null Beeld

Dee 7 hoofdzonden volgens Hugo Claus

Hugo Claus is niet meer. Maar zijn woorden, bol van bliksemschichten en aardverschuivingen, zijn er nog wel. In drie kloeke, onmisbare banden: romans, poëzie, toneel. Maar ook als het oeuvre veraf was, bleef Claus' way with words onnavolgbaar: hij was niet alleen de grootste literator van zijn generatie, maar ook de fijnste tafelgenoot, de beste drinkebroer, de gulste interviewee. Ten bewijze: een eresaluut aan de Meester in zijn eigen woorden, een bloemlezing uit de Humo-interviews van 1959 tot 2007.

undefined

'Ik wil een woedende grijsaard zijn. Ik wil schuimbekkend sterven'


Gulzigheid

'Als ik in de oorlog wakker werd, was het eerste dat ik deed: kijken wat er te eten viel. Er heerste niet echt hongersnood, maar we hadden op een beschaafde manier honger.

'Op een keer kwam ik thuis - ik merkte dat ik alleen was - en in de keuken vond ik twaalf bloedworsten. Ik nam er eentje van, en aangezien ik razende honger had, at ik er een tweede op, en daarna heb ik de overige tien ook maar opgeschrokt. 'Waar zijn die bloedworsten?' vroeg mijn moeder. Ik wist werkelijk van niets, waardoor mijn vader de schuld kreeg.

'Of neem nu zo'n doos klontjessuiker: ik kan er wel een kilo van opeten, weggespoeld met enkele glazen water. Door de oorlog lijd ik nog steeds aan vraatzucht: ik eet alles wat ik zie. Vandaar dat de koelkast hier over het algemeen leeg is: ik eet alles op. Als ik niet zo'n ijzeren discipline had, zou ik nu meer dan honderd kilo wegen.'

'Ascese vind ik wel een aantrekkelijk idee, maar dan met een glas bourgogne in de hand.'

'Toen ik in Oostende woonde, ging ik soms drie keer per dag naar de film. Je gaat in het donker van de bioscoop zitten, en vreemde werelden ontvouwen zich, en dat twee, drie keer per dag: tussen twee voorstellingen in ging ik in de gauwte een zak friet eten. Het was een fantastische tijd.

'Ik heb een zonderling geheugen: van alle films die ik in mijn jeugd heb gezien - dat waren er ongetwijfeld duizend - weet ik nog ongeveer wie ze geregisseerd heeft en wie erin meespeelt.'

'Waarom schrijf ik - schreef ik - zoveel, denk je? Omdat de kans dan groter wordt dat er een paar goeie regels bij zijn.

'Bij Nederlanders is eenvoud bij voorbaat een kwaliteit, terwijl het meestal armoede is. Waarom wordt Elsschot zo gewaardeerd in Nederland? Omdat hij zo kààl schrijft. Maar de dingen die ons omringen, de kwellingen die de mens ondergaat, zijn zo veelvuldig dat het gewoon beschamend en laf is die eenvoudigheid tot de armoede van één uitdrukking terug te brengen.'

'Het kwam doodeenvoudig niet in me op om niét te schrijven. Ik denk dat ik behoorlijk heb gewerkt, maar Voltaire heeft tien keer zoveel als ik geschreven.

'Vroeger had ik er niet de minste last van om 's ochtends aan mijn schrijftafel te gaan zitten en aan het werk te gaan, ook al had ik het de avond voordien zeer laat gemaakt. En dan kon ik makkelijk twaalf uur aan een stuk doorwerken. Noël Coward schreef toneelstukken in drie dagen. Dat heb ik ook weleens gedaan, en precies daarom wil ik ook weer niet al te duister of gekweld over schrijven doen.'

'Ik drink bijna niks meer, behalve gisteravond: rode wijn, witte wijn, Hoegaarden en Elixir d'Anvers, alles door elkaar. Mag ik nog een sigaretje van jou? Roken doe ik ook al niet meer.'


Gramschap

‘Ik wil geen milde, maar een woedende grijsaard zijn, ik wil schuimbekkend sterven.’

