Beste boeken 2020 v HumoBeeld Humo

literatuurtien boekentips

Dit zijn de tien beste boeken van 2020 (tot nu toe)

Hoera! De lockdown is voorbij! Vakantie in eigen land komt eraan! Met deze tien boeken kan uw staycation alvast niet stuk.

‘De verhalen die we onszelf vertellen’  ★★★★★ en ‘Het jaar van magisch denken’ ★★★★½ van Joan Didion

Joan Didion is 85, maar hipper dan toast met avocado. Het literaire stijlicoon stond in 2015 nog met één van haar kenmerkende grote zonnebrillen op te poseren voor het Franse luxemerk Céline, en toen haar neef Griffin Dunne in datzelfde jaar via crowdfunding geld zocht om de aan haar gewijde Netflixdocumentaire ‘The Center Will Not Hold’ te maken, haalde hij bijna een drievoud van het vooropgestelde bedrag op.

Dat de schrijfster het nog steeds goed doet in Instagramtijden, heeft wellicht iets te maken met de nog steeds circulerende reeks foto’s uit 1968 waarop ze rokend tegen haar eigen Corvette Stingray leunt. Dat uitgeverij De Arbeiderspers haar bekroonde memoires ‘Het jaar van magisch denken’ (2005) opnieuw uitbrengt, en tegelijkertijd Joost de Vries een bundel liet samenstellen met een selectie essays die inmiddels even iconisch zijn als de portretreeks met de oer-Amerikaanse sportwagen, komt dan weer omdat Didion schrijft zoals ze zich laat fotograferen: met heel veel stijl.

‘Ik vertel hier alleen maar hoe het was,’ schrijft de essayiste met een vleugje valse bescheidenheid in ‘De kater van de sixties’ (1970), waarin ze genadeloos afrekent met de protestcultuur die het decennium tekende. Het journalistieke werk van Joan Didion wordt vaak getypeerd met woorden als franjeloos en onopgesmukt, maar die termen roepen een sfeer van droge zakelijkheid op die niets te maken heeft met de persoonlijke, verhalende en uiterst vitale pen van een vrouw die erin slaagde om in 1968 door te breken met een essaybundel, ‘Slouching Towards Bethlehem’, die sindsdien nooit meer uit druk is geweest. Toegegeven, ze is geen auteur van vergezochte metaforen of barok taalgebruik, maar of ze het nu over de hippies in het San Francisco van de late jaren 60 of over de verkiezingscampagnes van Bill Clinton heeft, haar non-fictie neigt altijd meer naar sprankelend proza dan naar pure journalistiek. Om haar stijl, in navolging van de schrijfster, eens in kledingstukken uit te drukken: de reportages zijn geen opzichtige glitterjurken, maar little black dresses. Haar stukken moeten het hebben van een schijnbaar achteloze elegantie, een intelligente literaire snit en, zoals De Vries in zijn inleiding terecht aanstipt, net genoeg persoonlijk mysterie om intrigerend te blijven.

‘De Kolibrie’ van Sandro Veronesi ★★★★★

Sinds Sandro Veronesi in 2005 zijn meesterwerk ‘Kalme Chaos’ op de wereld losliet en er een jaar later de Premio Strega voor kreeg, beleven de Italiaanse letteren wereldwijd een renaissance en geldt de belangrijkste Italiaanse boekenprijs als een internationaal keurmerk. Paolo Giordano, Niccolo Ammaniti, Paolo Cognetti: het ene na het andere literaire wonderkind viel uit de azuurblauwe hemel. Maar wat blijkt, nu Veronesi ‘De kolibrie’ laat uitvliegen? Dat al die jonge honden nog veel lettervermicelli zullen moeten eten.

