De zomer van de cocktails, deel 1: 'De allereerste cocktail moet in de 17de eeuw vaak tot geschifte drankorgieëen geleid hebben'

Een cocktail is, behalve die slappe mojito die u op café uit een plastic bekertje drinkt, of die handvaardig geshakete dan wel gestirde mengeling van sterkedrank, bitters, fruitsap en ijs die een met tattoos, getrimde puntsnor en bretels getooide bartender in een lichtjes beslagen kristallen glas heeft gegoten, een stuk gember in uw kont.

‘Voor een paar centen aan whiskey, suiker en bevroren water, die een glimp bieden van een betere wereld,’ zo omschrijft de Amerikaanse historicus David Wondrich het wonder genaamd cocktail in zijn boek ‘Imbibe!’ – formeel Engels voor ‘drink!’. Wondrich, een voormalige literatuurprofessor (‘Leuke stiel, maar de universiteit is een soort bedrijf waarin men politieke spelletjes speelt, en dat zei me niks’), bracht in 2007 de eerste editie van ‘Imbibe!’ uit, een meticuleus geresearchte en met oudmodische schwung geschreven geschiedenis van wat hij voor het gemak ‘mixed drinks’ noemt. Tweehonderd jaar geleden was de cocktail immers nog niet de parapluterm die zowat alle alcoholhoudende, met allerhande fruit aangelengde ijsgekoelde drankjes dekt.

‘Imbibe!’ was het resultaat van de hernieuwde belangstelling voor klassieke en lang vergeten cocktailrecepten die al een tijdje in de lucht hing, en zorgde tegelijk voor een ware cocktailboom – met bars in speakeasystijl waar klassieke cocktails als de Manhattan, de Sidecar en de Boulevardier, en nerdy next level-recepten op het menu stonden. Zopas verscheen de tweede, herziene editie, en ook hier begint Wondrich’ verhaal bij de distillatie in – ja, wannéér eigenlijk? Meer bepaald in het gebied rond – euh: in wélk werelddeel was het ook alweer?

David Wondrich «Precies (lacht). Dat is het geweldige én het lastige aan schrijven over drank: er is nog zo veel braakliggend terrein. ’t Is alsof je een puzzel maakt, maar je bent het deksel van de doos – met de afbeelding – én een heleboel stukjes kwijt.

»Alle geestrijke dranken die we vandaag kennen, zijn afgeleiden van het aloude aqua vitae ofte brandewijn: sterkedrank met 35 tot 80 procent alcohol, gestookt uit wijn, graan of andere grondstoffen. Alleen heeft nog niemand de moeite genomen om een geschiedenis van de distillatie te schrijven, eenvoudigweg omdat je er een pak talen moet voor kennen. Chinees, bijvoorbeeld. Dus moeten wij drankenschrijvers de lacunes maar invullen zo goed en zo kwaad als we kunnen. Volgens één studie over China hadden ze daar al een commerciële distilleerindustrie omstreeks 600, een andere beweert dat ze er in sommige delen van India duizend jaar eerder mee in de weer waren. Maar het zou alleszins tot de 17de eeuw duren vooraleer iemand in een brief gewag maakte van brandewijn die gemengd werd met rozenwater, citroensap en suiker – kortom: punch, de basis van de moderne mixologie!»

HUMO In uw boek ‘Punch: The Delights (and Dangers) of the Flowing Bowl’ schrijft u het woord ‘Punch’ systematisch met een hoofdletter, om het onderscheid te maken met...

Wondrich «...goedkope bocht, aangelengd met een willekeurige reeks limonades en vruchtensappen uit brik die je uit grote plastic containers in een beker lepelt, inderdaad. Door de eeuwen is punch synoniem geworden met ‘iets met likeur in een grote kom’, maar in den beginne was het een behoorlijk subtiel en evenwichtig brouwsel: brandewijn verdund met water, gezuurd met citrus, gezoet met suiker en gekruid met muskaatnoot. Niet dat punch geen aanleiding gaf tot compleet geschifte taferelen, hoor: ’t moet vaak tot drankorgieën geleid hebben. Piraten dronken het ook, trouwens.»

HUMO Daar bent u wél zeker van: dat zeelui de pioniers van de punch waren.

