lief en leed in 50 tinten zwart

De mijnwerkers uit ‘Koolputters’: ‘Na de instorting zat ik 's nachts naast bed: een uitweg te graven’

Al dertig jaar is hij gedempt, ‘de put’ waarin duizenden kompels zich in het zweet werkten, maar dankzij de Canvas-reeks ‘Koolputters’ krijgen we een goed beeld van het leven zoals het was in de Limburgse mijnen. Kroongetuigen Mil (66), Jean (71) en Sophie (79) schilderen een plaatje in stemmig grijs en zwart. Ooit waren de mijnwerkers de redding van het vaderland, maar ze eindigden als verlieslatend blok aan het been. ‘Koolputters’ zorgt voor broodnodig eerherstel: ‘Na de oorlog hebben wij België gered, maar toen ze ons niet meer nodig hadden, moesten we oprotten.’

Hanne Van Tendeloo

Net op de dag dat het klimaat een venijnig voorproefje levert van wat ons nog te wachten staat – een verschroeiende 39 graden – hebben we afgesproken aan het het Mijnmuseum van Beringen. De terril en de schachtbokken tekenen hier nog altijd het landschap. Hoe het was om in de mijn af te dalen, kun je nu enkel nog ervaren in een simulator. Of door naar de verhalen te luisteren van de drie meestervertellers voor ons: ze bezigen het sappigste Limburgs, doorspekt met termen die recht uit Middenaarde lijken te komen.

HUMO Dit soort hitte zijn jullie vast gewoon. In de mijn werkten jullie jarenlang in temperaturen die makkelijk boven de 35 graden gingen.

JEAN PEETERS «Wij wáren dat gewoon, maar dat is intussen lang geleden. Na al die jaren raak je dat kwijt.»

MIL COENEN «Het was ook niet overal in de mijn zo warm: werkte je dicht bij de schacht, dan hingen er soms ijspegels. Hoe verder weg van de schacht, hoe warmer. Van al die temperatuurschommelingen werd je verkouden. Maar zodra je begon te werken, was je verkoudheid weg.»

JEAN «Ja, heel raar. Je kon met spierpijn vertrekken, maar beneden verdween de pijn. Door de warmte waarschijnlijk. De mijn, dat was werken in een sauna.»

MIL «De enige gewoonte die ik maar niet krijg afgeschud, is mijn omgekeerde dag- en nachtritme. Ik heb altijd nachtshiften gedaan. Kwam ik na mijn shift de mijn uit, ging ik recht naar de barak ertegenover, at ik vijf worsten en dronk ik een paar pinten – van mijnwerk krijg je dorst. Pas daarna kroop ik in bed.»

JEAN «Ik deed ochtendposten en ben meer dan twintig jaar om halfvier opgestaan. Nog elke ochtend ben ik om vijf uur klaarwakker.»

HUMO Hoe zijn jullie in de put beland?

MIL «In 1976 ben ik getrouwd – ik was net 20 – en acht dagen later ging ik in de mijn werken. Thuis waren ze daar niet blij mee: ze vonden ’t te gevaarlijk. Mijn schoonvader was mijnwerker geweest en bij hem hadden ze een stuk long moeten wegnemen, nadat hij van het bosement (de kopgalerij, red.) was gevallen. Mijn pa had in de oorlog even in de mijn gewerkt en moest er ook niks van weten. Hij zei altijd: ‘Als ge in de put gaat, dan stamp ik uw poten over.’ Ik heb het achter hun rug toch gedaan, maar ze zagen het meteen: ik kwam thuis met zwarte kringen rond mijn ogen. Aan die gratis mascara herkende je elke mijnwerker.»

SOPHIE GRUSZWOSKI «En nu schminken de meisjes zich zo.»

MIL «Niet alleen meisjes. Sommige jongens doen dat ook.»

HUMO Waarom droomde je van de mijn?

MIL «Ik wilde gewoon zoveel mogelijk geld verdienen en zoveel mogelijk verlof. Op mijn 15de was ik bij Renault in Vilvoorde gaan werken, omdat ze daar goed betaalden. Mijn schoonbroer was mijnwerker en op een dag hebben we onze loonbrieven naast elkaar gelegd: hij verdiende meer. Toen stond mijn besluit vast. De grootste ontgoocheling kwam toen ik mijn eerste kezèm kreeg (van het Frans quinzaine, tweewekelijks loon, red.) en dat veel minder bleek te zijn dan bij Renault. Ik weet het nog goed: 12.000 frank.»

