Dossier Adoptie III: het verdriet van de biologische ouders

In de derde aflevering van Humo’s Adoptie-dossier nemen we de biologische ouders in Rwanda onder de loep. Zij wisten zelden dat ze hun kinderen voorgoed zouden afstaan. ‘Het is maar voor enkele jaren, ze komen later terug.’


Lees ook deel 1 en deel 2 van 'Adoptie Zonder Grenzen'

'De genocide dreigde en broeder René kon mijn kinderen in veiligheid brengen, zei hij. 'Je raakt ze niet kwijt: na hun studie komen ze terug''

In het knusse kabinet van haar praktijk als psychologe vertelt Miranda Aerts (33) over haar adoptie. Het is inmiddels achtentwintig jaar geleden. Ze was vijf. En ze snapte niet waarom zij, als enige van vijf kinderen, naar België moest om deel uit te maken van een blank gezin met een blanke dochter en twee blanke zonen. Ze herinnert zich dat ze boos in Zaventem is geland. En dat de boosheid pas jaren later is verdwenen, toen ze als jongvolwassene op een rootsreis van de vzw Zonder Grenzen haar Rwandese moeder terugzag en de ware toedracht over haar adoptie vernam: ook zij was hier beland via de ondoorgrondelijke wegen van broeder René De Roeck, de man van Zonder Grenzen die de kinderen in Rwanda rekruteerde en ze persoonlijk in België afleverde.

Miranda Aerts «We waren al enkele dagen in Rwanda toen we met ons gezelschap bij de kapel in Butare aankwamen. De kapel is de plek waar Rwandese moeders verzamelen als ze vernemen dat Imelda De Graef (voorzitter van Zonder Grenzen, red.) in het land is. Veel moeders komen daar elk jaar opnieuw wachten in de hoop op een teken van leven van hun kinderen. Mijn mama heeft ook lang gewacht, dat besefte ik meteen toen ik haar herkende. Dat vóélde ik in alles wat ze uitstraalde. Maar ik kon het haar niet vragen: zij spreekt alleen Kinyarwanda, en ik ben die taal niet meer machtig. ’s Anderdaags heeft mijn Rwandese broer, die Frans en Engels spreekt, voor ons getolkt. En toen heeft ze verteld hoe het indertijd was gegaan.

»Mijn moeder was een alleenstaande vrouw met vijf kinderen. Ze had het niet breed. Wij waren het soort gezin waarop broeder René, die voor Zonder Grenzen adoptiekinderen verzamelde, aasde. Op een dag stond hij voor de deur. Hij wilde alle vijf de kinderen laten adopteren. ‘Geen sprake van,’ zei mama. Maar broeder René gaf niet snel op. Hij stelde voor dat ik, als jongste, alleen naar België zou gaan. ‘Het is tijdelijk,’ zei hij. ‘Ze gaat daar studeren, en dan kan ze later naar Rwanda terugkeren als minister of president: ze kan iets betekenen voor het land.’ Een mooi verhaal voor een ploeterende moeder. Mama zou van mijn belevenissen in België op de hoogte worden gehouden, en ik zou na mijn studie terug naar huis komen. Mama kan niet lezen of schrijven. Ze heeft een duimafdruk gezet onder het document dat broeder René haar voorhield zonder dat ze besefte wat ze tekende. Maar ze was heel katholiek: ze dacht dat een broeder geen kwaad in de zin kon hebben. En België was het beloofde land.»

Miranda is achteraf nog twee keer op eigen houtje teruggekeerd naar haar familie in Rwanda. En nu weet ze het wel zeker: haar lichtgelovige mama was net zo goed een slachtoffer van Zonder Grenzen als zijzelf.

Aerts «Mama zegt altijd: ‘Ik moest tekenen opdat jij in België zou kunnen studeren.’ Ze wist niet wat adoptie was.»


Ronselen voor snoep

‘Mijn moeder wist wél dat ze ons voor adoptie afstond,’ zegt Michael Kasztanovics (37).

Michael Kasztanovics «Ze zorgde in haar eentje voor vier kinderen en de genocide dreigde. Ze vreesde voor ons leven, als kinderen van een Tutsi-vader. Ze wilde dat we in veiligheid waren. Alleen de kleinste achtte ze nog te jong voor adoptie.»