Wondrich «Waarschijnlijk Engelse matrozen, maar het kunnen ook Nederlanders geweest zijn: die zaten immers vaak in elkaars vaarwater op de handelsroute naar India. ‘Punch’ wordt voor het eerst vermeld in brieven van werknemers van de Britse East India Company in 1628, maar dat wil niks zeggen: misschien hebben zij het wel overgenomen van de Nederlanders. Maar het stond wél bekend als een Engels drankje.»

'Rond 1840 had elke goeie bar in de VS 40 tot 60 verschillende gemixte drankjes op de kaart staan'

HUMO Cruciaal: een drankje dat in groep werd genuttigd.

Wondrich «Absoluut: het was een soort ceremonieel gebeuren, en er waren een hoop rituelen mee gemoeid. Bij elke slok werd bijvoorbeeld uitvoerig getoost.

»Punch is tweehonderd jaar lang ontzettend populair geweest, zo tot halverwege de 19de eeuw, maar toen was het plots uit met de hegemonie. De VS speelde daar een voortrekkersrol in: niet dat ze ’t plots niet meer lustten, maar wie uren in een herberg bij een punchkom kon zitten, gaf te kennen dat hij geen dringender zaken te doen had. Je wilde toch vooral uitstralen dat je ’t drukdrukdruk had. Bovendien was Amerika een jonge natie van individualisten, en dat uitte zich ook in de drinkgewoontes: iedereen wilde z’n eigen drankje, liever dan eentje uit de gemeenschappelijke punchkom te scheppen. Voortaan zou de man die achter de bar stond speciaal voor jou een drankje fiksen, eentje dat bovendien anders zou smaken dan dat van die gast naast jou, en die daarnaast. Die aanpak zorgde voor een ware explosie van recepten: rond 1840 had elke goeie bar in de VS veertig tot zestig verschillende gemixte drankjes op de kaart staan. Sommige leken nogal op elkaar, maar die diversiteit zorgde er wel voor dat elke bargast het gevoel kreeg dat hij iets speciaals naar binnen kon gieten.»

HUMO Die drankjes waren nog geen cocktails zoals we die vandaag kennen. Neem nu de Toddy: een mengeling van sterkedrank, suiker, muskaatnoot en water, die vaak gloeiend heet geserveerd werd.

Wondrich «Tegenwoordig drinken we nog nauwelijks warme alcoholische drankjes, om de eenvoudige reden dat we centrale verwarming en goed geïsoleerde huizen hebben. Maar ik kan je verzekeren: ik woon in een tochtig huis in New York, en op een ijskoude winteravond kan ik een warme Toddy met Schotse whisky ten zeerste appreciëren. De Toddy werd door een krant ooit ‘fashionable’ genoemd: het was dus cool om Toddy’s te drinken.»


Ice, ice, baby

Over cool gesproken: de kiem van de eerste en waarschijnlijk allergrootste revolutie in drankland wordt in 1805 gelegd, tijdens een picknick van de steenrijke familie Tudor uit Boston. Terwijl hij van een met ijs gekoeld glas nipt, grapt de prille twintiger Frederic tegen zijn broer William over die arme drommels in de koloniën, wier enige hoop op verkoeling van een wuivend palmblad moet komen. En hij dagdroomt hardop: als hij nu eens blokken ijs uit de meren bij hun landgoed in Massachusetts zou laten snijden en naar de Caraïben verschepen, zouden die oververhitte kolonialen daar dan geen harde centen voor neertellen? Yeah, right! Een jaar later vertrekt Tudors eerste schip met 80 ton ijs naar Martinique, nog eens vijftig jaar (en een paar gevangenisstraffen en bijna-faillissementen) later zijn de koloniën én de hele VS verhangen aan ijs in hun drankjes, en is Tudor de wereldwijde IJskoning.

'Engelse paardenverkopers duwden jonge of zieke dieren een stuk geschilde gember in de anus, waardoor hun staart overeind kwam en ze beter geschikt waren voor de verkoop. Dat stukje gember werd een 'cock-tail' genoemd'

Wondrich «Een totaal van de pot gerukt idee, als je er even over nadenkt. Nu ja: in het oude Rome hadden ze ook al ijs, maar daar gebruikten ze het enkel om hun wijnkaraffen mee te koelen. Later deden ze in Europa ook weleens ijs in hun drank, maar het is dankzij Tudor dat de ijsconsumptie ingeburgerd raakte. Als je omstreeks 1860 een bar in de VS binnenwandelde, kon je er donder op zeggen dat ze ijs in huis hadden, en dat ze je zo’n lekker gekoeld drankje konden maken.»


