‘Toen ik mijn eerste lief had, heeft mijn grootmoeder me goeie raad gegeven. Ik moest altijd ‘serieus’ zijn, maar ook niet te serieus, want ik mocht me ook amuseren. (Lacht) Dat advies heb ik goed opgevolgd.’

overleed 5 jaar geledensteve stevaert

De Wonderjaren van Steve Stevaert: ‘Wij hadden maar één drug - bier!’

‘Toen ik mijn eerste lief had, heeft mijn grootmoeder me goeie raad gegeven. Ik moest altijd ‘serieus’ zijn, maar ook niet te serieus, want ik mocht me ook amuseren. (Lacht) Dat advies heb ik goed opgevolgd.’Beeld stephan peleman

Op 2 april 2015 stapte Steve Stevaert uit het leven. In 2002 sprak hij met Humo over zijn kindertijd. Herlees hier het interview.

(Verschenen in Humo 3238 op 24 september 2002)

Toen waren de kerken nog vol en de wegen nog leeg. Opgroeiende bengels, het knipmes op zak, zaten zich in het dorpscafé suf te drinken zonder dat iemand er iets van zei, en er heerste grote duidelijkheid over wanneer het tijd was voor je eerste lief: zodra je begon te werken.  Steve Stevaert (48) blikt met weemoed terug op zijn Wonderjaren: ‘Ik ben opgegroeid in een paradijs.’

STEVE STEVAERT «Ik heb het grootste deel van mijn jeugd in het huis van mijn grootouders in Rijkhoven, een deelgemeente van Bilzen, gewoond. Het was bij ons in de streek de gewoonte dat pasgetrouwde koppels bij hun ouders introkken tot ze genoeg gespaard hadden om zelf een huis te bouwen.

»Mijn grootvader werkte, zoals veel andere mannen uit de streek, in de Waalse mijnen. De omstandigheden daar waren erbarmelijk, en hij is rond zijn zestigste aan kanker gestorven. Gelukkig is hij vrij vroeg met pensioen kunnen gaan: de laatste jaren van zijn leven heeft hij toch nog wat mooie momenten meegemaakt. Om rond te komen hield mijn grootmoeder, Fientje, een kruidenierswinkeltje van de christelijke coöperatieve open.

»Mijn grootouders hadden ook een paar koeien, een paar varkens en wat kippen, en mijn allereerste herinneringen gaan over die dieren. Ik weet nog goed dat ik als klein ventje met gummilaarzen en een stok op het erf van mijn grootouders rondliep en me de koning te rijk voelde. Er was altijd wel iets te beleven op de boerderij: een kat die in de stal had gejongd, de vaarzen die ‘s morgens vroeg door de opkoper in de vrachtwagen werden geladen, een varken dat geslacht werd... Nu zouden veel kinderen het waarschijnlijk afschuwelijk vinden om zo’n slachting te zien, maar ik vond het iets heel interessants - hoewel ik er toch ook heel erg bang van was (lacht). Er kwam speciaal een slachter voor naar de boerderij, en er waren ook altijd een paar buurvrouwen die meehielpen. Die geur van geslachte varkens zit nog altijd in mijn neus.»

HUMO Door wie bent u als kind het meest beïnvloed?

STEVAERT «Ik heb altijd een heel bijzondere band met mijn grootmoeder gehad. Ze was een heel verstandige vrouw, eigenlijk opvallend modern en progressief voor haar tijd, al was ze net zoals mijn grootvader en mijn ouders diep gelovig. Heel verdraagzaam ook: ze veroordeelde niemand en ze hield zich ook niet bezig met achterklap. In Rijkhoven woonde bijvoorbeeld een ongehuwde moeder, over wie veel geroddeld werd, maar mijn grootmoeder ging heel gewoon met haar om. Vanuit haar winkeltje had mijn grootmoeder een goeie kijk op de sociale verhoudingen in ons dorp. Er waren nogal wat mensen die op de poef kochten, en mijn grootmoeder wist altijd waarom: ze kende ieder verhaal van het dorp.