Maar dat betekent nog niet dat de adoptie van Michael, zijn zus en broer geheel volgens afspraak verliep. Hun moeder, die voor de Zusters van Canada werkte, was ervan overtuigd dat broeder René het drietal bij een Canadees gezin zou plaatsen. Michael ziet de escorte van geestelijken nog thuis arriveren: drie wagens voor broeder René en zijn gevolg en daarna nog eens drie wagens voor de zusters. Het hele dorp stond op stelten voor de happy few die ’s anderdaags naar Canada zouden vliegen.

Het werd niet Canada: de drie kinderen kwamen in een Rwandees weeshuis terecht, en verhuisden later naar een Rwandees pleeggezin.

Kasztanovics «Twee jaar hebben we daar verbleven. Al die tijd ben ik niet naar school geweest, terwijl ik al in het vijfde leerjaar zat. Het pleeggezin was een doorgangshuis voor adoptiekinderen. Wij waren met zijn drieën, wij moesten dus met zijn drieën door een nieuw gezin worden geadopteerd en dat was niet zo makkelijk gevonden. Intussen keek in het pleeggezin niemand naar ons om: de vader had een functie bij de kerk, de moeder brouwde bananenbier – ze waren heel druk, en ze hadden zelf kinderen. We moesten het zelf uitzoeken. De oudere kinderen zorgden voor de jongere.»

Na een verblijf van twee jaar bij het pleeggezin zat de twaalfjarige Michael met zijn negenjarige zusje en zesjarige broertje in het vliegtuig naar Brussel, waar ze bij naamafroeping werden toegewezen aan een koppel dat zelf al drie kinderen had.

Kasztanovics «Het was geen gelukkig huwelijk, later zijn de ouders uit elkaar gegaan. En veel geld hadden ze ook niet. Je snapt niet dat ze zulke mensen drie kinderen geven.»

Michael heeft zware jaren achter de rug: hij is op zijn zeventiende gaan zwerven, hij heeft een agressieprobleem gehad, hij heeft fouten gemaakt. Maar hij heeft gelukkig op tijd het licht gezien. En hij heeft vast werk nu. Hij is oké.

Zijn Rwandese mama is er intussen niet meer: zij is naar alle waarschijnlijkheid omgebracht in de genocide.

Kasztanovics «Ze heeft altijd gedacht dat haar kinderen naar Canada zijn gebracht.»

Weinig Rwandese adoptiekinderen hebben broeder René zo goed gekend als Michael. Michael was tien toen hij in het pleeggezin aankwam, en hij sprak behoorlijk Frans. Broeder René, die slechts een mondje Kinyarwanda sprak, kon dus in het Frans met hem communiceren. En hij schakelde hem in als hij andere kinderen ging ronselen bij arme gezinnen. ‘Ik moest de andere kinderen kalmeren,’ zegt Michael Kasztanovics.

Kasztanovics «Broeder René woonde niet in het weeshuis van Butare. Hij woonde alleen, in een fraai huis in de stad, waar hij werd geassisteerd door enkele werksters en boys. Hij had ook twee privéchauffeurs. Eén voor zijn bestelwagen en één voor zijn gewone wagen. Ik vond het wel fijn dat hij een beroep op mij deed. Dan kon ik het pleeggezin ontvluchten, kreeg ik snoep, en ging ik met hem op stap door heel Rwanda. We gingen zelfs over de grens met Congo en Burundi, daar haalden we ook kinderen op.

»Broeder René was een man van weinig woorden. Je wist niet wat hij dacht. Bij de Rwandese gezinnen liet hij ons het grootste deel van het werk doen, omdat hij geen Kinyarwanda sprak. Eerst sprak zijn Rwandese privéchauffeur de ouders aan: ‘Het is maar voor enkele jaren, ze komen later terug.’ Daarna moest ik de kinderen overtuigen: ‘Ik ga ook naar Europa, je hoeft daar helemaal niet bang voor te zijn.’ Ik moest de ouders ook vertellen dat ze geld zouden krijgen eenmaal hun kinderen ter plaatse waren. Het waren vaak hartverscheurende taferelen: de meeste kinderen wilden helemaal niet vertrekken. Ze huilden dat horen en zien verging. Maar als de ouders toestemden, namen wij ze mee. Zo ging dat.»

Michael is niet boos op wijlen broeder René.

