Dossier Moord en Doodslag in België. Deel 1: Killers en knoeiers

Vijf weken lang neemt Humo Belgische moordenaars onder de loep: meesterkillers en knoeiers, dwaalsporen en fatale fouten, rouw en berouw, en miserie – véél miserie. Waarom u deze zomer maar beter een Scandinavische krimi bekijkt in plaats van zelf aan het moorden te slaan.

Maandenlang zoeken Alain Verhaegen en zijn minnares Muriel Hauwaerts naar het perfecte moordplan om de echtgenoot van Muriel uit de weg te ruimen. Een revolver, vergif, een dodelijke injectie… alles hebben ze geprobeerd. Telkens worden hun plannen doorkruist – één keer omdat de kinderen te vroeg thuiskomen, een andere keer omdat er een karaokeavond is waar Muriel liever naartoe wil – of mislukken ze domweg. En toch moet en zal de hinderlijke echtgenoot verdwijnen, hebben de dolverliefde minnaars elkaar gezworen.

'De harpoen doorboorde het hoofd van Eric ­Vanderlinden. Die overleefde de aanslag op miraculeuze wijze.'

In oktober 2007 ziet Alain Verhaegen een televisiedocumentaire over de jacht op diepzeevissen en krijgt de man een geniale inval: hij zal zijn liefdesrivaal afmaken met een harpoen. Het perfecte middel, vindt ook Muriel: discreet, geruisloos, niet te duur en vooral dodelijk efficiënt. Dénken ze.

De ijzeren harpoen (1 meter 40 lang, 300 gram zwaar) zal het koppel met het diabolische plan op 22 juni 2009 voor het assisenhof van Brussel brengen. Assisenvoorzitster Karin Gérard is ondanks haar ervaring in talloze moordprocessen een moment sprakeloos bij de aanblik van de spelers in de rechtszaal die ochtend. Links op de beklaagdenbank zitten twee beschuldigden die de meest klungelige moordpogingen in de Belgische geschiedenis op hun conto hebben. Aan de andere kant zit het doelwit van hun gezamelijke inspanningen: Eric Vanderlinden, de man die vijf moordpogingen door zijn vrouw en haar minnaar heeft overleefd. Die eerste dag van het proces wordt meteen duidelijk dat er één en ander is veranderd in de verhoudingen tussen de beschuldigden. ‘Ik droom nog steeds van een leven met Muriel,’ zegt Alain zonder omhaal. ‘Voor mij is ze nog altijd de ideale vrouw.’ Maar Muriel heeft na twee jaar gevangenis genoeg van Alain. Samenwonen met hem ziet ze niet meer zitten als ze vrijkomt. Fluisterend in de microfoon maakt ze het uit, voor een volle assisenzaal. Alain buigt ontgoocheld het hoofd. Vijf moordpogingen. Al die plannen. Al die moeite. Alles voor niks.


‘De Koning der Idioten’

‘Mensen onderschatten hoe moeilijk het is om iemand te doden zonder sporen na te laten,’ zegt forensisch patholoog en hoogleraar gerechtelijke geneeskunde Wim Van de Voorde (UZ Leuven). Bij verdachte overlijdens in Vlaams-Brabant en Limburg is hij vaak als één van de eersten op de plaats van de misdaad, samen met de speurders, het labo en de onderzoeksrechter, en gaat hij, als een medische detective, op zoek naar aanwijzingen.

Wim Van de Voorde «Mensen laten zich niet zomaar doden. Ze spartelen tegen, vechten voor hun leven. De Amerikaanse seriemoordenaar Richard Speck kloeg ooit in een interview dat mensen onterecht dachten dat het zo gemakkelijk was. ‘Iemand wurgen? Het is helemaal niet zoals op televisie. Je moet rekenen op ongeveer drie en een halve minuut.’ Wurging is een vaak gebruikte methode bij partnerdoding. Dikwijls gebeurt het in een opwelling tijdens een ruzie. Het vergt enorm veel kracht om iemand de keel toe te nijpen en er komt dikwijls bruut geweld bij kijken. Als het slachtoffer zich verzet, moet de dader lossen en herbeginnen. We hebben bekentenissen van daders die zeiden dat ze er wel 5 tot 10 minuten over hadden gedaan.»

