De wachtkamer van de dood: bejaardenmishandeling in rusthuizen'Mijn zuster is verhongerd, maar ik had de indruk dat het de directie gewoon niet interesseerde'

Eén op de vijf bejaarden in België krijgt te maken met één of andere vorm van lichamelijk, seksueel, psychisch of financieel misbruik. En dat is een voorzichtige raming, want lang niet alle gevallen worden gemeld: zeker in rusthuizen is de vuile was buitenhangen nog steeds een ongelooflijk taboe.

(Verschenen in Humo 3442 op 22 augustus 2006)

'Sommige verzorgers worden gewoon weggepest: ze gaan té menselijk met de bejaarden om'

De familie vergoelijkt de houding van het personeel dikwijls met de opmerking dat vader of moeder 'toch ook niet zo gemakkelijk in de omgang is'. Journaliste Denise Van den Broeck ging op zoek naar familieleden van mishandelde en/of verwaarloosde bejaarden en schreef er een boek over. Een exclusieve voorpublicatie: 'Mijn zuster is verhongerd, maar ik had de indruk dat het de directie gewoon niet interesseerde.'

Angèle verbleef eerst in een rusthuis in Gent, maar omdat haar familie in het Brusselse woonde, lieten ze haar opnemen in een rusthuis dichterbij.

LOUIS (broer van Angèle) «Mijn zuster had alzheimer. Ze had geen geheugen meer. Mij kende ze nog wel, maar ze legde geen verband tussen mijn vrouw en mij en mijn kinderen en mij. Ze keek televisie, maar ik denk niet dat het nog tot haar doordrong. Toen ik dat aan de directie van haar nieuwe RVT uitlegde, antwoordden ze mij dat de verzorging geen problemen zou opleveren. We waren blij dat ze dicht bij ons was, zodat we haar vaak konden bezoeken.»

MARIE-THERESE (schoonzus van Angèle) «In het rusthuis kreeg ze geen mooie kamer. Aan de overkant was een heel nieuwe vleugel bijgebouwd en we hadden graag gezien dat ze daar een kamer had gekregen - ze kon het betalen. De directrice paaide ons met de belofte dat ze nog wel zou zien.

»Toen ze er pas was, kon Angèle nog zelfstandig eten en drinken. Maar ze takelde heel snel af. Als ze in de gang ging wandelen, vond ze haar kamer niet meer terug. Op een dag was ze de kamer van een gepensioneerde aalmoezenier binnengegaan. Zoiets zou ze nooit uit zichzelf hebben gedaan: ze was stijfburgerlijk opgevoed. Vanaf dan hebben ze haar gefixeerd in haar stoel op haar kamer met een bord voor haar, zoals in een kinderstoel.

»Buiten het bezoek was er niemand die zich met haar bezighield. Ze at helemaal alleen. Er was geen gemeenschappelijke zaal. En op de duur zag ze niemand meer, behalve de vliegtuigen die hoog boven haar lijntjes trokken in de lucht.

»Ze verloor de reflex om te slikken. Als onze kinderen haar gingen bezoeken, vonden ze haar soms terwijl ze soep zat te eten met een vork. Er was niemand bij haar om te helpen met eten. Als het eten koud was, werd het weggenomen. Toen we dat merkten, gingen we haar vaker rond etenstijd bezoeken.»

LOUIS «Op een keer kwam ik in haar kamer, en ze zat daar voor een schotel frietjes met filet américain. De frieten waren koud. Ik vroeg aan een verzorgster om het eten opnieuw op te warmen. Toen ze terugkwam, zag ik dat ze het hele bord gewoon in de microgolfoven had gezet. Maar filet américain zet je toch niet in de microgolfoven? Het zag er niet uit. Toen ik haar daarop aansprak, bekeek ze mij alsof ze het in Keulen hoorde donderen. Dat mens was helemaal niet geïnteresseerd in haar job. We hebben er toen ook op aangedrongen dat iemand haar zou helpen met eten.»