Kasztanovics «Hij heeft me gebruikt, maar tegelijk heeft hij me de kans gegeven om de genocide te ontvluchten. Anders was ik wellicht dood, zoals mijn mama.»

'Mijn mama moest tekenen opdat ik in België zou kunnen studeren. Ze wist niet wat adoptie was' Miranda Aerts


Tienermoeder

Agnes Beatha Ilibagiza, de biologische moeder van schrijfster Dalilla Hermans, heeft indertijd haar twee dochters met broeder René meegegeven. Eind jaren 80 was ze een jonge alleenstaande moeder met een mooie baan op de Belgische ambassade in Kigali. Maar ze werd in de gaten gehouden door de Sûreté, de Rwandese staatsveiligheid, die haar ervan verdacht contact te onderhouden met de Tutsi-rebellen in Burundi. In het pre-genocidaire klimaat van toen betekende dat: alarmfase rood. ‘Ik maakte me grote zorgen om mijn kinderen,’ zegt Agnes Ilibagiza. ‘Ik wilde niet dat hun iets overkwam.’

Agnes Ilibagiza «In 1988 kreeg ik de opdracht om woensdagnamiddag de permanentie te verzorgen. Normaal was de ambassade gesloten, behalve voor dringende zaken. In die periode kwam er geregeld een priester over de vloer die allerlei papieren nodig had: broeder René. Op mijn eerste woensdag stond hij er al. ‘Ik kom visa deponeren,’ zei hij. Hij had dertig Rwandese paspoorten bij zich. Ik zeg: ‘Voor een congres?’ ‘Nee, voor adoptie.’ Broeder René zocht de kinderen zelf, vertelde hij. Hij organiseerde voedselcentra, waar arme gezinnen met hun kinderen terechtkonden. De gezinnen die er het ergst aan toe waren, waren les filles mères – tienermoeders met hun kroost, vaak het resultaat van incest en verkrachting. Die jonge moeders waren ontzettend kwetsbaar, niemand keek naar hen om. Bij hen haalde hij het grootste deel van de adoptiekinderen, vermoed ik.

»De week daarop stond hij er weer, met een nieuw stapeltje paspoorten. Hij vertelde me dat hij de kinderen naar Vlaamse gezinnen stuurde. Ik zeg: ‘Ik ben zelf een fille mère, maar ik zou mijn kinderen voor geen geld van de wereld willen kwijtraken.’ Hij zei dat ik overdreef. ‘Je raakt ze niet kwijt als je ze met mij meegeeft.’ Na hun studie kwamen ze terug naar hier, beweerde hij. Bon, ik gaf hem zijn visa zonder veel verdere vragen. In Rwanda hadden wij een groot vertrouwen in de kerk. Maar stilaan rijpte bij mij het idee om mijn kinderen via hem te laten vluchten. ‘Geen probleem,’ zei hij toen ik hem mijn plan ontvouwde. Alleen moest ik nog wat papieren tekenen. Papieren in het Nederlands. ‘Teken maar,’ zei hij. Wist ik veel wat ik tekende.

»De dag dat mijn dochters moesten vertrekken, ging ik weer twijfelen. Ik zeg: ‘Broeder René, ik wil niet dat ze weggaan.’ Maar hij zei: ‘Denk aan het leven van je kinderen, jij komt hier niet levend vandaan.’ Dat kwam wel binnen, moet ik zeggen.

»Na hun vertrek ben ik een week lang depressief geweest. Ik bel broeder René: ‘Hebt u nieuws van de kinderen?’ En hij antwoordt ijskoud: ‘Ze zijn weg, vergeet ze. Maak er nieuwe.’ En hij legt in. Ik heb hem nooit meer gesproken. Ik ben nog naar hem toe gegaan in Butare, ik heb drie dagen lang op hem gewacht, maar hij wilde me niet ontmoeten. Daarop heb ik besloten om met een studentenvisum naar België te reizen. Ik wilde mijn kinderen zien.

