The Disappearance of Madeleine McCannBeeld Netflix

verdwijningszaakMaddie McCann

De verdwijning van Madeleine McCann: 's werelds meest beruchte verdwijningszaak

De Duitse politie heeft een nieuwe verdachte in de zaak van de verdwenen Britse kleuter Madeleine McCann in het vizier. De verdachte is een 43-jarige man met de Duitse nationaliteit. Op donderdag 3 mei 2007 verdween de 4-jarige Maddie uit haar bedje in de Algarve in Portugal. Die avond veranderde het leven van Kate en Gerry McCann in een nachtmerrie die nog altijd voortduurt. Kate McCann schreef, vier jaar na de verdwijning van haar dochter, haar ervaringen neer in een boek. Lees hieronder een fragment.

(Verschenen in Humo op 21 juni 2011)

Eind april 2007 gaan Kate (dan 39) en Gerry McCann met Madeleine (bijna 4) en de tweeling Sean en Amelie (2) op vakantie naar een vakantiedomein in Praia da Luz, samen met drie andere koppels met kinderen: Russell en Jane, Matt en Rachael, Fiona en David, en Fiona's moeder Dianne. Ze beleven een ontspannende tijd in de Ocean Club Beach Resort: overdag sporten en spelen op het strand, 's avonds uit eten terwijl de kinderen slapen in de vakantieflats vijftig meter verderop. Zo ook donderdagavond 3 mei: om de beurt gaan de ouders kijken of hun kroost nog rustig slaapt.

Toen ik besefte dat Madeleine niet in haar bed lag, liep ik naar onze slaapkamer om te kijken of ze in ons bed lag. Dat zou ook verklaren waarom de deur openstond. Toen ik daar een leeg bed zag, sloeg de eerste paniek toe. Ik rende terug naar de kinderkamer, en de gordijnen waaiden in een windvlaag op. Mijn hart sloeg over toen ik zag dat het raam erachter wijd openstond en de vensterluiken aan de buitenkant helemaal omhoog waren. Misselijkheid, paniek, ongeloof, angst. Doodsangst. Mijn God, nee! Alsjeblieft, nee!

Op Madeleines bed waren de bovenste rechterhoeken van de lakens nog opengeslagen, ze vormden een driehoek. Knuffelkat en haar roze prinsessendeken lagen nog precies waar ze hadden gelegen toen we haar welterusten hadden gewenst. Ik spurtte naar het tweede bed aan de andere kant van de ledikantjes, waarin de tweeling onverstoorbaar lag te slapen, en keek door het raam. Ik had geen idee wat ik daar verwachtte te zien.

Ik weigerde toe te geven wat ik al wist, en begon, misschien omdat ik automatisch in de mij welbekende eerstehulpmodus schoot, snel het appartement te doorzoeken om alle andere mogelijkheden uit te sluiten. In mijn hoofd vinkte ik vakjes af die, zoals ik diep vanbinnen wist, al waren afgevinkt. Ik keek in de kast in de kinderkamer.

Ik rende naar de keuken, trok alle kastjes open, doorzocht de kasten in onze slaapkamer, liep de badkamer in en uit, allemaal binnen vijftien seconden, voordat ik door onze verandadeuren naar buiten denderde, naar Gerry en onze vrienden. Zodra onze tafel in zicht was begon ik te schreeuwen. ‘Madeleine is weg! iemand heeft haar meegenomen!’ iedereen bleef een seconde als verlamd zitten, misschien evenmin als ik in staat om die informatie te verwerken. Toen sprongen ze allemaal op en renden naar me toe. ik weet nog dat Gerry riep: ‘Ze moet hier ergens zijn!’ inmiddels was ik hysterisch. ‘Dat is ze niet! Ze is wég!’

Iedereen sprintte terug naar ons appartement, behalve Dianne, die in het restaurant bleef, en Jane, die naar haar eigen kinderen was gaan kijken. Ik herinner me hoe gefrustreerd ik me voelde toen David zei: ‘Laten we het appartement gaan doorzoeken.’ Dat had ik al gedaan, en ik wist, ik wíst, dat Madeleine was ontvoerd. Ik rende naar het parkeerterrein en begon wanhopig te roepen: ‘Madeleine! Madeleine!’ Het was zo koud en winderig buiten. Ik bleef haar voor me zien in haar Iejoor-pyjama van Marks & Spencer en voelde hoe koud ze het zou hebben. Bizar genoeg dacht ik eraan dat het beter zou zijn geweest als ze haar Barbie-pyjama met lange mouwen had aangehad. De angst gierde door mijn lijf.