SOPHIE (tot Humo) «Zeg, pak eens een papier en schrijf dat eens allemaal op.»

HUMO Niet nodig: mijn recorder neemt alles op.

SOPHIE «Ah, da’s modern.»

MIL «Ik ben direct naar het bureau gegaan. Daar zat één of andere ingenieur: ‘Meneer, als ik hier niet méér kan verdienen, dan ben ik weg.’ Ze hadden nood aan mijnwerkers, zeker aan Belgische. Toen mocht ik in de pijler beginnen, waar ze de kolen ontginnen. Dat was het zwaarste en best betaalde werk.»

HUMO En het gevaarlijkste?

JEAN «Pfft, álles was gevaarlijk.

»Ik ben in de put van Waterschei begonnen toen ik 17 was. Ik verdiende 140 frank per dag.»

HUMO Studeren was geen optie?

JEAN «Jawel: ik ben naar de mijnschool gegaan. Niet dat ik thuis gedwongen werd, maar mijn vader werkte al in de mijn. Ik heb er gewerkt tot de sluiting in 1989.»

HUMO Sophie, jouw vader, man en broers waren mijnwerkers. Je vader werd als Poolse gastarbeider naar hier gehaald.

SOPHIE «Mijn vader zat na de oorlog als krijgsgevangene vast in Neurenberg. Daar zijn de Belgen hem komen ronselen. Na een zwaar ongeluk is hij moeten stoppen met werken, maar hij is zijn hele leven blijven zeggen: ‘Ik zou nog elke dag terug willen naar de mijn.’ Net voor de mijn zou sluiten, ben ik er met hem eens naartoe gegaan. Ik heb toen gezien hoe het daar was. (Huilt) Ik zei tegen Stefan, mijn man: ‘Ik zou nog liever elke dag droog brood eten dan dat jij hier zou moeten werken.’ Het was ontzettend zwaar werk.»

HUMO Je man heeft er toch gewerkt?

SOPHIE «Ja. Zijn broer had de gasontploffing van ’39 overleefd. Hij was volledig verbrand. Ze wisten niet of hij het zou halen – de doodskist lag al klaar onder zijn ziekenhuisbed – maar hij is er toch doorgekomen. Nooit wilde hij nog in de put, maar hij móést. Toen zijn jongere broer – mijn man, dus – ook naar de mijn ging, heeft hij gehuild: hij wilde zo’n leven niet voor zijn broertje. Maar in die tijd was het hier armoe troef. Ik heb vaak op het ris gezeten om kolen te rapen.»

HUMO Waar zat je?

SOPHIE «Op het ris, de berg met kolenafval. Zakken vol droeg ik naar huis, ook al brandde dat slecht.»

MIL «Het was werkmanskool, met veel steen erin. Als je dat opbrandde, zette het uit en brak je kachel.»

SOPHIE «Om mijn steentje bij te dragen, ben ik ook gaan werken. Ik wilde liever studeren in Hasselt, maar dat kostte 5.000 frank en zoveel geld hadden mijn ouders niet. Ik heb overal gewerkt, maar niet in de mijn. Spijtig. Daar had ik misschien meer verdiend.»

HUMO Waarom werkten er eigenlijk geen vrouwen in de mijn?

MIL «Boven in de lampenzaal werkten vier vrouwen.»

HUMO Maar waarom niet onder de grond?

MIL «Vrouwen in de mijn? Oei, dat was niet goed gekomen. Een mijnwerker praat maar over twee dingen, zeiden ze vroeger: geld en gat (lacht).»

SUNLIGHT

HUMO Het leven in en rond de mijn was hard, en toch dwepen jullie er nog altijd mee.