Hanenstaart

‘Punch ging de boer op in het nieuwe land en vermenigvuldigde zich,’ zo schrijft Wondrich. In wat hij het ‘archaïsche tijdperk van de cocktail’ noemt, verzinnen barmannen honderden gekke gemixte drankjes met rum, whiskey, brandy, sherry, gin et al. Zoals daar zijn: de Collins, de Daisy, de Fizz, de Sour, de Cobbler, de Cooler, de Swizzle, de Rickey, de Sling, de Smash, de Julep en – toen nog mét hoofdletter – de Cocktail.

Wondrich «In 1803 werd in een krant uit New Hampshire melding gemaakt van een gemixt drankje dat ‘cocktail’ heette, drie jaar later stond er in een New Yorkse krant een beschrijving mét ingrediënten: geestrijke drank, bitters en suiker. Dat concept was eigenlijk al veel langer in voege: rond 1690 deden ze het al in Engeland, maar het kwam er niet echt van de grond. Amerikanen zijn op hun best als ze dingen die anderen hebben uitgevonden, kunnen perfectioneren: we hebben de formule overgenomen van de Engelsen, er een maffe naam aan gegeven, en er een instituut van gemaakt.»

Die maffe naam is eveneens een importproduct: onder Engelse paardenverkopers was het gebruikelijk om jonge of zieke dieren een stuk geschilde gember in de anus te duwen, waardoor hun staart (‘tail’) overeind kwam (‘to cock’) en ze beter geschikt waren voor de verkoop. Het stukje gember werd een ‘cock-tail’ genoemd, de praktijk stond bekend als ‘feaguing’ of ‘figging’ (het schijnt tevens een gangbare praktijk te zijn in bdsm-middens – googelen op eigen risico). Wondrich citeert de figuurlijke betekenis van ‘figging’ uit ‘The Classical Dictionary of the Vulgar Tongue’: ‘een persoon aanmoedigen of opmonteren’. Voor wie ooit z’n lippen aan een ijsgekoeld glas zette, de aroma’s van citroenschil of licht gestampte munt in z’n neus voelde kringelen, de subtiel met smeltwater verdunde alcohol via tong, verhemelte en keelgat richting middenrif voelde sijpelen en vervolgens een glimp van een andere wereld kreeg, hoeft daar vast geen tekeningetje bij.

HUMO De origine van het woord ‘cocktail’ stond niet in de eerste editie van uw boek. Ik neem aan dat u een kleine epifanie hebt gehad toen u die puzzelstukken eindelijk in mekaar kon passen?

Wondrich «Niet echt, want ik kende dat verhaal al langer. ’t Was één van de vele theorieën die circuleerden, maar er was gewoon te weinig bewijs om ze hard te kunnen maken. Maar sinds 2007 zijn er nog een paar andere puzzelstukjes op hun plaats gevallen, en toen moest ik besluiten dat deze verklaring the one is. Blij dat ik onder die zoektocht eindelijk een streep kan trekken.»


De Professor

Aldus brak – zo geruisloos als schaafijs dat smelt in een tinnen beker – de ‘baroktijd van de cocktail’ aan, het tijdperk waarin barmannen zichzelf mixologisten gingen noemen en het aloude ambacht niks minder dan een kunst werd. ’s Werelds eerste startender heette Orsamus Willard, bekend vanwege de fancy drankjes die hij aan de bargasten van het City Hotel in New York serveerde; maar het is de genaamde Jerry ‘The Professor’ Thomas die 130 jaar na z’n verscheiden nog steeds als een stichtend voorbeeld geldt voor de jongste generatie cocktailarchitecten.

