null Beeld

Dirigent Philippe Herreweghe: 'Muziek kan iemand in hoge zielennood, voor de fatale val behoeden'

‘Loop eens langs,’ had Philippe Herreweghe (68) me terloops gezegd. ‘Morgen dirigeer ik de Vierde Symfonie in D van Robert Schumann. Eens wat anders dan Bach.’ En dus zit ik die zaterdagochtend in de Blauwe Zaal van deSingel ademloos te luisteren naar de violen, kopers, houtblazers en pauken van deFilharmonie, waar Herreweghe al sedert 1997 hoofddirigent is.

'Mijn vader associeerde muziek met syfilis en tuberculose: hij heeft er alles aan gedaan om mijn muzikantendroom te saboteren'

In 1970 richtte hij, samen met enkele studenten en amateurs, het nu wereldvermaarde Collegium Vocale Gent op. Sedertdien moet eenieder die, waar ook ter wereld, de cantates, passies of motetten van de grote Johann Sebastian wil uitvoeren, noodzakelijkerwijs eerst via Herreweghe en z’n Collegium passeren. Het leverde de dirigent in 2010 de Bach-Medaille van Leipzig op, de stad waar Johann Sebastian van 1723 tot 1750 cantor aan de Thomaskirche was, en er de meest fantastische muziek schreef die een mensenkind ooit heeft mogen aanhoren.

Dat mijn gastheer op de koop toe in Gent psychiatrie heeft gestudeerd, maakt de cirkel rond. ‘Ik wil niet beweren dat je met mooie muziek een ontstoken appendix kunt genezen. Laat staan iemand die aan schizofrenie lijdt. Maar voor wie op de grens zit, wie in hoge zielennood verkeert, wie op het punt staat in te storten, kan muziek balsem op de gewonde ziel zijn en ’m voor de fatale val behoeden.’ Ja, van zo iemand wil ik graag enkele levenslessen aanvaarden. Jauchzet! Frohlocket!

HUMO U komt uit de betere bourgeoisie van Gent.

Philippe Herreweghe «Als je dat zo wilt noemen (lacht). Thuis spraken wij Frans of Gents. Mijn moeder was van Zeveneken en kwam uit een familie van graanhandelaars, dat was de meer gefortuneerde kant. De kinderen daar werden gewoon in het Frans opgevoed, zo ging dat in Gent.

»Mijn grootvader langs vaderskant was slager in Gent – wel de beste slager van de stad, met een winkel in de Lange Violettestraat. ‘De beste willen zijn’ heeft altijd in de familie gezeten. Mijn grootmoeder, die ik niet heb gekend, was hoofd van het fröbelonderwijs in Vlaanderen. Mijn vader was arts, mijn moeder onderwijzeres. Ze leerden elkaar kennen tijdens de oorlog, toen mijn vader in de scholen uitleg kwam geven over eerste hulp bij bombardementen. Vader had tropische geneeskunde gestudeerd, hier in Antwerpen. Hij was onderweg naar een academische carrière en stond op het punt naar Congo af te reizen voor verder onderzoek. Maar m’n moeder zag dat niet zitten. Z’n verdere leven heeft hij zich dat beklaagd: hij was ‘maar’ huisarts, vond hij. Terwijl dat toch een fantastisch beroep kan zijn. De generatie van mijn ouders heeft zware ontberingen gekend. Daar heeft vader de nodige lessen uit getrokken – en ze aan mij doorgegeven.

»Mijn hele leven heb ik hard gewerkt. En nog altijd, ik sta erom bekend (lacht). Als ik niet de eerste of de tweede van de klas was, sprak mijn vader een maand niet met mij. Mijn ouders eisten het beste. Ik zei je al dat hij zich ‘maar’ huisdokter voelde. Dus transponeerde hij zijn dromen op mij: ik moest par force specialist worden!»


De lat van de jezuïeten

HUMO Je deed je middelbare studies bij de paters jezuïeten in Gent. Een harde opleiding?