‘Toujours sourire’, de lijfspreuk van Louis Seynhaeve in ‘Het verdriet van België’ is natuurlijk ook mijn motto, maar om praktische redenen. Ik vind het nu eenmaal handiger te glimlachen als Boeddha dan je hysterisch op te winden om elke fluim kritiek van een imbeciel. Wat dat betreft vind ik hoffelijkheid en minzaamheid ook wel waardevolle eigenschappen: ze houden de mensen van je lijf. Dat heb ik geleerd op kostschool, met het ABC ingezwolgen. Je moet al van heel goeden huizen komen, wil je mij kwaad krijgen.

Toujours sourire, dat is me altijd bijgebleven. En: ‘Nemo me impune lacessit’, een uitspraak van een of andere aftandse keizer. Niemand kwetst mij ongestraft. Je zou het niet zeggen, maar soms ben ik een rancuneus, wraakzuchtig, wrokkig ventje.’

‘Toen ik vijftien was, woonde ik in Kortrijk en werd op de Grote Markt de bevrijding gevierd. Op een open vrachtwagen werden mensen die verdacht werden van collaboratie het plein opgereden. Er waren er bij die ik kende en die in de oorlog alleen maar geprobeerd hadden te overleven. Ze werden van de wagen gerukt, geschopt en geslagen. De secretaris van de stad, die zijn be nen onder zijn gat vandaan had gelopen om anderen te helpen, werd gedwongen het standbeeld te kussen voor de gevallenen uit de oor- log van ’14-’18. Waarna een vrouw hem op zijn hoofd stampte en zijn gezicht vermorzelde op de steen.

‘De mensen reageerden als bees- ten, hoewel de idee bevrijd te zijn aan de basis lag van hun gedrag. Ik heb toen geleerd dat een grote massa per definitie groot ongelijk moet hebben.’

‘Ik ben een uiterst voorkomend, charmant man. Beleefd en altijd op tijd. Een enkele keer maak ik mijn éclat, maar dan zorg ik er eerst voor dat er een groot aantal men- sen in de buurt is.’

‘Tijdens interviews zet ik het niet meteen op een kwaadaardig grijn- zen of brullen, maar je hebt intervie- wers die me vragen stellen als: ‘Ben jij gelukkig?’ Vooral Hollanders heb- ben er een handje van. Of ze gaan te- genover je zitten, zeggen de hele tijd geen woord en verbreken de stilte plots met: ‘Hugo Claus... Oorlog...’ Dan zeg ik: ‘Ja, oorlog...’ Waarna dan bijvoorbeeld de vraag of ik ge- lukkig ben volgt. Daar kan ik al-leen maar met één of andere kwa- lijke witz op antwoorden, en stilaan worden ze wel heel nerveus. ‘Ik heb het gevoel dat ik niet helemaal tot je doordring,’ delen ze mij dan mee. En dan vraag ik zo’n interviewer: ‘Me- neer, zijn wij ooit samen naar de hoeren geweest? En wilt u mij al- stublieft niet tutoyeren?’’

‘De katholieken hebben altijd afwij- zend op mijn werk gereageerd. Het is begonnen met Maurice Roelants, die naar aanleiding van ‘De Metsiers’ schreef: ‘Vroeg rijp, vroeg rot’. En er komen niet eens zoveel pastoors in mijn boeken voor, al zijn het er wat mij betreft nog veel te veel.

‘Haat tegenover pastoors is een te groot woord, haat reserveer ik voor mijn vrienden.’

‘Door de meeste recensenten is mijn werk bijna voortdurend neer- gesabeld, en de simpelste overwin- ning, namelijk dat ik louter van mijn schrijven in leven zou kunnen blij- ven, heb ik niet eens behaald. So- ciaal ben ik een paria.’

‘Zoals ik al geregeld knorrig en sip heb aangeklaagd, heb ik indertijd voor de bundel ‘Almanak’, die 366 gedichten bevat, welgeteld twee recensies gekregen, waarvan er eentje dan nog minder over mijn gedichten ging dan over het ver- schijnsel van de almanak.’