In de kinderkamer deed Gerry de luiken bij het open raam dicht. Hij rende naar buiten en kwam tot de misselijkmakende ontdekking dat die ook aan de buitenkant opengemaakt konden worden, en niet alleen aan de binnenkant, zoals we tot dan toe hadden gedacht. Gerry, David, Russell en Matt stormden naar buiten om per twee bij de nabijgelegen appartementsgebouwen te gaan kijken, en waren na een paar minuten in ons appartement terug. Iets na tien over tien vroeg Gerry of Matt naar de 24-uursreceptie van de Ocean Club wilde rennen om het personeel de politie te laten bellen.

Alle commotie en het geschreeuw hadden inmiddels andere gasten en het personeel gewaarschuwd dat er iets ergs aan de hand was en een aantal mensen verscheen aan de vooren achterkant van het appartement. Er verscheen een vrouw op een balkon die met bekakte stem vroeg: ‘Kan iemand me alsjeblieft vertellen waar al die herrie voor nodig is?’ Ik legde zo duidelijk mogelijk uit, gezien de staat waarin ik verkeerde, dat mijn kleine meid uit haar bed was meegenomen, waarop ze laconiek antwoordde: ‘O, vandaar,’ bijna alsof iemand haar vertelde dat er een blik bonen van de keukenplank was gevallen. Ik weet nog dat Fiona en ik woedend iets kernachtigs terugschreeuwden.

Ik deed vreselijk mijn best om het negatieve stemmetje in mijn hoofd te onderdrukken dat me kwelde met de woorden: ‘Ze is weg. Ze is weg.’ Zelfs nu, wanneer de donkere wolken zich om me heen samenpakken, begin ik manisch met mijn hoofd te schudden en blijf ik maar herhalen: ‘Niet Madeleine, alsjeblieft, God, niet mijn Madeleine.’

Gerry en ik stonden inmiddels in de woonkamer van het appartement en hielden elkaar krampachtig vast, radeloos van angst. Ik kon niets doen, laat staan Gerry troosten, die om zijn dierbare kleine meisje huilde. Ik bleef mezelf de schuld geven – ‘We hebben haar in de steek gelaten! We hebben haar aan haar lot overgelaten!’ – waarop Fiona ons probeerde gerust te stellen: ‘Kate, dat is niet waar!’

Inmiddels had het personeel van het resort zo veel mogelijk collega’s opgetrommeld, zowel mensen die geen dienst hadden als degenen die net klaar waren, en sommigen zelfs uit bed gebeld. Tegen half elf hadden ze het ‘kind vermist’-protocol in werking gesteld en mensen gemobiliseerd om het terrein uit te kammen. Om vijf over half elf was de politie er nog steeds niet, dus vroeg Gerry aan Matt of hij weer naar de 24-uursreceptie wilde gaan om uit te zoeken wat er aan de hand was. Net op dat moment liep de resortmanager de veranda achter ons appartement op. Ik weet nog dat ik tegen hem schreeuwde dat hij iets moest doen. ‘Waar is de politie?’ riep ik tegen hem. Hij probeerde me gerust te stellen dat ze er elk moment konden zijn, maar ik zag aan hem dat hij het wachten ook moeilijk vond. Minuten leken wel uren.

Ik was zo overweldigd door angst en machteloosheid dat ik naar van alles uithaalde, met mijn vuisten tegen de metalen reling van de veranda sloeg in een poging de ondraaglijke pijn binnen in me te verdrijven. Gerry was inmiddels naar de Miniclub gegaan bij de 24-uursreceptie, met het idee dat als Madeleine ergens zou zijn achtergelaten, ze mogelijk zou proberen haar weg terug te vinden naar een voor haar vertrouwde plek. Onze vrienden renden naar het tapasrestaurant en smeekten mensen daar de politie nog een keer te bellen.

