Dit vond Serge Simonart van Bob Dylan in de Lotto Arena

Net zoals tijdens de vorige drie tournees stond of zat Dylan 80 procent van de tijd achter de piano, deze keer een vleugel. Hij speelde geen gitaar en geen mondharmonica, toch een radicale breuk, zijn oeuvre en vroegere optredens in acht genomen.

De lichaamstaal van Dylan is vreemd. Letterlijk niemand heeft de voorbije 55 jaar méér getourd dan hij en voor meer mensen gespeeld, en toch voelt hij zich duidelijk ongemakkelijk. Hij ijsbeert van links naar rechts, hand in de zij, schokt onwillekeurig met de benen, pulkt keer op keer aan het haar aan z’n rechteroor, alsof daar muggen huizen. Hij maakte ook vaak grimassen met z’n mond, alsof hij hoognodig een tandenstoker behoefde. Dit keer was hij gekleed als een cowboy op weg naar een crematie.

En dan dat zingen, meer dan ooit brommen, sneren, zuchten, brommen, rochelen, reutelen. Maar ook daar komt hij soms mee weg, ’t is alsof een oude acteur, door het leven getekend, die songs interpreteert.

Tussen twee songs in repte Dylan zich soms naar z’n privébar links op het podium. Daarop stonden een Oscar en een beeldje van de Griekse godin Pallas Athena.

De setlist kon slechter maar ook beter. Ik vond ‘Blowin’ in the Wind’ een afgang, haast onverstaanbaar gemompeld en voorzien van een schmalzy pianoarrangement. Uitsmijter ‘Ballad of a Thin Man’ klonk dan wel weer goed, omdat de teneur ervan goed past bij Dylans gebrom, geblaf en gesneer. Eerder kregen we ‘Sick of Love’ en ‘Things Have Changed’, maar ook niet al te sprankelende oldies als ‘Don’t Think Twice It’s Alright’, ‘Desolation Row’ en ‘Highway 61’ dat uitmondde in de meest clichématige outro. Vaak klonken de golden oldies dermate omgetimmerd en onherkenbaar dat het herkenningsapplaus pas kwam als Dylan al zingend bij de songtitel was beland.

Op sommige tournees klonken Dylan en zijn groep rauw en slordig (da’s niet noodzakelijk een bezwaar, zie de live ‘Hard Rain’ en de Rolling Thunder-tournee), dit keer klonk bijna alles smooth, afgeborsteld, maar zelden opwindend.

Dylan zei ooit, gevraagd waarom de versies van klassiekers die hij nu speelt zo drastisch anders zijn, ‘Een song op plaat is een momentopname, hoe ik me dié dag voelde. Maar wie wil nu duizend keer dezelfde dag opnieuw beleven?’ Maar ik verdenk hem ervan dat het ook een excuus is om niet te moeten repeteren. Zijn muzikanten klagen na afloop vaak dat ze niet eens wisten wat hij die avond zou zingen, laat staan hoe. En in ‘Chronicles’ geeft hij toe dat zijn shows vaak ‘een openbare repetitie’ waren. Van ‘Tangled Up in Blue’ vergat hij vanavond de halve tekst, wat niet zo erg zou zijn als het niet zo’n briljante tekst was en als zijn improvisatie niet zo banaal was. Niemand gelooft me, maar ooit hoorde ik Dylan in Vorst tijdens ‘Tangled Up in Blue’ laconiek improviseren: ‘Coming up with all these rhymes, remembering all these lines, it ain’t easy to do, tangled up in blue’.

Na het tiende nummer ging achter me een grootvader met z’n kleinzoontje van tien weg. Een kritische jonge geest, dacht ik eerst, maar even later kwamen ze terug – geen idee over het kind moest plassen of dat de prostaat van opa geen anderhalf uur koest kon blijven. Die van Dylan, binnenkort 76, alleszins wel. Die kleine gast zal later groupies krijgen omdat hij Dylan nog heeft gezien.

Er werd vanavond helemaal níéts gezegd. Ik hou van Dylan en heb veel respect voor hem, maar is een ‘Good evening’ of ‘Nice to see you’ of één ‘Thank you’ écht te veel gevraagd? Zijn tijdgenoten en verwante geesten, zoals Ray Davies, toch ook niet om het even wie, vertellen heelder anekdotes. Dylan geen woord, geen glimlach, zelfs geen communicatie met zijn muzikanten, of het moesten de verbale schouderklopjes van z’n toetsenman en pedal steel gitarist zijn, die Dylan leek aan te moedigen telkens die weer eens een kreupel piano akkoord had aangeslagen. Want, laten we eerlijk zijn: Dylan speelt piano zoals Lou Reed gitaar speelde: kreupel en houterig.

In tegenstelling tot Dylan-fanaten ben ik ook geen fan van ’s mans recente covers van standards. ‘Stormy Weather’, ‘Autumn Leaves’ en ‘That Old Black Magic’ klonken goed, maar ik ben zeker dat Sinatra hem van het podium geduwd zou hebben. En, eerlijk gezegd: als ik naar Dylan ga kijken, een man met minstens 200 schitterende songs op z’n palmares, dan wil ik zijn eigen werk horen, geen covers.

Toch ook een beetje bizar: de zogenaamde ‘protestzanger’, het muzikale geweten van zijn generatie, die tegenwoordig voornamelijk liedjes over de liefde en zijn huis- tuin- en keukenprobleempjes zingt en geen woord wijdt aan Trump en andere aberraties of conflicten op deze getroubleerde planeet.

Kortom: Dylan kronkelde zich als een norse opa door een grillige, oneven, onspectaculair concert. Waarom dan toch drie sterren? Omdat hij Dylan is, tiens. Zoals iemand uit z’n entourage me ooit zei: ‘With Bob, rules don’t apply.’ Dylan zong ook de standard ‘All or Nothing at All’ – da’s een mooie definitie van een Dylan-concert. Dat, of: ‘Why Try to Change Me Now?’

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234