»Ze was vooral een heel rechtvaardige vrouw, die niemand voortrok. Ik was haar oogappel, maar als ik haar in haar winkeltje voor de zoveelste keer snoep probeerde af te troggelen, zei ze: ‘Ik zou wel willen, manneke, maar als ik snoep aan jou geef, moet ik aan alle andere kinderen ook snoep geven, en dat kan ik niet.’

»Ze vertelde me ook vaak wat er tijdens en na de oorlog - ten tijde van de bezetting en de repressie - in ons dorp was gebeurd, en waarom Bilzen ook weleens ‘klein Berlijn’ werd genoemd. Ze legde me het verschil uit tussen de witten en de zwarten, en ze zei dat niet alle zwarten noodzakelijk slechteriken waren en niet alle witten heiligen. Eind jaren vijftig, in een dorp waar de oorlogsvetes nog nazinderden, was het niet evident zo’n uitspraak te doen, en zeker niet tegen een kind.»

Steve Stevaert toen hij 16 was en zich inschreef aan de hotelschool in Hasselt Beeld Archief Steve Stevaert

Bokken om blokken

HUMO Wat was u voor een kind?

STEVAERT «Ik was een vrij gemakkelijke en aangename jongen, geloof ik. Ik had maar één vervelende eigenschap: mijn koppigheid. Ik weet nog goed dat mijn moeder me op een keer had gezegd dat ik mijn blokken moest opruimen, maar ik vond dat ik een goede reden had om dat niet te doen, en dus vertikte ik het. Mijn grootmoeder probeerde mij tot andere gedachten te brengen: ‘Raap die blokken toch gewoon op, anders zal je moeder je straffen.’ Maar ik ging nog liever de rest van de dag in de kelder zitten - waar ik erg bang was - dan mijn speelgoed op te ruimen. Als ik vond dat ik gelijk had, kon niets mij van gedachte doen veranderen. Ik ben zelfs ooit eens niet mee op schoolreis mogen gaan, omdat ik weigerde mijn haar te laten knippen... Die koppigheid heb ik nog altijd: als ik van mijn gelijk overtuigd ben, houd ik voet bij stuk - vaak tegen mijn eigen belang in.»

HUMO Maakte u vaak ruzie met uw ouders?

STEVAERT «Nee, helemaal niet. Er vielen weleens woorden als ik iets had uitgespookt, maar mijn ouders hebben mij nooit een pak slaag gegeven. Tijdens mijn puberteit bleef het bij ons thuis ook vrij rustig. Dat was toch wel merkwaardig: mijn vader was beroepsmilitair - hij is begonnen als schrijnwerker op de luchtmachtbasis van Brustem, toen er nog veel hout in vliegtuigen werd gebruikt - en ik ontpopte mij rond mijn vijftiende als een echte pacifist. Wij voerden erg levendige discussies over de oorlog in Vietnam: mijn vader stond aan de kant van de Amerikanen, en ik had sympathie voor de Vietcong, de Vietnamese vrijheidsstrijders. Ik heb later burgerdienst gedaan: die duurde toen nog 24 maanden, dubbel zo lang als de gewone legerdienst. Mijn vader had daar uiteraard zijn eigen ideeën over, maar hij kon er toch mee leven. Ik ben echt wel in een sfeer van rust en verdraagzaamheid opgegroeid. Het enige waarvoor mijn ouders me soms een standje gaven was mijn haar: ze konden niet verdragen dat het te lang werd.

»Eigenlijk waren mijn ouders heel tolerante, vrijdenkende mensen die mij absoluut niet in een keurslijf wilden dwingen. Ze lieten me de vrijheid om zelf de wereld te ontdekken. Toen ik zeventien was, ben ik naar Joegoslavië gelift - wat in die tijd absoluut niet vanzelfsprekend was - mijn vader heeft me toen zelfs met zijn auto naar de oprit van de autosnelweg gebracht. Ik was wel antimilitarist, maar als rugzak nam ik toch een van mijn vaders handige schoudertassen van het leger mee (lacht).

