null Beeld

Dit waren ook de sixties (1): de nozemsVergeten verhalen uit een roerig tijdperk

Een kermis in Deurne-Noord, 1963. Tegen valavond arriveren tien leren jekkers op knetterende brommers. Ze stellen zich op bij de botsauto’s en vallen Leentje D. lastig. Haar broer maakt een opmerking. Ze sleuren hem naar het park vlakbij. Gaan in een kring staan en duwen hem zo lang in het rond tot hij valt. Dan schoppen ze hem in buik en aangezicht.

Arthur Pottiez (62) was een nozem in de jaren 60, van zijn 13de tot zijn 17de. Hij was ook zeeman en dokwerker en werkte bij het loodswezen.

Jean Verstrepen (78) was lasser en vanaf 1958 nog zeker tien jaar nozem. Hém tref ik in een rusthuis. Hij duwt zijn sigaret uit, begrijpt meteen wat ik zoek: ‘Gij zoekt straatvechters. Ik was een straatvechter.’ Dan rolt hij de rolstoel naar zijn kamer, stevige grip op de wielen, blauw uitgezaaide tattoos op zijn onderarmen. Arthur is een Antwerpenaar ‘van de Veemarkt’, Jean is ‘van het Stuivenbergplein’. Twee côtés met een geduchte reputatie.

Eind jaren 50 beginnen nozembendes wereldwijd op te duiken. In die moeilijke naoorlogse jaren zorgt de Ongewenste Jeugd voor veel ophef in pers en publieke opinie.

Willy Vandersteen introduceert ze zelfs in Suske en Wiske. In het album ‘De Texasrakkers’ (1959) zie je én de populaire Amerikaanse western én de Europese nozem figureren. Een nozembende terroriseert een stadje. Hun saloon heet de Teddy Boys (zo worden de nozems in Groot-Brittannië genoemd, red.) en ze dragen vesten met een doodskop erop.

Jean «In ons bendeke droegen wij een zwart leren vest met een doodskop of een Amerikaanse arend op de rug. En een jeansbroek. En natuurlijk een vetkuif op onze kop. Goed ingesmeerd met brylcrème. Ik had ook Elvis-botten met een punt.»

Arthur «Leren vesten of puntschoenen, dat was de oudere generatie nozems. Wij droegen Wranglervesten, Wranglerbroeken en All Stars. Ook onze muziek was anders. Die oudere nozems waren Elvis-mannen, wij hadden het al voor The Beatles en zo. Op onze vesten maakten we emblemen met klinknagels. Grote kunst was dat niet, meestal nagelden wij een kruis. Wij reden ook met brommers, meest Flandria. Ik had een Zündapp.»

Jean «Van die nijdige brommers waar ge plat op de benzinetank lag. (Maakt snerpend geluid). De mensen hoorden ons al van ver komen. Ge reedt zo’n plein op en ge hoorde de cafédeuren met een slag dichtslaan en op slot gaan.»

Arthur «Je stuur verstelde je naar beneden. Zo hing je meer voorover en kon je – zogezegd – betere bochten pakken. Je had klungels die hun stuur te veel naar omlaag brachten, bijna tot tegen de naftbak. En dan vertrokken ze en bij de eerste bocht klemde dat stuur tégen de naftbak en reed die brommer rechtdoor, báf tegen een muur (lacht). Zo’n brommer reed 60 à 70, sommigen fokten ’m op tot meer dan 100. Met zo’n vitesse door de stad, ook over natte kasseien, ja, ik heb er veel op hun bakkes zien gaan. En een helm dragen was nog niet verplicht.»

Jean «Wij droegen een helm. Eén met een doodskop of een bloot wijf erop. Zelf was ik geen stuntman op de brommer, maar bij ons zat wel zo’n acrobaat: slalommen tussen het stadsverkeer, of steigeren op zijn achterwiel. Eén keer donderde hij achterover, en lag hij op z’n sjokkedijzen, armen en benen gekwetst, pi-pôô-pi-pôô, meneer had een ambulance nodig. Stonden we daar, en maar zagen dat we hem dikwijls genoeg verwittigd hadden. ‘Smeerlap. Rotzak. Klootzak. Vetzak.’ Ja, zo spraken wij tegen mekaar.»