Ondanks de gruwelijke situatie werden onze vrienden zich bewust van de noodzaak om de crisis kalm en methodisch te benaderen, in een poging de chaos nog een beetje onder controle te houden. Wat konden ze doen? Wat moest er gebeuren? We beseften dat we op slechts een uur en een kwartier rijden van Zuid-Spanje waren, en daarachter lag het grenzeloze vasteland van Europa – om het nog niet te hebben over hoe kort de afstand was via de Straat van Gibraltar naar Noord-Afrika – en David zei: ‘Er moeten wegversperringen worden neergezet. De grensposten van Spanje, Marokko en Algiers moeten worden gewaarschuwd.’ Russell vroeg ons om digitale foto’s van Madeleine en nam onze camera mee.


Slaapmiddel

Gerry drong erop aan dat ik met de tweeling in het appartement bleef zodat ik er zou zijn als Madeleine zou worden gevonden en teruggebracht. Hij zou Fiona vragen om bij me te blijven. Ik was in onze slaapkamer, op mijn knieën naast het bed, en zat te bidden en te bidden en te bidden, smeekte God en Onze-Lieve-Vrouwe om Madeleine te beschermen en ons te helpen haar terug te vinden. Ze hadden al veel smeekbedes van me aangehoord in het verleden, maar nog nooit zo’n intense of zo’n belangrijke als deze.

Ik dwaalde een aantal keer naar de kinderkamer om bij Sean en Amelie te kijken. Ze lagen allebei op hun buik in een soort hurklig, met hun hoofd zijwaarts gedraaid en hun knieën opgevouwen onder hun buik. Ondanks het lawaai, de lichten en de algemene chaos, hadden ze zich niet bewogen. Ze waren altijd al vaste slapers geweest, maar dit leek onnatuurlijk. Ongerust legde ik mijn handpalmen op hun rug om te voelen of ze nog ademden. Had Madeleine misschien een soort slaapmiddel toegediend gekregen om haar stil te houden? En de tweeling ook?

Pas om tien over elf arriveerde de politie uit de dichtstbijzijnde stad, Lagos, acht kilometer verderop. Op mij kwamen ze verward over en ze leken er niets van te begrijpen; het beeld van Tweedledum en Tweedledee kon ik niet van me afschudden. Ik besef hoe oneerlijk dit misschien klinkt, maar omdat er met horten en stoten werd gecommuniceerd vanwege de taalbarrière en door de tijd die al verstreken was, had ik geen enkel vertrouwen in hen.

Later begrepen we dat deze twee agenten van de Guarda nacional Republicana (GnR) waren, in feite de militaire politie, zoals de gendarmes in Frankrijk of de guardia civil in Spanje, en onderdeel van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Zij houden zich bezig met zaken als verkeerspatrouilles en zijn ook verantwoordelijk voor de ordehandhaving in landelijker gebieden als de Algarve, maar ze houden zich niet bezig met misdaadonderzoek. We probeerden uit te leggen wat er was gebeurd. David herhaalde zijn zorgen over wegversperringen en het alarmeren van grensposten, en ik meldde dat ik bang was dat alle drie de kinderen een slaapmiddel toegediend hadden gekregen.

Ik wist toen nog niet dat Jane rond kwart over negen een man had zien lopen in de Rua Dr. Agostinho da Silva met een kennelijk slapend kind in zijn armen. Op het moment dat ik ontdekte dat Madeleine vermist was, een uurtje later, was Jane inmiddels weer in haar appartement drie deuren verderop. Toen ze de commotie hoorde, was ze naar buiten gekomen en kwam ze erachter wat er aan de hand was. Ze had Fiona apart genomen en haar verteld dat ze – nadat ze het restaurant uit was gelopen om naar haar kinderen te gaan kijken – die man op het kruispunt met Rua Dr. Agostinho da Silva de straat had zien oversteken, vier of vijf meter vóór haar, en dat hij van links naar rechts liep. Op dat moment had ze er natuurlijk niet echt acht op geslagen: voor zover wij wisten, lag Madeleine in bed te slapen. Logischerwijs was ze ervan uitgegaan dat de man een vader was met zijn kind, misschien op weg naar huis van de kinderopvang. Zodra ze van Madeleines verdwijning hoorde, vielen de puzzelstukjes met een misselijkmakend gevoel op hun plek. Ze meldde het onmiddellijk aan de politieagenten. Gerry was er ook van op de hoogte, maar gezien de staat waarin ik verkeerde, vertelde hij het me pas de volgende ochtend.