MIL «De put was mijn tweede thuis. Aan alles wat ik heb, hangt een stukje van de mijn. Ik heb destijds een huis kunnen bouwen dankzij een goedkope lening van de mijn. Als klein manneke hadden we thuis geen badkamer, maar voor 20 frank mochten we ons op zaterdag in de badzaal van de mijn gaan wassen. Alles was van de mijn: de school, de roeiclub, de harmonie… Zelfs na de sluiting bleef alles rond de mijn draaien. Ik was twintig jaar lang verbonden aan het Mijnmuseum. We organiseerden kerstmarkten en happenings om mensen naar hier te lokken.

»Nergens had je meer kameraadschap. Als je in zulke harde omstandigheden moet werken, word je snel kameraden. Alles was er ongezond en gevaarlijk: je zat dagenlang in een pijler van een halve meter hoog te wroeten, het was er soms 40 graden, het stonk er naar pis en kak… Ah ja, wc’s waren er niet onder de grond.»

JEAN (wijst naar een tafel) «Kruip daar maar eens onder en probeer dan te kakken: niet simpel. Wc-papier had je niet. Afkuisen deed je met je hand, die je daarna aan het stof afveegde. Moest je nog een tweede keer vegen, dan schuurde het wel een beetje (lacht).

»De eerste keer naar beneden in de lift: dat maakte indruk. Je gaat met zo’n vaart dat je oren suizen. We daalden af tot een diepte van 700 tot 1.040 meter.»

HUMO Claustrofobie heb je beter niet.

MIL «Hoe zegt u?»

HUMO Angst voor kleine ruimtes.

MIL «Ken ik niet (lacht). Je had er die daar last van hadden: die namen de eerste lift naar boven en je zag ze nooit meer terug.»

HUMO Waren de overblijvers stoere kerels?

JEAN «Het waren zeker niet allemaal Jerommekes. Als je als mijnwerker 40 jaar was, was je een oude man. Dikke mensen zag je ook niet in de mijn.»

HUMO Omdat die niet in de pijlers pasten?

JEAN «Niet alleen dat. In de mijn zweet je je te pletter en drink je liters water. Zo word je niet dik.»

HUMO Je lunch smaakt wellicht ook net iets minder, als hij zwart ziet van het stof.

JEAN «Jawel! In de mijn smaakt alles, zolang het maar nat is.»

HUMO Wat aten jullie onder de grond?

MIL «Ik heb al die jaren alleen Mars-repen gegeten. Ik stak er twee in de diepvries, zodat ze stijfbevroren waren. Tegen een uur of twee ’s nachts waren ze ontdooid. Dat was mijn krachtvoer.»

HUMO Wat gaf jij je man mee als lunch, Sophie?

SOPHIE «Brood, altijd met iets zoets op. Vlees bedierf te snel beneden.»

MIL «En het stonk. Sommigen namen spek mee. Dan gingen alle islammers lopen: die konden daar niet tegen.»

JEAN «Ik nam altijd een gans brood met speculaas mee. Mijn vader vroeg: ‘Wanneer werk jij eigenlijk?’ Maar op een half uur was dat brood op.»

SOPHIE «Als de muizen er niet aan hadden gezeten. Die had je daarbeneden genoeg.»

HUMO Het was ook vuil werk.

MIL «Vandaag zou niemand het nog willen doen.»

JEAN «Maar we zagen niet vanaf de eerste dag pikzwart: je rolde er geleidelijk aan in.»

HUMO Hoeveel uren hebben jullie staan schrobben met Sunlight-zeep?

JEAN (lacht) «23 jaar, een half uur per dag: reken maar uit.»

MIL «We zagen niet gewoon zwart, we blónken. Antracietstof ziet eruit als metallic op je huid.»

JEAN «En door het zweet bleef het nog harder aan je plakken.»

MIL «Maar als we naar huis gingen, dan waren we altijd spic en span. Anders mochten we niet binnen van de vrouw.»

HUMO De vrouwen stonden in voor de was en de plas.

SOPHIE «Als ons ma de vuile broeken kreeg, bleven ze stijf rechtop staan van het stof en de vuiligheid. Om ze de wasmachine in te krijgen, moest ze ze eerst nat maken. Nu ja, machine… we hadden zo’n oude Duitse Robusta, waar je het wasgoed bovenaan instak. Op zaterdag begon ons ma eraan, want tegen maandag moest alles droog zijn.»