»Eigenlijk hebben ze me maar één keer iets echt verboden. Mijn grootvader had me, toen hij slechter begon te zien, geleerd hoe ik duiven moest ringen, en zo had ik de smaak van het duivenmelken te pakken gekregen. Toen hij stierf, lag het voor de hand dat ik zijn duiven én het volledige duivenhok van hem zou overnemen. Maar ik was nog maar twaalf, en mijn ouders waren ertegen, omdat duivenmelkers vaak in het café zitten. Ze dachten dat het duivenmelken voor mij gewoon een excuus was om veel naar het café te gaan - en misschien hadden ze wel gelijk (lacht). Na een paar maanden heb ik de beste duiven weggegeven aan een paar bevriende duivenmelkers, en de rest is in de pot terechtgekomen. Dat was het einde van mijn korte carrière als duivenmelker.

»Voor de rest hebben mijn ouders me altijd heel vrij gelaten. Ik had natuurlijk het voordeel dat ik al vroeg met school gestopt ben. Vanaf mijn vijftiende ging ik naar de hotelschool in Hasselt, en ben ik beginnen te werken in de horeca. Ik hoefde niets meer aan mijn ouders te vragen, want ik verdiende geld genoeg. Dat was goed nieuws voor mij, maar ook voor hen, want zij hadden het absoluut niet breed en waren blij dat ze mijn studies niet meer hoefden te betalen.»

‘Mijn vader had vroeger liever gehad dat ik carrossier was geworden. Hij was ervan overtuigd dat er steeds meer auto’s zouden komen en dat die steeds vaker tegen elkaar zouden botsen.’Beeld Digital images

Hard labeur

HUMO Was uw vader de enige kostwinner in huis?

STEVAERT «Ja, mijn moeder heeft een tijdje meegeholpen in de winkel van mijn grootmoeder, maar ze had geen eigen inkomen. Mijn vader onderhield met zijn bescheiden salarisje van onderofficier zijn vrouw en drie kinderen. Wij hadden echt geen geld te veel; het heeft een eeuwigheid geduurd voor het huis van mijn ouders eindelijk af was.

»Bij ons nieuwe huis hoorde een grote moestuin, waarin we al onze groenten zelf kweekten, en op het veld achter ons huis verbouwden mijn ouders aardappelen en kolen. Dat deden ze niet voor hun plezier of omdat het goed was voor het milieu, maar uit pure noodzaak: groenten uit de winkel waren te duur voor hen.

»Op een gegeven moment zijn mijn ouders ook aardbeien beginnen te kweken, want die brachten goed op. Dat vonden wij - mijn jongere broer en zus en ik - helemaal niet prettig, want wij moesten die aardbeien helpen planten en plukken. Dat was hard labeur, de hele tijd op je knieën. Mijn vader had een stootkar gebouwd om de aardbeien van het veld naar ons huis te vervoeren. De wielen had hij van zijn motorfiets - waarmee hij jarenlang naar zijn werk was gereden - gehaald. Dat vond ik heel jammer: toen mijn vader zijn eerste tweedehands auto kocht, had ik stilletjes gehoopt dat ik met die motorfiets door de velden achter ons huis zou kunnen crossen.»

HUMO Wat waren uw ouders voor mensen?

STEVAERT «Eenvoudige, hardwerkende mensen die tevreden waren met wat ze hadden. Je moet niet verder willen springen dan je stok lang is: die houding hebben mijn broer en zus van hen overgenomen. Eigenlijk ben ik de enige van ons gezin die wat uit de band is gesprongen: ik ben op mijn achttiende met mijn eerste café begonnen, en later ben ik in de politiek gegaan - die dingen horen eigenlijk niet in het milieu waarin ik ben opgegroeid.»