Wondrich «Die reputatie heeft Thomas vooral te danken aan ‘The Bar-Tenders Guide’, het cocktailboek dat hij uitbracht in 1862 en dat in het milieu een regelrechte klassieker is geworden. Verder heeft hij bij leven slechts een handvol interviews gegeven, maar gelukkig voor ons hebben een paar schrijvers en journalisten hun impressies van ’m neergeschreven: daaruit komt een heerlijk personage naar voren, zo’n echte great American die door het leven ging als matroos, kunstcollectioneur, schrijver, gokker, dandy en noem maar op. Hij zag er ook indrukwekkend uit, met z’n diamanten ringen en manchetknopen en, zoals een reporter een paar jaar voor zijn dood opmerkte, de twee mooie witte ratjes die van z’n schouders naar z’n bolhoed trippelden. Alleszins iemand bij wie je graag aan de bar zou hebben gezeten.

»Of Jerry Thomas ook de béste barman aller tijden is, kan ik onmogelijk beoordelen. Er zijn zo veel kandidaten voor die titel, elk met hun eigen specialiteit. Hij was zonder twijfel één van de groten, en een boegbeeld voor de industrie, maar zeker niet de enige wiens invloed nog altijd van kracht is. Constante, de barman van Floridita in Havana, de bar waar Ernest Hemingway kind aan huis was: ook een monument. Of William Schmidt, een Duits-Amerikaanse barman wiens boek ‘The Flowing Bowl’ uit 1891 vol ongelofelijke recepten staat – ik noem ’m graag de allereerste bar-chef, omdat hij cocktails uitvond met waanzinnig veel ingrediënten en maffe garnituren. En er zijn vast nog tientallen geweldige bartenders die tussen de plooien van de geschiedenis zijn gevallen, gewoon omdat er weinig of niks over ze geschreven werd.»


Robert’s Bar

In casu: Robert Vermeire, de enige Belg die een korte vermelding krijgt in ‘Imbibe!’ én op de lijst van de 25 meest invloedrijke cocktailpersoonlijkheden van het gelijknamige (maar niet gerelateerde) magazine belandde. Even checken bij François Monti, een in Madrid gedomicilieerde Belgische cocktailschrijver die zopas een boek over vermout uitbracht, maar ook de biografie van Vermeire probeert uit te spitten. Zijn bevindingen zullen binnenkort te lezen zijn in ‘The Oxford Companion to Spirits & Cocktails’, een alomvattend naslagwerk dat onder redactie staat van Wondrich zelve.

'Robert's Bar in Knokke: 'Van heinde en ver kwamen mensen naar Knokke om Robert Vermeires cocktails te proeven, zelfs vanuit Engeland.'

François Monti «Omdat er zo weinig over Vermeire geweten is, heeft hij de vermeldingen die jij noemt, uitsluitend te danken aan het boek dat hij in 1922 uitbracht: ‘Cocktails: How to Mix Them’. Daarin lijstte hij recepten van de meest populaire drankjes van het moment op, netjes gegroepeerd per soort – cocktails, maar ook Cobblers en Coolers en Daisy’s, de hele reutemeteut. En belangrijk voor ons cocktailhistorici: hij vermeldde steevast de bron van zijn recepten. Heel anders dan de geroemde Harry Craddock van The Savoy, die gewoon deed alsof hij ze allemaal zelf had uitgevonden (lacht). Vermeires boek was het allereerste vulgariserende cocktailboek: tot dan schreven barmannen meestal voor jongere collega’s die hun eigen zaak wilden beginnen, maar Vermeire speelde in op de trend om ook thuis cocktailparty’s te houden. Het is alleszins één van de meest succesvolle cocktailboeken van de 20ste eeuw: het werd meermaals herdrukt, en er zijn er zowat 100.000 van verkocht.

»Wondrich noemt Vermeire ‘the great Anglo-Belgian bartender’, maar hij werd wel degelijk geboren in Knokke, in 1891, in een gezin dat daar altijd heeft gewoond – een onvervalste Belg dus. Knokke was nog niet de mondaine badplaats die ze net voor de Eerste Wereldoorlog zou worden, maar gewoon een slaperig stadje naast het Zwin – er stonden bij wijze van spreken vijf huizen, én het hotel van Vermeires ouders. Ik neem aan dat Robert daar als jonge snaak een handje toestak, en dat zijn ouders vonden dat hij de stiel dan maar moest leren. Ze hadden ’m daarvoor kunnen laten meedraaien in het hotel zelf, maar ze stuurden hem naar de hotelschool in Hamburg, in die jaren al een instituut met enige reputatie. Toen hij afstudeerde, ging hij aan de slag in de restaurants en hotels waar zijn ouders de hand in hadden.»