Terwijl de politieagenten overal rondkeken, belde Gerry zijn zus Trisha. Hoe moeilijk het ook was om het onze familie te vertellen, we wisten dat we hun hulp goed konden gebruiken, en snel ook. Trisha, die verpleegster is, en haar echtgenoot Sandy zijn Madeleines peetouders en kenden het klappen van de zweep. Gerry was een wrak – ‘hij brulde als een stier’, zoals Trish het uitdrukte – en huilde door de telefoon. Ze kon hem nauwelijks verstaan. Het was pijnlijk voor me om te zien hoe mijn sterke, assertieve man zo instortte, en ik vond het vreselijk voor haar dat ze haar jongere broer zo moest meemaken. Hij bleef maar jammeren: ‘Ze is weg, Trisha. Ze is weg.’


9 September 2007

Het Portugese onderzoek naar de verdwijning van Madeleine McCann verloopt dramatisch: de plaats van de misdaad wordt veel te laat onderzocht, niet alle getuigen of mogelijke verdachten worden verhoord – later blijkt dat er tientallen Britse, Franse en Nederlandse pedofielen wonen in de Algarve – en er zijn talloze misverstanden met de tolken, en dat allemaal terwijl de McCanns en hun vrienden belegerd worden door de internationale pers. Absoluut dieptepunt voor Kate en Gerry McCann is het moment waarop ze zelf als verdacht worden beschouwd – later zal duidelijk worden dat er geen harde bewijzen zijn. Drie dagen later, op 9 september 2007, mag het gezin toch terugkeren naar Groot-Brittannië. Terug thuis proberen ze de draad van hun leven weer op te nemen.

De kinderen waren al vierenhalve maand niet meer naar het kinderdagverblijf geweest, maar nu wilden we een paar ochtenden per week kijken hoe het ging. We hadden geen moment stilgestaan bij het effect dat het op Gerry en mij zou hebben. Madeleine was anderhalf jaar eerder voor het eerst naar dit kinderdagverblijf gegaan en had er ten tijde van ons vertrek naar Portugal nog op gezeten. De herinneringen doken overal op. We kenden de leidsters erg goed en wisten dat ze dol op Madeleine waren. Die eerste ochtend was erg zwaar, en overal waren vochtige ogen te zien.

Na het middageten ging ik Sean en Amelie ophalen. Toen we in de auto stapten, vroeg Sean: ‘Waar is Madeleine?’ Toen beantwoordde hij zijn eigen vraag: ‘Daar.’

Hij wees op een bijgebouw dat het Coach House heette en waar de oudere kinderen zaten. Hij wist nog dat Madeleine daar elke ochtend heen was gegaan. Ik kon me herinneren dat de tweeling vaak bij het raam op de halve overloop van het hoofdgebouw was blijven staan, zodat ze het speelplaatsje naast het Coach House konden zien. ‘Magalin!’ riepen ze dan in hun peutergebrabbel. ‘Daar is Magalin!’ Hun grote zus keek dan liefdevol omhoog en zwaaide naar hen, waarna hun gezichtjes begonnen te stralen. De rest van de dag hoorde ik Seany door het huis dwalen en tegen iedereen zeggen die hem kon horen: ‘We kunnen Madeleine niet vinden.’

Waar ik ook kwam met de tweeling, overal lagen herinneringen aan Madeleine die de pijn heviger maakten. In het park zag ik haar van de glijbaan glijden. ik stond in het zwembad voor het raam en zag haar, met haar gele badmutsje op, naar me zwaaien. Maar ik dwong mezelf uitstapjes te ondernemen waarvan ik wist dat ze Amelie en Sean blij zouden maken. Ik nam hen mee naar Stonehurst Farm, ‘onze boerderij’. Ik zag Madeleine de schapen voeren. Ik hoorde haar tegen de ezels praten. Ik zag haar aan het touw door de hooischuur zwaaien. Ik hoorde haar giechelen en wilde ook giechelen. Boer John kwam over het erf naar ons toe en riep: ‘Over vijf minuten gaan we op de tractor rijden!’ Toen hij mij zag staan, verscheen er een droevige blik in zijn ogen. Hij liep snel naar me toe en sloeg zijn sterke boerenarmen om me heen. Hij zei niets. Dat hoefde ook niet. Ik wist dat john met zijn grote hart wist hoeveel pijn ik had en hoezeer ik ernaar verlangde dat onze kleine Madeleine weer thuis zou komen.