HUMO Wat doen uw broer en zus voor de kost?

STEVAERT «Mijn broer is verpleger in het Sint-Pieterziekenhuis in Brussel, en mijn zus werkt in een verzekeringskantoor in Hasselt.»

HUMO Hebt u het idee dat uw ouders u een goede opvoeding hebben gegeven?

STEVAERT «Absoluut. Mijn ouders hebben alles voor ons gedaan wat ze konden. Ik heb hun onlangs, ter gelegenheid van hun vijftigste huwelijksverjaardag, gezegd: ‘Stel dat ik mijn ouders zelf had mogen kiezen, dan had ik jullie gekozen.’»

HUMO Wat hebben ze u vooral bijgebracht?

STEVAERT «Dat de ene mens niet beter is dan de andere. Ik kan mij heel goed voorstellen dat politici die dat niét van thuis hebben meegekregen zich arrogant gaan gedragen omdat ze toevallig een hoge functie hebben.

»Er woonde bij ons om de hoek bijvoorbeeld een jongen van wie wij vonden dat hij heel stout was, maar toch kreeg hij altijd heel veel van Sinterklaas. Voor ons klopte dat niet, maar mijn ouders zeiden: ‘Dat die jongen meer krijgt, wil niet zeggen dat hij béter is dan jullie.’»

HUMO Uw ouders leven nog allebei. Ziet u hen vaak?

STEVAERT «Veel te weinig, vrees ik. Ik bel wel iedere dag met mijn moeder, maar zij klaagt - heel terecht - dat ik haar te weinig bezoek. Mijn broer en zus ziet ze veel vaker dan ik.»

Koud ijzer

HUMO Waarom bent u op uw vijftiende eigenlijk gaan werken?

STEVAERT «Omdat ik de schoolbanken kotsbeu was. Het interesseerde mij niet, ik verveelde mij, en in mijn agenda schreven mijn leraars voortdurend: ‘Houdt zijn aandacht niet bij de les.’»

HUMO Was u het boefje van de klas?

STEVAERT «Ik was zeker geen krapuul, maar ik was er wel altijd bij als de boel op stelten werd gezet; ik was een beetje tegendraads. Als de leraar mij vroeg wie de piramiden in Egypte had gebouwd, antwoordde ik niet, ‘De farao’s,’ wat volgens de schoolboeken het juiste antwoord was, maar: ‘De slaven.’ - dat had mijn grootmoeder me verteld. Maar dat hoorden ze natuurlijk niet graag op school (lacht).

»Op de lagere school kon ik wel aarden, omdat ik daar tenminste ook mocht tekenen en schilderen en boetseren, maar vanaf de middelbare school, toen ik opeens de rivieren en bijrivieren van België van buiten moest leren, was de lol eraf.

»Ik heb mij toen ingeschreven in de hotelschool van Hasselt, en ik ben tegelijkertijd gaan werken bij traiteurs: veel plezier gehad, veel interessante mensen ontmoet én goed mijn kost verdiend. Vooral opdienen op feesten leverde een aardige cent op, want daar kreeg ik drinkgeld van de gasten. Op die feesten is het verschil tussen de sociale klassen mij ook voor het eerst duidelijk geworden. Heel merkwaardig, maar als ik op een chic feest met rijke mensen moest opdienen, kreeg ik altijd heel weinig fooien, terwijl ik op een feest van gewone mensen meestal veel verdiende.»

HUMO Wat vonden uw ouders ervan dat u op uw vijftiende ging werken?

STEVAERT «Mijn vader vond dat niet erg, hij had alleen liever gehad dat ik carrossier was geworden. Hij was ervan overtuigd dat er steeds meer auto’s zouden komen, en dat die steeds vaker tegen elkaar zouden botsen (lacht). Maar ik zag dat niet zitten: ik hield niet van het gevoel van koud ijzer in mijn handen. Ik vond het veel prettiger om in de horeca te werken. En dat begrepen mijn ouders: ‘In de horeca zul je altijd je kost kunnen verdienen,’ zeiden ze. Dat vonden ze belangrijk: dat ik iets deed waarmee ik mijn boterham kon verdienen.»