Herreweghe «Ik heb de ‘Lieve Leven’-aflevering met professor Wim Distelmans gelezen: die had geen goed woord over voor de jezuïeten. Zelf ga ik niet zover: ik blijf positief, ik ben zeer blij dat ik Grieks-Latijnse heb gestudeerd. Ik blijf het de jongeren aanraden.»

undefined

null Beeld

undefined

'Een halve dag repeteren: dan ben je bekaf, hè. Je bent kletsnat van het zweet, je moet meteen naar de douche.'

HUMO Wie indertijd door de jezuïeten werd onderwezen, werd ofwel zélf jezuïet, of hij verloor z’n geloof en werd atheïst.

Herreweghe «Dat was bij mij ook het geval (glimlacht). Velen van mijn generatie zijn anti-religieus geworden. Bij de jezuïeten leerde je discipline: dat máákt een mens. Talent wordt vaak overschat, hard en gedisciplineerd werken is minstens zo belangrijk, vind ik. Dat ik ben uitgegroeid tot wie ik nu ben, heb ik in grote mate aan die discipline te danken.

»Mijn vader was een fantastische kerel, maar absoluut niet artistiek. Hij was noch muzikaal, noch plastisch begaafd. Terwijl mijn moeder zéér artistiek was aangelegd. In haar familie kwamen nogal wat schilders en musici voor. Zelf speelde ze uitstekend piano, in die mate dat ze er makkelijk haar beroep van had kunnen maken. Het was dus mijn moeder die mij m’n eerste pianolessen gaf, toen ik nog een peuter van twee, drie jaar was.

»De generatie van mijn ouders wilde boven alles dat hun kinderen het goed stelden. En bij dat ‘goed stellen’ dachten ze in die tijd vooral aan het materiële. De huidige generatie denkt daar anders over: een kind moet tegenwoordig – terecht, vind ik – doen wat het graag doet, het moet zijn talenten gebruiken en er in de eerste plaats voor zorgen dat het gelukkig is, en dienstbaar aan de maatschappij. Maar na de oorlog, toen ik geboren werd, klonk het: ‘Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral.’ Ik was vrij sportief: voetballen, tennissen, hardlopen. Maar wat kon je ermee? Ik las graag, hield van literatuur, schreef zelf niet onaardig. En er was mijn piano. Maar dat alles mocht van m’n ouders hooguit een hobby zijn, daar maakte je je beroep niet van. Muzikanten stonden toen niet bijster hoog op de maatschappelijke ladder, hè.

»Ik liep vanaf m’n achtste conservatorium, haalde op m’n twaalfde al mijn diploma notenleer en maakte mooie vorderingen op de piano. Omtrent m’n veertiende, vijftiende had ik als leraar Marcel Gazelle, de vaste begeleider van de wereldvermaarde violist Yehudi Menuhin. Gazelle was een wonderkind geweest: een bui-tengewoon pianist. Hij had, als een soort kleine Mozart, op z’n tiende, elfde de hele wereld afgereisd om recitals te spelen. Menuhin had ook zo’n parcours, en Gazelle was zijn vaste wonderkind-begeleider.

'Mijn vader associeerde muziek met syfilis en tuberculose: hij heeft er alles aan gedaan om mijn muzikantendroom te saboteren'

»Ik keek enorm naar meneer Gazelle op: hij vertegenwoordigde voor mij de kunstzinnige kant, het tegendeel van de materialistische visie van mijn ouders, hoe goed ze het ook bedoelden. Mijn milieu thuis was bourgeois, om niet te zeggen verstikkend, terwijl ik aan het conservatorium eindelijk adem kon halen. Zo werd het conservatorium mijn redding, een soort parallelle wereld, met mensen die wél links dachten, die lak hadden aan het materialisme, mensen die kritisch en enthousiast waren en leefden voor de kunst. Dat was een geweldige eyeopener.»

HUMO En toen kwamen de jaren 60. Werd je een rebel?