Arthur «Ik ben in dat bendeke geraakt door ertussen te zitten als kind. Rond die basketpleintjes stonden stadsbanken en daar hingen die oudere gasten rond, en wij ook. En zo werden wij mee uitgemaakt door de bejaarden – ‘Nozems! Schoelies!’ – omdat zij niet op die banken konden zitten. Ze maakten geen onderscheid, want wij zaten daar soms al op ons 12 jaar met een sigaret. Ik ging vanaf m’n 12de ook mee kijken als die oudere nozems buiten de wijk gingen vechten.

»Die oudere generatie, dat waren oorlogskinderen, die hadden letterlijk moeten knokken om te overleven, en daarna waren het zeemannen of dokwerkers geworden. Die gasten waren hard als graniet en groot als beren. Wij keken naar hen op.»

undefined

null Beeld


Wandelende littekens

Arthur «Elke wijk had zijn plein en zijn bendeke. Wij waren bevriend met de mannen van de Vismarkt, de Ossenmarkt en de Luchtbal, maar de vijanden waren het Schoolplak, het Stuivenbergplein, de Tuinwijk in Merksem, Zurenborg, den Dam, het Sint-Jansplein en het Eilandje. Vechten tegen een andere wijk, dat noemden wij geen vechten. Dat was: onze wijk beschermen.

»Vechten hoorde bij alledag. Je vocht op straat of op de speelplaats, onder kameraden, om te zien wie de sterkste was. Dat begon als spelen, maar werd vaak menens. Met m’n beste kameraad vocht ik ooit tot mijn wenkbrauwen openlagen.

»In onze wijk lag ook het Schipperskwartier met zijn Scandinavische cafés en logementshuizen. Al die Noormannen waren aflappers. Alle dagen was het daar afrossen à volonté. Met vuisten, stoelen, gebroken bierglazen of flessen op de kop. Sommige van die Vikings waren wandelende littekens. Van onze ouders mochten we daar niet komen, maar als snotneuzen gingen wij daar kijken alsof het voetbal was. Ooit heb ik zo’n Viking ambras zien maken met één van onze ouwe nozems. Die pakte hem in een houdgreep en liep er dertig meter mee rond, als met een onwillig kalf, báááám, met zijn kop tegen de carrosserie van een auto.

»Wij gingen ook veel naar de cinema. Nabij de Veemarkt waren vijf buurtcinema’s. Wij gingen daar vrijen en soms ook batteren, want in dat donker gebeurde het wel eens dat je andermans lief vastpakte. ‘The Born Losers’ (1967) was onze topfilm. Dat ging over een motorbende aan de Amerikaanse westkust. Wij vonden dat fantastisch, die moto’s, dat vechten tegen de polies, een bende die baas was in een stad. Dan kwamen wij opgefokt buiten, als dat hier eens kon!»

undefined

Jean «Ik was geen broekschijter en dan komt ge rap bij zo’n groepke. Iemand had mij zien vechten op straat en vroeg: ‘Hé Jean, goesting om mee naar de foor te gaan?!’ En op de foor: ‘Hé Jean, ginder loopt een paljas, durft gij die op zijn smoel timmeren?’ Ze dagen u uit, en als ge niet terugschrikt, dan zijt ge ne goeie.»

Arthur «Het woord macho bestond nog niet, maar dat was het wel. Uitdagen en van niks bang zijn. D’r waren er bij ons die niet konden vechten, gastjes die iets groter waren dan een stoel, of simpele duiven die al vechtend op hun eigen gezicht klopten. Dat was geen erg. Als je maar niet bang wegliep. Dat was de hoofdzaak: gáán en níét achteruitgaan. Tenzij iedereen ging lopen, dan moest je niet blijven staan natuurlijk (lacht).»


Bendemeisjes

Jean «Ge waart een groep: één voor allen, allen voor één. Gij raakt mijn maat aan, dan hebt ge met mij te doen: boem patat! (knikt een kopstoot in mijn richting). Ik was een vechtersbaas. Vechten zat in mijn lijf. Ik was de voorvechter, dé man van die bende.»

null Beeld

Arthur «De voorvechter was de sterkste. Het haantje en de beschermer-moederkloek van de groep.»

Jean «Stel, op straat lopen ze tegen u aan. Gij kent mij en gij komt naar mij: ‘Jean, die paljas heeft tegen mij aan gelopen’, en dan wees ik aan wie die onnozelaar moest afmotten. Als baas had ik handlangers om op uw smoel te slaan. Of op uw bakkes. Ge kondt kiezen hè!»

