null Beeld

De Nobelprijs voor de Vrede: Malala Yousafzai

De Nobelprijs voor de Vrede gaat dit jaar naar Malala Yousafzai en Kailash Satyarthi. Die eerste is het Pakistaanse meisje dat absoluut naar school wou gaan, en daarom door de taliban werd neergeschoten. ‘Ze is pro-westers, president Obama is haar idool,’ aldus de taliban. Daar verdiende ze een kogel voor, in het hoofd. Vorig jaar bracht Humo een voorpublicatie uit haar autobiografie ‘Ik ben Malala’: herlees hier de voorpublicatie.

'Ik wil alleen maar dat elk meisje naar school kan'

Ik kom uit een land dat om middernacht is gesticht. Toen ik bijna doodging, was dat midden op de dag. Een jaar geleden ging ik van huis naar school, om nooit meer thuis te komen. Ik werd door een talibankogel geraakt en verliet Pakistan aan boord van een vliegtuig zonder dat ik me daarvan bewust was. Sommige mensen zeggen dat ik nooit meer naar huis zal kunnen, maar ik ben er in mijn hart stellig van overtuigd dat dat niet waar is. Weggerukt worden uit het land waar je van houdt, is iets wat je niemand toewenst.

Elke ochtend als ik mijn ogen open, verlang ik ernaar mijn oude kamer met al mijn spulletjes te zien, met mijn kleren op de vloer en mijn prijzen van school in de kast. In plaats daarvan ben ik in een land dat vijf uur achterloopt op mijn vaderland Pakistan en mijn huis in de Swat-vallei. Maar mijn geboorteland loopt eeuwen achter op dit land. Hier heb je alle gemakken die je je maar kunt voorstellen. Uit elke kraan stroomt water, warm of koud, wat je maar wilt, het licht gaat aan als je op een schakelaar drukt, dag én nacht, olielampen zijn overbodig en er zijn fornuizen waarop je kunt koken zonder dat iemand eerst naar de bazaar moet om gasflessen te halen. Hier is alles zo modern dat er zelfs kant-en-klaarmaaltijden bestaan.

Als ik voor mijn raam ga staan en naar buiten kijk, zie ik hoge gebouwen, lange wegen vol voertuigen die netjes achter elkaar rijden, keurige groene heggen, gazonnetjes en schone stoepen waarop je kunt lopen. Als ik mijn ogen dichtdoe, ben ik weer even terug in mijn vallei – met de hoge besneeuwde bergtoppen, de groene, wuivende velden en helderblauwe rivieren – en in mijn hart glimlach ik als ik aan de mensen in Swat denk. Mijn gedachten voeren me terug naar mijn school, waar ik word herenigd met mijn vriendinnen en leraren. Ik zie mijn beste vriendin Moniba en dan gaan we allemaal gezellig zitten kletsen en lachen, alsof ik nooit ben weggeweest. Maar dan herinner ik me weer dat ik in Birmingham ben.

null Beeld


Door de magische poort

Dinsdag 9 oktober 2012 was de dag dat alles veranderde. Het was toch geen al te beste dag, want het was examenweek – hoewel ik dat als leergierig meisje veel minder erg vond dan veel van mijn klasgenootjes.

We kwamen die ochtend bij de smalle, onverharde zijweg van de Haji Baba Road aan in een stoet bont beschilderde riksja’s – elk uitpuilend met vijf, zes meisjes – die sputterend uitlaatgassen uitbliezen. Sinds de komst van de taliban kun je onze school van buiten niet meer herkennen: de met koperen beslag versierde deur in de witte muur tegenover een houthandel onthult niets over wat erachter ligt.

Voor ons was het een magische poort naar onze eigen speciale wereld. We huppelden over de drempel en schoven de hoofddoeken van ons hoofd, waarna we als een stel dollen de trap oprenden. Die kwam uit op een binnenplaats met alle deuren naar de klaslokalen. We dropten onze rugzakjes in ons klaslokaal en kwamen in de open lucht bijeen voor de dagopening. Daar stonden we met de bergen op de achtergrond keurig te wachten terwijl één van de meisjes riep: ‘Assaan baash!’ oftewel ‘Op de plaats, rust!’ We klakten met onze hakken en antwoordden: ‘Allah.’ En dan zei de commandant ‘Hoo she yar’! oftewel ‘Geef acht!’ En dan klakten we nog een keer met onze hakken tegen elkaar en riepen: ‘Allah.’

