De memoires van Michelle Obama. 'Barack was de storm die alles omverblies'

De bestseller van het najaar is nu al bekend: op dinsdag 13 november verschijnt wereldwijd in 24 talen de autobiografie ‘Mijn verhaal’ van Michelle Obama. De echtgenote van de 44ste president van de Verenigde Staten vertelt daarin uitgebreid over haar jeugd, haar carrière als advocate en de openbloeiende romance met Barack, de woelige jaren in het Witte Huis en het leven erna: ‘Waarom zou iemand die zo slim is als jij, iets doen wat zo dom is als dat?’ Een voorpublicatie.

'Ik was smoorverliefd. Ik hield van zijn trage stem en hoe zijn blik ontspande als ik een leuk verhaal vertelde'

Barack rookte zoals mijn ouders rookten: na het eten, tijdens een wandeling op straat of als hij zenuwachtig was en iets met zijn handen moest doen. In 1989 werd er veel meer gerookt dan vandaag en behoorde het meer tot het gewone leven. Er werd pas sinds kort onderzoek gedaan naar de effecten van meeroken. Mensen rookten toen nog in restaurants, kantoren en luchthavens. Maar ik had die filmpjes gezien. Voor mij en voor iedere verstandige mens die ik kende, was roken je reinste zelfvernietiging.

Barack wist precies wat ik ervan vond. Onze vriendschap was gebouwd op een uitgesproken openhartigheid die we beiden waardeerden. ‘Waarom zou iemand die zo slim is als jij, iets doen wat zo dom is als dat?’ liet ik me op de dag van onze eerste ontmoeting ontvallen toen ik zag dat hij onze lunch afsloot met een sigaret. Het was een eerlijke vraag.

Ik herinner me dat hij slechts zijn schouders ophaalde en toegaf dat ik gelijk had. Er kwam geen ruzie van, er werd geen argument naar voren gebracht. Roken was het enige onderwerp waarover Barack niet logisch was.

Maar of ik het nu wilde toegeven of niet, iets tussen ons was aan het veranderen. Op dagen dat we het te druk hadden om elkaar te zien, betrapte ik mezelf erop dat ik me afvroeg wat hij aan het doen was. Ik praatte mezelf aan dat ik niet teleurgesteld was als hij niet in de deuropening verscheen. Ik praatte mezelf aan dat ik niet opgewonden was als hij het wel deed. Ik voelde iets voor die man, maar het was latent, diep verborgen onder mijn besluit om mijn leven en mijn carrière voorop te plaatsen, zonder enig drama. Mijn jaarlijkse beoordelingen waren uitstekend. Ik was op weg partner te worden van Sidley & Austin, vermoedelijk nog vóór mijn 32ste verjaardag. Het was precies wat ik had gewild – of daarvan probeerde ik mezelf tenminste te overtuigen.

Ik mag dan wel hebben genegeerd wat er tussen ons aan het groeien was, maar Barack niet. ‘Volgens mij moeten we eens uitgaan,’ kondigde hij op een middag na een lunch aan.

‘Wat, jij en ik?’ Ik deed alsof ik geschokt was dat hij de mogelijkheid zelfs maar overwoog. ‘Ik heb je toch verteld dat ik niet date. En ik ben je mentor.’

Hij schonk me een droog lachje. ‘Alsof dat ertoe doet. Je bent mijn baas niet,’ zei hij. ‘En je bent behoorlijk leuk.’

Barack had een glimlach die de hele breedte van zijn gezicht in beslag leek te nemen. Hij was een dodelijke combinatie van vleiend en redelijk. De dagen daarop toonde hij meer dan eens aan waarom we met elkaar moesten uitgaan. We vulden elkaar aan. We maakten elkaar aan het lachen. We waren allebei vrijgezel en bovendien bekenden we dat we eigenlijk geen enkele belangstelling hadden in wie we verder ook ontmoetten. Voor niemand van de firma, beweerde hij, was het een probleem als wij zouden daten. Misschien werd het zelfs wel als positief ervaren. Hij nam aan dat de partners wilden dat hij over enige tijd bij het bedrijf zou komen werken. Als hij en ik een stelletje waren, vergrootte dat de kans dat hij dat daadwerkelijk deed.