Zeggen dat nozems lichtgeraakt waren, is een understatement. Zeker als je ráákte aan hun identiteit.

Jean «Wij noemden ons De Rockers omdat wij fans waren van Buddy Holly en Elvis. Dat bracht ons bijeen, dat maakte dat wij door het vuur gingen voor mekaar.»

Als Humo dus een caféklant was en om te lachen Elvis-de-schelvis riep, dan had Humo prijs: ‘Tiktik op uw schouder, en vlám, een kroket op uw bakkes.’

»Cafés in het statiekwartier moesten ook direct op hun jukebox een plaat van Elvis opzetten als wij binnenkwamen. Deden ze dat niet, dan was dat een oorlogsverklaring, dan hadden ze de ambras zelf gezocht.»

Ook een lief hebben in een andere wijk, was een reden tot clashen.

Arthur «Je baskette tegen andere pleintjes, je leerde daar een meisje kennen, dat werd je lief. Iemand zag dat: ‘Hé, die heeft er één van ons afgepakt’ en dan was het oorlog.»

HUMO Bendes van meisjes, bestonden die toen?

Arthur «Nee. De meisjes van ons plein gingen soms wel mee als we elders gingen vechten. Dat waren geen meisjes met een sacoche, die zaten achter op de brommer, en hadden ook een leren vest of een Wrangler. En meestal hadden ze ook sparadrap bij om de wonden dicht te lappen.»

Jean «Bij ons zijn er nooit meisjes geweest. Ik wou dat niet. Met vrouwvolk kunt ge toch niet gaan vechten!»


Schietkraam

Nozems gingen geregeld op verplaatsing. Naar kermissen in andere wijken. Dat was natuurlijk voet zetten op andermans territorium en zo vond men algauw wat men zocht: ambras!

undefined

'Het woord macho bestond nog niet, maar dat was het wel: uitdagen en van niks bang zijn'

Arthur «Op dat kermisplein stapte je naar de botsauto’s, daar was onze muziek, daar waren de nozems, en daar hingen ook de meisjes rond die zouden kunnen zien wie de ‘helden’ waren! En dan begon het uitdagen (maakt handgebaar: kom-maar-af-als-ge-durft) en dat liep dan uit op een groot gevecht.»

Jean «Wij reden naar alle kermissen in Antwerpen en omgeving. Tot in de Kempen, Westmalle en Sint-Job-in-’t-Goor. Als voorvechter koos ik de bestemming. En ik reed voorop, de rest volgde op één rij. Met onze brommers draaiden we rond die foor, en dan zag ge direct de gasten die u scheef bekeken, ge parkeerde uw brommer, en lap, het zat erop.»

Arthur «Regel nummer één: parkeer uw brommers niet vlak bij de kermis en zorg voor een goedbewapende brommerwacht, want anders slaan ze in uw afwezigheid al uw brommers kort en klein.

»Zo’n foorgevecht draaide vaak uit op elkaar najagen tussen de kramen. Je moest wel opletten aan de schietkramen, want als het luik nog niet dicht was, werd er naar de karabijnen gegrepen, om met de kolven op mekaars kop te slaan.»

Jean «Wij vochten niet altijd, hè. Het gebeurde dat we gewoon gingen schieten aan het schietkraam. En dat die madam verschoot: ‘Die nozems komen hier een papieren roos schieten om op hun moto te hangen!’»


Wc- en fietskettingen

Naast kermiskarabijnen bleken nozems een heel arsenaal van niet-conventionele wapens te kennen.

Arthur «Je vecht met de vuist, en soms ook met de fietsketting. Die zit op een houten handvat, of ligt smerig in uw hand. Maar veel lelijker dan de veloketting is de snoerketting van de chassebak. Die heeft al een greep, en striemt en snijdt. Zo’n dunne ketting zie je niet afkomen. Zo’n dikke veloketting zie je altijd afkomen en kan je afweren. Hoe wij die wc-ketting ontdekten? Door uit te proberen op mekaars kop. Au, zot, doedannie! Aan het gejank kon je horen hoe nuttig het was.»

