Dit waren ook de sixties (2): de spookdorpen van de Antwerpse polder

Vijftig jaar geleden werden de twee polderdorpen Oorderen en Wilmarsdonk afgebroken voor de Antwerpse havenuitbreiding. Een coming-of-age verhaal: zelf opgroeien en tegelijk een mensendorp in de bodem zien verdwijnen. En tussendoor een bulldozer saboteren.

Op dinsdag 10 augustus 1965, nu vijftig jaar geleden, kende de H. Laurentiuskerk van Wilmarsdonk haar laatste kerkelijke plechtigheid. Die dag traden Julia Van Dijck en Pierre Geeraerts in het huwelijk. Het dorp was toen al grotendeels verlaten. Van de duizend inwoners anno 1962 bleven er midden 1965 geen tweehonderd meer over.

Marc Cambré en Patrick Vervliet waren buitenstaanders en tegelijk argeloze ooggetuigen van die decimering, als kind woonden ze kortbij.

Patrick Vervliet «Wij woonden allebei aan de rand van Ekeren. Wilmarsdonk en Oorderen lagen vlakbij. Daar fietste je zo naartoe. Twee kleine boerendorpen met nog wat huizen verspreid over de dijken.»

'Het was een niemandsland waar alles mocht. het ging toch allemaal tegen de grond'

Marc Cambré «Zeker de polder nabij Wilmarsdonk was ons speelterrein. Wij gingen daar spelen vanaf 1959, toen we zo’n 11 jaar waren. Er was nog niks van die afbraken te zien, maar je hoorde de volwassenen al over die dorpen spreken en wat er mogelijk zou gebeuren.»

Patrick «Ik ving ook van alles op. In de nieuwe wijk Schoonbroek waar ik woonde, arriveerden toen veel jonge gezinnen die uit Oorderen en Wilmarsdonk waren vertrokken.»

Marc «In onze klas zaten jongens van wie het huis onteigend was.»

Patrick (uiterst links op foto) «In die jaren ’60-’65 zaten wij elke dag in de polder. School gedaan, fiets op en naar ginder.»

Marc «Wij hadden een goeie fiets om naar school te rijden, en een opgelapt wrak om in de polders rond te crossen.»

Patrick «Met enkele kameraden gingen we daar vissen, zwemmen, in bomen klimmen, fruit pikken of al eens een emmer omversjotten van een vrouw die aan ’t kuisen was. De normale deugnieterij.»

Marc «We maakten een vlot met olietonnen en planken die we vonden op een vuilnisstort. Daarmee voeren wij tussen de velden tot aan de grens Berendrecht-Stabroek, toch een kilometer of acht. Je was mijlenver alleen, onderweg zag je hoogstens wat koeien en een boer.»

Patrick «Wilmarsdonk was bijzonder omdat het er zo antiek uit zag. Met lage huisjes, kasseistraten en nog waterpompen op straat; veel huizen hadden nog geen stromend water. En ’s avonds zaten de mensen voor hun huis te babbelen op een stoel. Op twee kilometer van Ekeren was dat een ándere wereld.»

Marc «In die jaren was het normaal dat je kilometers van huis ging om te spelen. Je ging daar waar je dacht dat er iets te beleven was. Dus die dorpen werden heel aantrekkelijk toen ze daar huizen gingen afbreken.»

'De slopers trokken de huizen omver en dan gingen wij de bakstenen kuisen. Konden we met dat kleingeld sigaretten kopen' Patrick Vervliet

Patrick «Kleine huizen waren het. Met enkele traptreden was je in de kelder, en met een korte trap was je op de bovenverdieping. Sommige woningen hadden zelfs nog een alkoof in de muur. Die huizen duwden ze makkelijk omver met de bulldozer. Andere trokken ze met twee tegelijk tegen de grond door kabels te weven langs voor- en achterdeuren. Van die slopers mochten we bakstenen kuisen. Zaten we daar met de kameraden een hele dag te bikken, en als alles op de camion was geladen, kregen we wat kleingeld, daar kochten we sigaretten van.»

Marc «We begonnen ons ook in leegstaande huizen te wagen. Soms vond je daar nog inboedel die men niet had kunnen meenemen.»