HUMO Wat deed u zoal met het geld dat u verdiende?

STEVAERT «Ik gaf het meteen af aan mijn ouders: dat was zo de gewoonte in die tijd. Mijn ouders gaven me vervolgens een deel terug, bij wijze van zakgeld. Al mijn vrienden die werkten, gaven hun geld thuis af, wij stelden daar geen vragen bij. Vandaag is dat ondenkbaar, maar voor ons was dat de gewoonste zaak van de wereld. Ik kwam met dat zakgeld trouwens ruimschoots toe, want toen ik zestien was heb ik mijn eerste brommer gekocht - iets wat mijn leeftijdsgenoten op school zich niet konden permitteren.»

HUMO Speelde het geloof een belangrijke rol in uw familie?

STEVAERT «Behoorlijk, ja. Het geloof was voor mijn ouders en grootouders vooral een leidraad; het gaf aan welke waarden belangrijk waren: respect voor de anderen, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid... Dat wilden ze ook aan hun kinderen doorgeven.

»Ik ben nagenoeg mijn hele jeugd met mijn ouders en grootouders mee naar de kerk gegaan, maar op een gegeven moment heb ik ermee gekapt, zonder dat dat thuis overigens tot conflicten heeft geleid. Ik houd er wel nog altijd dezelfde waarden als mijn ouders op na. Ik geloof in de maakbaarheid van de mens en de samenleving. Het enige waarover we grondig van mening verschillen, is wat er met ons gebeurt na onze dood. Ik denk dat het helemaal ophoudt, mijn ouders geloven dat wij blijven voortleven.

»Ik ben wel een beetje jaloers op hen, omdat ze zoveel kracht putten uit hun geloof. Dat maakt het leven een stuk draaglijker. Ik zou ook best in het bestaan van een God willen geloven, maar jammer genoeg laat mijn ratio dat niet toe.»

De Beatles en de Stones

HUMO Waarom zagen uw ouders het eigenlijk niet zitten dat u in de politiek ging?

STEVAERT «Zij én mijn grootouders hadden het idee dat onze soort mensen - de lagere sociale klasse - zich niet met politiek bezighield.

»Het gekke was dat mijn grootmoeder - net zoals mijn grootvader en de meeste andere mijnwerkers uit de streek - wel altijd socialistisch heeft gestemd. Maar dat kón ze niet toegeven, omdat de CVP in die tijd in Rijkhoven 78 procent van de stemmen haalde. Iemand die een winkeltje van de christelijke coöperatieve uitbaatte, kon niet tegelijkertijd openlijk socialistische sympathieën te hebben.»

HUMO Herinnert u zich nog door welke kinderangsten u werd geplaagd?

STEVAERT «Ik weet dat ik als kleine jongen heel bang was als Jezeke takte. Mijn grootmoeder had een tv, en ‘s avonds kwam de hele buurt bij ons in de achterkamer televisie kijken. Ik zat dan met mijn broer en zus op de grond naast de Leuvense stoof, en soms maakten wij wat te veel lawaai. Boven de kachel hing een groot zwart doek met een kruisbeeld erop, en door de warme lucht van de kachel bewoog dat kruisbeeld af en toe. Dan zei mijn grootmoeder dat we stil moesten zijn, omdat Jezeke takte - daarmee bedoelde ze dat Jezus kwaad was.

»Ik weet ook nog goed dat ik bang was omdat mijn grootmoeder stilaan blind werd. Ik vond dat vreselijk voor haar, en omdat ik zo ongerust was, vroeg ik haar zeker tien keer per dag: ‘Ga je nu echt blind worden, oma?’ Ze moet dat heel vervelend hebben gevonden, maar toch heeft ze me nooit gevraagd daar nu eindelijk eens mee op te houden. Ik heb haar ook nooit horen klagen over het feit dat ze steeds slechter begon te zien.