MARIE-THERESE « Toen kregen we het allebei heel druk op het werk, waardoor we niet meer zo vaak naar haar toe konden. Ik heb mijn schoonzuster, die verpleegster is, toen gevraagd om bij haar langs te gaan. Die vond dat haar zus sterk vermagerd was. Maar in de praktijk veranderde er nog steeds niets.

»De eerste keer dat we haar terugzagen, kon ze niet meer slikken. Ik herinner me dat we haar aanmoedigden: 'Vooruit Angèle, slikken!' Maar het eten bleef gewoon in haar mond zitten. We hebben toen onze dokter gevraagd om haar te volgen, want wij zagen ook wel dat ze aan het verhongeren was. Ze was al vel over been en ze moest dringend naar het ziekenhuis. Toen de dokter haar naar de dienst Spoedgevallen liet brengen, woog ze nog 42 kilo, voor een lengte van 1,65 meter.

»Ik weet nog dat ik 's anderendaags een geweldig drukke dag had. Op kantoor waren wij aan het verhuizen en ik moest de hele dag heen en weer lopen. Voor ik naar huis terugkeerde, ging ik nog bij Angèle in het ziekenhuis langs. Ze hadden haar inmiddels overgebracht naar een gewone kamer op de vierde verdieping, zonder monitor of baxters. Ze lag met haar polsen vastgebonden aan het bed, was ontzettend onrustig en haalde moeilijk adem. Toen kreeg ik een bang voorgevoel.

»Ik ging op zoek naar de verpleger en informeerde of ze haar medicatie wel gekregen had. De verpleger stelde me gerust en zei dat Angèle wel kalm zou worden. Omdat ik bleef aandringen, beloofde hij dat hij onmiddellijk naar haar kamer zou gaan. Omdat de telefoon in het ziekenhuis het niet deed, haastte ik mij naar huis om Louis te halen.

»Toen we terugkwamen, was het stil op haar kamer. Angèle lag met haar gezicht naar de deur te kijken, in de richting waarin ze mij had zien vertrekken. Ze was dood. Ik was hooguit een uur weggeweest. Al die tijd was er niemand naar haar komen kijken. Het is een beeld dat ik nooit meer kan vergeten.»

LOUIS «Eigenlijk hadden ze in dat rusthuis moeten merken dat Angèle aan het verhongeren was. Of die directrice had eerlijk moeten bekennen dat ze de verzorging niet aankon: dan waren we op zoek gegaan naar een andere instelling. Maar ik had de indruk dat het hen gewoon niet interesseerde.»

Ondervoeding komt heel vaak voor bij bejaarde mensen: 10 tot 20 procent van de bejaarden die nog thuis wonen, 30 procent van wie in het ziekenhuis verblijft en zelfs 60 procent van de rusthuisbewoners lijdt eraan. Amper één op de veertig bejaarden in een rusthuis krijgt voldoende te drinken. Van de rusthuisbewoners zit dertig tot vijftig procent onder hun ideale gewicht.


Losse handen

Andrée De Raet is nog altijd verschrikkelijk boos over de manier waarop haar vader André in een Brussels OCMW-rusthuis werd behandeld. Een rusthuis dat hij als schepen nota bene zelf had helpen oprichten. Hij werd er in 1986 opgenomen, na een ziekenhuisverblijf waarin duidelijk was geworden dat hij door zijn handicap niet meer thuis verzorgd kon worden: hij had als kind polio gehad en zat wegens toenemende ouderdomsverschijnselen in een rolstoel. Hij was 64.

ANDRÉE DE RAET «Mijn vader was advocaat geweest bij de balie van Brussel en schepen van zijn gemeente. In de jaren zeventig had hij nog mee het rusthuis ingehuldigd; de inauguratieplaat met zijn naam erop hangt nog altijd bij de ingang. Bovendien was mijn zus ook nog politiek actief. Wij waren er dus heel gerust in.