De nachten waren het ergst. niet alleen doordat het donker was, wat herinneringen opriep aan de ergste nacht van mijn leven, maar ook omdat mijn geest, die zich niet langer bezig hoefde te houden met alledaagse dingen, dan de vreselijkste beelden opriep. Ik deed voortdurend mijn best om aan fijne dingen te denken, zodat ik in slaap zou vallen, maar de demonen bleven me kwellen met beelden die zo angstaanjagend en pijnlijk waren dat ik ze niet kan delen.

Na de ontvoering van Madeleine waren ook mijn seksuele verlangens volledig verdwenen. Normaal gesproken zou ik nooit iets over ons seksleven hebben gezegd, maar het is zo’n onlosmakelijk deel van de meeste huwelijken dat het raar zou zijn erover te zwijgen.

Ik denk dat er, afgezien van onze algehele staat van verwarring en ontzetting en het feit dat ik aan niets anders kon denken dan aan Madeleine, twee redenen voor mijn gebrek aan libido waren. Ten eerste kon ik het mezelf simpelweg niet toestaan ergens van te genieten, of het nu om het lezen van een boek of vrijen met mijn man ging. De tweede reden was de walging die gepaard ging met mijn angst dat Madeleine het ergst voorstelbare was overkomen: dat ze in handen van een pedofiel was gevallen. Kort na haar ontvoering was dat het enige waaraan we konden denken, en het vrat aan ons. Het was een gruwelijke gedachte dat zo’n monster wellicht mijn dochter aanraakte, haar streelde en haar volmaakte lichaampje schond. Het deed er niet toe of het haar echt was overkomen (en God, laat het niet zo zijn); het feit dat het kón, zorgde ervoor dat ik eraan bleef denken. Omdat ik zo werd gekweld door die nachtelijke beelden was het misschien niet verbazingwekkend dat ik alleen al van de gedachte aan seks beroerd werd. Als ik in bed lag, was ik alleen maar vervuld van haat jegens degene die ons dit had aangedaan, degene die ons meisje van ons had afgenomen, haar doodsbang had gemaakt en nu ook nog eens zorgde voor extra problemen voor mij en de man van wie ik hield. ik haatte de dader. Ik wilde hem vermoorden. Ik wilde hem zo veel mogelijk pijn doen om wat hij mijn gezin had aangedaan. Ik wilde mijn oude leven terug.


12 mei 2011

Vier jaar na de verdwijning van Madeleine proberen Kate en Gerry op alle mogelijke manieren de aandacht voor de zaak gaande te houden. Kate schrijft het boek ‘Madeleine’, dat in Groot-Brittannië verschijnt op 12 mei 2011, de achtste verjaardag van haar dochtertje. Omdat het politie-onderzoek al drie jaar stilligt, zamelen ze zelf voortdurend geld in om privédetectives en campagnes te kunnen betalen. Ook ijveren ze voor een Europees alarmsysteem, naar Amerikaans voorbeeld, dat snel geactiveerd kan worden wanneer kinderen verdwijnen. Hun leven staat dag en nacht in het teken van de ontvoering van Madeleine, maar tegelijk moeten ze hun twee andere kinderen Sean en Amelie ook alle aandacht geven die ze verdienen, en proberen ze hun relatie zo goed en kwaad als het gaat overeind te houden. Vooral Kate heeft last van schuldgevoelens: mag ze nog wel van het leven genieten, zolang ze Madeleine niet heeft teruggevonden?

Het vreselijke bewustzijn van Madeleines angst, dat ik ooit elk wakend uur heb gehad, is iets afgenomen. Wat ervan rest, is een hardnekkig besef van de doodsangst die ze gevoeld moet hebben in het eerste, verwarrende moment toen ze haar ogen opendeed en bij een onbekende was. Ik kan me niet voorstellen dat dat besef ooit helemaal zal verdwijnen.

Een hele tijd lang kon ik niet tv-kijken, geen boek lezen, niet naar muziek luisteren of het voetbal volgen, zoals ik dat in mijn oude leven had gedaan. ik ging niet meer naar de film of naar een restaurant. ik kon geen winkels meer afschuimen. Madeleine was van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat in mijn gedachten. ik kon zelfs niet meer rustig gaan zitten, tenzij ik iets ging doen, zoals eten of aan de computer werken. Hoe kon ik zonder mijn dochter ook maar ergens van genieten?

