De memoires van Brunhilde Pomsel, secretaresse van Joseph Goebbels

Begin dit jaar overleed Brunhilde Pomsel, vanaf 1942 de persoonlijke secretaresse van Joseph Goebbels en de laatste getuige van het naziregime. In ‘Een Duits leven’ haalt ze herinneringen op aan haar jaren in dienst van de minister van Propaganda. ‘Dat er concentratiekampen bestonden, wist ik al een tijd, maar dat ze daar mensen vergasten en verbrandden – nooit.’ Een voorpublicatie.

'Ik voelde me door mijn gevangenschap absoluut slecht behandeld. Ik had toch alleen maar wat typewerk voor meneer Goebbels gedaan?'

Op 2 februari 1943 lijden de Duitse troepen een nederlaag in de slag om Stalingrad in Rusland, het begin van het einde voor het naziregime. Met de beruchte ‘Wollt ihr den totalen Krieg’-toespraak in het Berlijnse Sportpalast probeert Goebbels het tij alsnog te keren. Pomsel zit in het publiek.

Zijn ware gezicht leerde ik pas langzaam kennen. Ik herinner me nog zijn beroemde rede in het Sportpalast. We wisten dat Goebbels die middag een toespraak zou houden en ineens werd gezegd dat er twee dames uit de antichambre naartoe moesten. We keken elkaar aan, niemand meldde zich vrijwillig. Dus moest ik, samen met een jong meisje. Daarop kwam een SS-man ons ophalen in een chique Mercedes. Hij reed ons naar het Sportpalast aan de Potsdamer Straße en bracht ons naar één van de rangen. Echt prachtige plaatsen, vlak bij de sprekerstribune. De zaal zat al vol opgetrommelde arbeiders. Voor zulke manifestaties, waarvoor mensen in de fabrieken werden geronseld, wilde iedereen zich drukken. En zeker in die tijd. Vrijwillig meldde zich helemaal niemand meer.

We waren nog niet binnen of het spektakel barstte los. Achter ons zat mevrouw Goebbels met twee kinderen en naast ons zaten SS-mannen, een echte tribune voor de elite. De muziek marcheerde binnen. De gebruikelijke strijd- en marsmuziek, gezang en alles wat erbij hoorde. En toen kwam de spreker. En spreken kon hij, goed en overtuigend. Die dag zweepte hij iedereen zo op, dat het veel weg had van een uitbarsting in een krankzinnigengesticht. Als door een wesp gestoken, lieten al die mensen zich volledig gaan, ze schreeuwden, stampvoetten en hadden zich het liefst de armen uit hun lijf gerukt. Een oorverdovend kabaal.


Behekst

Mijn collega stond naast me, haar handen ineengewrongen, we hapten beiden naar adem, zo schrokken we van wat hier gebeurde. Niet alleen van Goebbels of van de mensen, maar dat zoiets überhaupt mogelijk was. Wij beiden waren geen deel van die massa: wij waren toeschouwers, misschien wel de enige toeschouwers. Ik denk dat hijzelf ook niet meer wist wat hij zei. Woorden schieten tekort om te beschrijven hoe hij die honderden mensen zover wist te krijgen dat niemand bleef zitten, dat ze allemaal overeind kwamen om te schreeuwen en te juichen. Het lukte hem. Ik denk dat hij zelf niet wist hoe. En wij, dat weet ik nog, wij stonden daar en hadden elkaar stevig bij de hand gepakt, mijn kleine collega en ik. We stonden als verstijfd van wat daar gebeurde.

Een SS-man achter ons klopte ons op de schouders en zei: ‘Klap toch mee.’ En toen hebben we meegeklapt. Dat kon niet anders, natuurlijk. Je kon jezelf ook niet buitensluiten. Het moest wel. We hebben meegeklapt alsof we dronken waren. We hadden beiden het idee dat het allemaal verschrikkelijk was. Ik denk dat wie niet zou hebben meegejuicht, door zijn buren was gelyncht. Ik had mijn hele leven nog nooit zoiets meegemaakt, het was geen geestdrift, het was alsof ze niet wisten wat ze deden. ‘Wollt ihr den totalen Krieg?’ ‘Ja!’ Een ondubbelzinnig ja.