»De eerste dagen verliepen vlot. Maar mijn vader, die de ondervragingen van de Gestapo had overleefd en na de oorlog een man van gezag en aanzien was geworden, duldde niet dat het verplegend personeel hem als een klein kind betuttelde. Dat vond hij een gebrek aan respect. Het duurde niet lang of hij kwam in aanvaring met de hoofdverpleger. Het ging meestal over onbenulligheden. Mijn vader hield graag zelf de controle over de afstandsbediening van de tv. Telkens als de hoofdverpleger dat zag, pakte hij de zapper zonder iets te zeggen af. Mijn vader pikte dat niet, en dat liet hij ook duidelijk merken. Af en toe ging de verpleger naast hem zitten en vroeg wat er scheelde. Alsof dat de verhouding tussen hen weer kon goed maken. Ze moesten mekaar niet, en praten deed de lucht niet opklaren.

»Op een zondagmorgen kreeg ik opeens een telefoontje van de hoofdverpleger dat mijn vader zich op een schandalige manier had gedragen. Tijdens een woordenwisseling zou hij zo kwaad geworden zijn dat hij de hoofdverpleger een mep had verkocht en daarbij ook diens overhemd had gescheurd. Mij leek zoiets onwaarschijnlijk, omdat iemand in een rolstoel fysiek niet in staat is om een rechtopstaande persoon een oorveeg te geven.

»Ik ging direct kijken, samen met mijn zus. De hoofdverpleger was er ook. Hij had een dokter laten komen en de voorzitter van het OCMW opgeroepen. Op een bepaald ogenblik was ik alleen in de kamer met mijn vader, die erg zat te beven. 'Wat is er gebeurd?' vroeg ik. 'We hebben ruzie gemaakt,' antwoordde hij. Meer wou hij niet zeggen. Toen de hoofdverpleger weer binnenkwam, zag ik dat er een knoop ontbrak aan zijn hemd. Maar hij had geen doktersverklaring die bevestigde dat hij een klap had gekregen. Ik heb daarna nog een onderhoud gehad met de directeur van het rusthuis. Die zei dat mijn vader een beetje moeilijk was, maar dat er eigenlijk niets ernstigs gebeurd was.

»Mijn vader had een speciale vriendin in het rusthuis, Marie-Thérèse, die een verdieping hoger woonde en elke dag een uurtje met hem kwam praten en dan koekjes of bonbons meebracht. Op een dag merkte ik dat Marie-Thérèse bont en blauw zag. Ik veronderstelde dat ze gevallen was, want dat gebeurt vaker met oudere mensen. Later vernam ik dat de hoofdverpleger haar mishandeld had. Hij had haar aan de haren door de gang gesleurd.

»Korte tijd later heeft de hoofdverpleger mijn vader een oorveeg gegeven in het bijzijn van de kinesitherapeut en de werkvrouw. Het waren opnieuw onbenulligheden die aan de basis lagen: een venster dat openstond terwijl het dicht had moeten zijn. Mijn vader was fysiek niet in staat tot lichamelijk geweld, maar als er iets op zijn tong lag, moest het eruit. En daarop had de hoofdverpleger hem geslagen. Dat hebben de kinesist en de werkvrouw voor de rechtbank bevestigd.

»Toen had ik er genoeg van en heb ik een klacht ingediend, zowel voor mijn vader als voor Marie-Thérèse. Zij was alleenstaande en had nog een broer die even oud was en in Luik woonde. Ze had niemand die het voor haar kon opnemen en was dus een gedroomd slachtoffer.

»De situatie werd op de duur zeer pijnlijk, omdat we veel meer in het rusthuis op bezoek gingen dan vroeger. Zeker toen de hoofdverpleger rapporten begon te schrijven. Mijn vader rookte stiekem in zijn kamer en toen de hoofdverpleger dat in de gaten kreeg, viel hij te pas en te onpas zijn kamer binnen. Als hij dan vaststelde dat mijn vader aan het roken was, schreef hij telkens een rapport - met de bedoeling om hem buiten te krijgen. Als ik aan het verplegend personeel vroeg om mijn vader die sigaretten af te nemen en ze hem alleen in de salon te geven, waar wel gerookt mocht worden, antwoordden ze dat ze dat niet konden doen.