‘Je bedoelt dat ik een soort lokaas ben?’ zei ik lachend. ‘Je vleit jezelf.’

In de loop van de zomer organiseerde de firma een paar evenementen en uitjes voor de stagiairs. Er werd een formulier rondgestuurd waarop iedereen kon aangeven waar hij naartoe wilde. Eén evenement was een opvoering van ‘Les misérables’ in een theater niet ver van het kantoor. Ik schreef ons beiden in, wat gebruikelijk was voor een mentor van een stagiair. We werden geacht samen aanwezig te zijn op bijeenkomsten die de firma organiseerde. Ik werd geacht ervoor te zorgen dat hij een leuke en positieve ervaring zou opdoen bij Sidley & Austin. Dat was waar het om draaide.

We zaten in het theater naast elkaar, allebei uitgeput na een lange dag werken. Het doek ging omhoog en het zingen begon, en we kregen een grijs, naargeestig Parijs te zien. Ik weet niet of het mijn stemming was of dat het aan ‘Les misérables’ lag, maar het volgende uur voelde ik me hopeloos verpletterd door de Franse ellende. Gegrom en ketens. Armoede en verkrachting. Miljoenen mensen overal ter wereld waren verliefd geworden op die musical, maar ik zat onrustig in mijn stoel en probeerde uit te stijgen boven de onverklaarbare pijn die ik voelde, elke keer als de melodie terugkwam.

Toen het licht aanging voor de pauze, wierp ik een blik op Barack. Hij zat in elkaar gezakt, met zijn rechterelleboog op de armleuning en zijn wijsvinger op zijn voorhoofd, zijn gezichtsuitdrukking was neutraal. ‘Wat vind je ervan?’ vroeg ik.

Hij keek me van opzij aan. ‘Vreselijk, hè?’

Ik lachte, opgelucht dat hij er ook zo over dacht.

Barack ging rechtop zitten. ‘Als we eens vertrokken?’ zei hij. ‘We kunnen toch gewoon weggaan?’

Gewoonlijk zou ik er niet vandoor gaan. Zo iemand was ik niet. Ik vond het te belangrijk wat de andere juristen van me vonden, en wat ze zouden denken als ze onze lege stoelen zagen. Ik vond het in het algemeen te belangrijk om af te maken waaraan ik was begonnen, om alles tot het adembenemende einde uit te zitten, zelfs als het een opgeklopte Broadwaymusical was op een verder prachtige woensdagavond. Dat was jammer genoeg de vakjesaankruiser in me. Ik verdroeg ellende omdat ik de schijn wilde ophouden. Maar nu, zo leek het, had ik iemand getroffen die dat niet deed.

We ontweken iedereen die we van het werk kenden – de andere mentoren en hun stagiairs die in de lobby uitbundig stonden te stralen – en slopen het theater uit, de zwoele avond in. Het laatste licht verdween net uit de paarse hemel. Mijn opluchting was zo tastbaar dat Barack in de lach schoot.

'Barack had een glimlach die de hele breedte van zijn gezicht in beslag leek te nemen. Hij was een dodelijke combinatie van vleiend en redelijk'

‘En waar gaan we nu naartoe?’ vroeg ik.

‘Als we eens wat gingen drinken?’

We liepen naar een bar in de buurt op dezelfde manier als we altijd leken te lopen: ik een stapje voor hem, hij een stapje achter mij. Barack kuierde. Hij bewoog zich met Hawaïaanse ongedwongenheid, hij had nooit haast, zelfs en juist niet als hem werd gezegd dat hij zich moest haasten. Ik daarentegen liep altijd door, zelfs tijdens mijn vrije uurtjes, en kon me moeilijk inhouden. Maar ik herinner me hoe ik die avond iets langzamer liep, net voldoende om te kunnen verstaan wat hij zei, omdat het in me begon op te komen dat alles wat hij zei, me iets kon schelen.