Ruitentikkers

Patrick «Die lege huizen, dat trok ons ongelooflijk aan. In geen enkel huis was je ooit geweest. En nu stond je bij die mensen binnen, tegenover hún tafel en hún bed. Heel raar was dat.»

Marc «In een leeg café vind je ineens een biljartkeu, een pak koeken en repen chocola. In onze ogen waren dat verborgen schatten. Wij spraken ook in die zin: ‘Mannen, wie gaat er mee op schattenjacht?!’»

Patrick «Zo hebben we een huisdeur uit Wilmarsdonk meegenomen. Steunend op fietsstuur en pedaal en zo over de grond slepend, twee kilometer ver, een diep spoor in het zand. Die deur staat nu in het tuinhuis van Marcs vader. Toen was dat de deur van ons clubhuis.»

Marc «Uit dat lege café haalden we ook een ventilateurke. Dat hebben we bij ons thuis geïnstalleerd in ons smoorkot. Dat was de kolenkelder waar wij stiekem zaten te paffen, zo’n ventilator kwam van pas.»

Patrick «We gingen de huizen binnen alsof het niks was. ’t Was zo’n niemandsland waar alles mocht, want het ging toch allemaal kapot. Wij stootten ook overal de ramen stuk met een stok, onze ruitentikker. Als kleine straatschuimer wil je glas horen kletteren en rinkelen. ’t Was een competitie, zoveel mogelijk ruiten kapotslaan.»

Marc «We kropen ook op zolders waarvan het dakgebinte was weggehaald.»

Patrick «Daar lagen losse stenen en die mikten we naar beneden. Naar een ijzeren plaat of zo. (Richt zich tot Marc) Weet je nog toen die buurman afkwam? Iedereen schoot weg langs deuren en vensters, maar die man, een dokwerker, heeft met zijn pikhaak één kameraad een jaap in zijn been kunnen geven: zijn jeans vol bloed.»


Obussen verzamelen

Marc «Wij dachten maar zelden aan gevaar. Neem de bunkers langs de Vest waar we kogels van ’40-’45 vonden. Ik bewaarde die in een kist in de kelder. Ik had daar zelfs obussen staan, in dat smoorkot! Ik zie mijn vader nog de trap afkomen. Hij werd bijna zot, of wij soms heel het huis wilden opblazen?! En dat we moesten maken dat dat wég was! Ik heb ze dan op een stootkar geladen en in de Vest gekieperd.»

Patrick «Elke schoolkameraad had zijn wapenverzameling. Niet dat je die munitie ging openvijzen of gebruiken. Je hád dat zonder dat je ouders het wisten. Dat was weer die gedachte van: ik heb een geheim, ik heb een schat.»

Marc «Het kon ook alleen in de polder dat zo’n bunker nog bewoond was. Bunker Rik was zo’n type Pietje de Leugenaar uit ‘Terug naar Oosterdonk’. ’t Was zogezegd een stroper en hij leefde daar met wat kippen en een varken.»

Patrick «Wij koeioneerden die mens als we daar passeerden. Staan roepen en stenen tegen die bunker gooien. Hij legde bloknageltjes rond zijn huis waardoor wij lek reden.»

Marc «Die oorlogsmunitie, dat was ook ons alibi om in de huizen van Wilmarsdonk binnen te gaan.»

Patrick «In dat verlaten dorp had je toch nog altijd bewoners die daar bleven om voor hun vee te zorgen. Dus voor alle zekerheid klopten we op de deur, en als men opendeed, dan zegden we: ‘Pardon, madam, ’t is om te weten of ge toevallig wat munitie hebt staan voor onze verzameling.’»

Marc «Snotneuzen die naar wapentuig kwamen vragen, dat was een normaal excuus.»

Patrick «Om de argwaan helemaal weg te nemen begonnen we ook mee te vooizen: ‘Toch wel erg hè, madam, dat gij hier weg moet.’»

Marc «Soms was onze compassie wel gemeend. We hebben zelfs mensen helpen verhuizen. ’t Was dikwijls zo schamel en zo pover hoe ze op één platte kar hun hebben en houden probeerden te laden. De huisraad in jutezakken. Stoelen en matrassen met koorden op die kar gebonden. Zoals op oude foto’s van landverhuizers.»