»Ik heb een brief geschreven aan het gezin Hermans, waar mijn kinderen waren ondergebracht. Ik zei dat ik de zus van de moeder van de kinderen was – een leugentje om bestwil: ik wist niet hoe de Hermansen zouden reageren op mijn vraag om de kinderen te zien. We spraken uiteindelijk af in een stationsbuffet in Luik, zonder kinderen. Daar kwamen ze naartoe in het gezelschap van een man van Zonder Grenzen. Die haalde de papieren boven die ik in Rwanda had getekend. Hij vroeg: ‘Of u nu de zus van de moeder bent of niet, is dit haar handtekening?’ Dat moest ik bevestigen. Waarop de man: ‘Wel, hiermee verleent de moeder haar toestemming voor een volledige adoptie.’ Toen besefte ik dat ik mijn kinderen kwijt was: ik had ze zélf opgegeven.»

Dalilla Hermans «Na dat gesprek was Agnes – zo noem ik haar – erg terneergeslagen. Ze besefte dat ze ons voorgoed verloren was. Later is ze getrouwd met een Franse arts, en hebben ze samen uitgezocht wat hun rechten waren in verband met de kinderen. Maar dat heeft weinig opgeleverd. En om eerlijk te zijn: ik zie haar niet als mijn mama. Agnes is mijn biologische moeder, iemand die ik respecteer en wel als grootmoeder van mijn kinderen zie, maar niet mijn mama. Mijn adoptiemoeder is mijn ‘echte moeder’, met haar heb ik een heel hechte band. Mijn adoptieouders zijn ontzettend goed met die moeilijke toestanden omgegaan. Ik ben ook lange tijd boos geweest op Agnes, ik twijfelde aan haar verhaal. Ik dacht: ‘Blablabla, je wilde ons gewoon niet meer.’ Maar op mijn vijfentwintigste ben ik, met mijn moeder, naar Rwanda teruggekeerd voor een herdenking van de genocide. Daar zijn mijn ogen opengegaan. Mensen bevestigden dat onze namen op de dodenlijsten stonden. Wij waren, als Tutsi’s van een gegoede familie, de eerste doelwitten van de Hutu-genocidairs. Ik heb Agnes vergeven.»

Ilibagiza «Het blijft tegennatuurlijk: als moeder je kinderen afstaan. Maar ik denk wel dat Dalilla, nu ze zelf moeder is, me beter begrijpt. Zoiets doe je niet à la légère.»

'Ik vroeg broeder René om nieuws over mijn kinderen. Hij antwoordde ijskoud: 'Ze zijn weg, vergeet ze. Maak er nieuwe''


God in Rwanda

Dat aan het eind van vorige eeuw zo’n vijfhonderd Rwandese kinderen naar België overvlogen, is grotendeels op rekening te schrijven van één man: broeder René. Al duurt de samenwerking met Zonder Grenzen slechts zes jaar, van 1987 tot 1993, in die korte periode rekruteert hij ongeveer vierhonderd kinderen voor adoptie. Die kinderen zijn, zoals uitvoerig uit de getuigenissen is gebleken, niet noodzakelijk wezen.

De voorganger van broeder René was Rita Van Callie, directrice van een weeshuis in Gisenyi. Zij haalde in vijftien jaar tijd zo’n veertig kinderen naar België. Ook zij was geen zachtzinnig type, zegt Simonne Lefever, die met Van Callie samenwerkte.

Simonne Lefever «Op een dag zagen mijn man en ik hoe ze alle mogelijke argumenten gebruikte om een vrouw haar kind te ontnemen. Dat was ronselen, een ander woord heb ik daar niet voor. Voor ons was dat het sein om ermee op te houden. Aan dergelijke praktijken wensten wij niet mee te werken.»

Kasztanovic «Dat soort dingen gebeurde wel meer. Verscheidene internationale adoptiediensten ronselden in Rwanda, op alle mogelijke plekken: niet alleen in weeshuizen of ziekenhuizen, ook in sportclubs bijvoorbeeld.»

Broeder René had, als econoom in de Groupe Scolaire in Butare, een groot reservoir waaruit hij kon putten: school, ziekenhuis, weeshuis – noem maar op. Ook buiten Butare kende hij de weg. Hij rekruteerde in heel Rwanda en het grensgebied van Burundi en Zaïre. Papieren regelde hij zonder noemenswaardige problemen: hij was kind aan huis op de ambassade in Kigali. De spichtige en onverzettelijke geestelijke, every inch een missionaristype, deed wat hij wilde. Broeder René was God in Rwanda.