De school werd nog voor mijn geboorte opgericht door mijn vader en de naam ‘Khushal School’ prijkte in prominent rood met wit beschilderde letters op de muur boven ons. We gingen zes ochtenden per week naar school en aangezien ik als vijftienjarige in klas negen zat, bestonden mijn lessen vooral uit het opdreunen van scheikundige formules, het bestuderen van Urdu-grammatica, het schrijven van Engelstalige verhandelingen over morele kwesties als ‘haastige spoed is zelden goed’ of het tekenen van diagrammen van de bloedsomloop – de meeste van mijn klasgenootjes wilden later arts worden.

Het is lastig voor te stellen dat iemand dat als bedreigend zou kunnen beschouwen. Toch was er buiten onze schoolpoort niet alleen de drukte en chaos van Mingora, de grootste stad van Swat, maar er waren ook mensen als de taliban, die menen dat meisjes niet naar school horen te gaan.

Die ochtend was als elke andere, hoewel we wat later dan gewoonlijk begonnen. De schooldag begon vanwege de examens namelijk pas om negen uur in plaats van om acht uur ’s ochtends, wat mij goed uitkwam: ik hou niet van vroeg opstaan en kan moeiteloos door het kraaien van de haan en de oproep tot gebed van de muezzin heen slapen. Mijn vader probeerde me altijd als eerste wakker te krijgen. ‘Tijd om op te staan, Jani Mun.’ Dat betekent ‘zielsverwant’ in het Perzisch en zo noemde hij me ’s ochtends vroeg altijd. ‘Alsjeblieft, nog héél even, Aba,’ smeekte ik, terwijl ik de sprei nog wat steviger om me heen trok. Daarna kwam mijn moeder, Tor Pekai. Zij noemde me ‘Pisho’, wat ‘katje’ betekent. Tegen die tijd had ik meestal wel door hoe laat het was en dan riep ik uit: ‘Bhabi, ik kom te laat!’ In onze cultuur is elke man je ‘broer’ en elke vrouw je ‘zus’. Zo zien we elkaar. Toen mijn vader zijn vrouw voor het eerst naar school bracht, noemden alle leerkrachten haar ‘mijn broers vrouw’ of ‘bhabi’. En zo werd mijn moeder van toen af aan genoemd, ook door ons.

Ik sliep in de lange kamer aan de voorkant van het huis, met als enige meubilair een bed en een kast, die ik met een deel van het prijzengeld had gekocht dat ik had gekregen voor mijn campagne voor vrede en het recht van meisjes om naar school te gaan.

In de kast stonden alle goudkleurige plastic bekers en andere onderscheidingen die ik had gekregen omdat ik de beste leerling van de klas was geworden. Ik was maar een paar keer niet eerste geworden, beide keren omdat ik door mijn rivale Malka-e-Noor was verslagen. Ik had me vast voorgenomen dat niet nog een keer te laten gebeuren.

De school was niet ver van ons huis en vroeger liep ik dat stukje altijd, maar sinds begin vorig jaar ging ik met de andere meisjes in een riksja naar school en nam ik de bus om weer naar huis te gaan. Het ritje duurde slechts vijf minuten, langs het stinkende stroompje en het gigantische reclamebord van Dr. Humayun’s Hair Transplant Institute, waar we altijd het grapje over maakten dat één van onze kale onderwijzers daar vast naartoe was gegaan toen hij opeens weer haar bleek te hebben. Ik vond het wel fijn om de bus te nemen, want dan zweet je minder en kan je lekker met je vriendinnen kletsen en wat roddelen met de buschauffeur, Usman Ali, die wij ‘Bhai Jan’ oftewel ‘broer’ noemden, en die ons met zijn idiote verhalen altijd aan het lachen maakte.

Ik was de bus beginnen te nemen, omdat mijn moeder het geen fijn idee vond dat ik alleen naar school zou lopen. We kregen dat hele jaar al bedreigingen. Soms via de krant, soms via brieven, maar meestal via mensen die iets hadden opgevangen. Mijn moeder maakte zich zorgen om me, maar de taliban hadden het nog nooit op een jong meisje gemunt en ik was eerlijk gezegd banger dat ze het op mijn vader hadden voorzien, omdat hij zich openlijk tegen hen uitsprak. Zahid Khan, een goede vriend en medeactievoerder, was in augustus in zijn gezicht geschoten toen hij op weg was naar de moskee, en ik wist dat iedereen mijn vader had gewaarschuwd: ‘Kijk uit, jij bent de volgende.’