»Eind 2004 ontving mijn vader een brief waarin hem verzocht werd tegen eind februari 2005 zijn koffers te pakken. Ze beloofden ons wel te helpen om een ander rusthuis te zoeken, maar het bleef bij beloften.

»Ondertussen was zijn gezondheidstoestand enorm verslechterd. Hij at bijna niets meer en het verplegend personeel stond oogluikend toe dat hij enorme hoeveelheden alcohol verzette. Elke dag waren er wel mensen die buiten het rusthuis inkopen gingen doen en dan wijn of sterke drank voor hem meebrachten. Hij kreeg zakgeld van mijn moeder, dat hij dan bijna volledig besteedde aan alcohol. Het wisselgeld zag hij nooit terug. Toen hij steeds meer zakgeld vroeg, zijn we beginnen te zoeken in zijn kamer en hebben we de flesjes wijn gevonden. We hebben daarover heel boos de directie aangesproken, maar die antwoordde dat ze niets konden doen. Maar ze grepen het wel aan om rapporten te schrijven.

»Op de duur stonden mijn vaders slokdarm en maag vol zweren. Hij werd heel mager en bleek. Eind februari is hij dan met zijn koffers aan de deur gezet. Omdat hij er zo slecht aan toe was en er geen plaats was in een home, heb ik hem naar een ziekenhuis gebracht. Het OCMW had ons gezegd dat er plaats voor hem was in ander rusthuis. Toen ik voor alle zekerheid met die instelling belde, bleken ze daar van niets te weten.

»Uiteindelijk zijn we in Saint-Etienne terechtgekomen. Daar is het stilaan beginnen te beteren. In het nieuwe rusthuis waar hij uiteindelijk binnenmocht, zeiden ze mij dat stiekem roken een probleem was in alle rusthuizen. Maar daar namen ze tenminste de sigaretten en de aansteker af als de bewoners naar hun kamer gingen; ze kregen ze alleen maar in de salon. Het verplegend personeel zag er ook op toe dat mijn vader geen alcohol meer kreeg. Sindsdien is zijn gezondheid er erg op vooruitgegaan.

»Het personeel herinnerde zich ook de hoofdverpleger met de losse handen: hij was twintig jaar eerder bij hen ontslagen wegens brutaliteiten tegen bejaarden. Ik vind het ongelooflijk dat zulke mensen dan zonder problemen aan de slag kunnen in een ander rusthuis. Wordt het personeel dan helemaal niet gescreend?»

In Vlaanderen bestaat er sinds 1999 een meldpunt voor mensen die klachten hebben (of gewoon inlichtingen willen) over een rusthuis: de Woonzorglijn. Het aantal klachten over fysiek geweld blijft erg beperkt: jaarlijks twee of drie. Toch betekent dat niet dat er geen klachten zijn. In april 2006 sprak de correctionele rechtbank van Doornik nog een verpleger vrij die vervolgd werd wegens de mishandeling van verschillende bejaarden, met minstens één overlijden tot gevolg. De man zou bepaalde bejaarden moedwillig geen eten of verzorging hebben gegeven, en hij zou ze ook brutaal behandeld hebben.

Op 13 maart 2004 blokletterde Gazet van Antwerpen: 'Bejaarde sterft na te heet bad in rusthuis.' 'In het Brusselse Molenbeek is een bejaarde man gestorven aan de brandwonden die hij opliep na een veel te heet bad. Ook een andere bewoner liep brandwonden op. Een derde bejaarde blijft ongedeerd. De betrokken verpleegster werd wegens een zware fout ontslagen. Het parket beschuldigt de vrouw van onopzettelijke slagen en verwondingen.' En de nieuwssite Brussel Nieuws schreef op 17 mei 2005: 'In het rusthuis Saint-Ignace in Laken werd het lichaam van een overleden vrouw drie dagen lang op haar kamer achtergelaten. Het personeel was haar vergeten.'

Alleen de meest hallucinante gevallen halen de pers. De meeste vormen van geweld zijn minder extreem, en vaak ook psychisch. Bejaarden klagen bijvoorbeeld vaak over 'bruut wassen, in de rolstoel zwieren, pitsen of knijpen' door het verzorgend personeel.


