De wonderjaren van de voetbalgoden: van de straat naar de top

Volgende week start de eerste ronde van de Champions League en deze week staan Eden Hazard en Romelu Lukaku weer aan de aftrap met de Rode Duivels. Hoewel de Belgische toppers nog net niet op dezelfde galactische loonschaal staan als de grootverdieners Ronaldo, Messi en Neymar Jr. hebben ze wel één ding gemeen: in hun prille jongensjaren waren ze bezeten door de bal.

'Ik ben nog altijd dat kind van het grasveldje. Ik wil niet doordacht voetballen, ik wil spélen'

Als kind heb ik úren gevoetbald met mijn broer en een zwartwitte plastic Telstar-bal. We speelden ’s zomers op de oprit van de garage en ’s winters ín de garage. Het ene doelkader was een gat tussen de verwarmingsketel en een bezemkast, het andere een wasmand verdoken achter de wasmachine. Het speelveld was 4 op 2,5 meter en onze wedstrijdjes ontaardden vaak in een hate game of zelfs een handgemeen (goal afgekeurd als de bal niet in de mand bleef maar eruit botste!). Mijn voetbalcarrière is niet verder geraakt dan die garage, de schoolspeelplaats en het ruige veld van Rapid Deurne, maar de fascinatie voor het spel is gebleven. In portretten van topvoetballers is mijn favoriete passage die over hun prille jeugd. Bijna altijd komt een vader/moeder/oom/buurman dan vertellen hoe de wereldster-in-wording als kind op álles wilde trappen wat voorhanden was: een blokje hout, een colablik, een bal van aluminiumfolie. De ongeschreven regel is dat de ‘sokkenbal’ dé basis is. Wie daarmee begint, is op de wereld gezet om het letterlijk en figuurlijk vér te schoppen.


Plastic zakken

Cristiano Ronaldo (Juventus) en Ronaldinho (ex-Barcelona) hebben in hun vroege jeugd met sokkenballen gespeeld. Ronaldo hield het niet bij sokken, in zijn biografie is ook sprake van ballen ‘gemaakt van gebundelde plastic zakjes’. Geen wonder dat er van Ronaldo een hele stoet filmpjes bestaat waarin hij appelsienen, golfballen, plastic waterflesjes, of zelfs enkel de dop ervan, hooghoudt.

Het gaat allemaal terug naar de sokkenbal uit de kindertijd. Een bal die stroef stuitert, vereist immers meer behendigheid en traptechniek, en die handigheid krijgen die kinderen spelenderwijs in hun voeten. De vader van David Beckham moet het geweten hebben, want toen David 4 jaar was, maakte zijn vader voor hem ‘een zachte, kleine bal van opgerolde sokken’. En toen Lionel Messi in 1991 nog niet boven de tafelrand uitkwam, en al bezeten was door het spelletje, kon het toch nog gebeuren dat de Vlo ergens zonder bal viel. Volgens zijn broer Matias vond hij dat ondraaglijk en ging hij dan ‘gauw een bal maken van samengedraaide sokken of plastic zakken’.

In veel Zuid-Amerikaanse krottenwijken spelen kinderen nog steeds met bijeengebonden vodden of plastic zakken. Ook in Afrika, waar armoede vaak de eerste sparringpartner is, staan kinderen dikwijls te trappen op een zelfgemaakte bal. Op stoffige veldjes spelen ze er met textiel dat op alle mogelijke manieren tot een bal is gebundeld: met visnet, een appelsienennet, tape, elastiek of een cadeaulint. Als er niks anders voorhanden is, spelen ze met een conservenblik of met een harde, onrijpe mango.

In de tijd voor plastic, toen er alleen maar lederen voetballen waren, konden arme ouders die luxe onmogelijk betalen. Daarom speelden de Braziliaanse wereldster Pelé en zijn vriendjes in de jaren 40 met een namaakbal, een sok ‘die ze opvulden met papier en die ze met touwen tot een ronde vorm kneedden’. Ook de begenadigde Hongaarse wereldster Ferenc Puskás (1927-2006) en de beroemde Portugese international Eusebio (1942-2014) zijn hun carrière begonnen met een ‘voddenbal’. Nu nog zouden Alvaro Morata (Chelsea) en Marcelo (Real Madrid) een sokkenbundeltje hooghouden ‘als verstrooiing op hun hotelkamer’.


Bal onder de dekens

Je allereerste échte voetbal krijgen is in die jonge levens een mijlpaal. Voor Diego Maradona, die uit een arm gezin met acht kinderen kwam, was zijn eerste leren bal niet minder dan een godsgeschenk. Hij kreeg die voor zijn derde verjaardag en hij nam ’m elke nacht mee onder de dekens. Volgens zijn familie ‘klemde hij de bal al slapend tegen zich aan, uit schrik dat hij gestolen zou worden’. Ook Neymar Jr. ging slapen met z’n eerste voetbal.