»De slechte ogen van mijn grootmoeder hadden één groot voordeel: dat ze steeds vaker naar de radio begon te luisteren. Ze was daardoor heel goed op de hoogte van alle moderne muziek uit die tijd, zoals The Beatles en The Rolling Stones. Mijn ouders waren tégen rock-’n-roll - voor hen was dat tjingel-tjangelmuziek - en ze zetten de radio altijd af, maar mijn grootmoeder vond het geen enkel probleem als ik mijn favoriete muziek keihard zette.»

HUMO Wanneer in uw jeugd hebt u zich het ongelukkigst gevoeld?

STEVAERT «Toen mijn grootvader stierf. Ik was twaalf, toen. Ik had het gevoel dat ik een goede vriend was verloren, en ik vond het ook heel onrechtvaardig dat mijn hele leven door elkaar werd gegooid. Wij hadden jarenlang samen voor zijn dieren gezorgd, wij hadden samen lange wandelingen door de velden gemaakt - en opeens viel dat allemaal weg. Opeens kwam mijn grootvader mij niet meer van school afhalen.»

HUMO Had u als kind veel vriendjes?

STEVAERT «Ik was nogal een durfal, en zo dwong ik respect af bij de andere jongens. We hadden het grote voordeel dat Rijkhoven een waar paradijs was voor opgroeiende jongens; we hadden waanzinnig veel ruimte om te spelen. Het vervallen kasteel van Alden Biesen was ons geliefkoosde speelterrein. Er woonde een nogal eigenaardige kasteelheer, en wij vonden het fantastisch zover mogelijk op de krakkemikkige houten brug over de slotgracht te gaan staan, omdat we onszelf hadden wijsgemaakt dat hij zou schieten als we te dicht kwamen (lacht). Ons dorp had ook een uitgestrekt bos met beken en plassen, waar wij kampen en vlotten bouwden, met een schepnet vissen vingen, en vuurtjes stookten.

»Eén keer hebben we heel veel geluk gehad. Achter het huis van mijn ouders lag een klein wegje waar een gedenksteen met een kruis stond: voor een familie uit Rijkhoven die tijdens de oorlog door de Duitsers was uitgemoord. Ik kende die gedenksteen goed, want mijn vader zorgde voor het onderhoud. Wij hadden op een middag in de buurt van dat kruis een vuurtje gemaakt, en door de hitte was de gedenksteen gebarsten. Dat heeft toen heel wat heibel in het dorp veroorzaakt, en als mijn vriendjes en ik niet tot een witte familie hadden behoord, denk ik dat de oorlog in Rijkhoven opnieuw was uitgebroken (lacht).

»Op een gegeven moment zijn ze aan de rand van ons dorp met de aanleg van de autosnelweg tussen Hasselt en Luik begonnen. Jarenlang heeft daar een immense open bouwplaats gelegen, waar ik een groot deel van mijn jeugd heb gespeeld. Soms kwam het er tot een treffen met de jongens van Alt Hoeselt, het dorp aan de andere kant van de autosnelweg. Om de een of andere reden waren wij tégen Althoeselt, en iedere keer als we die jongens zagen, zongen we: ‘De Althoeseltse krakken vallen door de takken, dood voor een stukske brood.’ Dat werkte als een rode lap op een stier, want daarna gingen ze altijd tot de aanval over (lacht).»

Niet te serieus

HUMO Bent u in uw tienerjaren ooit in contact gekomen met drugs?

STEVAERT «Absoluut - met bier! Dat was de enige drug die wij kenden. Ik ben héél vroeg beginnen te drinken, net zoals de andere jongens van het dorp. Toen ik vijftien was, kon ik al behoorlijk wat pinten verzetten. Gelukkig is het bij mij nooit echt uit de hand gelopen. Sommige van mijn vrienden uit Hasselt zijn later wel alcoholisten geworden.