Je kon niet met de auto bij onze straat komen, dus ik stapte op de weg beneden bij het stroompje uit de bus en liep dan door een hekje een trap op naar ons huis. Als iemand me zou aanvallen, dacht ik weleens, zou het dáár zijn. Ik ben net als mijn vader altijd al een dromer geweest en op school dwaalden mijn gedachten soms af: dan stelde ik me voor dat ik op weg naar huis op die trap door een terrorist zou worden neergeschoten. Ik vroeg me af wat ik in dat geval zou doen. Misschien zou ik mijn schoen pakken en hem daarmee slaan, maar vervolgens bedacht ik dat ik me dan net zo zou gedragen als die terrorist. Ik zou beter voor een smeekbede kiezen: ‘Oké, schiet me maar neer, maar luister eerst naar me. Wat je doet, is verkeerd. Ik heb niets tegen jou persoonlijk. Ik wil alleen maar dat elk meisje naar school kan.’


Drie kogels

Ik was niet bang, maar controleerde ’s nachts wel altijd heel goed of de poort op slot zat en ik vroeg God wat er gebeurde als je doodging. Ik vertelde het allemaal aan mijn beste vriendin Moniba. We woonden in dezelfde straat en waren al vanaf de lagere school vriendinnen. We deelden alles met elkaar: liedjes van Justin Bieber, ‘Twilight’-films en wat de beste gezichtscrèmes waren om een lichtere huid te krijgen. Zij wilde later modeontwerpster worden, hoewel ze wist dat haar familie dat nooit goed zou vinden. Daarom zei ze tegen iedereen maar dat ze arts wilde worden. In onze samenleving is het voor meisjes moeilijk om iets anders dan onderwijzeres dan wel arts te worden, gesteld dat je al mág werken. Ik was anders; toen ik geen arts meer wilde worden, maar de politiek in wilde, had ik daar nooit een geheim van gemaakt. Moniba merkte het altijd direct als er iets was. ‘Maak je geen zorgen,’ zei ik. ‘De taliban hebben het nog nooit op een jong meisje voorzien.’

Toen onze bus werd omgeroepen renden we de trap af. De andere meisjes trokken voor ze naar buiten gingen hun hoofddoeken over hun hoofd voor ze achter in de bus stapten. De bus was eigenlijk wat wij een ‘dyna’ noemden, een witte Toyota TownAce met drie banken erin – twee aan de zijkanten en één in het midden. Met twintig meisjes en drie onderwijzers was het erg krap. Ik zat aan de linkerkant, tussen Moniba en een meisje dat een klas lager zat, Shazia Ramzan. We hadden onze examenmappen tegen onze borst geklemd en onze schooltassen stonden op de grond voor ons. En daarna weet ik het allemaal niet meer zo goed. Het was heet en plakkerig in de dyna. Het was warmer dan normaal voor de tijd van het jaar en alleen het Hindukusj-gebergte in de verte had een wit sneeuwlaagje. Wij zaten achterin, waar geen ramen waren maar alleen een dik plastic zeil dat loshing en flapperde, en zo vergeeld was en onder het stof zat dat je er niet echt doorheen kon kijken. Het enige wat we achterin door een opening konden zien, was een klein stukje van de lucht, waar we af en toe een glimp van de zon zagen – die op dat uur van de dag een wazige gele bol was door de wervelende stofdeeltjes die als een wolk om ons heen hingen.

Ik herinner me dat het busje zoals altijd op de hoofdweg bij de controlepost van het leger rechts afsloeg en langs het verlaten cricketveld reed. Daarna weet ik het niet meer.

In mijn droom over de aanslag zit mijn vader ook in de bus en wordt hij net als ik neergeschoten, en dan zijn er allemaal mannen en zie ik mijn vader niet meer.

In werkelijkheid stopten we opeens. Links van ons was de overwoekerde tombe van Sher Mohammad Khan, de minister van Financiën van de eerste bestuurder van Swat, rechts van ons was een fabriek waar snacks werden gemaakt. We moeten op nog geen tweehonderd meter van de legerpost geweest zijn.