'Ik had een keer pech. Gaf ik op café een vent een kopstoot, bleek dat een BOB'er in burger te zijn'

Jean «Als jonge gast heb ik met velokettingen gevochten. Of met kapotte bierglazen (heft het rusthuisglas op, en slaat er een denkbeeldig stuk vanaf), kwák! En dan dreigde ik: smoel toe of ik steek! Ook biljartkeus heb ik gehanteerd. Met zo’n keu sloeg je niet naar iemands kop, te riskant, maar naar zijn heupen. Zwiep! Zwiep! Maar op den duur was onze erecode: alles met de blote vuist. Of met de kopstoot. Of met de voet (heft gestrekt been uit zijn rolstoel): Voenk! De hak van een schoen tegen uw kin.»

Arthur «Je weet toch wat de beste remedie tegen kopstoten is? Scheermesjes in je kraag naaien! Want om je kop te kunnen stoten, pakken ze je bij je kraag, en dan snijden ze in hun poten, hè.

»Wij hadden ook zelfgemaakte boksijzers, lood dat we over onze vuist plooiden. Boksijzers waren alleen nodig als je tegen een overmacht kwam te staan.

»Wij zijn eens naar de vijanden van de Tuinwijk in Merksem gereden en achter op elke brommer zat er ene met een baseballbat. Die sloeg naar alles wat bewoog. Behalve ouwe mensen dan. Tot de politie ons kwam achtervolgen. Dan reden we richting Noordkasteel, waar wij beter de weg kenden, en zo schudden we ze af.

»Natuurlijk kreeg de polies ons soms wél te pakken. Brachten ze ons binnen op de Paulusplaats, dan was het oké. Dat was in onze wijk, die kenden het Schipperskwartier, die wisten wat aflappen was, dus die lieten ons ongemoeid. Maar kwam je op het bureau van het Eilandje, dan had je prijs. Ze boeiden je handen op je rug en die vastgesnoerde polsen hingen ze met een touw omhoog aan een buis van de chauffage. Dan hing je voorover en zo moest je een hele nacht blijven hangen. Verschrikkelijk pijnlijk. En af en toe passeerde d’r ene en die sloeg met een telefoonboek tegen je kaak. Wák! ‘Dat zal u leren!’ En intussen gingen ze in de nacht aanbellen bij je ouders om te zeggen dat je pas de volgende dag de bak uit zou komen, wat hetzelfde was als zeggen: ‘Geef ’m bij zijn thuiskomst ook maar een pak rammel.’ En dat kregen we natuurlijk.»

Jean «Ik had een keer pech. Gaf ik op café een vent een kopstoot, arrè sigaar! Bleek dat een BOB’er in burger te zijn. Vloog ik in de bak natuurlijk. Ik heb dikwijls ‘gezeten’ om een dagje te kalmeren. Maar nooit voor de rechtbank moeten komen.»

Arthur «Er werd nooit iets op papier gezet. Nooit kwamen wij voor. Nooit kregen wij een boete. Ze wilden je toekomst niet belasten. Zo van: het zijn schoelies, maar och, dat gaat wel over.»

undefined

null Beeld


Beest geworden

Op 6 april 1964 pakt Het Nieuwsblad uit met de kop ‘Nozems slaags te Antwerpen’. Op de Dageraadplaats (Zurenborg) arriveerden ‘een vijftigtal nozems met bromfietsers en scooters’. In het gevecht werden verscheidene wapens gebruikt, ‘zoals stokken, Engelse sleutels en een lederriem met loden bollen’. Er vielen twee gewonden.

undefined

'M'n moeder was tegen dat vechten, m'n vader was ervoor: als het maar 'man tegen man' was. 'Daar word je groot van,' zei hij'

Arthur «Dat waren gasten uit mijn wijk, en ja, ik heb veel kwetsuren gezien: bloedneuzen, kapotte wenkbrauwen, iemand z’n tanden uit. Eén keer was er een slag op de Groenplaats. Met gasten uit Merksem die in onze côté kwamen! Ze zagen ons komen en vluchtten de Grand Bazar in. Toen zijn we daar, op het gelijkvloers, beginnen te vechten, tussen de soutiens en de onderbroeken. Ook op de roltrappen, in de kelder, op de eerste verdieping: overal werd er geknokt. Toen heb ik één zwaargewonde in de ambulance zien verdwijnen, bewusteloos en met een zuurstofmasker op de mond. Die had vier kopstoten gehad, zijn voorhoofd was een kegel, één dikke ket van bloeduitstortingen.»

HUMO Hoe dachten jullie ouders over dat agressieve straatgedrag?