Herreweghe «Daar was ik te braaf voor. Ik bleef loyaal ten aanzien van mijn ouders. Zolang muziek deel uitmaakte van wat zij ‘een goede opvoeding’ noemden, was er niets aan de hand. Maar toen ik ze op m’n vijftiende of zestiende vertelde dat ik professioneel muzikant wilde worden, brak de hel los: ik vergooide mijn toekomst. Op de koop toe raakte ik gefascineerd door de oude muziek. Dat was voor mijn ouders een catastrofe! Klassieke muziek, tot daar aan toe, maar oude muziek: daar kon je onmogelijk van leven. ‘Als je geen Pollini bent (wereldvermaarde Italiaanse pianist en dirigent, red.) eindig je straks als pianoleraar aan een meisjesschool.’ Mijn vader associeerde muziek met syfilis en tuberculose: in de 19de eeuw hadden zowat alle muzikanten syfilis. En tuberculose stond bekend als ‘de ziekte van de armen’. Mijn vader heeft er alles aan gedaan om mijn muzikantendroom te saboteren.

»Ik had toen een enge, erg romantische kijk op muziek: een pianist, die gaf concerten en speelde recitals, in een zeer beperkt domein van het repertoire. Zo’n pianist was ik niet, daarvoor was ik niet begaafd genoeg. Achteraf gezien had ik moeten volhouden. Ik heb vrienden die zeker niet meer talent hadden dan ik en die toch hebben doorgeduwd. Zij zijn geen sterpianisten geworden, maar ze hebben wel een mooi muzikaal traject afgelegd.

»Mijn vrouw, Ageet Zweistra, leerlinge van de grote cellist Anner Bijlsma, is een échte soliste. Zulke mensen hebben een groot talent, een ongelofelijke wilskracht en een grote drang om het te maken. Zij werken zich kapot op hun instrument: acht tot twaalf uur per dag, week in, week uit. Anders kom je er niet. Die obsessie zat er bij mij niet in. Ik voelde eerder de drang om dirigent te worden. Al van jongs af stond ik, op onbewaakte ogenblikken, in de huiskamer te dirigeren met een stokje en de radio op volume 10. Ik begon ook zelf te componeren. Ik heb hele boeken vol met zelf gecomponeerde hedendaagse muziek, tot een heuse kinderopera toe (lacht). Veel stelde het allemaal niet voor. Maar zeer vroeg stond ik wel Bachcantates te dirigeren.

»Dat kwam zo: bij de jezuïeten hadden wij een schoolkoor, geleid door een pater jezuïet die conservatorium had gelopen. We zongen bijna iedere dag: gregoriaans, prachtige muziek. Drie keer per week hadden we met dat schoolkoor repetitie: we zongen Palestrina, Haydn, Bach. Als de pater verhinderd was, liet hij mij het koor leiden.»


Tien verloren jaren

HUMO Desondanks ben je, met de wens van je vader in het achterhoofd, toch maar psychiater geworden.

Herreweghe «Correctie: ik heb de studie geneeskunde afgemaakt en ik ben met de specialisatie psychiatrie begonnen, maar ik heb er de brui aan gegeven. Opmerkelijk: veel psychiatriestudenten hebben, naast hun belangstelling voor geneeskunde, vaak een grote passie voor kunst en filosofie.

undefined

'Als je, zoals wij, alles al hebt, blijft er nog één grote angst: die voor de dood. Dáárvoor moeten wij vandaag getroost worden'

»Gedurende het academiejaar stortte ik mij op de muziek. Alleen tijdens de blok voelde ik mij arts. Ik haalde vaak onderscheiding, gewoon door vanaf Pasen keihard te blokken. Ik werd assistent, kreeg een wedde, zat van ’s ochtends tot ’s avonds in het hospitaal. Plotseling was er geen tijd meer voor muziek. Een goeie psychiater heeft een grote dosis sociale betrokkenheid nodig. Terwijl muziek toch iets is dat je vooral vanbinnen beleeft.»

HUMO Zit die psychiater nog in jou?

Herreweghe «Je blijft die kijk op mensen toch behouden. Ook bij het dirigeren speelt het mee: dirigeren is eigenlijk lesgeven, is pedagogie. Een goed dirigent moet de menselijke psyche goed kunnen aanvoelen, snel op conflicten reageren en over een behoorlijke dosis empathisch vermogen beschikken. Robert Schumann, van wie ik momenteel werk uitvoer, was een geniale componist, maar een slechte dirigent, zelfs van zijn eigen muziek.