We zagen niet dat voor ons een jongeman met een baard en lichtgekleurde kleding de weg opstapte en ons gebaarde te stoppen.

‘Is dit het busje van de Khushal School?’ vroeg hij aan onze chauffeur. Dat vond Usman Bhai nogal een domme vraag, aangezien de naam van de school op de zijkant van het busje stond.

‘Ja,’ zei hij.

‘Ik wil wat informatie over een paar kinderen,’ zei de man. ‘Dan moet je naar het kantoor van de school gaan,’ antwoordde Usman Bhai Jan.

Terwijl ze praatten, liep een andere jongeman die in het wit gekleed was naar de achterkant van het busje. ‘Hé, dat is vast weer zo’n journalist die je wil interviewen,’ zei Moniba. Sinds ik samen met mijn vader op bijeenkomsten sprak over het recht op onderwijs voor meisjes en me uitsprak tegen mensen als de taliban, die ons liever uit het straatbeeld wilden houden, kwamen er inderdaad best vaak journalisten op me af, zelfs Amerikaanse, maar niet zoals nu, zo midden op straat.

De man droeg de traditionele baret en had een zakdoek voor zijn neus en mond geknoopt, alsof hij griep had. Hij zag eruit als een student. Hij stapte op de laadklep en stak zijn hoofd vlak bij ons naar binnen.

‘Wie is Malala?’ wilde hij weten.

Niemand zei iets, maar een paar meisjes keken mijn kant op. Ik was het enige meisje dat haar hoofd niet had bedekt.

En toen haalde hij een zwart pistool tevoorschijn. Ik kreeg later te horen dat het een Colt.45 was. Een paar meisjes gilden. Moniba vertelde me later dat ik in haar hand kneep. Mijn vriendinnen zeggen dat hij drie keer schoot. De eerste kogel ging door mijn linkeroogkas, mijn linkerschouder in. Ik bloedde uit mijn linkeroor en viel voorover in Moniba’s schoot, waardoor de andere twee kogels de meisjes naast me raakten. Een kogel raakte Shazia’s linkerhand. De derde kwam via haar linkerschouder in de rechterbovenarm van Kainat Riaz terecht.

Volgens mijn vriendinnen beefde de hand van de schutter toen hij schoot.

Tegen de tijd dat we bij het ziekenhuis kwamen, zaten mijn lange haren en Moniba’s schoot helemaal onder het bloed.


Fan van obama

Malala wordt naar Peshawar gebracht, waar ze in het Combined Military Hospital door één van de meest ervaren en gelauwerde artsen van het Pakistaanse leger geopereerd wordt. Haar hersenen zijn zodanig gezwollen dat een stuk van haar schedel verwijderd moet worden om ze meer ruimte te geven. Om het bot te bewaren wordt het in haar buik ingeplant, zodat het later teruggeplaatst kan worden. Na de ingreep wordt ze in een kunstmatig coma gehouden.

undefined

' Onbedoeld hebben de taliban van mijn strijd een internationaal thema gemaakt'


Terwijl ik tussen leven en dood zweefde, kwamen de taliban met een verklaring waarin ze de aanslag op mij opeisten, maar ontkenden dat die iets te maken had met mijn inzet voor het onderwijs aan meisjes. ‘Wij hebben deze aanslag uitgevoerd en ieder die zich tegen ons durft uit te spreken, zal op dezelfde wijze worden aangevallen,’ zei Ehsanullah Ehsan, een woordvoerder van de TTP (Tehreek-e-Taliban Pakistan, red.). ‘Malala was een doelwit vanwege haar voortrekkersrol in het uitdragen van de secularisering... Ze was jong, maar ze promootte de westerse cultuur in Pathaanse gebieden. Ze was pro-westers, ze sprak zich uit tegen de taliban, ze noemde president Obama haar idool.’