‘Ik moet maar eens ophouden met poëzie schrijven. Er is meer dan vol- doende; ik heb veel gedichten over melancholie geschreven, over de wanhoop heb ik er 322, het hele palet van menselijke stemmingen is overvloedig aan bod gekomen – ’t is geloof ik welletjes geweest. Ik mag natuurlijk niet klagen over de belangstelling, maar ik vind het niet fijn dat er in Vlaanderen amper een viertal lezers gereageerd heeft op mijn laatste bundel, ‘In geval van nood’. Terwijl ik wil dat elk van de tweehonderd gedichten in dat boek onder de loep genomen wordt door een gedreven lezer die evenzeer hartzeer heeft als ik toen ik het schreef. Je verbeeldt je als dichter toch dat er een wisselwerking kan zijn. Maar ik moet nu toegeven dat het hoogmoed en waanzin is.’

‘Men denkt dat ik nu al een jacht heb op de Middellandse Zee, wat overi- gens het minste is wat een schrijver kan hebben. ‘Het moet niet altijd naar Claus gaan,’ is nog zo’n vaak gehoorde, nonchalante opmerking. Alsof ik ooit één frank subsidie heb gekregen. Ja, een paar keer het aalmoes van de Staatsprijs, wat niets te maken heeft met subsidie. En ik kreeg die Staatsprijzen omdat er toevallig niemand beter was.’

‘Ken jij dan dichters zonder onvrede met de staat van de dingen? Mijn meesters zijn ondenkbaar zonder ra- zernij. Ik ben woedend zoals ik adem. Ik sta op en begin te vloeken. Dat laat me toe sereen te zijn. Iedereen moet leren leven met de pendelbeweging tussen woede en onthechting, daar is niets bijzonders aan.’


Afgunst

‘In ieder geval hadden we (de Vijfti- gers, red.) voldoende respect voor elkaars talent, waar we verder nog- al jongensachtig mee omsprongen. Het was een klimaat van camara- derie, mét de typische afgunstjes die spelen tussen mensen die van elkaar houden. Onder de schilders speelde wel échte jaloezie, ook om- dat er bij hen meer geld omging.’

‘Ik schrijf toch niet uit rancune of uit een verlangen te wedijveren? Ik pro- beer toch niet beter te schrijven dan Harry Mulisch? Ik heb mijn domein en hij het zijne. Concurrentie met Boon? Ik heb dat nooit zo gezien. Ik wil me niet heiliger voordoen dan ik ben, maar het is mij echt vreemd.

‘Als ik andere schrijvers bezig zie, heb ik moeite met hun strebe- rische gedrag, die godgeklaagde affirmatiedrift tot elke prijs. ‘Waar- om?’ denk ik dan, ‘Wáárom?’ Ik ver- geet natuurlijk dat zij het, om enige renommee te verwerven, aanzien- lijk moeilijker hebben gehad dan ik. Mijn debuut – ik was amper twintig – werd opgemerkt door mensen als Vestdijk en Bordewijk, die in die tijd als literaire pausen golden. Ik heb eigenlijk nooit moeite gehad om er te zijn.’


Hebzucht

‘In Parijs hadden we geen geld, maar we werden specialisten in het bietsen en we zaten heelder dagen in de kroeg. Ik heb toen ongeveer elke dageraad gezien. In marihu- anadampen smeedden we vriend- schappen voor het leven. Het was een geladen periode vol drama’s, maar wel frivool.’

‘Ik nam me voor zo spoedig mogelijk een rijk dichter te worden, die op tijd en stond zijn libido kon botvieren.’

Ik betaal 60, 65 procent belastingen. En daarom heb ik wanneer ik een staatsprijs kreeg nooit ‘Dank u wel’ gezegd: ik betaal per jaar drie keer zoveel als de aalmoes die ze mij geven.’

‘Van die grote geldprijzen herinner ik me minder de euforie na het win- nen van de Libris dan de angst ten tijde van De Gouden Uil: ik ben toen een minuut of tien echt bang ge- weest dat ik die zou krijgen, want dan was ik de veel lucratievere Libris misgelopen.’

‘Soms denken mensen dat ze een manuscript van mij hebben gekocht. Nee dus: ik heb nog twee andere. Dat vind ik zo mooi. Je mag toch een beetje plezier hebben in het leven.’

‘En dan belt mijn broer Guido mij op: ‘Je hebt ’m! Je hebt ’m! Ik weet zeker dat je de Nobelprijs gewon- nen hebt, want ik heb het op Studio Brussel gehoord!’ Harry Kümel heeft onze reacties met een video- camera gefilmd: Veerle die begint te dansen van contentement, en ik die erbij zit alsof het iemand anders was die gewonnen had.