»(Mijmerend) In plaats van tien jaar mijn broek aan de universiteit te verslijten, was ik veel beter assistent van een grote naam geworden. Eigenlijk ben ik als dirigent een auto-didact, mijn slagtechniek is niets bijzonders. En dat blijft mij parten spelen. Gelukkig is het gestieke gedeelte – het met het stokje of met de handen zwaaien – maar een klein onderdeel van het dirigeren. Nikolaus Harnoncourt is volgens mij de grootste dirigent van de 20ste eeuw, en die had ook geen gestiek. Maar hij wist wel precies wat hij wilde. Ik hanteer geen gecodificeerde standaardgestiek, maar dat compenseer ik door bezieling. Ik had een zeker talent voor compositie, maar ook dat is door die artsenstudie in de kiem gesmoord.»

HUMO Stel dat het te herdoen was?

Herreweghe «Ik zou zeker terug naar de universiteit trekken, omdat je daar op een gestructureerde manier leert denken, terwijl het kunstonderwijs, terecht overigens, het accent voornamelijk op het intuïtieve legt. Maar ik zou geen geneeskunde meer beginnen. Wel kunstgeschiedenis, bijvoorbeeld – dat zou mij nu veel meer van nut zijn. (Zuchtend) Tien jaar is veel in een mensenleven, ik weet het.»


Ach, Bach!

Herreweghe «Het Collegium Vocale heb ik in mijn studentenjaren opgericht, met vrienden aan de universiteit. Ik concentreerde mij op barokuitvoeringen met oude instrumenten. Barokmuziek was in de jaren 60 totaal onontgonnen terrein. Gustav Leonhardt en Nikolaus Harnoncourt werden mijn grote voorbeelden. Leonhardt hing in de jaren 60 aan de muur van mijn studentenkamer, niet The Rolling Stones of The Beatles. Hij was voor mij een mythische persoon, al van toen ik 14 was. Ik lag de hele dag naar zijn platen te luisteren.

»Boven alles streefde onze school naar authenticiteit. De muziek dient centraal te staan, niet de uitvoering. Je speelt een stuk zoals de componist het heeft bedoeld, niet zoals jij denkt dat het moet. Neem de Mattheuspassie van Bach: natuurlijk kun je die met een groot symfonisch orkest uitvoeren, in een post-romantische stijl, zoals een Verdi-opera (lacht). Maar onze school vond dat je muziek uitvoert zoals de componist, weze het nu Bach, Beethoven of Mozart, ze in het achterhoofd had. Toen wij vanuit die filosofie begonnen te werken, ontstond er een enorm kabaal tussen believers en non-believers. De kritiek kreeg er maar niet genoeg van (lacht). Maar nu… spreekt onze benadering vanzelf. Wij denken dat de muziek van Bach, en barokmuziek in het algemeen, overtuigender klinkt als ze uitgevoerd wordt in de stijl van toen. Als Bach tegenwoordig wordt uitgevoerd door Ton Koopman of John Eliot Gardiner of René Jacobs of mezelf, spreken we allemaal dezelfde taal. Maar ik heb liever Bach gespeeld op pianoforte door de grote virtuoos Pollini, dan Bach gespeeld op een historisch verantwoorde, oude klavecimbel door een matige klavecinist. Het ligt allemaal zeer subtiel.»

HUMO In de cantates van Bach moet de sopraanrol eigenlijk gezongen worden door een jongen, een ‘knaap’. Een knapenstem klinkt vandaag vaak vals, zweverig, tegen de toon aan. Dikwijls niet om aan te horen.