Patrick «Vaak volgde dan een heel verhaal: over de oorlog en over de Watersnoodramp van 1953. Tussen 1940 en 1963 hadden die mensen de ene catastrofe na de andere gekend.»


Torenspitsgevoel

Patrick «In 1964 was er de laatste keer kerstnachtmis in Wilmarsdonk. Vanuit drie plaatsen vertrok toen een fakkeltocht, en wij hebben meegedaan vanuit Ekeren. Triestig dat die kerk weg moest, maar voor ons ook weer avontuurlijk om ’s nachts met tweehonderd man én met vuur door die donkere polder te stappen.

»Wij kenden die kerk vanbinnen en vanbuiten. Want we waren al eens met de torentrap in die spits geklommen, tot onder de haan, op zo’n vloerke van een vierkante meter en dan met vijven staan duwen en wringen om door de galmgaten het panorama te kunnen zien.»

Marc «Lag daar toch geen stapel dakleien!»

Patrick «En viel daar toch per ongeluk geen daklei op die klok daaronder. (Gezamenlijk) Booo-inggg! De weinige mensen die toen nog in Wilmarsdonk woonden, kwamen uit hun huis gelopen, en naar die toren loeren natuurlijk.»

Marc «Een kwartier zijn we toen verstopt moeten blijven om dan ongezien weg te geraken en geen pak slaag te krijgen.»

Patrick «Wij hebben die kerk ook weten opblazen. Vanop een dijk hebben we dat gezien, boemmm, een grote stofwolk, en heel dat schip in puin. De gotische toren was beschermd, die staat nu nog in de haven, tussen de containers. Er was beloofd om die toren naar Schoonbroek te verhuizen, maar de stad had ineens geen geld meer.»


Sabotage

Marc «Alles wat afbraak of aanbouw was, fascineerde ons. In Schoonbroek trokken ze in 1962 de riolering. Via een rioolgat klommen we in die manshoge betonnen buizen en zo liepen we onder de hele wijk. Wij waren de ondergrondse. Een agent is ons beginnen te achtervolgen. Die stond op zijn stoep en hoorde ineens stemmen uit zijn rioolputje.»

Patrick «Toen hij ons niet kon pakken, is hij bij m’n ouders gaan bellen: ‘Uw zoon zit in de riool! Dat is verboden!’ (lacht)»

'We hadden al camions gezien, maar camions met wielen zo hoog als een plafond, dat was wat anders!' Marc cambré

Marc «De aanleg van die dokken, dat was wel een maat groter. Wij hadden al camions gezien, maar camions met wielen zo hoog als een plafond, dat was wat anders! Dat waren monstertrucks, een onvergetelijk zicht. Het was precies een invasie, toen twintig van die gigantische, knalgele machines de polder kwamen ingereden.»

Patrick «Nu zou over zo’n groot project geweldig gecommuniceerd worden, toen wist je van niks. Elke dag zag je die werken uitbreiden, wij wisten niet waar het ging ophouden.»

Marc «Landmeters begonnen ook paaltjes te slaan, en dat ging ons ineens te ver. Als de mannen wegreden, trokken we de paaltjes uit de grond en stopten ze weg. Dat was ons protest. Wij zagen ons speeldomein bedreigd. Wij wilden niet dat daar dokken werden gegraven.»

Patrick «Tegelijk stonden we elke dag naar het spektakel van de werkzaamheden te kijken. ’t Was zo dubbelzinnig. Zoals die polderbevolking zelf. Die klaagde over de afbraak, maar tezelfdertijd had je in veel van die boerengezinnen dokwerkers die al jaren hun brood verdienden in de haven. Vandaar dat er vaak meer gelatenheid was dan protest.»

Marc «Met die grote machines kwam er nog meer avontuur. Zoals we in die huizen kropen, zo probeerden we nu ook in die machines te kruipen.»

Patrick «Bleek dat de deuren van een bulldozer niet op slot waren en dat er geen contactsleutel nodig was om dat gevaarte te starten. En ja, ineens draait die motor, en dan maak je elkaars kop zot natuurlijk. En zo is die bulldozer vertrokken, het gaspedaal ingeduwd met een kassei. Hij reed 10 meter vooruit en baf, de put in.»