De centen van ons moederke

Roger Claesen liet zich in 1991 met de beste bedoelingen ompraten om zijn moeder onbekwaam te laten verklaren. 'Dat had ik nooit mogen doen,' bekent hij achteraf. Er werd een voorlopige bewindvoerder aangesteld die de financiën van zijn moeder zou beheren; de gevolgen waren dramatisch.

ROGER CLAESEN «Mijn moeder werd in 1991 in het ziekenhuis opgenomen met een lichte hersenbloeding. Omdat ze nadien niet meer alleen kon blijven, woonde ze voortaan afwisselend bij mij en bij mijn broer. Ze was niet dement, maar ze had wel bij alles hulp nodig.

»Na een maand ging ik bij de bank de rekeningen van het ziekenhuis betalen. Ik had geen volmacht op mijn moeders rekening, en de bankbediende raadde mij aan dat te melden aan de rechtbank, zodat de betalingen rechtsgeldig zouden zijn.

»Omdat ik niet wist hoe ik dat moest aanpakken, ben ik naar een advocaat gestapt. Die zou alles regelen. Zonder mij voor te lichten over de gevolgen, richtte hij een verzoek aan de vrederechter om mijn moeder onbekwaam te laten verklaren. De vrederechter is dan bij mijn moeder op de koffie gekomen en heeft heel hard geroepen: 'Moederke, we zullen eens goed voor u gaan zorgen!' Vervolgens werd er een voorlopige bewindvoerder aangesteld.

»Niet lang daarna hebben we ondervonden wat hij bedoelde met 'goed verzorgen'. De voorlopige bewindvoerder, een plaatsvervangend rechter, weigerde pertinent de gemaakte kosten voor mijn moeders onderhoud en verzorging terug te betalen. Toen ze uit het ziekenhuis kwam, hadden we voor haar een hospitaalbed in de woonkamer gezet omdat ze de trap niet meer op kon. De matras moesten we zelf kopen: de bewindvoerder weigerde de kosten terug te betalen. En de facturen van de thuisverpleging wou hij ook niet terugbetalen.

»Omdat mijn moeder het zo vlug koud kreeg, had de verpleegster ons aangeraden wollen kleding te kopen. Maar op onze vragen om dat terug te betalen, werd niet gereageerd. Als wij aandrongen, kregen we te horen: 'Ik ben met de zaak bezig' of 'Ik geef geen toestemming' of nog erger: 'Ik ben de baas en niet jullie.' Toen mijn vrouw hem opbelde, antwoordde hij botweg: 'Ik stuur geen geld voor winterkleren, want ik weet dat jullie dat zelf opsouperen.'

»Op de duur werden we heel creatief, om toch een gedeelte van de kosten te recupereren. Mijn moeder had pampers nodig omdat ze incontinent geworden was. Na lang zoeken vonden we een firma die bereid was de pampers bij ons thuis af te leveren en de rekening door te sturen naar de advocaat.

»Omdat de bewindvoerder bleef weigeren onze onkosten terug te betalen en ons ook geen inzage verschafte in wat hij met het geld deed, hebben we hem voor de rechtbank gedaagd wegens wanbeheer. De vrederechter verklaarde zich onbevoegd en verwees mij door naar de rechtbank van eerste aanleg, waar ik de bewindvoerder op eigen kosten zou moeten dagvaarden. Daarop ben ik naar het parket gestapt met de vraag om een onderzoek in te stellen.

»Het parket was er niet happig op, maar toch werd de bewindvoerder uit zijn functie ontzet. Hij vroeg om niet vervolgd te worden, want hij was ernstig ziek: multiple sclerose. Toen ik dat hoorde, kon ik het niet over mijn hart krijgen om die man nog te vervolgen. Maar ondertussen heb ik vernomen dat hij nog steeds bewindvoerder is van een heleboel mensen en zelfs van iemand die hij zelf als plaatsvervangend rechter onbekwaam heeft verklaard. Als dat geen belangenvermenging is...»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234