Herreweghe «Het gebruik van knapen heeft met de teksten van de Bachcantates te maken: ze gaan over onschuld, of over de dood. Zulke onderwerpen klinken veel geloofwaardiger uit de mond van een kind dan uit die van een vrouwelijke sopraan in decolleté. Vroeger waren goed opgeleide knapen doodgewoon. Een kleine jongen uit de lagere klasse had weinig keus om aan de armoede te ontsnappen: of hij werd priester, of hij werd muzikant. Tegenwoordig is dat: of hij gaat in een bandje spelen, of hij wordt voetballer. Tweehonderd jaar terug werden de beste knapen soms ontvoerd om bij de concurrentie te gaan zingen. Als ze al niet gecastreerd werden om hun hoge stem te behouden. Die knapen werden gedrild zoals nu jonge Chinese gymnasten. Ik heb de lijsten van het Bachkoor in Leipzig bestudeerd: veel van de jongens waren zeventien, achttien. De stemverandering trad veel later in. Van het niveau van die Bachknapen kunnen wij nu alleen nog dromen. Vandaar de soms lamentabele uitvoeringen van tegenwoordig.

»Het huidige Collegium Vocale heeft een wereldwijde uitstraling: de zangers en zangeressen zijn stuk voor stuk solisten. Dominique Verkinderen (mevrouw Verhofstadt, red.) doet de casting voor ons. Zij beluistert jaarlijks zo’n vijfhonderd zangers. Volgens onze smaak zijn de mensen van het Collegium Vocale de beste Bach-uitvoerders die in Europa te vinden zijn. Maar wij blijven nederig (lacht). Bij ieder stormachtig applaus dat na een opvoering losbarst, denken wij meteen: dit applaus geldt eigenlijk de meester, de componist. Johann Sebastian staat centraal, niet het Collegium Vocale, laat staan z’n dirigent.»

HUMO Er is een grote nederigheid nodig om Bach uit te voeren.

Herreweghe «Absoluut. Voor sommige muziek heb je een enorm ego vandoen: een pianoconcerto van Rachmaninov of een vioolconcerto van Paganini speel je vanuit een reusachtig ik-gevoel. Dan ben je een goochelaar die z’n kunstjes vertoont. Die muziek is ook zo geschreven. Voor Bach, maar ook voor Mozart en Beethoven, heb je twee tegengestelde kwaliteiten nodig: je moet een stevige persoonlijkheid zijn die zich in een componist kan inleven, maar tegelijk moet je een zeer grote bescheidenheid aan de dag kunnen leggen om je talent in dienst te stellen van de componist.»

HUMO Het begin van de Johannespassie, ‘Herr, unser Herrscher’, lijkt uit de kosmos over ons neer te dalen. Fantastisch.

Herreweghe «De magie van Bach is dat hij bij jou bijvoorbeeld kosmische gevoelens opwekt, en bij iemand anders pakweg een diepe lotsverbondenheid met het wereldleed. Zijn muziek is niet eenduidig.»


De dirigent en de Dood

HUMO We gaan naar de kern van ons gesprek: wat heeft het leven je geleerd?

Herreweghe «Kende ik het antwoord maar (lacht). Eén: ik vind dat in mijn opleiding het doorgeven van echte wijsheid niet tot stand is gekomen. Niet bij mijn ouders, niet bij de jezuïeten, en niet aan de universiteit. Alleen het aankweken van prestatiedwang en analytisch vermogen is onvoldoende. Uiteindelijk heb ik het allemaal zelf moeten doen. Misschien is dat wel mijn grote levensles: als je een echte passie hebt, ga er dan ten volle voor en doe het zelf.

»Het katholicisme heeft mij, op de cultuurhistorische component na, weinig bijgebracht. Het accent lag te zeer op de moraliteit, op de verboden en geboden. Mijn hele generatie is min of meer seksueel verminkt – en die vóór mij wellicht nog meer. Als ik daaraan terugdenk, word ik boos. Ik heb weinig leraars of priesters gekend die het mooie en het wijze van het evangelie hebben belicht. De diepe waarden van het christendom zijn in mijn opvoeding niet aan bod gekomen. De wijsheid van het leven werd niet doorgegeven. Onze generatie werd aan zichzelf overgeleverd. Uiteindelijk hebben wij onszelf, met vallen en opstaan, opgevoed. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik in een soort wijsheids-chaos ben grootgebracht. Al die met elkaar in conflict tredende waarden! Valse waarden, ook: materialisme, carrièrisme, sociale opgang. Allemaal naast de kwestie.

