met terreurdaden naar bevestiging zoeken: Merah en Nemmouche zijn pas het begin.’

‘Een Deens onderzoek wijst uit dat één op de negen Syriëstrijders zich bij zijn terugkeer met geweld inlaat. In België zijn 325 mensen naar ginder vertrokken. Je hebt nog 300 potentiële vertrekkers en bijna evenveel mensen met diepe sympathie voor de zaak. Een negende van negenhonderd mensen, dat is véél om in de gaten te houden. Nee, ik ben pessimistisch: you ain’t seen nothing yet.’

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234