De SS-man die ons had gebracht, bracht ons ook weer naar huis, allebei totaal van de kaart door het hele gebeuren. Het eigenlijke thema van Goebbels’ rede hadden we helemaal niet meegekregen, we hadden alleen die razende massa gezien. Mensen die zelf absoluut niet wisten waarom ze zo tekeergingen. Het was een natuurfenomeen. Die mensen konden het niet helpen. En Goebbels zelf waarschijnlijk ook niet. Alsof hij zelf niet begreep wat hij daar aanrichtte, zo kwam hij me toen voor. Als een vlammetje dat helemaal niet weet waartoe het in staat is – en dan die razende massa. We hadden Goebbels nog niet eerder van die kant leren kennen. We gingen immers nooit naar bijeenkomsten. Dat was ook wat ons zo schokte. Dat totaal andere. Maar verder denken deden we ook niet. We waren immers jong en je dacht er niet zo over na, niet zoals je er later over nadacht, toen alles te laat was.

Nu, na zoveel jaren waarin ook zoveel is gebeurd, zie ik dat allemaal heel anders. Veel dieper en veel griezeliger. Dat een mens honderden mensen zover weet te krijgen dat ze alsmaar schreeuwen, schreeuwen, schreeuwen: ‘Ja, wir wollen den totalen Krieg!’ Als je dat nu zou vertellen, zou toch iedereen zijn hoofd schudden en zeggen: ‘Waren ze dan allemaal bezopen of zo? Wat bezielde die mensen om zo te schreeuwen?’ Ja, ze konden niet anders. Ze waren echt behekst, door één man. Er zullen vast wel psychologen zijn die zich bezighouden met de vraag hoe zoiets mogelijk is. Als ik eraan denk, vraag ik me af: ‘Hoe kon het, dat hij zo’n uitwerking op ons had?’

Over Goebbels kan ik verder nog zeggen dat hij een uitstekend acteur was. Ik durf wel te beweren dat vrijwel niemand de gedaanteverandering van een welopgevoede, serieuze man in een wilde herrie-schopper beter kon spelen dan hij. Je herkende hem gewoonweg niet meer. Dat was ook wat ons aan dit Sportpalast-gebeuren zo had geschokt. Als je meemaakt hoe een man die je bijna elke dag op kantoor ziet – beschaafd, chic, haast adellijk chic – ineens zo’n tierende dwerg wordt, een groter contrast is haast niet denkbaar. Ik heb hem op dat moment afschuwelijk gevonden. Angstaanjagend. Maar ik heb het later ook weer verdrongen.


verkrachtingen

Later werd mij vaak gevraagd wat er bij ons zoal over het bureau ging. We waren als administratie ook met heel onschuldige zaken bezig. Er was helemaal niet zoveel werk. We zaten daar in de antichambre veel te telefoneren. Gewoon heel simpele dingen, zoals je die in elk bedrijf hebt: ook daar weet niet iedereen wat er allemaal achter steekt. Ook kreeg ik nooit iets te horen over wat ze bijvoorbeeld op Radio London hadden gehoord. Daar had je immers wél een kritische berichtgeving. Maar zulke vrienden had ik niet. Misschien waren ze tegenover mij ook wel voorzichtiger, omdat ik bij Goebbels zat. Maar we wilden ook eigenlijk helemaal niets weten. We wisten dat de oorlog verschrikkelijk was. Die werd ons ook voorgeschoteld als noodzakelijk, zodat Duitsland zou kunnen blijven leven. De hele wereld was tegen ons, dat was de strekking. We hadden ook geen vrienden in het buitenland, zo groot was je vrienden- en kennissenkring vroeger niet. We keken niet over de grens, en tijdens de oorlog al helemaal niet.

Natuurlijk bestond een groot deel van het werk uit het opsmukken van de naakte feiten aan het front of in het Rijk; die werden gewoon op aanwijzing gecorrigeerd, zodat het positiever voor ons uitpakte. Dat was het grondbeginsel van de volksvoorlichting. Aan het eind van de oorlog kregen we altijd van die roze of gele A4’tjes. Daarop stonden dan de laatste waarheden. Ook cijfers: de verliezen bij gevechten en het aantal verkrachtingen van Duitse vrouwen door de oprukkende Russen. Onvoorstelbaar gewoon. Die aantallen werden dan aangedikt en doorgegeven aan de kranten en de radio. Stond er bijvoorbeeld ‘in het dorp werden twintig vrouwen verkracht’, dan werd er dertig van gemaakt, enzovoort. Zulke zaken werden opgeklopt voor het volk. De gruweldaden van de vijand werden verveelvoudigd.

'Toen eerst Hitler en daarna Goebbels en zijn gezin zich van het leven beroofden, verdoofden we ons met alcohol.'