Arthur «Mijn ouders waren streng, maar weinig thuis. Mijn moeder hield café en m’n vader was dokwerker. M’n moeder was tegen dat vechten, m’n vader was ervoor: als het maar ‘man tegen man’ was. ‘Daar word je groot van,’ zei hij.»

Jean «Ik verzweeg tegenover mijn moeder dat ik in een bendeke zat. Ze was te zacht daarvoor. Mijn moeder had twaalf kinderen, van verschillende vaders. Dat ik zo agressief was, kwam door mijn vader. Die was keihard voor mijn moeder en keihard voor zijn kinderen. Iedereen in huis was bang van hem. Ik heb erg afgezien, hij had de pik op mij. Ik was geen kind, ik was een hond in zijn ogen. Blaffen en roepen tegen mij. Deed ik iets verkeerd, dan stuurde hij zijn hond op mij af. ‘Pák ’m!’ riep die rotzak, en dan beet dat beest in mijn arm. En zo ben ik zelf ook beest geworden. Hij gaf niet om mensen. En ik op den duur ook niet.»

Arthur «Ondanks dat vechten waren wij ook heel sociaal. Wij hielpen ouwe mensen. Wij deden boodschappen voor invaliden en bejaarden. Wij legden samen en kochten eten of tabak voor menskes die het niet breed hadden. Dat was de onderlinge kameraadschap in de wijk. We deden ook boodschappen voor de maskes (prostituees, red.), die gaven flinke fooien.»

Jean «Wij hielpen de hoerekes. Dan klopten ze op de ruit en zegden ze welke venten er lastig waren geweest, en als ze een adres wisten, dan gingen we daarnaartoe en werd die paljas bijgetoekt. Zo ging dat.»


De ‘gunman’-gang

In 1965 verscheen een studie van bijna 300 pagina’s: ‘De nozems: een socio-cultureel fenomeen van onze tijd’. Ze was geschreven door onderzoekers van het Belgisch Studiecentrum voor Jeugdmisdadigheid en ze was gebaseerd op twee bendes van samen 24 personen die voor de rechtbank ‘van een Belgische stad’ moesten verschijnen. Voor 450 misdrijven. Volgens de studie kwamen nozems voor ‘in alle grote centra en hun agglomeraties’. In haar profieltekening heeft de studie het over ‘kleine straatslijpers’ of ‘gangsters van vierderang’ die alles doen wat in hun hoofd opkomt: vechten, vrijen, drinken, roken, op lawaaierige brommers rijden, cinemavertoningen verstoren, voorbijgangers provoceren, vandalenstreken uithalen en stelen. De diefstallen zijn ‘kinderachtig te noemen’: het openbreken van kauwgumautomaten voor de 1-frankstukken, het stelen van koekjes, cola, likeur en sigaretten. Stelen doen ze ‘meer voor de sport en het avontuur’.

Ook Arthur heeft weleens wat achterovergeslagen: ‘Inbreken of sacochen-trekken hebben wij nooit gedaan. Wel pikken in de Inno of de Grand Bazar. Meestal sterke drank en sigaretten, die verkochten we aan de oudere nozems tegen halve prijs.’

De studie beschrijft ook de dresscode (leren vesten, klinknagels) en ziet daarin Amerikaanse voorbeelden (‘de wereld van de jonge platenzangers, made in the USA’).

Hun sociale herkomst is redelijk identiek: arbeiders met een stabiel inkomen, maar afwezige ouders met weinig affectie en interesse voor hun kinderen.

In de conclusie staan de gemeenschappelijke kenmerken van de nozem: een ‘zucht naar vrijheid en bravoure’, ‘geen enkele blijk van verantwoordelijkheid’, en ‘lak aan conventies en sociale verboden’.

Dat bracht mee dat nozems voorbijgangers lastigvielen op straat, zoals in Nederland. Maar in Antwerpen gebeurde dat niet.

Arthur «Wij liepen wel ostentatief over de Meir, toen nog met een rijweg en een voetpad. Op dat trottoir liepen wij op één rij zodat de mensen opzij móésten. Je keek de mensen ook pál in de ogen. Hier zijn wij en wij gaan niet uit de weg. Wij liepen ook rústig, één stap trager dan de rest. Dat wou zeggen: wij zijn niet als iedereen. Wij wilden ons afzetten tegen de burgerij.»