Een inspectrice van Kind & Gezin schrijft in een verslag van 1992: ‘Ik vrees dat vele kinderen die overkomen niet echt adoptabel zijn.’ Eén jaar later schrijft dezelfde inspectrice: ‘Broeder René begrijpt het belang van de kindstudie niet. De gegevens zijn soms gewoon verzonnen, zo lijkt het.’

Maar hoogmoed komt voor de val. In Rwanda, waar de genocide tussen Hutu’s en Tutsi’s nakend is, verheffen mensen hun stem tegen ‘de Belgische missionaris’. In februari 1993 verklaart een moeder in het tijdschrift Vérités d’Afrique door hem beduveld te zijn: ‘Ik had hem mijn dochtertjes toevertrouwd voor adoptie in het buitenland op voorwaarde dat hun vaders toestemming zouden verlenen en alle juridische en administratieve plichtplegingen vervuld zouden zijn. Maar op een dag is hij gewoon thuis mijn kinderen komen weghalen terwijl ik uit werken was. Achteraf heb ik vernomen dat hij ze in een busje heeft meegenomen en naar Europa laten vertrekken.’

In hetzelfde artikel wordt ook melding gemaakt van een brief aan het ministerie van Jeugd, ondertekend door tien mensen, waarin broeder René wordt neergezet als een bedrieger: ‘Wij vertrouwen onze kinderen aan hem toe omdat hij belooft hen na drie of vijf jaar te laten terugkeren. Hij belooft ons ook geregeld foto’s van de kinderen te sturen en de namen en adressen van hun gezinnen door te spelen. Maar als we hem aan zijn beloften herinneren, dreigt hij met een pak slaag of zelfs een fusillade.’

Een ambtenaar twijfelt aan de beloofde terugkeer van de adoptiekinderen nadat hij een indringend gesprek met broeder René heeft gehad: ‘Hij zei me dat hij met de ouders van adoptiekinderen een contract tekent waarin staat dat ze hun kinderen nooit meer zullen zien.’

Twee maanden later, in april 1993, bespreekt de veiligheidsraad van Butare een gewelddadig incident. Zwaar bewapende bandieten, die zich uitgeven voor rebellen van het Rwandees Patriottisch Front, hebben broeder René thuis overvallen. Ze wrijven hem ‘een lucratieve kinderhandel’ aan. In het verslag van de raad staat het als volgt: ‘Als hij het land niet binnen de twee weken zou verlaten, zou hij opnieuw met hen te maken krijgen.’

Broeder René vertrekt in zeven haasten uit Rwanda. Tegen een medewerker van Zonder Grenzen, die anoniem wenst te blijven, zegt hij: ‘Ik heb maar van één ding spijt: dat ik niet méér adopties heb gedaan.’

'Imelda deelde ballonnen en balpennen uit aan arme kindjes en ging met hen op de foto, als de Moeder Teresa van de Kempen'

Zonder Grenzen zegt de samenwerking met broeder René op in september 1993. Officieel heet het dat broeder René in het geniep privéadopties verrichtte waar hij de vzw buiten hield, maar de werkelijkheid is wellicht een tikje eenvoudiger: broeder René is door zijn aangebrande reputatie niet langer geschikt voor de adoptiedienst. Zonder Grenzen gaat op zoek naar andere leveranciers.

En, wat wel zo makkelijk is: broeder René wordt beladen met alle zonden van Israël. Als de vzw in het verleden fouten heeft gemaakt, is dat te wijten aan één man: René De Roeck. Die strategie hanteren de voorzitter en ondervoorzitter van Zonder Grenzen nog altijd.

Imelda De Graef «Wij zijn altijd afgegaan op de papieren die hij ons overmaakte.»

Steff Stevens (ondervoorzitter Zonder Grenzen) «Die waren in orde.»

De Graef «Pas later heb ik beseft dat er iets niet klopte, toen bleek dat hij privéadopties regelde.»

Fred Kemps (secretaris Zonder Grenzen) «Ik denk niet dat broeder René zelf beter is geworden van zijn adopties. Hij leefde op van de macht en het aanzien dat hij erdoor genoot. Maar welke pater had dat niet indertijd? Broeder René stond graag op een podium. Hij werd graag toegejuicht als de man die de kinderdroom van mensen had waargemaakt.»

Broeder René kan zich niet meer verdedigen. In 2015 overleed hij in Oekraïne, waar hij een centrum voor geestelijk gehandicapten leidde.