»Uiteindelijk ben ik toch uitgekomen waar ik altijd al had willen staan, zonder van frustratie aan de drank te raken (lacht). Eerst nu begin ik voluit te beseffen hoe moeilijk het leven is. Hoe zwaar de knopen zijn die je onderweg moet doorhakken. Mijn vader is, in goede gezondheid, 87 geworden. Ik heb dus nog twintig jaar te gaan. Dat vind ik belachelijk kort. Fysiek voel ik mij net alsof ik twintig ben. En mentaal ook, hoop ik toch (lacht). En toch weet ik: langer dan een jaar of vijf, hooguit tien, kan ik mijn actieve loopbaan niet meer rekken. Geloof me: in een flits is het leven voorbij. Dat zouden de jongeren, die menen het eeuwige leven te hebben, toch beter in hun hoofd prenten.

undefined

null Beeld

undefined

'De magie van Bach is dat hij bij jou bijvoorbeeld kosmische gevoelens opwekt, en bij iemand anders pakweg een diepe lotsverbondenheid met het wereldleed.'

»De complexiteit van het leven, ook. Het is een ingewikkelde puzzel waarvan de stukken aarzelend en traag, maar tegelijk onherroepelijk, op hun plaats vallen. Neem het gegeven ‘tijd’: ik heb verdorie geen tijd meer om alles te doen waarvan ik ooit droomde. En er is nog zoveel te doen! Soms denk ik: hadden ze mij maar vanaf het begin betere richtlijnen gegeven. Had ik dit en dat maar vooraf geweten. En tegelijk: er zijn geen richtlijnen, want ieder leven is uniek. Dat maakt het net boeiend. Mensen van veertig hebben geen flauw benul van de belachelijke kortstondigheid van het leven.

»Mijn agenda zit nog altijd voor drie jaar vol. Ik weet perfect waar ik over drie jaar zal staan dirigeren. Op 14 april 2017, om 14 uur plaatselijke tijd, sta ik in concertgebouw zus en zo. Dat is tegelijk geruststellend en angstaanjagend. Soms vraag je je af: waarom slooft een alpinist zich een vol jaar uit, waarom traint hij en bereidt hij zich zo ijverig voor? Wel, voor dat ene moment waar het echt om gaat: op de top van de Everest staan en de majestatische pracht van het landschap bewonderen. Zulke momenten zijn verslavend, ook voor een dirigent. Het opmerkelijke is: als je daar daadwerkelijk stáát, vallen alle problemen van je af. Dan zijn er alleen nog de leden van koor en orkest, de muziek, het publiek en jij. Dan is er alleen nog: pure schoonheid, de magie van het moment. Wat je ervoor betaald krijgt, zelfs het applaus, zelfs de kritiek, goede of slechte, is bijzaak. Ik heb er… alles voor over.»

HUMO Dirigenten worden vaak zeer oud. Wat bewijst dat ze een vruchtbaar en zinvol leven hebben geleid.

Herreweghe «Sommigen sterven op het podium. Nu spreek ik even als arts: mensen die met pensioen gaan en niets meer omhanden hebben, gaan binnen de vijf jaar dood. Dirigenten leveren niet alleen een artistieke, maar ook een zware lichamelijke prestatie, dat wordt soms vergeten. Dirigeer maar eens een Wagneropera: vier, vijf uur van opperste concentratie. Fysiek, mentaal, psychisch: je geeft echt álles. Een halve dag repeteren: dan ben je bekaf, hè. Je bent kletsnat van het zweet, je moet meteen naar de douche. Per dag sta ik vaak zeven uur aan een stuk rechtop – dat alleen al is zeer inspannend.

undefined

'Geloof me: in een flits is het leven voorbij. Dat zouden de jongeren, die menen het eeuwige leven te hebben, toch beter in hun hoofd prenten'

»De mensen van het orkest verlangen maar één ding: leiding. Maar leiding geven kost zeer veel energie en geestkracht, geloof me. En verder zijn er de media, er is de nooit eindigende zoektocht naar geld, er is de politiek. Komt er een nieuwe minister van Cultuur, dan dient alles te worden omgegooid. Er is altijd te weinig tijd. Tel dat allemaal bij elkaar en je kunt niet anders dan óf doodvallen, óf eeuwig jong blijven. Levensles: zorg in godsnaam dat je bézig blijft. Rust roest.