Het eerste korte, vredige moment herinner ik me nog heel goed. Het was in de zomer van 2008, tijdens onze eerste vakantie sinds Madeleines ontvoering, in een heerlijk afgelegen hut in Canada. Gerry en ik waren gaan hardlopen in het bos, en toen we terugkwamen, had tante Norah een geweldige lunch voor ons klaargemaakt. Na het eten ging ik een hele tijd in bad zitten, met een glas rode wijn. Ik ging languit liggen, dompelde mijn hoofd compleet onder water en liet het gloeiend hete water over mijn gezicht spoelen. Mijn geest was vredig, mijn lichaam kalm... en ineens merkte ik dat de zwaarte van ons leven kortstondig werd weggenomen. Eventjes maar, maar het voelde goed.

Maar alleen al het erkennen van deze trage, persoonlijke ‘vooruit-gang’ overspoelt me weer met schuldgevoelens. Mijn leven wordt eronder verpletterd: schuldgevoel over wat er met Madeleine is gebeurd, schuldgevoel omdat ik deze ellende heb overleefd, schuldgevoel omdat ook Sean en Amelie eronder lijden, schuldgevoel omdat ik niet meer de persoon en de echtgenote ben van vroeger, schuldgevoel als ik vijf minuten voor mezelf uittrek... Als het op schuldgevoel aankomt, is het misschien wel een dubbele vloek om moeder én katholiek te zijn, en het is beslist een zware last die je met je meetorst. Het vreet aan je geweten, en als je verzwakt, kan het je ondergang zijn.


Stoute man

Cynici zullen wel zeggen dat we de media ‘opgevrijd’ hebben (God, wat haat ik die uitdrukking). Als ze daarmee bedoelen dat we hun hulp hebben gevraagd om iedereen te vertellen dat onze dochter is gestolen en dat we haar wanhopig graag terug willen hebben, dan moeten we toegeven dat dat waar is. Bij elke beslissing die we de laatste vier jaar hebben genomen, inclusief elke ontmoeting met de pers, stond het belang van Madeleine voorop, niet het onze. Wat zouden die critici hebben gedaan als Madeleine hún kind was geweest? Zouden ze zich verstopt hebben en er maar het beste van hebben gehoopt? Wat zou ú doen?

Omdat we nu zo bekend zijn (het woord ‘beroemd’ krijg ik niet over mijn lippen), voel ik me tegenwoordig slecht op m’n gemak in het openbaar. Soms komen mensen naar me toe om me het beste te wensen. Anderen staan alleen te staren, stoten hun gezelschap aan en fluisteren: ‘Hé, daar heb je Kate McCann,’ waarna vijf hoofden mijn kant op draaien. Ik heb winkelmeisjes zien wegrennen om het hun collega’s te vertellen, zodat achter een toonbank nog eens drie hoofden werden omgedraaid. Ik vraag me werkelijk af wat ze denken. Geloven ze wat er in de kranten heeft gestaan? Winkelen heeft me toch al nooit zo geïnteresseerd, maar tegenwoordig vind ik het een ergere bezoeking dan ooit. Als ik er niet onderuit kan, zorg ik dat ik zo vlug mogelijk weer buiten sta.

Na onze terugkeer uit Portugal was een van mijn eerste klusjes het ophalen van een dvd van ‘Jungleboek’ die ik had besteld. Zodra ik uit de auto stapte, werd ik doodsbenauwd. Ik wilde dat niemand me zag, maar het was heel druk in het winkelcentrum. Haastig liep ik de winkel in, terwijl ik mijn blik op de grond gericht hield om elk oogcontact te vermijden. Toen ik in de rij voor de kassa stond te wachten, moest ik de neiging onderdrukken om de winkel uit te lopen. Het duur-de allemaal te lang. Ik voelde me naakt en er sprongen tranen in mijn ogen. Nadat ik eindelijk geholpen was, rende ik met de dvd in mijn hand geklemd het winkelcentrum uit, toen iemand me ineens bij de arm pakte. Het was een ex-collega. Ik barstte in snikken uit en ze trok me dicht tegen zich aan terwijl andere mensen zich langs ons heen werkten. ‘Kate, wat kijk je bang,’ zei ze. ‘Kin omhoog, meid, je hoeft je nérgens voor te schamen.’