'Broeder René heeft me gebruikt, maar tegelijk heeft hij me de kans gegeven de genocide te ontvluchten' Michael Kasztanovics


Dutroux-toestanden

Zonder Grenzen zal niet meer herstellen van het verlies van broeder René. Na zijn ontslag gaat het van kwaad naar erger. In het voorjaar van 1994 breekt in Rwanda de hel los: Hutu’s en Tutsi’s staan elkaar naar het leven. Er vallen een klein miljoen slachtoffers. ‘Alle werkzaamheden dienen gestaakt,’ staat in het jaarverslag van Zonder Grenzen. De nieuwe leveranciers, die in direct contact met het regime staan, overleven de burgeroorlog niet. Misschien, schrijft secretaris Fred Kemps, kan Zonder Grenzen in de nabije toekomst opnieuw kinderen overbrengen, ‘hetzij uit Rwanda, hetzij uit Burundi of Zaïre’.

Hij schrijft dat in het najaar van 1994, nadat Kind & Gezin in juli 1994 de erkenning voor de adoptiedienst heeft ingetrokken. Maar Zonder Grenzen doet alsof haar neus bloedt: de vzw doet gewoon voort onder het voorwendsel dat ze de wachtlijst afwerkt van kandidaat-adoptieouders die al vroeger een aanvraag hadden ingediend. Dat zal nog twee jaar in beslag nemen, tot Kind & Gezin in december 1996 alle activiteit verbiedt.

Het verbod is het gevolg van twee incidenten. Het eerste: in 1995 komt het ministerie van Buitenlandse Zaken een trafiek van zeven Zaïrese kinderen op het spoor. Als een vertegenwoordiger van Zonder Grenzen zich op de Belgische ambassade in Kinshasa aanbiedt, gaat het alarm af. Citaat uit de brief van de adviseur van de minister van Buitenlandse Zaken: ‘De stukken die in het raam van deze adoptie voorgelegd werden (geboorteakten en toestemmingen) zijn op zijn minst fantaisistisch te noemen.’ Het parket onderzoekt de zaak, maar klasseert ze uiteindelijk zonder gevolg. Het heten privéadopties van de vertegenwoordiger van Zonder Grenzen te zijn, wat op dat moment nog is toegestaan. Kind & Gezin is verbijsterd. In een brief schrijft de administrateur-generaal: ‘Eén van de kandidaat-adoptiegezinnen haakt af omdat het kind ouder dan 3 jaar blijkt te zijn. De vertegenwoordiger zoekt telefonisch een ander gezin… en vindt dit ook. Weliswaar wenst dit gezin het kind eerst in Zaventem te bekijken, en: ‘Als het een schoon kind is, nemen we het mee.’’

Het tweede: in 1996 schort Burundi alle adopties op nadat Zonder Grenzen en een concurrerende adoptiedienst elkaar openlijk van kinderhandel hebben beschuldigd. De Burundese overheid is als de dood voor ‘Dutroux-toestanden’. Na maanden van diplomatie worden de adopties alsnog uitgevoerd. In een parlementaire vraag heeft Alain Destexhe (MR) het over de ‘kindersmokkel’ van Zonder Grenzen.

'Ik wilde mijn dochters in veiligheid brengen. Pas nadien besefte ik dat ik ze voorgoed had opgegeven' Agnes Ilibagiza


Een grote klucht

Aan het eind van 1996 valt dus het definitieve verdict: Zonder Grenzen mag geen adopties meer verrichten. De organisatie lijkt op sterven na dood. Maar dat is buiten de creativiteit van Imelda De Graef en Steff Stevens gerekend: zij vinden een gat in de adoptiemarkt waar het verbod van Kind & Gezin niet geldt. Voortaan leggen de vzw Zonder Grenzen en de vzw Urukundo zich toe op de nazorg voor adoptiekinderen. De vzw’s zullen rootsreizen organiseren voor de Rwandese adoptiekinderen die ze indertijd en masse hebben ingevlogen. Zo kunnen ze ontdekken waar ze vandaan komen. Of zoals Imelda De Graef het in haar ledenblad verwoordt: ‘Ze kunnen een antwoord krijgen op de vragen waarmee ze allemaal worstelen.’ Uiteraard zijn die reizen niet gratis. Tevens zullen de vzw’s geld inzamelen voor ontwikkelingsprojecten ter plaatse.