De echt belangrijke dingen of geheime bevelen werden in elk geval altijd opgeborgen in de kluis. Daar konden alleen de adviseurs bij. En ik bracht ze weg. Maar zelfs al had ik het gewild, veel ervan zou ik er tijdens die paar stappen niet van hebben kunnen lezen. Al met al was het een kwestie van twee minuten. Ik weet maar ten dele met wat voor dossiers ik daar liep. Ook veel van het Volksgerichtshof (de speciale rechtbank waar mensen die beschuldigd werden van landverraad moesten verschijnen, red.). Daarvan heb ik geen woord zelf geschreven of gedicteerd gekregen en de andere dames ook niet. Niemand wist ook maar iets. Bovendien waren we gebonden, ik had een eed moeten afleggen. Toen ik bij het ministerie begon, kreeg ik speciaal een boek in handen gedrukt over gedragsregels en gebruiken. Dat je bijvoorbeeld niet met een rode of groene pen mocht werken. Ten strengste verboden. Zulke dingen moest je allemaal weten. Moest ik in mijn hoofd prenten. Het was allemaal strikt ingeperkt. We wisten verder niets.


In de kelder

De laatste dagen van het regime, in april 1945, brengt Pomsel door in de schuilkelder van het ministerie, naast de Führerbunker. In gezelschap van de laatste getrouwen schuilt ze tien dagen lang voor de Russische bombardementen, tot de val van Berlijn op 2 mei.

Aan het eind van de oorlog zaten we bijna alleen nog maar in die rotkelder van het ministerie. En geloofden we nog in dat idiote leger van Wenck, dat achter de rug van de invallende Russen opereerde, hen van achter zou aanvallen en zo de beslissing zou forceren en de oorlog voor ons zou winnen. Toen we in april de kelder in gingen, één dag na Hitlers verjaardag, geloofde ik daar nog altijd in. Je praatte toen met niemand meer. Maar we geloofden het allemaal en we voelden ons er veilig. En we werden af en toe op de hoogte gehouden van wat er zich in de Führerbunker afspeelde. Er kwamen mensen langs om ons te informeren, zoals Goebbels’ adjudant, meneer Schwägermann. Günther Schwägermann was een fijne vent, een aardige kerel. Hij vertelde ons dat Goebbels nu met zijn gezin in de Führerbunker woonde. Ook de kinderen.

We deden weinig anders dan zitten en kijken of er ergens in een kelder misschien nog voorraden lagen. Wijn was er genoeg, maar we hadden ook wat te eten nodig. We vonden conserven, die hebben we opgegeten. Je kon immers niet de kelder uit om wat te gaan kopen, je kon nog niet eens je hoofd buiten de deur steken. Toen werden er gewonden bij ons binnengebracht. Gewond geraakt bij straatgevechten met de Russen. En langzaamaan begon het ons te dagen dat het met dat leger van Wenck niet goed kwam, dat daar waarschijnlijk helemaal niets van klopte. We sloten de deuren en hebben ons ingekapseld. Wat moesten we anders? God nog aan toe, we vegeteerden alleen maar! En toen kwam Schwägermann: ‘Hitler heeft zich van het leven beroofd.’ Toen waren we voor het eerst allemaal naakt. We stonden daar maar. Niemand zei iets, ieder dacht er het zijne van. En toen ging hij weer weg. Hij had ons alleen willen informeren omdat hij wist dat we geen flauw idee hadden van wat zich in de Führerbunker afspeelde.

'Als je meemaakt hoe een beschaafde man die je bijna elke dag op kantoor ziet, ineens zo'n tierende dwerg wordt: een groter contrast is haast niet denkbaar'

Iedereen wist wat het te betekenen had: oorlog voorbij en verloren. Hoe we dat toen precies beleefden, dat weet ik allemaal niet meer. Na een hele dag en een hele nacht kwam Schwägermann opnieuw: ‘Goebbels heeft zich van het leven beroofd. En zijn vrouw ook.’ ‘En de kinderen?’ ‘De kinderen ook!’ Dan schieten woorden tekort. Waarschijnlijk probeerden we voldoende alcohol te regelen. Die hadden we hard nodig. We moesten onszelf verdoven. En de stemming? Er was wel angst, maar er was ook een zekere berusting, een soort onverschillig-heid: ‘Nu is het zover. Nu is alles voorbij.’ Ik heb niet eens gedacht: ‘Zullen ze me nu doodschieten of gaan de Russen me verkrachten?’ Dat deed er allemaal niet toe. Het leek wel of ik vanbinnen dood was. Elk gevoel was verdwenen. Er was niet eens meer plaats voor angst. Alleen dat gevoel dat alles voorbij was. Meer niet. Alles was voorbij.