‘Studio Brussel had zich vergist. Toen was mijn broer het huilen na- bij en sprak hij de onsterfelijke woorden: ‘We waren er allemaal beter van geworden.’


Onkuisheid

‘Op een keer zie ik op de speelplaats dat de jongen die naast me staat een schram op zijn knie heeft: ‘Wat heb je daar?’ vroeg ik en ik keek nader toe. Op dat moment werd ik door een non in mijn nekvel gepakt en meegesleurd. ’s Avonds voor het eten moest de hele kostschool voor mij bidden omdat ik zo’n ontzettende viezerik was, want ik had een blote knie beke- ken, misschien zelfs aangeraakt. Het geperverteerde brein van zo’n non bepaalde dus wat goed en kwaad was. Op dat moment wist ik dat nog niet. Het zou mij pas een jaar of drie later dagen.’

‘Toen ik vijftien was, ben ik thuis weggelopen, in het gezelschap van een oudere dame. Ze was om en bij de 28. Ze was ook mooi, die dame, en veeleisend in de liefde: ik had mijn handen vol. Ze was een vriendin van mijn moeder, ze was weduwe gewor- den, haar man was in Duitsland omgekomen en ze stortte zich op mij. Ik had toen een huisje in Sint-Martens-Leerne, en dat betaalde ze, en ze nam me mee naar feestjes, dure restaurants, leerde me wijn drinken. En ze leerde me ook de wellust, zoals ze moet worden bedreven.’

‘Ik kan je wel honderd gedichten aanwijzen waarin het princiep van de geilheid helemaal niet aan bod komt, en waarin ik mijmerend, zwijmelend en melancholiek doe over de liefde. Iedereen pikt er natuurlijk díé poëzie uit die hem of haar het meest nabij is. En zeg nu zelf: is het niet beter een geilheidsdichter dan een gierigheidsdichter te zijn?’

‘Ik heb veel minder last met gedich- ten over kut en neuken dan met sen- timentele dingen over kinderen, over kijk-eens-hoe-mijn-zoontje-speelt- met-een-bal-in-het-gras-en-hoe-bang- ben-ik-niet-dat-hij-zich-op-een-zwar- te-dag-gaat-verongelukken. Dat is een domein waar ik niet over schrijf. Het lijkt me te privé, zelfs voor poë- zie. En sentimentaliteit is de groot- ste vijand van de kunst. Emoties ver- liezen er hun ware aard door. Ik word er kribbig van als ik ze tegenkom. Tachtig percent van onze dichtkunst maakt me dus kribbig.’

‘Mijn poëzie gaat nu eenmaal niet over bestaande vrouwen – altijd weer gaat het over die ideale vrouw die je veracht, die je haat, die je bemint, die je ziek maakt, die godin. Een gedicht kan toch nooit over Miep gaan die je een keer gepakt hebt.’

‘Laatst slenter ik langs de hoeren, en mijn blik kruist de blik van een nogal voluptueuze mulattin. Ik lach haar zoals het hoort minzaam toe en plots roept ze: ‘Hé, die Claus wil ook nog eens wat!’ Als exhibitio- nist-met-regenjas ben ik gewoon kansloos in dit land.’

‘Een enkel rafeltje van erkenning, daar moet ik het in dit leven mee doen. Het zal weleens gebeuren dat ik met een gedicht een eenzame, door haar geliefde verlaten onder- wijzeres bereik op het moment dat ze zich masturbeert. Dat is dan mooi meegenomen. Maar of ik daar zelf iets van gewaar word, is vers twee.’


Traagheid

‘Rustig werken is er nooit bij. Of- wel word ik door mijn demonen bereden, ofwel loop ik te glimla- chen omdat ik de laatste drie we- ken één gelukte pagina geschreven heb. Rustig werken kan ik niet, ik leg mezelf deadlines op. Het zijn altijd weer opgejaagde, catastrofale toestanden. Dat is ook nodig, anders wordt het niets.’

‘De hele dag rondhangen, het kruis- woordraadsel van de Herald Tribu- ne invullen, lastig zijn en zeuren, een onbedwingbare lust in cho- colade, effe gaan liggen, kortom mijn hele dag vergallen. Pas als de avond is gevallen, ren ik naar mijn kamer voor die twee onnozele pa- gina’s. Althans, als er niets leuks te zien is op de televisie.’