JEAN «Je mocht niet aan een nieuwe werkweek beginnen zonder schoon goed.»

MIL «In mijn tijd werd ons gerief al gewassen door de mijn. Alleen mijn ondergoed waste mijn vrouw, omdat ik uitslag kreeg van het wasproduct dat de mijn gebruikte. Mijn vel kon daar niet tegen.»

JEAN (knipoogt) «Wat een watje.»

HUMO Er werd stevig geplaagd onder de kompels.

MIL «We hebben heel hard gewerkt in de put, maar we hebben ook veel gespeeld, dat geef ik eerlijk toe. Ook dat was kameraadschap.

»Mijn eerste dag hebben ze me op pad gestuurd om boemerangs te halen. Dat was een plat stuk ijzer dat ze gebruikten om molèzers aan mekaar te maken (gebogen spoorstaven waarmee de steengangen werden gestut, red.). ‘Pak er maar zoveel mee als je kunt dragen,’ zeiden ze. Ik stapelde er zoveel in mijn armen dat ik amper nog vooruit kwam. Iedereen lachte me uit: ‘Maar menneke toch, je hebt er maar twee nodig.’ Die spielerei had je constant.»

JEAN «Je werd ook gedoopt. Dan pakten ze de nieuwkomer vast, stroopten ze zijn broek naar beneden, en smeerden ze hem vanonder in met het vet dat ze voor de kabels gebruikten. Dat kreeg je er wekenlang niet af. Mijn vader had me gewaarschuwd: ‘Je moet meespelen. Dan vinden ze er niks aan en stoppen ze.’

»Wat wij toen deden, dat heet nu anders.»

HUMO Hoe dan? Pesten op het werk? Grensoverschrijdend gedrag?

MIL «Ja, dat is het! Hadden ze vroeger van alles foto’s gemaakt zoals ze dat nu doen, dan zat iedereen in de bak.»

JEAN «Er zijn nog veel andere dingen gebeurd, maar die ga ik hier niet vertellen (grinnikt).»

MIL «Daar praat je alleen over onder mijnwerkers. Er zijn weinig ploegen die nog samenkomen, maar ik heb geluk: de mijne komt nog elke twee jaar samen, en dan praten we over niks anders dan de mijn.»

JEAN «Wij komen nog elke maand bij elkaar. Het Laptopke, zo noemen we onszelf. Het is eigenlijk een computerclub, maar meer dan onze laptops openklappen doen we niet. Zodra we beginnen over de mijn, is het gedaan met de computer. In welk bedrijf komen ze na dertig jaar nog altijd samen?»

MIL «Van Renault Vilvoorde zie ik niemand meer. Niks valt te vergelijken met de camaraderie in de mijn.»

HUMO Strekte die zich ook uit over de grenzen van de nationaliteiten?

JEAN «Ja. Het maakte niet uit of je Turk, Griek of Belg was. De Turk dronk van jouw bidon water, en jij van de zijne.»

SOPHIE «Tussen de Polen en de Belgen was er geen onderscheid. De eerste Polen kwamen al in 1933. Misschien waren ze daarom zo goed ingeburgerd.»

MIL «Het grote voordeel van de Italianen en de Polen was dat het christenmensen waren: die werden rap opgenomen. Met de moslims lag het iets moeilijker.»

HUMO Zorgde dat voor trubbels in de mijn?

MIL «Nee. Ik had er alleen soms last mee als die mannen hun matteke bij hadden en dan naar Mekka gingen bidden. Dat deden ze ook in de put. Je mocht er niks van zeggen: het was hun religie.»

JEAN «Tijdens de ramadan mochten ze niet drinken, dat was voor hen het moeilijkst. Ze hadden geen kracht meer. Ik heb één man gekend die niet dronk, maar zijn mond spoelde en het water weer uitspuwde.»

HUMO Mil, jij spreekt een aardig mondje Turks.

MIL «Ik ken wat woordjes, maar denk nu niet dat ik me in Turkije verstaanbaar kan maken. De Turken begrepen ons niet altijd. Wilde je hen aan het werk krijgen, dan moest je wel Turks spreken. (Roept) ‘Hey, kazmach!’ En dan wist die Turk dat hij zijn pik moest pakken.»