Douchen in Buchenwald

Als de Russen Berlijn veroveren, wordt Pomsel gearresteerd. Ze belandt in het Speziallager nr.2, een gevangenis op het terrein van het voormalige concentratiekamp Buchenwald. Vijf jaar later komt ze vrij.

'We waren jong, en hebben er pas over nagedacht toen het te laat was.'

Pas na mijn gevangenschap heb ik gehoord wat er was gebeurd. De andere mensen in Duitsland werden er langzaam mee bekend gemaakt. Na afloop van de oorlog en bij de processen van Neurenberg kregen ze stukje bij beetje te horen wat er zich allemaal had afgespeeld. Het is net zo erg wanneer je het geleidelijk te weten komt. Elke dag wat, elke dag wat. Daar wen je aan. Toen ik in één keer vernam van de dingen die in concentratiekampen gebeurd waren – van die foto’s, van die massagraven – toen werd ik wakker. Maar het kan toch niet onze schuld geweest zijn als we het niet geweten hebben? En het zal ook nooit mijn schuld worden. We waren geïsoleerd. En wat Goebbels betreft – pas aan het eind heb ik begrepen wat voor mensen hij en zijn vrouw moeten geweest zijn. Met name vraag ik me af waarom zij zichzelf en vooral hun kinderen moesten ombrengen. Men zegt ook – ik weet niet waar ik het vandaan heb – dat de oudste dochter zich vreselijk heeft verzet. Ze kregen waarschijnlijk eerst een slaaptablet. Het kind moet geweten of vermoed hebben wat haar boven het hoofd hing, en zou zich hebben verzet. Onvoorstelbaar gewoon.

Dat Goebbels zichzelf van het leven beroofde: goed, hem bleef waarschijnlijk niets anders over. Maar voor de rest is het één en al lafhartigheid. De kinderen daarbij betrekken – onvergeeflijk! De kinderen zouden hebben geleefd en zelf volwassen zijn geworden. Nee, dit is zo wreed. Dat een moeder haar eigen kinderen kan ombrengen. En dan nog zo weloverwogen. Een moord in een opwelling valt soms nog wel te verontschuldigen, maar deze misdaad is net zo groot als de hele oorlog. Mensen die dit drama op hun geweten hebben en zich vervolgens op die manier uit de voeten maken en zich aan hun verantwoordelijkheid onttrekken, dat zijn voor mij heel laffe honden. Ze slikken een pilletje en weg zijn ze.

Dat er concentratiekampen bestonden, wist ik al een tijd, maar dat ze daar mensen vergasten en verbrandden – nooit. Als ik me voorstel dat ik in Buchenwald zelf onder zoiets heb gestaan, als we erheen werden gebracht om te baden… Je moest je kleren uitdoen en ze ophangen aan een haak – haak nr. 47, die was van mij. En tijdens het douchen werden de kleren gestoomd en vervolgens met hetzelfde nummer in een andere ruimte gehangen. Zodat ik ze na de douche kon terugvinden. Ik stond intussen een kwartier lang in een grote betegelde ruimte. En boven waren op bepaalde afstanden grote douchekoppen aangebracht. En dan spoot het water eruit en ging je eronder staan, daarna werd het bijgesteld en sproeide het fijn. Je kreeg een stukje zeep zodat je je kon wassen. En de douche bleef een hele tijd warm – tot hij koud werd en dan moest je weer naar buiten naar die andere warme ruimte, die was altijd heerlijk warm. Dan kleedde je je aan en ging je weer weg.

Later voelde ik me nog misselijk worden bij de gedachte dat op dezelfde plaats waar wij altijd verlangend naar uitkeken, omdat we eindelijk weer eens warm water over ons heen kregen, dat diezelfde dingen gebruikt werden om gas doorheen te voeren en Joden te vermoorden. Maar ik voelde me door mijn gevangenschap absoluut slecht en verkeerd behandeld. Ik had toch alleen maar wat typewerk voor meneer Goebbels gedaan? Van de gruweldaden wisten vooral diegenen die rechtstreeks met inrichtingen en gevangenissen vandoen hadden. Maar zij spraken daar niet over, vooral uit angst dat zij dan zelf zouden moeten boeten. Nee, schuldgevoel ontbreekt bij mij ten enenmale. Schuldig ben ik wanneer ik iets doe.

‘Een Duits leven’ verschijnt op 28 juni bij Xander.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234