Verjaardagen zijn vaak allesbepalend geweest in de jeugd van supersterren. De jonge Ronaldo ‘kreeg van zijn peetvader een speelgoedauto, waarop de jongen in woede uitbarstte omdat hij zo graag een bal had gewild’. Ronaldo verlangde naar een echte bal omdat zijn vader materiaalman was bij een lokale club op het eiland Madeira. Als kind mocht hij mee naar de trainingen en na afloop mocht hij de ballen verzamelen in het draagnet. Dat maakte de hunkering naar een eigen lederen bal groot, en eens hij er zelf één had, nam de kleine Cristiano hem overal mee naartoe, zelfs tot in de schoolbanken. Volgens zijn biografie prentte één lerares hem meermaals in dat hij beter moest opletten, want ‘dat hij van die bal nooit zou kunnen leven’.

Messi kreeg zijn eerste bal toen hij 4 jaar was en vanaf dan waren hij en de bal onafscheidelijk. Als zijn moeder hem naar de winkel stuurde voor boodschappen, ging hij erheen ‘met de bal aan de voet’. Zinédine Zidane ging al ballend naar school en keerde al ballend huiswaarts. ‘De ergste straf voor hem was als hij zijn bal moest thuislaten of afgeven.’ Ook Eden Hazard vergat weleens zijn boekentas op weg naar school, ‘maar nooit zijn bal’. Rode Duivel Adnan Januzaj zat ook met een bal in de schoolbanken, vertelde zijn vader in Humo. Leerkrachten belden de vader op, om te zeggen dat ze zoiets ‘niet langer konden gedogen’.

Mario Balotelli werd later een enfant terrible genoemd, maar was al eigenzinnig toen hij nog gewoon een enfant was. Op zijn 7de verjaardag organiseerde zijn pleegmoeder een feestje met tuinspelletjes voor de uitgenodigde kinderen. Alleen Mario ontbrak, ‘hij was binnenshuis met zijn bal aan het spelen’.

Kevin De Bruyne was nooit binnenshuis te vinden, hij was altijd aan het voetballen in de tuin. Vader De Bruyne: ‘Nooit konden we hem binnenlokken voor een film, dat was onbegonnen werk of het duurde hooguit tien minuten. Ook voor games had hij geen interesse. Hij had alleen een gameboy voor in de auto... Omdat je in een auto niet kunt voetballen.’ Op die gameboy speelde Kevin voetbalspelletjes.

'De jonge Cristiano Ronaldo kreeg een speelgoedauto, waarop hij in woede uitbarstte omdat hij zo graag een bal wilde'


Tussen de bommen

In haast elk relaas wordt de nog jonge witte merel toch al opgemerkt: op straat staan voorbijgangers met open mond te kijken naar de vertoonde kunstjes. Dat straatvoetbal wordt gespeeld op pleintjes, op braakliggend land, op parkeerterreinen of tussen garageboxen, élk terrein is goed. Cristiano Ronaldo was letterlijk een straatvoetballer op Madeira. Hij speelde op de rijweg, het enige vlakke stuk in de wijde omgeving: ‘Als ik over onze straat spreek, dan bedoel ik niet een lege straat, maar dan bedoel ik de rijweg. De doelpalen waren twee stenen en zo speelden we als de school gedaan was. Regelmatig moesten we stoppen en de ‘doelstenen’ omleggen, zodat bussen en auto’s door konden. Twee minuten was het maximum dat we onafgebroken konden spelen. Het was een kleine oppervlakte, dus een lange pass geven was onmogelijk. Het was continu naar mekaar tikken en dribbelen.’ Dat stukje rijweg maakte hem perfect gelukkig, zegt hij in zijn biografie: ‘Ik hield van die plek, ik kende en wilde niks anders.’

Luka Modrić (Real Madrid), op het voorbije WK nog uitgeroepen tot beste speler van het toernooi, was een vluchtelingenkind in de Balkanoorlog van de jaren 90. Zijn vader diende in het leger van Kroatië en zijn grootvader werd ‘nabij zijn huis vermoord door Serviërs’. Daarop vluchtte zijn moeder met het gezin naar de stad Zadar, waar zij en andere vluchtelingen onderdak kregen in een hotel. Van Luka wordt gezegd dat hij ‘alleen maar een oude, leeglopende bal als gezelschap had’. Al die jaren dat ze daar verbleven, speelde hij elke dag urenlang voetbal op het pleintje bij het hotel: ‘Zo kon ik me afsluiten van het geweld.’ Regelmatig werd de omgeving getroffen door mortiergranaten, maar één van de hotelreceptionisten verklaarde aan de Spaanse sportkrant Marca dat Luka ‘meer vensters brak dan alle explosies samen’.