JEAN (tot Humo) «Hij heeft het over een houweel. Ga nu geen rare dingen denken (schatert).»

LONGEN VAN STEEN

HUMO Zaten de vrouwen in de cité met schrik te wachten tot hun vaders en mannen weer thuiskwamen?

SOPHIE (knikt) «Elke dag. Iedereen was bang, zeker na Marcinelle in ’62. Mijn man en vader zijn gespaard gebleven van grote rampen, al heeft mijn man wel gezien hoe een kompel geplet werd tussen twee berlengs (kolenwagens, red.). Als je zoiets ziet gebeuren, dan heb je geen goesting meer om nog te gaan werken.»

HUMO Hoe heeft je man dat verwerkt?

SOPHIE «Dat weet ik niet. Hij sprak er niet graag over.»

JEAN «Elke kompel heeft verschrikkelijke dingen gezien. Je denkt er liever niet over na. Bij ons heeft er eentje zijn voet en vingers verloren toen een dikke ijzeren deur dichtwaaide. We hebben die voet weer aan zijn been gezet, met twee latjes errond als spalk. Zijn vingers hebben we in een zak gestopt en zo zijn we met hem naar boven gegaan. Het heeft niet mogen baten: het lukte de dokters niet om ze er weer aan te zetten.

»Mijn baas kon niet goed tegen accidenten. Als hij daarna een sigaret probeerde te rollen, beefde hij zo hard dat alle tabak tussen zijn vingers glipte.»

MIL «Bij ons is er een dode gevallen. Hij kreeg een zware machine op zijn hoofd: zijn hersenen spoten eruit. Een andere keer had de schietmeester niet gezien dat Eddy nog in de mijn zat toen hij het front afschoot – dan bliezen ze een stuk mijn waar de kolen gewonnen werden op met dynamiet. Toen ze Eddy vonden, zat hij vol stenen. We hebben hem in de berleng gestopt en naar boven gebracht. De dokters zeiden dat ze niks meer voor hem konden doen, maar hij is er toch doorgekomen. Hij heeft alles opnieuw moeten leren, en door de hersenschade was z’n karakter zelfs een beetje veranderd. Hij leeft nog steeds: een fijne kerel.

»Als je zoiets meemaakt, kun je dat thuis niet zomaar van je afzetten. Wekenlang beleef je het elke nacht opnieuw. Ik heb ooit een instorting meegemaakt. Mijn vrouw vond me de dagen erna naast ons bed. Dan zat ik daar met een denkbeeldige piqueur een uitweg te graven.»

JEAN «Na dertig jaar zijn er nog altijd nachten dat ik van de mijn droom.»

HUMO Hielden jullie er kwalen aan over? Een mijnwerker zonder chronische rugpijn bestaat wellicht niet.

MIL «‘Als ik nog tien vingers en tien tenen heb,’ zo gaat een gezegde onder kompels, ‘dan mag ik van geluk spreken.’ (Trots) Ik heb de mijne nog allemaal.»

SOPHIE «Mijn man heeft op een dag iets in zijn rug gekregen: hij stond opeens scheef. Zijn handen hingen ter hoogte van zijn enkels, rechter raakte hij niet meer. De dokters wilden hem opereren, maar de kans was groot dat hij in een rolstoel zou belanden. Dan had hij nog liever de rest van zijn leven pijn. Ik denk dat veel mijnwerkers pijn leden. Ze zwegen erover en verdronken het liever. Mijn man dronk niet: hij kon er niet tegen.»

MIL «Op het eind heb ik een accident gehad. Mijn enkel en voet waren kapot. Sindsdien kon ik niet meer beneden werken. Het laatste jaar heb ik in de controlekamer gewerkt. Zo saai: de hele dag naar drie schermen en een paar gasmeters kijken. Het langste jaar van mijn hele leven.»

HUMO Was gas jullie ergste vijand?

MIL «Gas en instortingen.»

JEAN «En water. Als het water zoet smaakte, dan was het oppassen: dan was het een ondergronds meer en moest je maken dat je wegkwam. Meestal was het water zout. Dat prikte op je huid als pekel.»

HUMO Jullie hebben geen stoflong aan de mijn overgehouden?

