null Beeld

De Tand Des Tijds: The Panic in Needle Park (Jerry Schatzberg, 1971)

Humo presenteert: De Tand Des Tijds! In deze nagelnieuwe reeks waagt filmjournalist Erik Stockman zich één keer per week aan een rewatch van een grote klassieker, een geliefde cultfilm of een beroemde blockbuster. Waarbij onze man zich afvraagt: hoe heeft deze film de blikkerende hoektanden des tijds doorstaan? Vandaag: 'The Panic in Needle Park' van Jerry Schatzberg. Licht, camera, háp!

Erik Stockman

Die nu al iconische foto gezien die Matthias Schoenaerts twee weken geleden op zijn Instagramaccount zwierde? Van links naar rechts: Christopher ‘King of New York’ Walken, Sean Penn, Al Pacino, David O. Russell en – uiteraard de knapste van allemaal – onze eigen dreamboy!

In monumentaler gezelschap kan een mens echt niet vertoeven, zo dachten wij – tot we de foto wat beter begonnen te bestuderen en het ontzag plaatsmaakte voor een gevoel van shock. Want vindt u ook niet dat het smoelwerk van Pacino er ietwat... rááruitziet? Die onnatuurlijke brede klomp van een kin, die vampier-achtige zwarte holle ogen! Misschien dat Al net een slechte nacht had gehad, of misschien dat hij recentelijk een gigantische ouderdomsklop heeft geïncasseerd, maar laten we eerlijk zijn: zelfs Mickey Rourke zag er in zijn botoxhoogdagen minder freaky uit dan Pacino op die foto.

In een wanhopige poging om dit confronterende beeld uit ons bewustzijn te duwen, hebben wij snelsnel één van Pacino’s allereerste films opnieuw in de dvdspeler geduwd: ‘The Panic in Needle Park’, uit 1971, toen het nog leek alsof Pacino de eeuwige jeugd was beschoren. In die film van Jerry Schatzberg, een magistrale cineast die vandaag jammer genoeg ietwat in de vergetelheid is geraakt, speelt hij Bobby, een heroïnejunk. Op een welhaast documentaire-achtige manier, zonder dat er een echte plot aan te pas komt, en zonder de ruggensteun van muziek, trekt het volledig in de ongenadige straten van New York City opgenomen ‘The Panic in Needle Park’ u mee in Bobby’s junkiewereld, waar het afbinden van de bovenarm het hoogtepunt van de dag vormt, waar mannen en vrouwen in morsige hotelkamers verdwaasd op vergeelde matrassen liggen te trippen, en waar mensen hun levensvreugde halen uit ijzeren flesdopjes vol smack.

Maar waar, zo blijkt uit de mooie scènes in het park, tussen de junkies onderling - ook al zullen ze niet aarzelen om elkaars stash af te pakken - ook een soort camaraderie lijkt te hangen; een ontroerende lotsverbondenheid in het aanschijn van de dood door de naald (een junkie: ‘You know what the best high of all is? Death.’). In die rauwe wereld krijgt Bobby het te pakken voor een jonge studente, Helen (zijn eerste liefdesgebaar: hij steelt een televisie voor haar). De vraag is natuurlijk: waarom blijft Helen bij hem?

Waarom wordt die ooit zo veelbelovende studente (prachtige rol van Kitty Winn) de geliefde van een junk, waarom is ze bereid om voor hem te scoren en te tippelen, en waarom steekt ze uiteindelijk zelf een naald in haar aders? Heeft ze een zelfdestructief trekje, of houdt ze zoveel van hem dat ze méé wil gaan in zijn roes? Doet ze het in een poging om, ergens in dat door drugs verziekte lijf van hem, een stukje onverdoofde liefde te vinden? Het antwoord wordt nergens uitgespeld, maar misschien hoort het zo; misschien behoort de reden waarom vrouwen altijd op de verkeerde mannen – en neen, daar is geen ontkennen aan - vallen een mysterie te blijven.

Hoe dan ook: Pacino, in zijn allereerste leading role, is echt schitterend. Ziehier een van sturm en drang kolkende, van puur talent uiteenbarstende acteur die zichtbaar van de gelegenheid gebruikmaakt om zichzelf te bewijzen; wie naar ‘The Panic in Needle Park’ kijkt, is getuige van de geboorte van een ster. ‘The Panic in Needle Park’ is ook één van de weinige films waarin duidelijk valt te zien dat Pacino in realiteit maar een klein ventje is (‘That dwarf’, zo noemde producent Robert Evans hem ooit): om te verhinderen dat zijn tegenspelers boven hem uittorenen, zou Pacino in zijn latere films altijd plateauzolen dragen, of op een (aan het beeldkader onttrokken) voetbankje plaatsnemen. In de scène waarin hij iets te heftig op een stuk sandwich ligt te kauwen, zie je zelfs al de theatrale Pacino opdoemen, de Pacino die later compleet over de top zou gaan in films als ‘The Devil’s Advocate’: ‘GOD IS AN ABSENTEE LANDLORD!!!’

O ja: toen Francis Ford Coppola, in die tijd druk bezig met de samenstelling van de cast voor ‘The Godfather’, Pacino aan het werk zag in ‘The Panic in Needle Park’, wist hij dat hij zijn Michael Corleone had gevonden. Goeie smaak, die Francis.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234