Sinds ‘Kalme Chaos’ weten we dat Veronesi geen personages creëert maar echte helden, zij het tegen wil en dank. In ‘Kalme Chaos’, en in de sequel ‘Zeldzame Aarden’, is dat Pietro Paladini, de succesvolle manager die twee weken na de plotse dood van zijn vrouw zijn 10-jarige dochter Claudia naar school brengt en er niet meer weggaat. Dag na dag blijft hij aan de schoolpoort wachten tot ze weer buitenkomt, en ondertussen maakt hij in de achteruitkijkspiegel van zijn auto de balans op van zijn leven. In de collectieve verbeelding is Pietro Paladini een archetype geworden van de nieuwe man: de krasselende, onzekere, schuldbewuste alleenstaande vader die kiest voor zijn gezin wanneer het te laat is, en die er met de scherven van zijn geluk nog iets van probeert te maken. In ‘De kolibrie’ heet de held Marco Carrera, voor de kost oogarts in Firenze. Wat het lot voor hem in petto heeft, is nog vele malen erger. Zijn zus, zijn beide ouders én zijn dochter zullen komen te gaan in de loop van het verhaal – zij het niet allemaal tegelijk. Zijn vrouw blijkt gestoord te zijn, zijn broer wil hem niet meer zien, en met zijn jeugdvriendinnetje Luisa beleeft hij, levenslang en grotendeels per briefwisseling, een onmogelijke liefde.

Wees gerust, deze zeer beknopte samenvatting zal uw leesplezier niet vergallen. Want ook de schrijver-verteller kondigt de rampspoed die zich hoofdstuk na hoofdstuk voltrekt altijd goed op voorhand aan. Veronesi doet in deze roman niet aan spanningsopbouw, maar aan spanningsafbouw. Zodat de hartverscheurende ellende niet alleen verteerbaar blijft, maar op veel momenten zelfs uiterst genietbaar wordt. Veronesi is een van de grote componisten van de Europese literatuur. Ook ‘De kolibrie’ is weer zo’n complex werkstuk dat vrolijk rondspringt in de tijd, maar nergens een moeilijke, bloedeloze constructie wordt. Integendeel, de verleiding zal groot zijn om ‘De kolibrie’ in één koortsige ruk uit te lezen. Niet doen. Dit boek smeekt om een lange, doorvoelde copulatie, niet om zo’n droeve ejaculatio praecox van de geest.

Als romanschrijver lijkt Veronesi steeds tijdlozer te worden. In Italië wordt hij al vergeleken met Beckett en Tolstoj. Maar onderhuids gaat ‘De kolobrie’ natuurlijk wel over deze tijd. Meer bepaald over de tijd die is verstreken tussen pakweg de jaren zestig, toen iedereen meende te weten wat van belang was en de marsrichting werd aangegeven met vlagvertoon en hooggestemde idealen, en het internettijdperk van nu, nu niemand nog lijkt te weten wat werkelijk van belang is en waar het naartoe moet. Waardoor we, bang en onzeker, geneigd zijn ter plaatse te blijven klapwieken, als een kolibrie. ‘Zeventig vleugelslagen per minuut om op de plek te blijven waar je al bent’, is het laatste verwijt van Luisa aan Marco. Dat is de existentiële vraag die ‘De kolibrie’ aan de orde stelt: is het per definitie goed om je te laten meevoeren op de wind van de tijd, om veranderingen willoos te ondergaan, of is het soms beter je tegen de tijd te verzetten? ‘Alle veranderingen die ik heb gekend zijn ten kwade geweest’, antwoordt Marco aan Luisa.

Sandro Veronesi zal met ‘De kolibrie’ andermaal meedingen naar de Premio Strega. De prijsuitreiking is op de eerste donderdag van juli. Als hij wint, zal iedereen zeggen dat ‘De kolibrie’ er nu eenmaal met kop en schouders bovenuit stak. Als hij niét wint, zal degene die wél wint de geschiedenis ingaan als de schrijver die Veronesi versloeg toen die op het toppunt van zijn kunnen was. (di)

Jeroen Brouwers: ‘Cliënt E. Busken’ ★★★★★

‘Als ik voel dat het niet meer gaat, hou ik ermee op,’ zei Jeroen Brouwers anderhalf jaar geleden in Humo. Hij had al te veel door hem bewonderde schrijvers zien eindigen met inferieure boeken. Op 30 april wordt Brouwers 80, een leeftijd waarop je elke nieuwe roman veiligheidshalve meteen ook aankondigt als je laatste. Dat deed hij in 2014 al bij de verschijning van zijn onthutsende kostschoolroman ‘Het hout’, en dat doet hij nu opnieuw met ‘Cliënt E. Busken’, zijn vertelling over een verzorgingstehuis.