»Aanvankelijk ging ik met mijn vrienden alleen maar naar de cafés en duivenlokalen in ons dorp, maar toen ik mijn eerste brommer had, begon ik steeds vaker naar Veldwezelt te gaan, een dorp vlakbij Maastricht, omdat daar in de cafés ook Nederlandse meisjes zaten, en die vond ik toen heel exotisch (lacht). In die tijd gingen wij in het weekend meestal ‘s middags uit: we begonnen om twee uur te drinken en keerden ‘s avonds tegen negen of tien uur weer naar huis.

»Ik heb als tiener nooit echt problemen gehad om een lief te vinden. Dat kwam natuurlijk omdat ik in de horeca werkte, waar je makkelijk meisjes ontmoet. Ik had mijn eerste lief toen ik begon te werken: dat hóórde ook zo; als je werkte werd je verondersteld een lief te hebben. Tegenwoordig is het normaal om op je vijftiende een lief te hebben, maar in mijn tijd was dat heel jong.»

HUMO Hebben uw ouders of grootouders u seksueel voorgelicht?

STEVAERT «Nee, in ons gezin werd niet over seks gesproken; in andere gezinnen trouwens ook niet, in die tijd. Ik ben er wel vrij zeker van dat mijn ouders goed wisten wat ik allemaal uitspookte, maar zolang ik niet overdreef en het niet voor hun neus deed, lieten ze mij mijn gang gaan.

»Alleen mijn grootmoeder zei weleens iets tegen mij. Toen ik mijn eerste lief had, heeft ze me een paar keer gezegd dat ik altijd ‘serieus’ moest zijn, maar ook niet té serieus, want ik mocht me ook amuseren. Die raad heb ik goed opgevolgd (lacht)

HUMO U hebt zelf geen kinderen. Vindt u het niet jammer dat u de waarden die u van uw ouders hebt meegekregen niet zelf kunt doorgeven?

STEVAERT «Natuurlijk vind ik dat jammer, maar ik heb nu eenmaal geen kinderen; het heeft geen enkele zin om daar gefrustreerd over te zijn. Als politicus probeer ik mijn waarden trouwens aan een heel grote groep mensen door te geven.»

HUMO Stel dat u de tijd kon terugdraaien, zou u dan uw jeugd willen overdoen?

STEVAERT «Direct! Het is de mooiste tijd die ik heb meegemaakt. De jaren vijftig en zestig waren natuurlijk ook veel kindvriendelijker. Ik zou nu geen kind meer willen zijn. Dat hoor ik trouwens heel veel mensen van mijn leeftijd zeggen: kinderen hebben alles wat ze maar willen, maar toch is er niemand die nu opnieuw jong zou willen zijn.

»Wij hadden niéts in vergelijking met de kinderen van vandaag, maar wij hadden wel de ruimte om te spelen. De straat was van ons. Je kwam er in het slechtste geval eens in aanvaring met een boer of een duivenmelker, maar vandaag word je als je twee seconden niet oplet gewoon doodgereden. Wij hadden knipmessen op zak, en wij gingen geregeld kersen pikken; wie dat nu doet, is een kleine crimineel.

»Een kind had het vroeger gewoon veel makkelijker. Wij kwamen iedere dag thuis met onze benen vol schrammen en onze kleren onder de modder, maar nu groeien kinderen als kasplantjes op. Dat is niet goed, wij moeten daar iets aan doen. Wij moeten kinderen opnieuw de ruimte geven om zich in alle vrijheid te ontwikkelen. Het volstaat niet een paar speelpleinen aan te leggen, want kinderen hebben dat niet nodig. Als ze voldoende ruimte hebben, vinden ze wel hun eigen plekjes om te spelen.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234