'De Embassy Club in Londen was één van de eerste grote nachtclubs. Zo'n plek die je kent uit oude films, met een orkest en publiek in chique avondkledij'

HUMO Het voorplat van zijn boek vermeldt dat hij werkzaam was in de American Bar in Nice, en daarvoor ook in de Embassy Club in Londen.

Monti «Klopt. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verhuisde hij naar Londen: om gezondheidsredenen, zo beweerde zijn intussen ook al overleden zoon in een oud interview. Dat zou ook kunnen verklaren waarom hij niet in dienst ging bij het leger. Feit is dat hij een tijdje in het ziekenhuis heeft gelegen, alwaar hij waarschijnlijk zijn vrouw heeft leren kennen, een Belgische verpleegster. Vanaf 1915 vinden we ’m achter de bar van de Royal Automobile Club, een chique gentlemen’s club die nog altijd bestaat. En niet lang daarna shaket hij in The Criterion, het restaurant naast het beroemde theater aan Piccadilly Circus.»

HUMO Enig idee hoe fabuleus zijn cocktails smaakten, of is dat onmogelijk te achterhalen?

Monti «We weten het niet. Je moet rekenen dat hij begonnen is tijdens de oorlogsjaren: misschien zat de crème de la crème van de jongste generatie barmannen wel in de loopgraven aan de IJzer, en moesten ze in Engeland genoegen nemen met mindere goden. Maar je kunt iemands werk wel een beetje inschatten door te zien met wie hij of zij heeft samengewerkt, en ik weet dat Vermeire naar The Criterion is gehaald door Luigi Naintré, één van de meest gerenommeerde Italiaanse restaurantmanagers in Londen, en een man die, als hij ergens vertrok, het grootste deel van het personeel meenam. De plek waar hij wegging was dan meestal ten dode opgeschreven. Vermeire zélf is hem trouwens naar de Embassy Club gevolgd, één van de eerste grote nachtclubs, die opende in 1915: zo’n plek die je kent uit oude films, met een orkest en publiek in chique avondkledij, heel aristocratisch.»

HUMO Was Vermeire de eerste die eiwit in z’n Whiskey Sour shakete, of de eerste die dat recept opschreef?

Monti «Dave Wondrich heeft intussen in één of ander obscuur boek een nog íéts ouder recept van een Sour teruggevonden waarin ook eiwit werd gebruikt. Maar Vermeire was wél de eerste barman die duidelijk uitlegt waarom je dat doet: omdat het de textuur van je drankje verbetert, ’t voelt gewoon beter aan in de mond.»

'Ik heb het niet zo voor startenders die zo graag met hun smoel in de kranten komen dat ze uit tijdgebrek personeel achter de bar moeten zetten.' François Monti

HUMO In 1922 opende Vermeire een bar in zijn thuisstad Knokke.

Monti «Het is me niet geheel duidelijk of Robert’s Bar – zoals ze heette – het hele jaar door open was, of enkel tijdens de zomermaanden. In de eerste editie van zijn boek staat alvast een advertentie, maar uit officiële documenten weet ik dat zijn vaste adres nog in Londen was. Misschien deed hij gewoon zoals pakweg Harry MacElhone: vóór die Harry’s New York Bar in Parijs opende, werkte hij tijdens de zomermaanden in Ciro’s Club in Deauville, aan de Normandische kust, en de rest van het jaar in Londen. Maar Robert’s Bar was een eclatant succes: van heinde en verre kwamen ze naar Knokke om zijn cocktails te proeven, zelfs vanuit Engeland. De Engelsen zakten graag naar de Belgische kust af omdat je daar nog wél mocht gokken in de casino’s. Een bezoekje aan Robert’s Bar was dan mooi meegenomen – ’t was een trendy plek. Helaas hakte de crisis van 1929 er hard in, en in 1930 moest Robert de deuren sluiten.»

HUMO Maar hij misstaat niet tussen die 25 invloedrijke cocktailpersoonlijkheden?