‘Het is één grote klucht,’ zegt Miranda Aerts.

Aerts «Sommigen hebben geluk en vinden inderdaad hun familie terug, maar ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de rootsreizen in de eerste plaats om geld gaan, en de projecten niet conform zijn met de Rwandese wetgeving.»

Nyira Hens (38) en Mark B. (32) bevestigen dat. In 2011 kwamen zij tijdens een rootsreis lijnrecht tegenover Imelda De Graef en Steff Stevens te staan. Vanwege een centenkwestie (‘In Zaventem moesten we al 400 euro extra betalen, en daarna nog eens 50 euro en nóg eens 20 euro’), maar er was meer. De reis rammelde van het amateurisme.

Mark B. «Ik ben een vondeling: ik ben in een mandje gevonden aan een weeshuis in Butare, zonder briefje of foto erbij. Ik weet zelfs niet wanneer ik precies geboren ben. Maar Imelda schiep grote verwachtingen: ‘Van iedereen vinden we wel iets terug.’ Ik verwachtte niet dat ik mijn vader of moeder zou terugzien, maar misschien wel iemand van de familie. Ik heb lang voor de rootsreis gespaard: 1.400 euro is veel geld voor mij. Maar de reis was één grote teleurstelling. De adoptiekinderen werden aan hun lot overgelaten. Er was één tolk die Kinyarwanda sprak, maar die werd volledig in beslag genomen door Imelda, die niet geïnteresseerd was in onze zoektocht. Imelda bezocht zo veel mogelijk arme kindjes in weeshuizen, ziekenhuizen en gevangenissen aan wie ze ballonnen en balpennen uitdeelde. Daarna ging ze met hen op de foto als de Moeder Teresa van de Kempen. Ze kickte op hun miserie.

»We sliepen op slaapzalen en in schrale kamertjes bij paters en nonnetjes. Er was amper vervoer: twee busjes, waar we met zijn allen in moesten om Imelda’s route te volgen naar de talloze weeshuizen en ziekenhuizen in Rwanda. Tussen die bezoeken door konden wij op zoek naar onze familie.

»We hebben het weeshuis niet teruggevonden waar ik als kind heb verbleven. Niemand kon iets over mijn achtergrond vertellen. Als we in een dorp kwamen, zaten Rwandese moeders ons op te wachten. Ik werd daar in een kring of op een verhoog gezet: ‘Wie weet iets over dit kind?’ Maar ik kwam niets te weten, niets over mijn vader of moeder, niets over mijn geboortejaar, niets over mijn etnische achtergrond: ik weet zelfs niet of ik Hutu of Tutsi ben.

»Imelda was niet erg behulpzaam. Ze deed alsof ze nergens van wist. Wanhopig ben ik voor haar gaan staan: ‘Imelda, jij hebt de antwoorden, samen met broeder René. Zeg het mij. Zeg mij tenminste waar ik broeder René kan vinden.’ Maar zij wuifde dat gewoon weg: ‘Ik weet dat niet, menneke.’ Ik ben dan maar zelf navraag gaan doen bij de politie. Bleek dat hij uit het land was gevlucht en in Oekraïne woonde. Toen ben ik heel boos geworden op Imelda: ‘En jij weet zogezegd van niets!’ Ik heb me van de groep afgesplitst, en ik ben met een vriendin gaan speuren in politiekantoren en gevangenissen. Maar ik heb niks gevonden.

»Ik ben met mínder dan niets thuisgekomen: vragen, tegenstrijdigheden, ontgoocheling, verwarring. Ik ben in een diepe crisis gesukkeld. Ik had de keuze: ofwel ging ik de afgrond in, ofwel ging ik in therapie. Gelukkig heb ik voor dat laatste gekozen.»

'Ik ben lang boos geweest op mijn biologische moeder, ik twijfelde aan haar verhaal. Ik dacht: 'Blablabla' Dalilla Hermans (Agnes' dochter)


Nyira Hens «Ik heb op die reis wél mijn biologische familie teruggevonden. In het weeshuis Nyundo, waar ik als peuter verbleef.