''Daders onderschatten de hoeveelheid bloed als ze iemand het hoofd inslaan. Het spuit alle kanten op, en opkuisen is vaak onbegonnen werk' Wetsdokter Wim Van de Voorde

Jean-Pol Beauthier (collega-wetsdokter) «Tijdens zo’n gevecht laat een dader altijd sporen na: huidschilfers, zweet, speeksel met DNA, textielvezels… Dikwijls vinden we ook DNA van de dader onder de vingernagels van het slachtoffer. Als we met een autopsie beginnen, is dat het eerste wat we doen: we nemen een monster van alle nuttige sporen en van wat we onder de vingernagels vinden. Het is onvoorstelbaar hoeveel zaken op die manier al zijn opgelost. Van zodra we een lijk vinden, worden bijvoorbeeld de handen zo snel mogelijk in papieren zakken verpakt, zodat er niks verloren gaat.»

Van de Voorde «De meeste dodingen gebeuren niet op een geplande, beredeneerde manier. En dan maken daders fouten. Ze steken iemand neer of slaan iemand het hoofd in en onderschatten de hoeveelheid bloed die daarbij vrijkomt. Het spuit alle kanten op, zeker bij een hoofdwonde. Door het heen en weer zwieren van een met bloed besmeurd slagwapen vinden we soms bloedspatten tot op het plafond. Die bloedsporen zijn belangrijk voor het onderzoek, omdat ze veel vertellen over de manier waarop de feiten gepleegd zijn. Soms proberen de daders het bloed op te kuisen, maar dat is vaak onbegonnen werk. Ze spoelen hun bebloede dweil uit in een emmer water dat direct rood kleurt, zodat ze het bloed verder uitsmeren in plaats van het op te dweilen. Je hebt echt liters en liters water nodig. Sommige daders beginnen eraan maar geven het na een paar uur op, omdat ze zien dat het hopeloos is.

»De perfecte moord – ik noem het liever ‘de sporenarme moord’ – is bijzonder zeldzaam. Je moet het perfecte tijdstip vinden, het perfecte alibi, de perfecte methode. Hoe ingenieuzer je het probeert te maken, hoe groter de kans dat je een fout maakt. Eén detail – het tijdstip van overlijden, de schifting van het bloed, de maaginhoud van een slachtoffer – kan het verhaal van een verdachte volledig in elkaar doen stuiken. Ik vergelijk het vaak met het oplossen van een puzzel.»

Soms is het ontbrekende puzzelstukje een klein detail. Lustmoordenaar Claudy Pierret – ‘het monster van het Waasland’ – die minstens twee vrouwen op gruwelijke wijze verkrachtte en vermoordde, kon jarenlang uit de handen van de politie blijven maar liep uiteindelijk tegen de lamp door een pluk mos op een kassei. Pierret dumpte het lijk van een van zijn slachtoffers in een rivier in de Ardennen in een zak, verzwaard met stenen. Daarop zat een mossoort die niet in de Ardennen voorkwam. Dezelfde met mos begroeide kasseien werden wél teruggevonden op de camping waar de moordenaar een caravan had.

En Violetta Van de Geuchte, die haar pasgeboren zoontje vermoordde en met de vuilniswagen meegaf, werd verraden door een hamburger natuur. Een speurder vond in de vuilniszak waarin het kind verpakt zat ook een kasticketje voor twee hamburgers natuur in de plaatselijke McDonald’s. Een maand lang bivakkeerden ze voor het fastfoodrestaurant en screenden ze iedereen die een hamburger natuur bestelde. De eerste vrouw die om zo’n hamburger vroeg, bleek later de moeder van de vermoorde baby te zijn.

'Iemand wurgen? Het is niet helemaal zoals op televisie. Je moet rekenen op ongeveer drie en een halve minuut' Seriemoordenaar Richard Speck

Soms is er helemaal niks subtiels aan het oplossen van de misdaad. Omdat de dader zijn handschoenen vergeet bij het lijk. Of het kussentje laat rondslingeren waarmee hij oma verstikt heeft. Er zijn daders die domweg hun identiteitskaart achterlaten bij het slachtoffer. Elke speurder of wetsdokter komt het tegen, de gevallen waarin de dader de titel van ‘Koning der Idioten’ verdient. En ja, er zijn ook de slapstickmoorden, met vuurwapens die achteruit schieten en messen die afbreken. De menselijke domheid kent geen grenzen.