Tot dan toe had ik mijn bestaan zorgvuldig opgebouwd en elk los en onordelijk eindje opgeborgen, alsof ik een strak en onbeweeglijk origamimodel aan het maken was. Ik had mijn uiterste best gedaan om het te maken en ik was trots op hoe het eruitzag. Maar het was kwetsbaar. Als een hoekje losraakte, kon ik er weleens achter komen dat ik rusteloos was. Als een ander hoekje losschoot, dan onthulde dat misschien dat ik helemaal niet zo zeker was van het carrièrepad dat ik zo doelbewust had gekozen, van alle dingen waarvan ik mezelf had wijsgemaakt dat ik ze wilde. Nu denk ik dat dat de reden was waarom ik mezelf zo goed bewaakte, waarom ik nog steeds niet klaar was om me voor hem open te stellen. Hij was als een storm die alles dreigde omver te blazen.


Zaad van verlangen

Een dag of twee later vroeg Barack of ik hem een lift wilde geven naar een barbecue voor stagiairs, die dat weekend zou plaatsvinden in het huis van een senior partner in één van de dure wijken langs de oevers van het meer ten noorden van de stad. Zover ik me herinner, was het een mooie dag en schitterde het meer aan de rand van het goed onderhouden gazon. Een cateraar serveerde het eten, terwijl muziek door luidsprekers klonk en mensen commentaar gaven op de smaakvolle grandeur van het huis. De hele sfeer ademde rijkdom en comfort, een niet zo subtiele hint naar de beloning die je krijgt als je je volledig op je werk stort. Ik wist dat Barack nog altijd worstelde met wat hij met zijn leven wilde doen, welke richting zijn carrière zou uitgaan. Hij had een ongemakkelijke verhouding met rijkdom. Net als ik had hij die nooit gekend en verlangde hij er ook niet naar. Hij wilde veel liever iets betekenen dan rijk te zijn, maar hij was nog steeds op zoek naar wat.

We wandelden nog net niet als een stel op het feestje rond, maar we waren wel bijna de hele tijd bij elkaar, zwervend tussen groepjes collega’s terwijl we bier en limonade dronken en hamburgers en aardappelsalade van plastic borden aten. We verloren elkaar uit het oog en vonden elkaar terug. Hij flirtte wat met me en ik flirtte terug. Het voelde heel natuurlijk aan. Een paar van de mannen begonnen te basketballen en ik zag hoe Barack op zijn slippers naar het veldje kuierde om mee te doen. Hij had een goede verstandhouding met iedereen in de firma. Hij sprak alle secretaresses met hun voornaam aan en kon met iedereen goed overweg, van de oude juristen tot de ambitieuze jonge kerels die nu aan het basketballen waren. Hij is een goed iemand, dacht ik bij mezelf en zag hoe hij de bal naar een collega passte.

'Zullen we een ijsje kopen?' zei hij. Ik wist dat het begonnen was, één van de weinige keren dat ik besloot te stoppen met piekeren en gewoon te leven'

Ik had aan de high school en het college tientallen wedstrijden gezien en herkende goede spelers meteen, en Barack slaagde snel voor de test. Hij speelde een atletische, kunstige vorm van basketbal, zijn slungelachtige lijf bewoog snel en toonde een kracht die me niet eerder was opgevallen. Hij was vlug en gracieus, zelfs op zijn Hawaïaanse schoeisel. Ik deed alsof ik luisterde naar wat de ontzettend aardige vrouw van iemand tegen me vertelde, maar mijn ogen bleven gericht op Barack. Ik werd voor de eerste keer getroffen door wat ik zag, door die vreemde mengeling-van-alles-man.