Het is meermalen voorgekomen dat ik met Sean en Amelie buiten was en dat een van de kinderen een driftbui kreeg. Ze waren peuters en deden wat elke peuter doet, maar ik was bang dat de mensen negatief zouden oordelen over mijn kinderen en de manier waarop ik op hun gedrag reageerde. Dachten ze dat de tweeling ongelukkig of getraumatiseerd was? Waren ze bang voor mij? Dachten ze dat er problemen waren in ons gezin? Wat gingen ze tegen hun vrienden zeggen? in mijn oude leven zou ik waarschijnlijk even iets strengs hebben gezegd of had ik gedaan alsof ik de kinderen niet zag huilen, in de hoop dat ze kalmeerden als ik er geen aandacht aan schonk. Maar nu iedereen toekeek, had ik het gevoel dat ik hen niet streng kon toespreken, laat staan dat ik mijn stem kon verheffen. Meestal deed ik mijn alleruiterste best om redelijk te blijven praten of vroeg ik buitengewoon vriendelijk om er alsjeblieft mee op te houden.

Ik voel me veel kwetsbaarder dan vier jaar geleden, vooral als moeder. Ik weet nog hoe bezorgd ik was toen Madeleine nog klein was. Veel daarvan was irrationeel. Stel je voor dat een wesp in haar mond vliegt en haar steekt, zodat haar keel opzwelt! Stel je voor dat een passerende hond ineens aanvalt en haar bijt! nooit heb ik stilgestaan bij de mogelijkheid dat een man haar uit haar bed zou kunnen stelen. Sinds die avond is mijn bezorgdheid over Sean en Amelie alleen maar toegenomen, en ik maak me nu ook zorgen over ongelukken, ziekten en (uiteraard) over de mensen met wie ze in aanraking komen.

Ik maak me zorgen over de toekomst, over het moment dat Sean en Amelie naar de universiteit gaan en misschien net zo graag willen reizen als ik. Ik wil niet dat ze gaan. Ik wil hen veilig bij me in de buurt hebben. Ik spreek mezelf moed in: ‘Je moet sterk zijn. Je moet hen het leven laten ervaren. De meeste kinderen worden zonder grote tegenslagen en tragedies volwassen. Zolang jij er bent om hen te steunen, komt alles goed met ze.’

Zoals de deskundigen ons hebben aangeraden, proberen we naar Sean en Amelie altijd open te zijn en hun vragen naar waarheid te beantwoorden. Toen Amelie drieënhalf was en zich zorgen ging maken over de mogelijkheid dat Madeleine was weggelopen, legden we het ontvoeren van kinderen zo simpel uit dat ze zich niet bedreigd hoefden te voelen. Het was verkeerd om dingen van iemand anders mee te nemen, zeiden we, maar dat was precies wat er met Madeleine was gebeurd. Ze was niet weggelopen. Iemand wilde haar hebben en had haar van ons weggenomen. De tweeling begreep hoe verkeerd dat was en dat we er verdrietig om waren, maar ze gingen heel nuchter met dat nieuwe inzicht om: een stoute man had hun zusje gestolen, en nu moesten we haar terug zien te vinden. Ze worden steeds groter, en we blijven hun vragen zorgvuldig maar eerlijk beantwoorden.


Kwaad op God

Mensen vragen me vaak: ‘is je geloof op de proef gesteld? Ben je weleens kwaad op God?’ Ik heb vaak het gevoel gehad dat God me verlaten heeft of Madeleine in de steek heeft gelaten. Af en toe heb ik zelfs aan Zijn hele bestaan getwijfeld. En ja, ik ben kwaad op Hem geweest. Ik heb geschreeuwd en soms geslagen (zelfs de kerkbanken hebben weleens een schop gehad, ben ik bang). Ik geef God niet de schuld van Madeleines ontvoering. Die heeft de ontvoerder op zijn geweten. Ik worstel echter wel met het onverklaarbare feit dat we ondanks talloze gebeden, een bijna mondiale campagne en de enorme hoeveelheid hard werk die is verzet, nog steeds geen antwoord hebben. Mijn tante citeert raak een gezegde: ‘Bid alsof alles van God afhangt. Werk alsof alles van jou afhangt.’ Ik geloof dat we dat inderdaad hebben gedaan.