‘De dames hebben mij dat gevraagd en omdat ik een heer ben, heb ik hen die kinderen cadeau gedaan. Máár: geen talent voor het vader- schap, al mogen mijn zoons mij van alles vragen. Mijn zoon Arthur heeft een ander vader- en moederbeeld gehad dan andere kinderen, maar dat is niet noodzakelijk schadelijk. Ik was meer de oom die langskwam met cadeautjes, en ik heb daar geen enkel schuldgevoel over.’

‘Nou goed dan, het Vlaams Blok is een kwaal, in Togo gaat het steeds bergafwaarts, en in Lagos, Nige- ria, is op dit ogenblik geen tomaat meer verkrijgbaar. Laten we díé on- derwerpen maar als afgehandeld beschouwen.’

‘Mijn engagement ligt in wat ik heb geschreven. Daar moet het bij blijven. Als iedereen dat op zijn terrein zou doen, zouden we een begin van een gesprek kunnen hebben. Men moet mij natuurlijk niet vragen om te gaan optreden in de cel van de trotskisten in Zuid-Si- cilië. Om me bezig te houden met Somalië. Een Sarajevo-avond blijft volstrekt bespottelijk in termen van efficiëntie. Ik vind het prach- tig als ik dichters en schrijvers hun mening hoor geven over dit soort wereldproblemen. Zelf doe ik het niet.

‘Hoe zou ik als enkelvoudige type een opinie kunnen geven? Ik kan niet eens mijn telefoonnummer onthouden, laat staan dat ik de ver- wikkelingen in Bosnië zou kunnen volgen.’

‘Eigenlijk ben ik een sukkelaar: ik ben al een halve eeuw aan het kras- sen en krabbelen om te proberen iets van het grote geheim in een paragraaf te vatten, maar niemand werpt er ooit een blik op.’


Hoogmoed

‘Ik ben uiterst arrogant, want ik meet me alleen maar met de aller- grootsten.’

‘Als een teenager wil ik nog steeds bemind worden. Enfin, ik wil niet door iederéén bemind worden. Dat zou ik bepaald irritant vinden.’

‘Ik werkte in de suikerfabriek en plotseling besloot ik níét meer in loondienst te werken. Het was alle- maal even rottig. En toen dacht ik: ‘Dat wil ik nu helemaal nooit meer. Ik ga nooit meer werken.’ Nee, lie- ver in de riool gaan leven dan dat een baas me zegt: ‘Je moet om acht uur dáár staan.’

‘Ik heb nog nooit in mijn leven één foto genomen. Dat is me te veel iets wat je doet om te bewaren voor later. Het bewaren moet voor mij langs an- dere, vreemdere wegen gebeuren. Ik heb het niet met dat eeuwige geklik-klak. Ook op gefotografeerd worden ben ik niet dol, het ligt me niet. Als ik weet dat ik met drie kinnen op de foto zal staan, hoeft het niet voor mij. Pure ijdelheid. Nu is mijn ijdelheid zelfs zo groot, dat het me niet meer kan schelen hoe ik er uitzie op een foto. ’t Lijkt mij steeds normaler dat het verval zichtbaar wordt. Maar als men een portret van mij tekent of schildert, blijf ik kinderachtig gevoelig.’

‘De dag nadat Arte een avond aan mijn werk gewijd had, zei de lood- gieter tegen mijn vrouw iets als: ‘Mais monsieur Claus, il est vraiment célèbre!’ Maar wellicht had dat minder te maken met mijn boeken dan met de associatie met ‘Emmanuelle’ die in de loop van de avond werd gemaakt. En in een res- taurant sprak de eigenaresse eens het vermoeden uit dat ze me kende, waarna ze wegliep om spoedig terug te komen en voor het hele res- taurant te roepen: ‘Il est dans le Larousse! De son vivant!’

‘Er is al een hele reeks boeken over mij verschenen, met alle mo- gelijke details erin. Altijd weer denk ik: ‘Dat ben ik niet’. Dat denk ik ook als ik mijn naam in de Larousse zie staan. Men heeft zich zelfs getroost de nonnen te interviewen die mij als elfjarige hebben gekend. Aan die bejaarden meenden ze belangwekkende informatie te kunnen ontfutselen. Dat neemt allemaal niet weg dat ik dol ben op schitterende Engelse biografieën, en over het algemeen gaan die ook over dooie mensen.’