Toen we aan het begin van de avond terug naar huis reden, voelde ik een nieuwe hunkering, een net gezaaid zaadje van verlangen. Het was juli. Barack zou ergens in augustus vertrekken, voortstuderen aan een law school en doen wat het leven verder voor hem in petto had. Uiterlijk was er niets veranderd – we maakten grapjes zoals we altijd deden, roddelden over wie wat had gezegd tijdens de barbecue – maar er kroop een warmte langs mijn ruggengraat omhoog. Ik was me bijzonder bewust van zijn lichaam in de beperkte ruimte van mijn auto, zijn elleboog op de armleuning tussen ons in, zijn knie binnen het bereik van mijn hand. Terwijl we de bocht van de Lake Shore Drive in zuidelijke richting namen, ging ik in stilte bij mezelf te rade. Was er een manier om het niet serieus aan te pakken? Hoe slecht kon het zijn voor mijn baan? Ik had op geen van die vragen een duidelijk antwoord – wat fatsoenlijk was, wie erachter zou kunnen komen en of dat ertoe deed – maar ik besloot dat ik klaar was met wachten op duidelijkheid.

Hij woonde in Hyde Park, waar hij een appartement van een vriend in onderhuur had. Tegen de tijd dat we de buurt in reden, was de spanning tussen ons om te snijden, alsof iets onvermijdelijks, of iets wat voorbestemd was, eindelijk zou gaan gebeuren. Of beeldde ik me dat in? Misschien had ik hem te vaak afgewezen. Misschien had hij het opgegeven en zag hij me nu als een goede, trouwe vriendin, een vriendin met een Saab met airco die hem overal naartoe reed als hij erom vroeg. Ik hield halt voor het gebouw waar hij woonde, mijn geest nog steeds besluiteloos rondtollend. Het was even ongemakkelijk stil, de één wachtte tot de ander afscheid zou nemen. Barack boog zijn gezicht naar me toe.

‘Zullen we een ijsje kopen?’ zei hij. Dat was het moment waarop ik wist dat het begonnen was, één van de weinige keren dat ik besloot te stoppen met piekeren en gewoon te leven. Het was een warme zomeravond in de stad waar ik van hield. De lucht voelde zacht. Er zat een filiaal van Baskin-Robbins in het blok vlak bij Baracks appartement en we namen twee hoorntjes, die we buiten opaten, naast elkaar op de stoeprand. We zaten met opgetrokken knieën vlak bij elkaar, aangenaam moe na een dag in de buitenlucht, terwijl we snel en zwijgend ons ijsje aten en probeerden het op te likken voor het gesmolten was. Misschien zag Barack het op mijn gezicht of leidde hij het af uit mijn houding – het feit dat ik alles los begon te laten.

Hij keek me vragend aan, met een spoortje van een glimlach.

‘Mag ik je kussen?’ vroeg hij.

Toen besloot ik ervoor te gaan en viel alles op z’n plaats.


Matras op de grond

Zo gauw ik toegaf dat ik iets voor Barack voelde, werd ik overdonderd door emoties, door een alles omverblazende storm van lust, dankbaarheid, vervulling en verwondering. Alle zorgen die ik had gekoesterd over mijn leven en carrière en zelfs over Barack, leken met die eerste kus te verdwijnen. Ze werden vervangen door een onweerstaanbare behoefte hem beter te leren kennen, alles van hem zo snel mogelijk te ontdekken en te ervaren.

'Tot dan toe was ik omgegaan met keurige mensen die op de eerste plaats bezig waren met hun carrière en hun gezin. Barack was anders.'

Misschien omdat hij een maand later al terug werd verwacht op Harvard, verspilden we geen tijd aan verplichtingen. Ik was nog niet klaar om een vriendje bij mijn ouders thuis te laten slapen en bracht daarom nachten door in Baracks appartement, een benauwd flatje boven een winkel aan een druk gedeelte van 53rd Street. De jongen van wie hij het in onderhuur had, was er die zomer niet. Die studeerde rechten aan de University of Chicago en had het ingericht zoals iedere goede student zou doen, namelijk met niet bij elkaar passende meubels die hij in tweedehandswinkels had gekocht. Er stonden een paar gammele stoelen en een kleine tafel, en er lag een behoorlijk groot matras op de grond. Overal lagen stapels boeken en kranten van Barack, ook een groot deel van de vloer was ermee bedekt. Hij had zijn colberts over de rugleuningen van de keukenstoelen gehangen, en de koelkast was zo goed als leeg. Erg gezellig was het er niet, maar nu ik alles zag door de lens van onze zich snel ontwikkelende relatie, voelde het als thuis.