Marc «Dat was niet zomaar een put, Patrick, die was zeker 20 meter diep, het was de aanzet van een havendok. Niet dat we het met voorbedachten rade hadden gedaan, zo van: vandaag gaan we een bulldozer saboteren. Maar dat die gravers schade zouden lijden, dat wij hun werk vertraagden, dat protest zat er zeker bij. En nooit is dat uitgekomen, terwijl we die dag zeker met vier of vijf kameraden waren.

»Thuis praatten ze over dat onteigenen en afbreken. Wij zágen het met eigen ogen. Op een namiddag hield de rijkswacht ons tegen op de Noorderlaan. Dieper in de polder zagen we een huis met veel volk errond. Die boer moest weg, maar de man weigerde en volgens de gendarmen was hij een gevaar, want ‘hij had een geweer in huis’. (Het bekende verhaal van de zieke boer Fiel De Schutter die in maart 1962 manu militari uit zijn huis is gezet. Zijn geweer was een sierstuk aan de schouw, red.)»


Voorhamer

Terwijl de dorpen afgebroken werden en de polder uitgegraven werd, waren er niet alleen ingenieurs, landmeters, arbeiders en kwajongens onderweg. Er was ook één fotograaf op pad die ooggetuige was van de radicale transitie van de polder. Z’n naam: Roger Keukelinck. Hij was aangesteld door het havenbedrijf om in de polderdorpen huizen en gebouwen te fotograferen ‘voor ze tot puin werden geslagen’. Keukelinck is in 2004 gestorven, maar in 1997 heb ik hem gesproken. Ik vroeg ’m hoe dat ging, een dorp afbreken.

‘Daar in de polder zijn vier dorpen afgebroken, dat was nooit eerder gebeurd in België. En van in het begin was het duidelijk dat het moest vooruitgaan. Pachters die van de stad huurden, zagen hoe hun schuur werd afgebroken terwijl de oogst er nog in stak. Ook werden door de stad water en elektriciteit afgesloten om bewoners tot verhuizen te dwingen. Elke bewoner werd op die manier bewerkt om zijn onteigeningsvergoeding te aanvaarden. Ging men akkoord, dan moest men direct verhuizen en dan werd gelijk gesloopt om de buren duidelijk te maken dat het menens was. Voor ze de huizen afbraken, haalden de aannemers alles weg wat nog bruikbaar of verkoopbaar was. Ze haakten de deuren en de luiken eraf, schroefden de houten trappen en lambrisering los, en trokken de arduinen vensterbanken, drempels en gootstenen eruit. Al wat geldwaarde had, namen ze mee. Daar was veel boerenantiek, want alles aan die huizen was oud of heel oud. In 1929 was Wilmarsdonk bij de stad gevoegd, en van de stad hadden zij niks meer mogen bouwen of verbouwen, dat waren dus ouderwetse woningen gebleven.’

Keukelinck had ook kleine aannemers gezien: ‘Die gingen zo’n huis in hun eentje met een voorhamer te lijf. Dat ging natuurlijk niet vooruit, en ik heb er gezien die huizen in brand staken om het sneller te laten gaan. De oude pastorie van Oorderen uit 1739 is gewoon in de fik gezet. Na een tijd zijn die kleine aannemers wandelen gestuurd, en kwamen de grote aannemers met grote Amerikaanse legercamions. Die duwden die lage huisjes omver door er met de laadbak tegen te rijden.’


Sterfhuizen

Ik had de foto’s van Keukelinck nooit gezien, maar ik wist dat ze bewaard werden in het Stedelijk Documentatiecentrum Antwerpse Noorderpolders. Dat centrum is het levenswerk van Keukelinck: na zijn foto-opdracht is hij zowat alles over de Antwerpse polderdorpen beginnen te verzamelen en dat tot aan zijn dood. Dat archief bevindt zich nu in het Veltwijck-kasteel in Ekeren, en met een afspraak kom je in die bewogen leefwereld terecht. Ik heb de fotoboeken van Oorderen en Wilmarsdonk opgevraagd, dikke albums in blauw, rood en groen. De eerste bladzijden zijn een warrige pêle-mêle van heemkunde, oude tradities en familiefeesten. Ik blader door klasfoto’s, melkboeren met paard, kajotters met vlag en jubilerende koppels die stram in de lens kijken. De dorpen waren rijk aan verenigingen, dus ik zie heel veel feest: de wielerkampioen heft zijn zegepalm, de boogschutter tilt zijn beker, gevolgd door nog meer processies, gouden huwelijken en ganzenrijders, alles haaks ingekleefd in witte fotohoekjes.