Francesco Totti (AS Roma) is opgegroeid in San Giovanni, een wijk van Rome die in zijn herinnering een heel speelveld was: ‘Op de kasseien, in de steegjes, rond de kerken, overal en altijd speelden we voetbal. Ik denk niet dat iemand mij in die jonge jaren zonder een bal heeft gezien.’

Wayne Rooney kwam ter wereld in Croxteth, een buitenwijk van Liverpool. Zijn geboortehuis lag naast een jeugdhuis, een gebouw mét een voetbalveldje: ‘Ik hoefde maar over het tuinhek te kruipen en ik was er. Beter kun je niet hebben. Uren en uren heb ik daar gespeeld met mijn kameraadjes.’

Rooney speelde op asfalt, vele anderen speelden op straatstenen, hobbelig gras, of oneffen zand met stenen. Precies die onorthodoxe speelvelden zijn uiterst leerzaam zegt Rooney: ‘Op zo’n terrein stuitert de bal niet normaal, hij maakt rare capriolen, en dat scherpt je reacties. Het maakt je beducht voor alle mogelijke richtingen die een bal kan uitgaan.’

'Voor Thorgan en Eden waren stoelen tegenstanders en zetels het doel. Bijna alle kaders aan de muur sneuvelden – ook het huwelijksportret'


Blootvoets

Spelen op straat of op een ruw veld scherpt de techniek aan, maar is sletig voor het schoeisel. De Argentijnse Ángel Di María (Paris Saint-Germain) was in zijn jeugd ‘bezeten met voetbal bezig en met niks anders’. Hij moest ‘om de twee maanden’ thuis gaan zeggen dat zijn schoenen stuk waren. Zijn moeder herstelde de scheuren en gaten met lijm, want ‘er was geen geld om nieuwe schoenen te kopen’.

Soms waren er zelfs geen schoenen. De jonge Pelé speelde in de jaren 40 op blote voeten, maar ook Alexis Sánchez (Manchester United) zou blootsvoets gevoetbald hebben, als arm kind in Tocapilla, een al even armzalig mijnstadje in Chili. En de vroegste herinnering van Luis Suárez (Barcelona) is dat hij op z’n 6de voetbalde in de straten van de Uruguayaanse stad Salto, op blote voeten, want ‘er was geen geld voor schoenen’.

Vruchtbaar voor de legendevorming is wanneer de jonge voetballer van armoede naar rijkdom gaat, from rags to riches. Er bestaan lijstjes van wereldsterren die het in hun kinderjaren thuis niet breed hadden: Maradona, Eusebio, Jairzinho, Garrincha, de Braziliaanse Ronaldo, Ronaldinho, Pelé, Ribéry, Ibrahimović en Suárez, de lijst is lang. Neymar Jr. zei in een interview dat zijn gezin soms bij kaarslicht aan tafel zat omdat er geen geld was om de elektriciteitsrekening te betalen. Ook Romelu Lukaku vertelde in Players’ Tribune dat z’n familie soms wekenlang verstoken bleef van elektriciteit: ‘We konden dan geen tv kijken, geen Champions League zien.’

Tegelijk is er ook een voetbalvader die al vroeg geld uitgaf om de prestaties van z’n zoon op te krikken. Pa Beckham was jeugdtrainer van de lokale Londense club Ridgeway Rovers en hoewel hij na de match vooral in de kantine zat, vond hij toch een manier om Davids traptechniek te verfijnen. De jongen kreeg 50 pence voor elke keer dat hij de bal vanop de lijn van de rechthoek tegen de deklat kon trappen. Met zijn vader trainde David ook in het park. Vader trapte de bal hoog de lucht in en de 6-jarige knaap moest het leer dan zuiver in de vlucht kunnen raken voor hij neerkwam.

'Lionel Messi kreeg zijn eerste bal toen hij 4 jaar was en vanaf dan waren hij en de bal onafscheidelijk. Ook ­Neymar Jr. ging slapen met z'n eerste voetbal'


Garagepoort

De meeste topvoetballers hebben innige herinneringen aan hoe ze urenlang wedstrijdjes betwistten met andere kinderen uit de buurt. Wanneer die speelkameraadjes er genoeg van hadden en naar huis gingen, bleef de échte jonge bezetene in zijn eentje verder spelen. Lionel Messi was zo’n kind. Al sinds zijn 5de knalt hij de bal tegen een poort om zijn precisie te verbeteren. Hij raakt de bal bewust vol en hard, zodat hij zich telkens moet reppen om de kaats op te vangen. ‘De buren smeekten hem om te dimmen met dat gedreun op de poort.’ Ook Cristiano Ronaldo had een muurtje waartegen hij in zijn eentje zijn traptechniek verbeterde, uren aan een stuk.