De zoektocht naar Madeleine gaat intussen door. Sean en Amelie hebben het er vaak over dat hun zusje misschien ontsnapt, waarna wij haar komen redden. Ook praten ze over wat ze gaan doen met de ‘stoute man’ die haar gestolen heeft. Een keer stelden ze voor: ‘Zullen we tegen de politie zeggen dat Madeleine weg is, en vragen of ze ons helpen?’ Goed idee.

Sinds juli 2008 onderzoekt geen enkel politiekorps, waar dan ook, wat er met Madeleine is gebeurd. Wij zijn de enigen die haar zoeken.

Wij hebben nooit te maken gehad met grensoverschrijdende onderzoeken, en het is voor ons moeilijk te begrijpen waarom het met name in Europa onmogelijk is om zaken van vermiste kinderen gecoordineerd en op basis van de best mogelijke expertise aan te pakken. We hebben te horen gekregen dat dit wél gebeurt bij misdaden in verband met drugs, witwassen en terrorisme: in zulke gevallen blijkt de leidinggevende rol van het land waar de misdaad gepleegd is, minder zwaar te wegen. De verdwijning van een kind verdient toch zeker dezelfde aandacht van overheden?

Jane had op de avond van de ontvoering een man zien lopen die een kind droeg en bij ons appartement vandaan liep. Dat kind was waarschijnlijk Madeleine. Maar wie was die man? En wie was de man die, aldus getuigen, in de dagen daarvoor het appartement heeft geobserveerd? Vier jaar later is hij of zij nog steeds niet geïdentificeerd. ‘Maai eerst het gras onder je voeten,’ zeggen ze bij de politie. Is dat gebeurd? Is iedereen in de buurt van de Ocean Club, en dan met name de mensen die van onze activiteiten op de hoogte waren, op goede gronden van de lijst met verdachten geschrapt? Uit wat wij in de politiedossiers hebben gelezen, blijkt iets anders. Om te beginnen zijn er nog steeds mensen nooit ondervraagd. Ook is niet van iedereen een verklaring opgenomen en is niet ieders alibi nagetrokken.

Van groot belang is ook dat we één ding niet vergeten: de dader van deze monsterlijke misdaad loopt nog steeds vrij rond. Deze man, die een klein meisje uit haar bed heeft gestolen en bij haar ouders heeft weggehaald, is veel te lang onbekend gebleven. Als er niets meer aan gedaan wordt, blijft hij in de schaduw verborgen, ontloopt hij zijn straf en is hij vrij om opnieuw toe te slaan.

Ons eigen onderzoek stuit op grote beperkingen. Heel belangrijk is dat we geen toegang hebben tot alle informatie die bij de politie bekend is. De Portugese autoritei-ten bezitten veel gegevens die niet zijn opgenomen in de gepubliceerde dossiers. Ook de Britse politie bezit informatie die wij niet hebben. Hoe meer gegevens we te pakken kunnen krijgen, des te completer het beeld wordt en des te groter de kans is dat wij onze dochter vinden.

Mensen vragen ons waarom we doorgaan. Ons antwoord is dat we nog steeds hopen, oprecht hopen. Madeleine leeft totdat iemand het tegendeel bewijst. Er zijn veel voorbeelden van ontvoerde kinderen die jaren later werden teruggevonden. Het meest recente geval haalde in januari 2011 de pers en betrof Carlina White, die in 1987 als baby uit een ziekenhuis in Harlem (New York) ontvoerd werd en door haar vrouwelijke kidnapper werd grootgebracht. Carlina, die haar verhaal wantrouwde, zocht zelf hulp en werd als gevolg daarvan na drieëntwintig jaar herenigd met haar familie. Crystal Anzaldi werd weggehaald toen ze veertien maanden was; zeven jaar later werd ze gevonden. Steven Stayner, die als zevenjarige gekidnapt was, ontsnapte zeven jaar later. Hoeveel andere kinderen wachten nog totdat iemand hen vindt?

Wij zijn weerbaarder geworden en hebben ons geschikt in ons nieuwe leven. Maar onze dochter wordt nog steeds vermist en ons gezin zal nooit compleet zijn zonder haar. We zullen haar nóóit opgeven en zullen niet toestaan dat het verhaal hier eindigt.

Bekijk hier de trailer van de Netflix-documentaire over de verdwijning van Maddie McCann

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234