Mijn vader wist waar de woordvoerder naar verwees. Toen ik een jaar eerder die nationale vredesprijs had gekregen, had ik veel televisie-interviews gegeven en in één daarvan vroeg men wie mijn grote helden waren. Ik had gekozen voor de pacifistische onafhankelijkheidsactivist Khan Abdul Ghaffar Khan, ex-premier Benazir Bhutto en president Barack Obama. Ik had over Obama gelezen en bewonderde hem omdat hij als jonge zwarte man, afkomstig uit een gezin dat moeite moest doen om het hoofd boven water te houden, zijn ambities en dromen had weten waar te maken. Maar in Pakistan werd het imago van Amerika inmiddels bepaald door de drones, de geheime operaties op ons grondgebied en mannen als Raymond Davis (de Amerikaanse soldaat die in 2011 twee mannen neerschoot in Lahore, red.).

Een woordvoerder van de taliban zei dat Fazlullah (de leider van een clandestiene, militante groep fundamentalisten, red.) twee maanden geleden tijdens een vergadering opdracht had gegeven tot de aanslag. ‘Iedereen die zich aan de zijde van de regering tegen ons keert, zal door ons worden gedood,’ had hij gezegd. ‘Wacht maar. Belangrijke mensen zullen daar weldra het slachtoffer van worden.’ De woordvoerder voegde eraan toe dat ze twee lokale mensen uit Swat hadden gebruikt om informatie over mij en mijn route naar school te vergaren. Ze hadden de aanslag vervolgens met opzet vlak bij een controlepost van het leger uitgevoerd om aan te geven dat ze overal konden toeslaan waar ze maar wilden.


Bend it Like Beckham

Eén week na de aanslag wordt Malala naar Birmingham overgebracht, maar daar zal ze nog tien dagen moeten wachten op de komst van haar ouders.

De verpleegkundigen maakten zich zorgen omdat ik niet goed at, maar ik vond het ziekenhuiseten niet lekker en was bang dat het niet halal was. Het enige wat ik wel wilde, waren de milkshakes. Verpleegkundige Julie ontdekte dat ik kaaschipjes lekker vond en bracht die dus voor me mee. ‘Wat vind je nog meer lekker?’ vroeg ze. ‘Fried chicken,’ zei ik. Yma ontdekte dat er een halal Kentucky Fried Chicken bij Small Heath zat en ging daar voortaan elke middag naartoe om kip en frietjes voor me te halen. Op een dag had ze zelfs curry voor me gemaakt.

Ze brachten me ook een dvd-speler, zodat ik wat te doen zou hebben. De eerste film die ze meebrachten was ‘Bend It Like Beckham’, omdat ze dachten dat het verhaal over een voetballend sikhmeisje dat tegen de normen en waarden van haar cultuur in opstand komt me zou aanspreken. Ik was zo geschokt toen de meisjes hun shirt uittrokken en in hun sport-bh gingen voetballen dat ik de verpleegkundigen vroeg de film uit te zetten. Daarna kwamen ze vooral met tekenfilms en Disneyfilms aan. Ik zag alle drie de films van ‘Shrek’, en ‘A Shark’s Tale’. Mijn linkeroog bleef wazig, dus dat dekte ik af als ik tv keek, en omdat mijn linkeroor nog vaak bloedde, moest ik daar steeds watjes in stoppen.

Op een dag vroeg ik aan één van de verpleegkundigen terwijl ik haar hand op mijn buik legde: ‘Wat is dit voor bult?’ Mijn buik voelde groot en hard aan, en ik snapte niet waarom. ‘Dat is de bovenkant van je schedel,’ antwoordde ze. Ik wist niet wat ik hoorde.

Toen ik eenmaal kon praten, zette ik voor het eerst ook weer een paar stappen. Ik had liggend in bed nooit problemen met mijn armen of benen opgemerkt, behalve dan dat mijn linkerhand stijf was omdat de kogel bij mijn schouder was terechtgekomen. Ik besefte dus niet dat ik niet goed meer kon lopen. Die eerste stappen waren zo moeilijk dat het wel leek alsof ik honderd kilometer had gerend. De artsen zeiden dat het prima in orde zou komen en dat er alleen heel veel fysiotherapie nodig was voor mijn spieren weer waren aangesterkt.