De Braziliaanse Ronaldo speelde vaak met zijn broers, maar wanneer die het voor bekeken hielden, bleef hij in zijn eentje zijn schot oefenen: ‘linkervoet, rechtervoet, opnieuw linkervoet’. Hij woonde in een klein huis, maar het had één groot voordeel: het lag naast een boomgaard. ‘Ik heb uren tussen die fruitbomen gedribbeld, altijd maar rond die struiken en stammen van de mango’s, guava’s en jaboticaba’s.’ De jaboticaba is een struik van tropische bessen, ideaal voor de schijnbeweging en het overstapje.

Ronaldinho had geen fruitbomen. Hij groeide op in een wijk van de grootstad Porto Allegre in Brazilië, waar drugsbendes de plak zwaaiden: ‘Eigenlijk kon je je alleen veilig voelen als je voetbalde op straat of in het park. Dat was ons terrein, daar liet iedereens ons met rust.’ Als zijn vriendjes naar huis gingen, bleef hij alleen met een bijzondere tegenstrever: zijn hond Bombom. ‘Het was zo’n dwaze straathond, maar wel een echte Braziliaan, dus eentje die van voetbal hield. Ik vond het geweldig om hem te dribbelen en om te zien hoe hij naar de bal en naar mijn voeten dook. Het was een onvermoeibare verdediger.’

Johan Cruijff zegt simpelweg dat álles op straat begint, en niet op het trainingsveld van een club: ‘Op straat ontdek je het voetbal. Op straat ontstaat de liefde voor het spel. Dáár leer je dribbelen, dáár leer je met de stoeprand een een-tweetje te maken.’


Alles kapot

Als op straat spelen om één of andere reden niet lukt, wordt de woonkamer vaak het speelveld. De zus van Moussa Dembélé weet wat daar de gevolgen van zijn: ‘Alles heeft hij kapot gesjot in huis. Van de luchter tot de glazen deur. Keek ik televisie, dan kreeg ik een bal tegen mijn hoofd. Ik werd er hoorndol van. Soms stond de politie aan de deur omdat de buren klaagden over het lawaai dat hij met zijn bal maakte. Mijn moeder liet hem daarom voetballen met een mousse bal, maar dan nog sneuvelde er geregeld iets.’ Ook Vincent Kompany moest binnenshuis overschakelen op een zachte bal ‘omdat hij anders te veel lawaai maakte voor de buren’.

Voor de broers Thorgan en Eden Hazard was de woonkamer ook een verlengde van hun buitenspel. ‘Stoelen waren tegenstrevers, zetels werden een doel,’ vertelde vader Thierry. ‘Bijna alle kaders aan de muur – ook ons huwelijksportret – zijn gesneuveld. Zelfs in een kast vol kristallen glazen ging alles stuk.’ Voetballen in huis was ‘eigenlijk verboden’ en geregeld moesten de harde ballen het huis uit. De jongens speelden dan verder met ‘een kleine sponsbal of met een bal van opgerolde kousen’.

David Villa (ex-Valencia en Barcelona) mocht in huis ook absoluut niet met een leren of plastic bal spelen. Hij maakte zijn eigen bal met ‘een grote prop papier, die hij met kleefband omwikkelde’.

De 5-jarige Andrea Pirlo (ex-Juventus) had binnenshuis een extra trainingsveld. Met zijn ‘sponsbal’ mikte hij binnen het kader van een raam of een deur. Hij had ook een ‘muurtje’ bedacht om vrijschoppen te oefenen: hij schoof een sofa in de weg van zijn ‘doel’ en leerde de bal daarover te tillen.


Kinderspel

Die kindertijd waarin alle uren – op slapen en schoolgaan na – om dat éne spel draaien, blijft voor veel topvoetballers een dierbare inspiratiebron, hun voedingsbodem. Wayne Rooney zegt: ‘Heel mijn manier van spelen komt van die wedstrijdjes op dat asfaltpleintje. De tactische kant van het spel ontdek je later, maar 95 procent van mijn spel komt uit mijn kindertijd.’

Volgens Lukaku komt zijn verbetenheid ook uit die vroegste leerschool: ‘Als kind moest elk schot zo hard zijn als ik kon. Die bal moest aan flarden, zo hard wilde ik schieten. En ik méén het: elk wedstrijdje dat ik als kind speelde, in het park of in de speeltijd op de lagere school, was voor mij een finale.’

‘Ik speel nog altijd instinctief zoals toen ik jong was,’ zegt Messi. ‘Die volwassen speler is nog altijd dat kind van de straat en van het grasveldje. Ik wil niet planmatig of doordacht voetballen, ik wil spélen. Dat kind zit nog in mij, ik ben nog niks veranderd.’

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234