Uit die nieuwe aanvulling op de reeds rijk gevulde Brouwersbibliotheek mag meteen blijken dat ‘het’ nog ‘gaat’. Meer nog, het loopt en stroomt en neigt naar ‘volle volte, het volste overvolle onverzadigbare uit zijn voegen barstende buiten zijn beddingen brekende overstromende met voeten tredende overschreeuwende overspannene’. Wie dacht dat Brouwers zich laat in zijn leven nog snel zou bekeren tot het soort karige proza waar zoveel van zijn landgenoten in uitblinken, mag die gedachte bij het oud papier zetten. Ze zal daar mooi staan naast de uitgebeende boeken van zijn minder getalenteerde vakgenoten.

Met een verhaal over een knorrende oude knar die zeer tegen zijn zin een product - excuus: cliënt - van de hedendaagse verzorgingsindustrie wordt, lijkt de auteur van ‘Bezonken rood’ en ‘Geheime kamers’ zich comfortabel te nestelen in de slipstream van vrolijk bestsellervertier als ‘De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween’ of ‘Pogingen iets van het leven te maken: Het geheime dagboek van Hendrik Groen, 83¼ jaar’. Maar in tegenstelling tot zijn collega’s Jonas Jonasson en Peter de Smet schrijft Brouwers hoegenaamd geen feelgoodliteratuur. Zijn afdaling in de steeds troebeler wordende geest van een ‘bevende bejaarde’ is een tegen de zorgsector gerichte aanklacht die dienstdoet als excuus om Brouwers’ stilistische bravoure te etaleren. De met evenveel venijn als humor strooiende schrijver vindt in de gesloten gedachtewereld van de megalomane fantast E. Busken niet alleen zure oprispingen over genderneutraliteit, een flinke scheut moederhaat en de laatste restanten van een gezonde seksuele appetijt, maar ook uiterst vruchtbare grond voor zijn virtuoze taalgebruik. Aan De Morgen vertelde de man die in 2007 de Prijs der Nederlandse Letteren weigerde omdat hij het bijbehorende geldbedrag van 16.000 euro wat minnetjes vond, dat hij niet meer wilde doen dan via ‘ingevinkjes’ en ‘associatietjes’ reconstrueren hoe in ons brein de ene gedachte voortdurend de andere inhaalt en hoe ‘het er in het menselijke hoofd nu eenmaal aan toegaat’.

Dat lijkt verdacht veel op het literaire project van modernisten als James Joyce en Virginia Woolf, en het is met hun stream of consciousness-techniek dat Brouwers in het belezen maar benevelde hoofd van zijn personage duikt. Het levert gruwelijk mooie passages over aftakeling en herinnering op, met ‘volzinnen als onvermoeibare langeafstandslopers’, maar af en toe wordt de bewustzijnsstroom iets te makkelijk ingezet als een manier om de hapering in de hink-stap-sprongen van Buskens bedenkingen te illustreren. Op die momenten wordt de mooiste erfenis van het literaire modernisme eventjes niets meer dan een technisch hulpmiddeltje om de wankele mentale toestand van een personage weer te geven, maar wanneer Brouwers echt op dreef is en zijn verhaal loslaat om vrijuit met betekenissen en klanken te spelen, lees je een bevrijde schrijver die beseft dat hij enkel verantwoording hoeft af te leggen voor wat hij in zijn carrière met de Nederlandse taal heeft gedaan. Die heeft hij met ‘Cliënt E. Busken’ andermaal verruwd, verrijkt en verruimd. (sdw)