»Het was een overrompelende gebeurtenis: opeens stond ik terug tussen de bedjes waarin ik als kind geslapen had. Ik was nog van de heftige emotie aan het bekomen toen iemand me op de schouder tikte: ‘Hier is je neef.’ Plotseling stond ik, voor het oog van de hele groep, voor iemand van wie ik moest aannemen dat hij familie was. Wat moest ik doen? Ik had geen flauw benul. Ik vroeg Imelda hoe ze die man op het spoor was gekomen, maar ze gaf geen antwoord. Daardoor ging ik twijfelen: wás hij wel mijn neef?

»De man heeft ons naar mijn halfzus gebracht, die daar allerminst op voorbereid was. Opeens stonden we daar met twee busjes voor de deur. Ik wist weer niet wat ik moest doen, er was geen enkele begeleiding. Ik was in shock. En na een uurtje moesten we alweer vertrekken naar de volgende afspraak.

»Mijn halfzus liet me later weten dat ik nog een broer en zussen in Butare had. Maar daar wilde Imelda niet meer naartoe, daar was geen tijd voor. Dus ben ik zelf in een taxi gestapt, voor een bezoek aan mijn ‘echte familie’. Maar waren ze dat wel? Niemand kon een geboorteakte laten zien, ik moest afgaan op wat de vertaler vertelde. Imelda heeft me niet geholpen. Ze heeft me nooit willen vertellen hoe ze mijn familie heeft leren kennen. Mijn dossier heb ik ook niet van haar gekregen.»

In 2007 zond de VRT het verslag van een rootsreis uit in ‘Adoptie: het leven zoals het is’. Tinne Kieckens, die in Rwanda is opgegroeid, vertaalde de opnames in het Kinyarwanda. Haar mond viel open toen ze de beelden zag.

Tinne Kieckens «Imelda ging nonchalant om met de lijsten van geadopteerde kinderen in het bijzijn van Rwandese moeders die snakten naar een beetje informatie over hun verdwenen kinderen. Het was niet te bevatten. Ik ben, al viel het buiten mijn rol als vertaler, naar het productiehuis gestapt met de mededeling: ‘Jongens, dit kan echt niet.’»

Verscheidene mensen bezigen hetzelfde woord in verband met de rootsreizen: gepruts.

Kieckens «Maar het is meer dan gepruts. Uit veelvuldige contacten met adoptiekinderen weet ik dat Imelda met opzet informatie achterhoudt opdat die kinderen met haar zouden meereizen. Dat is niet oké.»

Mark B. «Toen ik Imelda om mijn dossier vroeg, gaf ze me twee blaadjes: ‘Dit is alles wat ik heb.’ Mijn dossier heb ik nu pas, zoveel jaar later, van Kind & Gezin gekregen (de dossiers van broeder René zijn na zijn dood door de Broeders van Liefde aan Kind & Gezin overgedragen, al had broeder René gevraagd ze te verbranden, red.).»

Hens «Imelda speelt ook de brieven van de familie niet door, of pas veel later.»

Imelda De Graef en Steff Stevens ontkennen dat ze nog altijd adoptiedossiers achterhouden. Als gevolg van het decreet op interlandelijke adoptie uit 2012, dat het achterhouden van adoptiedossiers strafbaar maakt, hebben ze alle documenten aan Kind & Gezin overgemaakt. Dat beweren ze althans, maar de waarheid is dat ze de dossiers pas na jarenlang aandringen hebben afgegeven. En ze hebben de dossiers bijgehouden die dateren van voor 1990, omdat er voor die tijd geen regelgeving inzake adoptie was. Maar tegenover Humo ontkennen ze dat.

De Graef «Ik heb alleen de adoptiedossiers van mijn eigen kinderen.»

Ariane Van den Berghe (Vlaams adoptieambtenaar) «Er ontbreken nog heel wat dossiers. We hebben een klacht bij het parket van Turnhout ingediend, maar die is geseponeerd.»

In Borgerhout staat Miranda Aerts op van haar therapeuten-stoel. Het gesprek heeft lang geduurd en ze kijkt een beetje zorgelijk. Met haar adoptiegezin heeft ze, net als zovele andere Rwandezen, geen contact meer. Toen ze nog studeerde, heeft ze op een dag stiekem haar spullen in de auto van een vriendin geladen en is ze niet meer naar huis teruggekeerd. Alleen haar adoptievader hoort ze soms nog. Miranda heeft, zoals broeder René had voorspeld, flink gestudeerd en zich opgewerkt in het leven. Maar als minister of president zal ze niet naar Rwanda terugkeren.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234