‘Ik heb helemaal niet het gevoel een monument te zijn, hoewel ik heel af en toe wel eens krijt dat men niet zo tegen het monument moet pissen. Ik word pas op die status geattendeerd als anderen me die toekennen. Maar het enige wat me echt interesseert, is wat ik maak. Ik hoef niet door iedereen bemind te worden.’

“Het verdriet van België’ is ongetwijfeld een meesterwerk, want ik heb de titel van meester gekregen van de Maatschappij voor Letter- kunde in Nederland. Als iemand me een enkele keer met ‘meester’ aanspreekt, knik ik dan ook heel beschaafd. ’t Heeft iets pot- sierlijks, maar enige beleefdheid is nooit weg.’

‘Als ik malicieus zeg dat ik een dichter ben, betekent dat ook dat ik een beetje onverantwoord ben, want hij die met de stem van de go- den spreekt, is onverantwoord. Het is niet zijn schuld, het is de schuld van de goden. Zij hebben het hem in de mond gelegd.’

‘Met mijn verwachting van toen is het ondanks alles redelijk goed gekomen. Want wat wou ik eigenlijk? Dure kleren, in een limousine gere- den worden, mooie meiden, en diep in de nacht tegen de dageraad in- teressante gesprekken over ’t leven voeren met mijn gelijken. Nu, dat is intussen allemaal gebeurd. Helaas.’

‘Een urne met as, dat is wat er van mij zal overblijven. Als je de ge- schiedenis bekijkt van al die dui- zenden, honderdduizenden zeer begaafde schrijvers, dichters die allemaal in het niets zijn verdwenen, dan mag je al heel blij zijn als er één gedicht zal overblijven. Maar ik ben al tevreden als ik over honderd jaar van hierboven vaststel dat één of andere krolse minnaar een vers in het oor van zijn geliefde fluistert en dat dat dan toevallig een regeltje van mij is, één regeltje.’

‘Ik heb al honderden keren gezegd dat ik niet wil dat er na mijn dood een straat naar mij wordt genoemd: ik heb het zo vaak gezegd dat ze het stilaan wel zullen geloven. Maar dat mijn goede vriend Roger Raveel in Watou een monument voor mij maakt, daar heb ik volstrekt niets op tegen. Voor de rest: ni dieu ni maître.’

‘Ik ben sinds mijn elfde niet meer gelovig, dus wéét ik ondertussen wel dat er niets op mij wacht. Waar zou ik me druk over moeten maken? Ik was hooguit elf, zag de priester in de kerk de hostie opsteken, en dacht: ‘Daar zit niemand in.’ Dat durfde ik toen aan niemand te vertellen, maar sindsdien heb ik geleefd met de gedachte dat er niets is na de dood.’

‘En vooral: waardig sterven boven alles. Ik ben trouwens lid van de vereniging. Vooral niet creperen. Als het zover is, komt er een kenner langs. Die zal zeggen: ‘Hier, Hugo Claus, deze pilletjes zullen u verlichten.’ En daarna ben ik er niet meer. Dat die kenner misschien komt, is een geruststellende gedachte. Ik denk daar niet aan omdat ik toevallig ouder ben gewor- den. Die gedachte heeft me al mijn hele leven begeleid. Ik heb altijd zelf willen beslissen wanneer ik er niet meer wou zijn.’

Een eresaluut aan de Meester in Humo 3525:

Tom Lanoye, Kees van Kooten, Jan Mulder, Marc Didden, Gerrit Komrij en Rudy Vandendaele herdenken Hugo Claus.

Herman Selleslags kiest zijn beste Claus-foto's. De 7 hoofdzonden van Hugo Claus: een bloemlezing uit de Humo-interviews van 1959 tot 2007.

undefined

Humo-Files: Hugo Claus

undefined

Hugo Claus wordt 75: vijfenzeventig scènes uit een schrijversleven (Humo 3315, 16 maart 2004)

De mijlpalen (7) van Hugo Claus (70) (Humo 3057, 6 april 1999)

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234