Hilary Mantel : ‘De spiegel & het licht’ ★★★★½

Acht jaar heeft Hilary Mantel aan het sluitstuk van haar Tudor-trilogie gewerkt. Ter vergelijking: in die tijdspanne had Hendrik VIII er al vier echtgenotes doorgejaagd (en twee aan de beul overgeleverd). Ons literaire engelengeduld wordt gelukkig rijkelijk beloond. ‘De spiegel & het licht’ is niet minder dan een meesterwerk, dat niet alleen de ster van Thomas Cromwell, maar ook die van Mantel zelf nog lang zal laten schitteren.

Wat een geniale zet was het eigenlijk om de regeerperiode van Hendrik VIII (één van de beruchtste hoofdstukken uit de Britse geschiedenis, waarin het stormachtige liefdesleven van de vorst de godsdienstbeleving in Engeland voorgoed zou hertekenen) door de ogen van zijn rechterhand Thomas Cromwell te bekijken. In ‘Wolf Hall’ en ‘Het boek Henry’ leerden we die Cromwell kennen als een sluwe, onbuigzame strateeg, het prototype van de selfmade man ook: een arme zoon van een smid die uit het niets opklom naar de hoogste echelons van het Britse hof en van daaruit de ongebreidelde macht van de oude adel en de clerus aan banden probeerde te leggen. In ‘De spiegel & het licht’ bouwt Cromwell, ondertussen benoemd tot baron, staatssecretaris, Lord Privy Seal én vicaris-generaal, naarstig voort aan zijn politieke kaartenhuis. Maar echt vlotten doet het niet. Na de onthoofding van zijn vorige vrouw, Anne Boleyn, zit Hendrik nog steeds zonder mannelijke troonopvolger. Ook de afsplitsing van het decadente katholieke Rome blijft aanslepen. Komen daar nog bij: opstanden in het noorden, politieke samenzweringen, ontevreden koningsdochters en een koning wiens vingers jeuken om een volgende dissident naar het hakblok te leiden.

Aanvankelijk houdt Cromwell die verschillende touwtjes stevig in handen, maar gaandeweg begint zijn machtspositie steeds meer te wankelen. Hilary Mantel beschrijft die langzame, maar gestage val van haar antiheld met een ongeziene beheersing en inleving. De manier waarop ze ons als lezer laat meekijken door de ogen van Cromwell en ons ongefilterd laat registreren wat hij registreert, is sensationeel. In tegenstelling tot andere historische romans is het verleden in ‘De spiegel & het licht’ geen flou vergezicht of vervormd heden, maar een shot virtuele realiteit die recht de aderen ingaat, springlevend en hyperzintuiglijk. Het Engeland van de Tudors komt in haar roman zo dichtbij, dat je het parfum van Hendriks onfortuinlijke bruiden en het angstzweet op het voorhoofd van zijn raadgevers bijna kan ruiken. Tegelijk vraagt ‘De spiegel & het licht’ ook veel van de lezer. Net omdat Mantel het verleden ongefilterd op papier pleurt, ontbreekt het in haar roman aan makkelijke opstapjes die dat verleden behapbaar maken. Veel meer dan een haastig neergeschreven datum krijgen we meestal niet, om nog te zwijgen van de gigantische personagebezetting en overweldigende weelde aan details.

Wie doorbijt, wordt door Hilary Mantel wel met vaste hand tot aan het bittere, maar o zo grootse einde geleid. Een einde dat al vaststond vóór de eerste letter van haar trilogie op papier stond. Aan het hof van Hendrik VIII was niemand veilig, en hooggeplaatste vertrouwelingen zoals Cromwell nog het minst van al. Toch grijpt het moment dat de schijnbaar onaantastbare Lord Privy Seal eindelijk door zijn negen levens heen zit, je als lezer nog naar de keel. Misschien net omdat het er altijd al zat aan te komen. Hilary Mantel lijkt als historisch medium almachtig, maar haar briljante hoofdrolspeler alsnog voor zijn onfortuinlijke lot behoeden is zelfs voor haar een brug te ver.