Monti «Ik zou ’m er zelf ook aan toegevoegd hebben: hij werkte in bars waarvan we mogen aannemen dat ze alleen de allerbesten tewerkstelden, hij was zo fair om de creaties van zijn voorgangers en zijn tijdgenoten in de spotlight te zetten én hij was absoluut geen tafelspringer – iedereen kende ’m als ‘Robert’. Dat hij allesbehalve mediageniek was, is alleen jammer voor cocktailhistorici, want daardoor heeft hij maar weinig sporen nagelaten. Maar die bescheidenheid neemt me tegelijk voor hem in, omdat het wil zeggen dat hij het liefst gewoon achter de bar stond – héél anders dan de startenders die vandaag zo graag met hun smoel in de kranten komen en uit tijdgebrek dan maar hun personeel achter de bar zetten (lacht).»


Exit subtiel

Terwijl Robert de beau monde in Knokke rijkelijk van Martini’s, Bamboo’s, Bijou’s en Daiquiri’s voorziet, is aan de andere kant van de Atlantische Oceaan het ‘klassieke tijdperk van de cocktail’ bruusk ten einde gekomen. In januari 1920 was immers de Volstead Act in voege getreden, een wet die de productie, de verkoop en het transport van intoxicerende dranken verbood; de drooglegging zou duren tot 1933. En de cocktailcultuur, die werd langzaam maar zeker de nek omgewrongen.

'Sommige bartenders willen met hun cocktails artistieke statements maken, in plaats van iets te maken dat mensen kunnen drinken terwijl ze zich amuseren'

Wondrich «De drooglegging heeft de cocktailcultuur misschien niet vermoord – de speakeasy’s floreerden en de illegale drank vloeide bij beken – maar it dumbed it down, zoals we hier zeggen. Voor de drooglegging kon je cocktails in alle sterktes drinken; er waren honderden subtiele en perfect uitgebalanceerde recepten. Maar door de drooglegging werden drankjes noodgedwongen simpeler: niemand nam de moeite om één of ander heerlijk Frans aperitief het land in te smokkelen als je ook whiskey illegaal kon invoeren. Tegen het einde hielden we in de VS slechts een cartooneske versie van mixologie over: pure drank, even mixen met fruitsap, klaar. Terwijl het net de vele tussensmaken zijn – een halve barlepel curaçao, vijf druppels bitters, een coupe gespoeld met absint – die ervoor zorgen dat cocktails méér zijn dan wat alcohol in een glas.»

HUMO Pas in de vroege eighties zou de cocktailcultuur, mede dankzij Dale DeGroff van de Rainbow Room in New York, weer helemaal aansluiten bij de creatieve en stijlvolle buzz die voor de drooglegging heerste. En ze is nog steeds alive and kicking: drank wordt geïnfuseerd met fruit, groenten en kruiden; en elke bar die zichzelf serieus neemt, heeft een assortiment aan bitters, fancy siropen en zelf geperste fruitsappen.

Wondrich (knikt) «Ik ben blij dat de subtiliteit helemaal terug is, zolang het maar weer niet te ingewikkeld wordt. ’t Is een trend in onze eetcultuur: jonge chefs maken ontzettend ingewikkelde gerechten die, en ik druk me even voorzichtig uit, niet altijd over de hele lijn even bevredigend zijn. Artistiek? Helemaal. Lekker? Nou, niet echt. Idem in de cocktailwereld: sommige bartenders willen met hun cocktails artistieke statements maken, eerder dan iets te maken dat mensen kunnen drinken terwijl ze zich amuseren. Nu ja: zolang mensen die gekke creaties ook lekker vinden, heb ik er niks op tegen. Maar ik schaam me er niet voor om in zo’n fancy cocktailbar een Daiquiri of een Manhattan te bestellen, als ik daar toevallig zin in heb. En zeg nu zelf: een Old-Fashioned, daar kan toch niks tegenop? Goeie rye whiskey, bitters, suiker en een grote klomp helder ijs: in het licht van de geschiedenis stelt het natuurlijk geen bal voor, maar voor een héél kort moment is het toch quite something.»

HUMO (heft z’n Manhattan in de lucht) Cheers, gentlemen.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234