JEAN «Nee, maar mijn vader wel. Zijn longen waren twee brikken. Inademen lukte nog, maar uitademen niet meer. Hij had chronische bronchitis en astma, maar is gestorven aan nierkanker. Pas op: de omstandigheden waarin hij moest werken, verschilden dag en nacht van de onze. Wij hadden middeltjes tegen het stof. Water spuiten, bijvoorbeeld.»

MIL «Maar we zetten het sproeisysteem alleen op als de chef veiligheid kwam controleren. Als alles nat was, ging het werk niet vooruit en verdiende je niks.»

HUMO Liever geld dan gezondheid?

MIL «Als je jong bent, denk je niet aan je gezondheid.»

JEAN «Je had ook een CO2-masker, maar al die jaren heb ik slechts één man gekend die het droeg. Het was daar beneden al moeilijk genoeg om te ademen zonder zo’n pot op je gezicht.»

MIL «De meesten staken liever een sjiek toebak in hun mond tegen het stof.»

JEAN «Snuiftabak, dat gebruikten we ook.»

MIL «Dan legden we in een kring een lijn op de achterkant van onze handen en snoven we dat samen op, zoals de cokeverslaafden dat nu doen.»

HUMO Jij houdt vogels, zagen we in ‘Koolputters’. Zijn dat nazaten van de mijnkanaries?

MIL (lacht) «Nee, mijn vogels krijgen veel zuurstof. Maar dat deden ze vroeger echt, een kanarie meenemen in de mijn.»

JEAN «Ze lieten die vliegen: kwam het beestje terug, dan was er geen gas.»

MIL «In onze tijd gebruikten we gaslampen. Werd je vlammetje groter of ging het uit, dan wist je dat je moest gaan lopen. Een gasontploffing was onze grootste schrik: dan was iedereen verkoold.»

HUMO Het klinkt als oorlog. Gebruiken jullie daarom termen als ‘front’?

JEAN «Neuh. We hebben nooit moeten vechten, alleen tegen de kolen.»

SOPHIE «Het zwarte goud.»

MIL «Dat was het. Wij, mijnwerkers, waren de eerste burgers van het land.»

JEAN «Wij stonden zelfs op de stukken van een halve frank. Wij hebben België gered na de oorlog.»

HUMO Maar plots sloeg het om en werden jullie uitgespuwd.

MIL «Mark Eyskens noemde ons de nagel aan zijn doodskist. We voelden ons bedot: eerst hadden ze ons broodnodig, daarna konden we het afbollen en moesten alle putten dicht.»

HUMO Geloofden jullie de regering toen die zei: ‘De mijnen zijn niet meer rendabel’?

JEAN «Nee. Als je tweeduizend wagens per dag naar boven haalt, dan denk je: hoezo, niet rendabel? En dan hoor je ook nog eens dat ze kolen uit Afrika en Amerika naar hier haalden. Daar lagen de kolen voor het opscheppen, terwijl wij hier onder de grond zaten te wroeten. Ach, het was allemaal politiek.»

MIL «Om de sluiting rond te krijgen, had de mijn Thyl Gheyselinck aangeworven. Hij pakte het aan zoals Julius Caesar: verdeel en heers. Hoe doe je dat? Met geld. Toen was het uit met de camaraderie.»

JEAN «Eerst kreeg je 400.000 frank als je stopte met werken. Toen we bleven staken, trokken ze het op tot 800.000 frank.»

HUMO Wilden jullie dat geld dan niet?

JEAN «Ik had er geen recht op. Omdat ik al langer dan twintig jaar werkte, had ik maar één keuze: vervroegd met pensioen.»

MIL «Ik ben nooit voor het geld gegaan, altijd voor werk. Maar er waren jonge mijnwerkers, die dachten: 800.000 frank, dat krijg ik nooit bijeengespaard. Ze namen het geld, kochten een schone auto en reden hem kapot. Wég geld.»

HUMO Lusten jullie Gheyselinck nog altijd rauw?

JEAN «Nee. Hij was maar een marionet. Ik ben kwaad op de mijnwerkers die hem hebben geloofd. Hij heeft ons uit elkaar gespeeld.»

HUMO Tussen de werkwilligen en de stakers kwam het ook tot opstootjes.