Het staat zo haast letterlijk in de Belgische socioculturele studie. Daarin beschreven de onderzoekers ook een aparte manier van gaan: ‘Zij lopen uitdagend met de zwaar-rustige gang van een gunman in de Wildwest.’ Volgens de studie komen wel meer rolmodellen uit Amerika: ‘Nemen we een film zoals ‘Rebel Without a Cause’ (met James Dean).’ Met zulke filmidolen kunnen ze zich identificeren, ‘want zij vertolken jongeren die worden uitgestoten door de burgermaatschappij.’

undefined

'De nozem is de boze jonge man. Hij voelt zich 'niets' in de gevestigde maatschappij, maar hij wordt 'iemand' in de krant als hij een leren vest draagt en een ruit ingooit' Louis Paul Boon'

Arthur «Met onze kledij en ons gedrag wilden wij ons afzetten tegen de burgermaatschappij. De ouders, de politie, de leraars, allemaal stelden zij regels. Op je 16de kocht je een brommer, maar van je ouders mocht je niet naar het andere eind van de stad rijden. Waarom niet? Dáárom niet!

»Je had geen vrijheid. Wij voelden ons het slachtoffer van dat strenge gezag. Met ouders overleggen, dat bestond niet, en dus waren wij thuis zo veel mogelijk weg. De straat op. Daar waren ook regels, maar die ging je dan overtreden. Door hard te rijden, door onnozel te doen op de kermis, door uit te dagen en te vechten. Dat was onze uitlaatklep.

»Waar wij ook graag kwamen, was in de hippiecafés. Omdat die hippies ook tegen die strenge maatschappij ingingen. Tegelijk hadden wij een afkeer van de studenten van de unief. Dat zagen wij: dat worden later de rechters en de advocaten, dat worden de burgers die het voor het zeggen zullen hebben.

»Wij vochten met de studenten van de unief. Wie toen studeerde, was van betere komaf en keek neer op de zonen van dokwerkers en arbeiders. Die van de Ufsia (sinds 2003 opgegaan in de Universiteit Antwerpen, red.) scholden onze kameraden van de Ossenmarkt uit voor schoelies en crapuul. Met een bende van zowat dertig man zijn we die studentjes eens gaan bijkloppen. Ze hadden hun les ráp geleerd.»

undefined

null Beeld


Nozeminnetjes

Dat non-conformisme en die agressieve ontevredenheid met de maatschappij hebben ook Louis Paul Boon beroerd, want al in 1958 schrijft hij een reportageserie in het dagblad ‘Vooruit’: ‘Op zoek naar de nozems’. Hij beschrijft de Hollandse, Franse, Duitse en Zweedse tegenvoeters, en ziet in de nozem ‘de boze jonge man’ die vijandig staat tegenover de gevestigde maatschappij. Hij voelt zich ‘niets’ in die maatschappij, maar hij wordt ‘iemand’ in de krant als hij een leren vest draagt en een ruit ingooit.’ De moderne jeugd voelt zich ‘niet begrepen’ en hun ouders zijn ‘vreemden die in een andere wereld leven’. Tegenover die saaie wereld van de strenge volwassenen zoeken ze ‘een leven van avontuur en opwinding’.

Boon weet niet dat de lange haren en vredesgebaren van de hippies op komst zijn, maar in de harde knuisten van de nozems herkent hij al hun voedingsbodem, een onderstroom van ontevredenheid.

Die onderstroom zag ik in 1966. Op het jaarlijkse groepsfeest van onze (brave) KSA-groep schoten plots vier donkere jekkers uit de coulissen, met opgestoken kraag en flitsend knipmes. Het waren onze leiders die doorheen witte toneelrook grimmig declameerden: ‘Wij zijn de nozems van de straat.’ Een opstandig gedicht, een ode aan de straatvechters. Het moest de aanwezige ouders uitdagen en choqueren; je vóélde hoe weerspannig gedrag in die jaren een aantrekkingskracht had.

Gedurende de sixties blijven nozems geregeld in de kranten opduiken. In april 1961 al wijdde Het Nieuwsblad een lang stuk aan een bende uit Nijvel (sic). In veertien dagen tijd stalen ze grote sommen geld, bromfietsen, auto’s, identiteitskaarten, radio’s, postzegels en ‘vijf karabijnen’ uit winkels, scholen en gemeentehuizen. Ze verkochten de buit ‘om te kunnen fuiven’. De meesten kwamen uit ‘deftige families’, vandaar hun krantenbijnaam: de ‘vergulde nozems’.