De triomftocht van haar trilogie - vijf miljoen verkochte exemplaren, twee Man Booker Prizes - is voor Mantel ongetwijfeld ook een persoonlijke triomftocht. De schrijfster liet al meermaals verstaan dat haar keuze voor Thomas Cromwell als hoofdpersonage geen toeval was. In deze selfmade man vond ze, zelf een kind van de Britse arbeidersklasse, haar eigen spiegel. Mocht ook ‘De spiegel & het licht’ dit jaar de Man Booker Prize winnen, dan zou Mantel daarmee geschiedenis schrijven. Ongezien, maar niet ondenkbaar: als ze iets bewezen heeft, dan wel dat ze in het geschiedschrijven haar weerga niet kent. (mke)

Joseph Roth: ‘Radetzkymars’ ★★★★½

Een nieuwe vertaling van Roths magnum opus. Aan de hand van drie generaties in het adellijke geslacht Von Trotta beschrijft Roth het verval van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk en zo het einde van een beschaving. Deze sequoia in het wereldwijde woud der letteren is al hoogbejaard (het origineel stamt uit 1932), maar zo voelt het boek allerminst aan. De taal zingt en zindert, de historische en journalistieke scherpte is ongeëvenaard, en de inzichten over teloorgaande werelden kunt u verontrustend moeiteloos projecteren op de wereld van vandaag.

Taffy Brodesser-Akner: ‘Fleishman zit in de problemen’ ★★★★½

De 41-jarige pas gescheiden dokter Fleishman stuitert tussen een tweede jeugd vol welwillende vrouwen en de problemen van een alleenstaande vader in een koortsachtig New York. Op de dunne grens tussen pulp en cult pulkt Taffy Brodesser-Akner met deze sociale satire door de plastic laag van de vrolijk shoppende, naar rechts swipende Instagram-generatie en onthult de Amerikaanse debutante een leemte van onverzadigbare lust, consumptie en ambitie, terwijl ze het patriarchaat 2.0 met geestig vernuft een ferme dreun verkoopt. (jos)

Jung Chang: ‘Dochters van China’ ★★★★½

Jung Chang vertelt over China’s drie meest beruchte zussen, van wie twee met de na Mao belangrijkste politieke spilfiguren, Sun Yat-sen en Chiang Kai-shek, waren getrouwd en de derde nog invloedrijker was. Net als in haar autobiografische familiesaga ‘Wilde zwanen’ verweeft ze persoonlijke levensverhalen naadloos met China’s moderne geschiedenis in deze verbluffende kroniek vol oorlog en intrige. Met dit hoogtepunt in de literaire non-fictie voegt Jung Chang een nieuwe fonkelende ster aan het literaire firmament toe. (nm)

Leonora Carrington: ‘Een dove oude dame’ ★★★★½

Met bravoure voerde de Britse surrealiste Leonora Carrington in 1974 de 92-jarige vertelster Marian Leatherby op. De warhoofdige mater familias krijgt van één van haar vele excentrieke vriendinnen een gigantische hoorn cadeau en ontdekt zo dat haar gezinsleden van plan zijn haar in een tehuis te proppen. Carrington orkestreert de verwarde vertelstem zo precies dat ze de lezer makkelijk van de ene tragikomische scène in het andere kleurrijke, kosmische tafereel weet te storten, zonder dat een eenduidig patroon het leesplezier bederft. (gmi)

Maud Vanhauwaert: ‘Het stad in mij’ ★★★★

Maud Vanhauwaert sluit haar spetterende stadsdichterschap af met een speelse, maar serieus ontroerende samenvatting van wat ze de afgelopen twee jaar met woord, beeld, geluid en de occasionele zeecontainer heeft uitgespookt. ‘Het stad in mij’ is een poëziebundel, een persoonlijke poëtica en een even prettige als prangende publicatie ineen.