Barack intrigeerde me. Hij leek niet op iemand met wie ik eerder een relatie had gehad, vooral omdat hij zo zeker van zijn zaak leek. Hij was openlijk lief voor me. Hij zei me dat ik mooi was. Hij gaf me een fijn gevoel. Voor mij was hij een soort eenhoorn – zo ongewoon dat hij bijna onwerkelijk was. Hij had het nooit over materiële zaken, zoals een huis of een auto kopen, of zelfs maar nieuwe schoenen. Zijn geld ging grotendeels op aan boeken, die voor hem wel heilig leken en zijn geest van bagage voorzagen. Hij las tot laat in de nacht, vaak nog lang nadat ik in slaap was gevallen, en werkte zich door geschiedenisboeken en biografieën, maar hij las ook Toni Morrison. Elke dag las hij verschillende kranten van het begin tot het einde. Hij hield de recensies van de nieuwste boeken bij, de uitslagen van de nationale honkbalcompetitie en de plannen van de bestuurders van de South Side. Hij kon met net evenveel bezieling praten over de Poolse verkiezingen als over welke films criticus Roger Ebert had afgekraakt en waarom.

Het appartement had geen airconditioning en in de zomerse hitte moesten we wel met het raam open slapen. Wat we daarmee wonnen aan comfort, leverden we in aan lawaai. In die tijd was 53rd Street een centrum van nachtelijke drukte, een doorgaande weg voor cruisende lowriders, auto’s waarvan de carrosserie bijna het wegdek raakte, zonder knaldempers. Om het uur, zo leek het, kwam er een politieauto met loeiende sirenes voorbij of begon iemand te schreeuwen en klonk er gescheld en gevloek, waardoor ik verschrikt overeind kwam. Het bracht mij van mijn stuk, maar Barack niet. Ik had het gevoel dat hij zich meer op zijn gemak voelde bij de onbeheersbaarheid van de wereld dan ik, dat hij alles tot zich liet komen zonder erdoor te worden verstoord.

Op een nacht werd ik wakker en zag ik dat hij naar het plafond lag te staren, zijn profiel belicht door de gloed van de straatverlichting. Hij keek zorgelijk, alsof iets persoonlijks hem dwars zat. Was het onze relatie? Het verlies van zijn vader?

‘Hé, waar lig jij aan te denken?’ fluisterde ik.

Hij draaide zijn gezicht naar me toe en keek me met een wat schaapachtige glimlach aan. ‘O,’ zei hij, ‘ik lag na te denken over de inkomensongelijkheid.’

Dat, zo leerde ik, was hoe Baracks geest werkte. Hij fixeerde zich op grote, abstracte zaken, gevoed door één of ander idioot gevoel dat hij in staat zou zijn er iets aan te doen. Ik moet zeggen dat dat nieuw voor me was. Tot dan toe was ik omgegaan met keurige mensen die zich ook wel zorgen maakten over belangrijke zaken, maar toch op de eerste plaats bezig waren met hun carrière en hun gezin. Barack was anders. Hij was ook wel bezig met het alledaagse van het leven, maar tegelijkertijd, en dan vooral ’s nachts, leek zijn geest rond te dwalen in een veel groter gebied.


Betrapt met Barack

Het grootste deel van onze tijd besteedden we aan ons werk in de overdadige rust van het kantoor van Sidley & Austin, waar ik elke morgen al mijn dromerigheid van me afwierp en mezelf terugkatapulteerde naar mijn bestaan als junior medewerker. Ik ging plichtsgetrouw terug naar mijn stapel documenten en de eisen van cliënten die ik nooit had ontmoet. Intussen werkte Barack in een gedeelde kantoorruimte beneden in de hal, waar hij meer en meer werd aanbeden door partners die onder de indruk waren van hem.

'Het huwelijk, zo vertelde hij me al vroeg, was volgens hem een onnodig en overbejubeld instituut.' (Foto: tijdens hun huwelijk in oktober 1992.)'