Daartussen zit de afbraak. Na de betreurde voetballer die door ploegmakkers ten grave wordt gedragen, is er ineens het politiebureau van Wilmarsdonk (foto boven). De Belgische vlaggenstok steekt nog uit de gevel, maar het huis naast het politiebureau is al weg, het gescheurde behang als een slappe vod langs de muren. Eén agent verschijnt behoedzaam in de deur, wie die fotograaf is die zich in het verlaten dorp vertoont. Het zal één van de zeer weinige mensen zijn die op de verdere beelden te zien is.

Veel foto’s hebben iets van een overstroming, er staat nog een huis of een schuur overeind, maar tegen de muren is wrakhout aangespoeld, van huizen en schuren die vlakbij zijn neergehaald. Elders is een dijk doorgebroken, niet met water, maar met de kale schep van een bulldozer.

Een heel fotoboek is gewijd aan de afbraak van de kerk van Wilmarsdonk (foto onder). Balken en steenpuin liggen opgehoopt. Glasramen zijn vervangen door openlucht en steunberen liggen in losse stenen uit elkaar geslagen. In oude grafkelders zien skeletten na tweehonderd jaar het daglicht.

'De kerktoren van Wilmarsdonk midden in de verwoeste dorpskom. Hij staat nu als 'monument' tussen de havencontainers.'


Keukelinck was ook van nabij getuige toen het kerkhof opgegraven werd. De stoffelijke overschotten die werden blootgelegd, zijn naar het Schoonselhof gebracht. Maar dat werk werd voortijdig afgebroken: ‘De skeletten tot de 17de eeuw hebben ze nog kunnen opdelven, maar de skeletten van vóór 1600 hebben ze uiteindelijk laten liggen. Die zitten nu nog onder de haven.’

Er zijn de dijken waar geen canadabomen meer staan. Nu groeien er stapels kasseien en hopen zand. Op één beeld zitten niet-boeren midden in een akker. Ze boren met apparatuur in de grond, en de vrucht van hun arbeid zal een havenkom zijn.

In het album ‘Oorderen’ zitten ook kleurenfoto’s. De huizen die erop staan, lijken niet meer in hun straten thuis te horen. Sterfhuizen zijn het, als raam en deur een zwart gat zijn geworden.


Hitchcock

Keukelinck is ook boven op de kerk gaan postvatten voor een panoramisch beeld. Rond het centrale kruispunt van het dorp staan nog verspreide huizen, ingebed tussen putten en draaisporen van vrachtwagens. In die dode hoek is alleen nog de schaduw van een telefoonpaal te zien als in de zonovergoten hoofdstraat van een western. Eén late ziel rept zich weg van de straat, het revolverduel kan elk ogenblik oplaaien. Ooit waren hier vijftienhonderd inwoners. Nu zijn de straten leeg. De VW Kever die geparkeerd staat, is allicht van de fotograaf.

‘Die dorpen hadden allemaal iets van een spookdorp,’ wist hij. ‘In de weiden stonden geen koeien, paarden of schapen meer, en in de straten was het alsof Hitchcock er gepasseerd was. Draden van de elektriciteit die loshingen, deuren die openstonden, vensters zonder glas erin, wind die door de daken floot, af en toe zo’n slagvenster dat tegen een gevel sloeg… Ja, het was daar echt verlaten.’

Het aandoenlijkst zijn de vele gesloten vensterluiken. Het moet huisvaderlijke bekommernis zijn geweest. Je huis gaat afgebroken worden, alles plat, maar omdat je je pand voor langere tijd verlaat, sluit je toch maar zorgvuldig de luiken.