Toen ze aan haar stadsdichterschap begon, had Tom Lanoye het al lang voor de anderen verpest - de romancier, dichter, columnist, scenarist en theaterauteur was tussen 2003 en 2005 de eerste stadsdichter van Antwerpen. Hij koppelde vlijmscherpe verzen aan vernieuwende vormen en legde de poëtische en performatieve lat ergens ter hoogte van het dak van de Boerentoren. Daar spring je als opvolger niet zomaar overheen, maar gelukkig besefte Maud Vanhauwaert als negende in de rij dat de poëzie een spel zonder verliezers is. Met zijn invulling van de functie maakte Tom Lanoye van het stadsdichterschap een publiek ambt dat niet elke dichter even goed ligt, maar Vanhauwaert ontwaarde duidelijk nog ruimte om de poëzie op nieuwe manieren ‘los te weken van het vertrouwde blad papier’. De nieuwe manieren die ze vindt, zijn speels. Vaak letterlijk. Zoals die keer dat ze het klassieke gezelschapsspelletje ‘Wie is het?’ herdacht om met poëzie iets te zeggen over ‘alle binaire tegenstellingen die onze gedachten vaak in een onmogelijke spagaat zetten’. Of die andere keer, toen ze een gedicht uitvoerde als een hinkelspel om aan te geven ‘dat poëzie niet altijd ingewikkeld of hermetisch hoeft te zijn, maar soms gewoon kinderspel is. Dat bovendien poëzie niet onaanraakbaar hoeft te zijn of heilig, maar dat je haar best met de voeten mag treden.’

Maud Vanhauwaert wil zich niet alleen zelf amuseren met taal, ze wil het plezier ook nadrukkelijk delen. Ze zocht en vond via verzen verbinding met andere kunstenaars, bibliotheekvrijwilligers, aftredende havenschepenen, grote en kleine stadsbewoners en bezoekers uit de parking. Het contact was vaak intiem en persoonlijk, en ook in deze bundel blijkt ze geen dichter die zich verstopt achter haar eigen woorden. In haar poging om zich van het strakke keurslijf van de geschreven poëzie te ontdoen, geeft ze zich op velerlei wijzen bloot. Enerzijds door af en toe heel precies en poëtisch te formuleren wat poëzie volgens haar is en kan zijn (‘het vonkje dat in de geest van de lezer ontstaat’), en anderzijds door heel openlijk haar twijfels met die lezer te delen. Toen iemand haar halverwege haar stadsdichterschap vroeg waarom ze een gedicht niet af en toe gewoon een gedicht kon laten zijn, betrapte ze zichzelf erop dat haar ‘keuze voor een opvallende vorm soms een manier is om de inhoud te verhullen’. Nergens toont ze zich even kwetsbaar als op het moment waarop ze toegeeft dat ze zich soms schaamt voor de inhoud van haar gedichten, en dat ze soms ‘grotendeels onbewust’ denkt dat de originele vorm de literaire gebreken ervan moet compenseren.

De verzen van Maud Vanhauwaert zijn soms vederlicht, maar met ‘Het stad in mij’ bewijst de schrijfster en performer dat ze zich na meer dan tien jaar dichterschap nergens voor hoeft te schamen. Ook op het vertrouwde blad papier blijven de letters overeind. Het kloeke boekwerk waarmee de dichter terugblikt op de twee jaar waarin ze de poëzie bijna overijverig bij de mensen heeft gebracht, is niet alleen een fraaie weerlegging van het idee dat alles al eens is gedaan, maar ook een meer dan 300 pagina’s tellende ode aan de verbindende kracht van het woord en de witruimte. Bijkomend voordeel van het monumentale boek? De volgende die poëzie een elitaire hobby van subsidieslurpers noemt, zal even moeten bekomen van de tik die met ‘Het stad in mij’ wordt uitgedeeld.

Wanneer gaat ze nu eens een écht boek schrijven, klinkt het in één van de gedichten achteraan in het boek. Maar zolang de ‘onechte’ op dit kunststukje lijken, mag ze er nog even mee wachten. (sdw)

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234