JEAN «Ik heb altijd gestaakt. Wie ging werken, die haatte ik. Ze slopen op alle manieren de mijn binnen om toch te werken en geld te verdienen, maar wij gingen hen opwachten, als rattenvangers. Sommigen waren voorbereid en hadden zelfs een mes bij. Ik snap het nog altijd niet: waarom per se willen werken als je weet dat ze je alles gaan afpakken? Je had er ook die ’s middags kwamen staken en ’s ochtends gingen werken.»

MIL «Ik ben één dag gaan werken tijdens de staking, dat was voor een weddenschap. We werden met een bus naar de mijn gereden, beschermd door gewapende gendarmes. Wat een belevenis! Maar de volgende ochtend kwamen we buiten: geen bus te zien. Aan de poort stond de hele put klaar om ons een paar kletsen te geven. Toen heb ik gezegd: ‘Nooit meer.’»

JEAN (grinnikt) «Als iemand die toen is blijven werken me vandaag op café een pint wil aanbieden, dan zeg ik: ‘Van u moet ik geen pint hebben.’ Ik ben er zeker van: als iedereen toen aan hetzelfde zeel had getrokken, hadden we Gheyselinck weggejaagd en was de regering gevallen.»

HUMO Maar dat was toch uitstel van executie?

JEAN «Sluiten gingen we sowieso. Ik wist ook wel dat het over en uit was, maar dan waren we tenminste samengebleven.»

MIL «Hadden we niet gestaakt, dan hadden ze ons met lege handen laten gaan. Nu hadden we tenminste iets. Alhoewel: ik was 36 toen ik met pensioen moest. Op die leeftijd is dat geen pensioen, maar een straf.»

JEAN «Ik was 38. Ik had thuis een vrouw, twee kinderen en een huis om af te betalen. Opeens ging ik van 80.000 frank per maand naar 40.000.

»Ik herinner me mijn laatste werkdag: het was een woensdag. Ik heb nooit zo hard gehuild als toen. Ze hebben me ’s nachts nog tegengehouden voor openbare dronkenschap. Ik was recht van de mijn het café ingevlogen, om uit te huilen boven een pint. Maar op maandag mocht ik op vijf plaatsen beginnen: mijnwerkers konden ze overal gebruiken. Wij waren plantrekkers.»

MIL «Ik heb later nog een garage geopend en ben demonstraties gaan geven voor een textielmerk. Ik krijg alles verkocht.»

SOPHIE «Mijn man is drie jaar geleden gestorven. Tot op het eind zei hij: ‘Als de mijn morgen weer opengaat, ga ik direct terug.’ Al viel hij daar dood, hij wilde terug naar de mijn.»

MIL «Ik niet. Ik mis de kameraden, niet de put. Geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt nog dat soort werk te doen. Ik ben het niet vergeten, hè: hoe ik als jong manneke die put inging, een pijler inkroop, ze mij zo’n brede schup in mijn handen duwden en me de hele dag lieten scheppen.»

JEAN «We weten nu dat er andere, makkelijkere manieren zijn om geld te verdienen.»

HUMO Poetin staat klaar om het gas naar Europa af te sluiten. Straks maakt steenkool nog een comeback.

SOPHIE «Dat zou goed kunnen.»

MIL «Als ze er genoeg onderzoek naar doen, dan kunnen ze van kolen vast een brandstof maken die milieuvriendelijk is. Dat blijf ik geloven.»

JEAN «Maar hier in België is het over en uit. Die putten krijgen ze nooit meer open.»

SOPHIE «Goed dat ze er nu een tv-reeks over hebben gemaakt. Het was bijna te laat: er zijn al vier van de mijnwerkers uit de reeks overleden. Maar ze hebben hen tenminste nog kunnen vereeuwigen op tv. (Fel) Ik zeg u één ding: ze zouden hier een groot standbeeld moeten zetten, uit respect voor alle mijnwerkers.»

MIL «Ik heb mijn verhaal al zo vaak gedaan. Ze vragen me soms: ‘Ben je nog niet moe verteld over de mijn?’ Nee menneke, ik ben er fier op.»

‘Koolputters’, Canvas, zondag 14 augustus, 20.55

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234