Met de jaren werd het woord nozem een amalgaam. Voor alles wat jong en ongeregeld was, haalde de pers het boven. Een jonge Franse acteur die zich doodreed met een gestolen wagen was een ‘filmnozem’. Een jong koppel dat cafégangers bestal, was een ‘nozemkoppel’. ULB-studenten die solidair waren met de arbeiders tijdens de harde staking tegen de eenheidswet (’60-’61), waren ‘oproerkraaiers’ en ‘ULB-nozems’. In het beste geval was de teneur plagerig. Toen op 1 april 1964 in Heerlen het gerucht ging dat The Beatles er gearriveerd waren, was er op het Raadhuisplein een ‘gezellige nozemdrukte’, met nozems die ‘ogenschijnlijk ongeïnteresseerd tegen lantaarnpalen hingen’ en nozeminnetjes die ‘bestudeerd nonchalant rondliepen’.

In 1967 maakt schrijver Ernest Claes zich nog druk dat de pers geen aandacht heeft voor de ‘duizenden brave leden van de jeugdbewegingen’ en dat ze het ‘onveranderlijk hebben over provo’s en nozems’. Dat zegt hij in een Humo-interview tegen de toen 24-jarige Guy Mortier.

Zelfs in 2015 duiken de nozems nog op. Als De Morgen met lichte ironie wil aangeven dat Graspop vooral oudere metalheads aantrekt, dan bestaat het publiek ‘uit langharige ongewassen nozems’.

Het schorem lijkt wel een eeuwig leven beschoren.


Ex-bandiet

Na het gesprek met Jean had ik een wee gevoel, een gevolg van zijn bijna-triomfantelijk vertellen over mensen in elkaar slaan. Na het gesprek met Tuur trad een lichte gewenning op. Het vechten kreeg al meer iets van Poppenkast Pats! – nog zo’n Antwerps decor uit de jaren 60 waar je ze zag meppen zonder dat er iemand blijvende letsels aan overhield. Ik vroeg hen wanneer dat vechten gestopt was en hoe ze terugkeken op die knokperiode.

undefined

'Ik ben een bandiet geweest, maar vraag hier in het rusthuis wat ze van mij vinden, en hier ben ik een heilige'

Arthur «Ik ben gestopt op m’n 17de. Je wordt ouder, je hebt een vast lief, dan word je vanzelf serieuzer. De meesten van ons zijn ook vroeg getrouwd, vaak van de moetes, de pil was nog niet zo algemeen.»

Jean «’s Avonds in mijn bed vraag ik mij weleens af: ‘Jean, wat hebt gij vroeger allemaal uitgespookt?’ En dan speelt die film door mijn kop. En dan denk ik bij mezelf: ben ik echt zo’n smeerlap geweest?! Heb ik echt met biljartkeus en barkrukken geklopt?! En ge ziet die kopstoten terug, die keren dat ge bovenop zo’n lijf zit en dat ge iemand met zijn achterhoofd op de vloer knotst. Eén sjarel had ik in zo’n houdgreep dat hij bijna dood was, mijn maten hebben me moeten tegenhouden. Al dat afmotten gaat door uw gedachten, en ge hebt spijt. Veel spijt.

»Maar vroeger! Gij mocht met uw vinger niet tegen mijn vest komen, zelfs niet met het topje van de nagel van uw wijsvinger, of béng, kopstoot, en het bloed stroomt al uit uw neus.

»Ik ben dus een bandiet geweest, maar vraag hier in het rusthuis wat ze van mij vinden, en hier ben ik een heilige. Hier sta ik altijd klaar en help ik iedereen.»

Arthur vertelt dat de vijanden van vroeger nu vrienden zijn geworden: ‘Als we mekaar tegenkomen, dan is dat: kuske op de kaak, lachen, zwanzen, en over vroeger klappen. Het schept een band dat je in zo’n bendeke hebt gezeten. Je maakte deel uit van een aparte kameraadschap die maar heel weinig mensen gekend hebben.’ Jean ziet geen lotgenoten in het rusthuis, maar toch vermoedt hij dat m’n artikel ‘een bijdrage gaat leveren tot meer verdraagzaamheid. Misschien zullen mijn vijanden van vroeger mij in het rusthuis komen opzoeken. Niet om mij bij te kloppen, maar om bij te klappen.’

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234