Ik maakte me nog steeds zorgen over wat gepast was en wat niet, en stond erop dat we onze ontluikende liefde verborgen hielden voor onze collega’s, al lukte dat nauwelijks. Lorraine, mijn assistente, schonk Barack telkens als hij in mijn kantoor verscheen een veelbetekenend glimlachje. We werden zelfs betrapt op de allereerste avond waarop we kort na onze eerste kus als stelletje uitgingen. We waren naar het Art Institute geweest en gingen daarna naar de film ‘Do the Right Thing’ van Spike Lee in de Water Tower Place, toen we daar in de rij voor popcorn opbotsten tegen één van de senior partners, Newt Minow, en zijn vrouw, Josephine. Ze begroetten ons allerhartelijkst, goedkeurend zelfs, en zeiden niets over het feit dat we samen waren. Maar toch, het was gebeurd.

Werken voelde in die periode als een afleiding, iets wat we moesten doen voor we ons weer helemaal op elkaar konden richten. Als we niet op kantoor waren, spraken Barack en ik eindeloos met elkaar tijdens ontspannen wandelingen door Hyde Park in shorts en T-shirt en tijdens maaltijden die snel voorbij leken te gaan, maar in werkelijkheid uren duurden. We bespraken alle platen van Stevie Wonder en analyseerden waarom ze zo goed waren, en deden daarna hetzelfde met die van Marvin Gaye. Ik was smoorverliefd. Ik hield van zijn trage stem en hoe zijn blik ontspande als ik een leuk verhaal vertelde. Ik ging waarderen hoe hij van de ene naar de andere plaats slenterde en zich nooit zorgen maakte over de tijd.

Elke dag deed ik kleine ontdekkingen. Ik was fan van de Cubs, hij van de White Sox. Ik hield van cheeseburgers, hij vond ze verschrikkelijk. Hij hield van duistere, dramatische films, terwijl ik voor romantische komedies ging. Hij was linkshandig en had een onberispelijk handschrift, ik rechtshandig en schreef in hanenpoten. In de maand voor hij terugging naar Cambridge, vertelden we elkaar elke herinnering en elke inval, overliepen we de gekkigheid van onze jeugd, de blunders van onze tienerjaren en de ingehouden aantrekkingskracht tussen ons. Barack was vooral geïntrigeerd door mijn opvoeding, de onveranderlijkheid van jaar tot jaar, van decennium tot decennium aan Euclid Avenue, waar mijn broer Craig, pa en ma en ik de vier hoeken vormden van een onverwoestbaar vierkant.

Barack had veel tijd doorgebracht in kerken in zijn periode als buurtwerker, waardoor hij waardering had gekregen voor kerkgenootschappen, maar hij was toch minder traditioneel gebleven. Het huwelijk, zo vertelde hij me al vroeg, was volgens hem een onnodig en overbejubeld instituut.

Ik herinner me niet of ik Barack die zomer aan mijn familie heb voorgesteld, al zegt Craig van wel. Volgens hem kwamen we op een avond over Euclid Avenue naar huis lopen. Craig was er op bezoek en zat voor het huis op de veranda met mijn ouders. Barack was aardig en vol zelfvertrouwen, herinnert hij zich, en praatte een paar minuutjes over koetjes en kalfjes voor we naar mijn appartement gingen om iets op te halen. Mijn vader mocht Barack direct, maar dacht dat hij niet veel kans zou maken. Hij had per slot van rekening gezien hoe ik mijn high school-vriendje David aan de poorten van Princeton had gedumpt. Hij had gezien hoe ik Kevin de footballspeler had afgewezen zodra ik hem in zijn harige mascotte-outfit had gezien. Mijn ouders wisten wel beter dan zich te snel te hechten. Ze hadden me opgevoed om mijn eigen leven te leiden en dat was wat ik deed. Ik was te gefocust en had het te druk, had ik mijn ouders maar al te vaak gezegd, om ruimte te maken voor een man. Volgens Craig schudde mijn vader zijn hoofd en lachte hij, toen hij mij en Barack zag vertrekken. ‘Aardige knul,’ zei hij. ‘Jammer dat hij niet zal blijven.’

‘Mijn verhaal’ van Michelle Obama verschijnt op 13 november bij Hollands Diep.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234