Lang kijk ik naar de foto van café ’t Kruiske met daarnaast de drie benzinepompen van BP en de kleinere pomp voor de brommers. Ik kan nog stemmen horen en geduldig getinkel uit de rubberslang. Dan volgt de afbraak van de kerk van Oorderen. De toren is geen toren meer, maar een staketsel van stenen. Rond de kerk liggen de zerken plat op de buik of op de rug. Op een tweede foto beukt een bulldozer in de flank van de kerk, en op de derde foto twijfelt de toren tussen vallen of overeind blijven. Er liggen al stukken pilaar op het voetpad, en de kerk die altijd uittorende boven het dorp, zal straks met de straatstenen gelijk zijn.


Lichtbeelden

Keukelinck heeft ook dia’s gemaakt. Rollei-diapositieven in glas, 8 op 8 centimeter en in een stevig frame. Met honderden zitten ze gevat in ijzeren koffertjes. Onder het deksel kleeft verduurde mousse die gestaag groen stof zaait op de dia’s. Er is ook een gevouwen ruitjesblad met handgeschreven nummers en locaties. Die inktnotities heeft hij nog eens deftig overgedaan met de tikmachine. Eenzame toren. Boerderij. Brouwerij. Maalderij. Varkensstal. Knotwilg. Opspuiting. Het leest niet als een roman.

'Een dorp opbouwen, dat duurt eeuwen. Een dorp afbreken, dat duurt nog geen jaar' Fotograaf-ooggetuige Roger Keukelinck

Om de dia’s te fotograferen moet ik ze naar het vensterraam heffen. Ik houd een tornadospoor van lukrake vernieling tegen het licht: sommige huizen zijn al platgeslagen, andere staan nog overeind. Keukelinck is blijkbaar alleen op heel zonnige dagen op pad geweest. Puin in de volle zon, het geeft de lichtbeelden een schelle tristesse.

Hij heeft echt veel willen bewaren: de waterputten, de bunkers, de beken, de knotwilgen, de zandwegen en de vergezichten. En dan slaat hij opnieuw de weg in naar Oorderen. Er is de lagere jongensschool zonder jongens. Er zijn de schuren zonder beesten of alaam. En de canadaboom is al niet meer omgehakt, maar tot zijn nek in het opgespoten zand gedreven. Ten slotte is er de grote 18de-eeuwse schuur met genummerde stenen en balken: die is gered, die zal in Bokrijk weer worden opgebouwd.

Al die teloorgang maakte diepe indruk op Keukelinck: ‘Toen ik daar rondliep, heb ik dikwijls gedacht: een dorp opbouwen, dat duurt eeuwen, maar een dorp afbreken, dat duurt nog geen jaar.’

De laatste drie dia’s in het koffertje Oorderen zijn beelden van de nieuwe General Motors-fabriek. Daar waar Oorderen was, is nu de splinternieuwe autofabriek met de stralend blauwe watertoren. Die nieuwe fabriek, het latere Opel, is in 2010 gesloten. Nu staat ze helemaal leeg.


Baggerpap

Als laatste werden de nutsvoorzieningen geruimd: leidingen van water en gas, en palen van telefoon en elektriciteit. Daarna bleef er niks dorp meer over, alleen nog de steenwegen. Die waren nodig om machines en materiaal door het gebied te manoeuvreren.

‘Heel die tijd gingen de opspuitingen door,’ vertelde Keukelinck. ‘Op die polder kwam een slijkmoeras te liggen van wel 2 à 4 meter dik.’ En ook in dat slijkmoeras ging het jongensvermaak verder.

Marc «Opeens begonnen ze een groot waterreservoir in de polder leeg te zuigen. Een baggerboot pompte dat water en slib weg, met een pijpleiding naar de rivier het Schijn.»

'door het slijk en de bagger werden de vissen smeriger van smaak. We zuiverden ze in de badkuip, met vijf of zes naast elkaar' Patrick Vervliet

Patrick «Wij wisten dat het daar vol vis zat, dus bij die instroom in de rivier had ik een groot vangnet van mijn vader gespannen. Af en toe vloog er een vette snoek in dat net, die stopte ik onder de snelbinder en ik fietste ermee naar huis. In onze tuin hadden wij een vijver, daarin zaten op de duur tien snoeken die we één voor één opaten. Snoek is heel lekker, maar toen er met dat wegpompen meer slijk en baggerspecie meekwam, werden ze smeriger van smaak. We moesten ze ‘zuiveren’ en legden ze in de badkuip, met vijf of zes naast elkaar; daarboven een traaglopend kraantje zodat er altijd zuurstof in dat water kwam, en zo ging de slijksmaak uit die vissen.»