Kaartje van angelina

Op een dag kwam er een andere Fiona dan die uit ‘Shrek’, Fiona Alexander, langs. Ze vertelde dat ze het hoofd van de persvoorlichting van het ziekenhuis was. Ik vond dat erg grappig. Ik probeerde me voor te stellen dat het Swat Hospital een persvoorlichting zou hebben. Ik had tot haar komst totaal geen idee dat er in de pers zo veel over me werd geschreven en gepraat. Toen ik uit Pakistan naar Engeland was overgebracht, was het de bedoeling dat de media daar niet over zouden berichten, maar in Pakistan werden er toch foto’s vrijgegeven met het nieuws dat ik naar Engeland zou gaan, en de pers kwam er al snel achter dat mijn precieze bestemming Birmingham was. Er hing een helikopter van Sky News boven het ziekenhuis en er waren maar liefst tweehonderdvijftig journalisten naar het ziekenhuis gekomen, afkomstig uit landen van Australië tot Japan.

Gelukkig was Fiona Alexander zelf twintig jaar lang journalist geweest en had ze bij de redactie van The Birmingham Post gezeten, dus ze wist precies welk materiaal ze moest aanbieden om te voorkomen dat de pers het ziekenhuis zou binnendringen. Zo gaf ze hun elke dag recente informatie over hoe ik eraan toe was.

Mensen kwamen soms gewoon naar het ziekenhuis in de hoop dat ze me te spreken zouden krijgen. Ministers, diplomaten, politici en zelfs een gezant van de aartsbisschop van Canterbury. De meesten brachten bloemen voor me mee en sommige boeketten waren echt zo ontzettend mooi. Op een dag kwam Fiona ook met een grote zak vol kaarten en foto’s aanzetten. Het was de Ied al Adha, onze belangrijkste religieuze feestdag, dus ik dacht dat die misschien door moslims waren gestuurd, maar toen zag ik de poststempels: 10 oktober, 11 oktober, al dagen geleden... en ik besefte dat het niets met de Ied te maken had. Mensen van over de hele wereld hadden me dit gestuurd om me een spoedig herstel en beterschap te wensen. Ik was echt stomverbaasd. ‘O, maar dit is nog niets,’ lachte Fiona. Ze vertelde me dat er nog hele zakken vol stonden, in totaal zo’n achtduizend kaarten, waarvan sommige alleen maar geadresseerd waren aan ‘Malala, Birmingham Hospital’. Op eentje stond op de envelop: ‘Het meisje dat door het hoofd is geschoten, Birmingham.’ En toch was die kaart aangekomen. Er waren mensen die aanboden me te adopteren, alsof ik zelf geen familie had, en ik kreeg zelfs een huwelijksaanzoek.

Kennelijk steunden duizenden en miljoenen volwassenen en kinderen in de hele wereld me. En toen besefte ik opeens dat anderen mijn leven hadden gered. Ik was met een reden gespaard.

Ik kreeg ook allerlei cadeautjes opgestuurd. Er waren dozen met chocolaatjes, en teddyberen in alle soorten en maten die je maar kunt bedenken. Het allerbijzonderst was het pakketje dat Benazir Bhutto’s kinderen, Bilawal en Bakhtawar, me hadden gestuurd. Er zaten twee sjaals in van hun overleden moeder. Ik duwde mijn neus erin om te kijken of ik haar parfum nog kon ruiken. Later vond ik een lange zwarte haar in één van de sjaals, wat het cadeau nog eens extra bijzonder maakte.

Ik zag toen in dat de taliban er onbedoeld in was geslaagd om van mijn strijd voor onderwijs een internationale campagne te maken. Terwijl ik in dat bed lag, had Gordon Brown, de vroegere premier van Engeland, die tegenwoordig speciale VN-gezant voor Onderwijs was, het initiatief genomen voor een petitie met als titel ‘Ik ben Malala’, om te eisen dat elk kind in 2015 naar school zou kunnen. Er waren brieven van staatshoofden, ministers, filmsterren en van de kleindochter van Sir Olaf Caroe, de laatste Britse gouverneur van onze provincie. Ze zei dat ze zich schaamde dat ze niet in het Pathaans kon lezen en schrijven, terwijl haar grootvader vloeiend in die taal was geweest. Beyoncé had me een kaart gestuurd en er een foto van op Facebook gezet. Selena Gomez had over me getwitterd en Madonna had een lied aan me opgedragen. Er was zelfs een berichtje van mijn lievelingsactrice Angelina Jolie, die zich voor allerlei goede doelen inzet – ik kon niet wachten om dát aan Moniba te vertellen. Toen wist ik namelijk nog niet dat ik niet meer naar huis zou gaan.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234