»Eerlijk: ik dirigeer gedeeltelijk voor mezelf, omdat ik er psychisch én lichamelijk wel bij vaar. Men vraagt mij weleens: ‘Jij bent naast dirigent ook arts. Denk je dat muziek de mensen kan genezen?’ Kijk, iemand met een open appendicitis ga je niet genezen met een Bachcantate. Schizofrenen ook niet. Maar mensen die op de grens zitten tussen ziek zijn en net niet, mensen die op instorten staan: voor hen kan muziek ontzettend heilzaam zijn. Muziek kan troosten en verlichten, ze kan opbeuren en blij maken. Muziek kan mensen helpen het uit te houden in dit eindige bestaan. Je weet dat je doodgaat, je zou het liefst van al een kogel door je hoofd schieten, maar dan weerklinkt ‘O Röslein rot’ (van Gustav Mahler, red.) en je bent weer eventjes getroost. Of hoe verdriet kan troosten.

»Muziek houdt mensen overeind en wijst hen op de mooie aspecten van het leven. Alle goede kunst helpt je het geheel te overzien, het geeft je een breed zicht op de werkelijkheid. In dat complexe, mistige geheel speel ik een kleine rol. Dat ik kan bijdragen tot het emotionele en psychische welbehagen van de mens, is voor mij een enorm geschenk. Mijn rol is klein, overschat hem vooral niet. Maar hij is wel nuttig. Een kinderarts die een kind redt, dat is natuurlijk nog fantastischer. Wij, de mensen van de muziek, helpen zeer veel mensen een klein beetje. Tel dat samen en je redt ook wel een leven of drie, vier (lacht).

»Ik krijg vaak brieven, soms zeer pathetisch: ‘Jij hebt mij er met je concert van gisteravond weer bovenop geholpen. Ik geloof opnieuw in het leven. Dank hiervoor.’ Mensen die kanker krijgen, nog één maand te leven hebben en een laatste keer het ‘Magnificat’ van Bach live willen horen. Wij leven in een rationele wereld waarin alles verklaarbaar moet zijn. Triomf van de rede! Maar als je in het Concertgebouw van Amsterdam zit, in die prachtige zaal en met dat schitterende orkest vóór jou, en je dirigeert de trage beweging van een Bruckner-symfonie, voor 2.500 mensen die gehypnotiseerd zitten te luisteren, dat is het allerhoogste. Het gaat niet alleen om het zuiver muzikale, je hebt ook het tribale aspect: je geniet sámen. Als psychiater ken ik het begrip ‘transfert’, overdracht van gevoelens van de arts op de patiënt. Eigenlijk doen wij, dirigenten, dat ook. Wij brengen de blijde boodschap, de boodschap van alle mooie muziek. Dat tribale aspect geldt nog meer bij popconcerten: het artistieke is er vaak nul, maar de samenhorigheid is er maximaal. Samen naar muziek luisteren, dat is een ritueel, dat is hetzelfde als naar de mis gaan.»

HUMO De muziek biedt vooral troost?

Herreweghe (knikt) «De mensen in de tijd van Bach, begin 18de eeuw, hadden het oneindig veel zwaarder dan wij. De levensverwachting lag op de helft van die van ons. Er was massale kindersterfte, als je een ernstige ziekte kreeg, was je zo goed als ten dode opgeschreven. Echte vrijheid bestond niet. De meeste mensen werkten zich dood om hun gezin te kunnen onderhouden. Dan is troost zeer welkom, natuurlijk.

»Als je, zoals wij, alles al hebt, blijft er nog één grote angst: die voor de dood. Dáárvoor moeten wij vandaag getroost worden. In die zin vind ik het leven tragisch. Vroeger dachten de mensen: ‘Het leven is rot. Laat mij maar snel doodgaan, want dan wordt het pas heerlijk. Ik ga naar de hemel!’ Die troost hebben wij niet meer. Nú moet het allemaal gebeuren. En net dan kan de muziek haar opbeurende rol voluit spelen. Zalf voor de gekwelde ziel, ja, dat is het.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234