Marc «Tussen de opgespoten oppervlaktes waren kunstmatige grachten ontstaan. Daarin gingen wij zwemmen.»

Patrick «Met onze crossvelo daarnaartoe. Om het eerst in het water. Dan trok je al rijdend je kleren uit. Of we fietsten met kleren en al de gracht in om toch maar eerst te zijn. Ook op de bagger bleven plassen staan waarin wij gingen zwemmen. Dat was geen water, dat was pap. Kouwe pap. Vele snotjongens kwamen daarop af. Die slijkpap was heel populair.»

Marc «Vanop een vettige talud lieten wij ons in die pap schuiven. Dat was niet ongevaarlijk. Dat dikkere slijk zoog en trok, er moest altijd iemand klaarstaan om wegzinkenden los te trekken. Van die slijkduivels bestaat een foto. We hadden ‘ZOT!’ op onze borstkas geschreven.»

Patrick «Nabij Wilmarsdonk was ook een weel, een diepe natuurlijke plas, een restant van een overstroming. En daarrond had je steigers van vissers. Dat weel vulden ze ook op met slib, dus dat water steeg, die steigers kwamen los, en dan kropen wij op zo’n steiger die begon weg te drijven. Tot ons ‘vlot’ dan vast raakte in de prikkeldraad van een wei, want dat water steeg hoger dan de koeienweiden.

»Zeker tot in het najaar zaten we op dat weel. Eén keer hadden we een vlot gemaakt met tonnen en planken van een half afgebroken duivenhok. Maar dat evenwicht zat niet goed, wam, dat vlot kantelde, en wij tweeën het water in. Met veel moeite terug naar de kant, en daar moesten kleren en schoenen natuurlijk gedroogd worden. Met een vuurtje, met hout van het duivenhok waar nog pek en roofing aan hing. Dat vuurtje sprong over op de rest van het hok: de vlammen gingen wel 10 tot 15 meter hoog. Mijn kleren die te drogen hingen vlogen mee in brand. Toen zijn we moeten gaan lopen. Ik in mijn ondergoed, en zo bibberend naar huis, want het was oktober.»

Marc «Op de dijk zagen wij de pompiers al afkomen. Maar bij u thuis reageerden ze verbazend laconiek. Ik had zeker ferme lappen tegen mijn oren gehad.»


Waaghalzerij

Nog lang kunnen ze vertellen. Misschien nog dit ene verhaal.

Patrick «Toen één dok uitgegraven was, werd de kaaimuur gebouwd. Boven op die blauwe steen kwamen stalen bolders om de scheepstouwen aan vast te maken. Tussen die meerpaal en de afgrond van dat lege dok was zo’n 50 à 70 centimeter ruimte en één kameraad waagde het om met zijn Flandria-brommer langs die engte te rijden.»

Marc «Als zijn pedaal die paal raakte, lag hij 25 meter dieper in het lege dok.»

Idiote waaghalzerij, maar allebei zeggen ze direct dat ze daar ‘een onbeschrijfelijke jeugd hebben gehad’. En hun ouders maakten zich geen zorgen. ‘Die zegden: een kind moet zich kunnen amuseren, en wij amuseerden ons. Dus onze ouders waren content. Zolang wij maar op tijd terug waren voor het avondeten.’

In januari 2015 hadden de twee 66-jarigen een reünie. Sommige van hun vroegere kameraden hadden ze in geen twintig à dertig jaar meer gezien, ‘en al direct ging het over die avonturen in de polder’. Ze hebben vooruitgang nog kunnen zien als iets dat voor de hand lag. Een kinderspel.

Marc «Ik denk daar nog vaak aan terug. Al die avonturen, dat had iets van nu of nooit. Nu amuseren wij ons, maar straks gaat álles hier verdwenen zijn.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234