‘Et merde!’

Muriel Hauwaerts en Alain Verhaegen worden passioneel verliefd in de zomer van 2006. Hij is een grafdelver in Schaarbeek die sneller kan spitten dan zijn schaduw, zij is een huisvrouw met drie kinderen én een man. Eric is een gewelddadige bullebak, zegt Muriel, die nooit zal instemmen met een scheiding. En dus zit er maar één ding op: Eric moet verdwijnen. Maar hoe?

'Ik mikte op de slaap van Eric. Ik was zeker van mezelf. Op de kermis aan het schietkraam kan ik me ook goed uit de slag trekken' Alain Verhaegen, veroordeeld voor moordpoging

‘We schieten hem een kogel door het hoofd,’ stelt Muriel voor. Ze bestelt een revolver bij haar 16-jarige zoon uit een eerder huwelijk, die connecties heeft ‘in het milieu’. De jongen doet wat zijn moeder vraagt, maar haakt op het allerlaatste moment af. Tegen Muriel zegt hij dat ze gek is en haar eigen boontjes maar moet doppen.

Alain is toch al geen voorstander van een revolver. Te lawaaierig. Hij heeft het meer voor vergif: dat is discreter. Avonden lang surft hij op het net op zoek naar de meest dodelijke giffen. Het probleem met vergif, zal hij later op zijn assisenproces in Brussel uitleggen, is dat het misschien niet snel genoeg werkt.

Alain Verhaegen (op zijn proces) «Iemand van het leven beroven is zo al niet plezant, mevrouw de voorzitter, dus wilde ik dat het zo rap mogelijk voorbij was.»

Een vriend van Muriel brengt raad. Ze moet een injectie met lucht in zijn aderen spuiten. Zo kan ze een hartstilstand uitlokken, en niemand zal denken aan moord. Zo gezegd, zo gedaan. Begin oktober 2007 gaat Alain in de supermarkt een naald kopen – ‘zo’n naald waarmee je inktpatronen vult.’ Die middag gooit Muriel enkele slaappillen in de koffie van Eric. Zodra hij snurkt als een os kunnen ze aan de slag. Maar hoe Muriel haar best ook doet, het lukt niet: ze vindt geen ader.

Muriel Hauwaerts (op het proces) «’t Was best moeilijk. We hebben het twee keer geprobeerd. Toen hebben we het opgegeven. We waren bang dat Eric zou wakker worden.»

Het idee van de harpoen komt als geroepen. Muriel zorgt voor het geld, Alain gaat een harpoengeweer kopen in een winkel voor diepzeeduikers en tikt een exemplaar op de kop voor 150 euro.

Verhaegen «Ik was verantwoordelijk voor de technische kant van de onderneming. Muriel zou de datum kiezen. Zij wist wanneer de kinderen niet thuis waren. Zij moest er ook voor zorgen dat Eric verdoofd werd met pillen in zijn koffie. We hebben zeker drie keer geprobeerd vooraleer het uiteindelijk gelukt is. Eén keer moesten we het afblazen omdat Eric niet sliep. Uiteindelijk hadden we het gepland voor zondag 21 oktober.»

Hauwaerts «Ik had vier slaappillen in de koffie van Eric gedaan, het dubbele van vorige keer.»

Verhaegen «Nadat we er zeker van waren dat hij sliep, heb ik nog een uur lopen ijsberen in de woonkamer. Doe ik het? Doe ik het niet?»

Hauwaerts «Eric lag op de divan te slapen. Ik schoof de gordijnen toe en hielp Alain met het verplaatsen van de salontafel, zodat hij meer plaats had om te richten.»

Verhaegen «Ik mikte op de slaap van Eric. Ik was zeker van mezelf. Op de kermis aan het schietkraam kan ik me ook goed uit de slag trekken. Ik riep: ‘Et merde!’ en schoot. Eerst voelde ik een enorme opluchting. En toen zag ik dat hij bewoog.»

Hauwaerts «Eric lag op de grond met de pijl in zijn hoofd en riep ‘Ai! Wat gebeurt er? Waar zijn de kinderen?’»

Verhaegen «We waren in paniek. Ik herinner me dat Muriel zei: ‘Hij leeft nog, on est foutu.’ (We zijn genaaid, red.) Om 15.32 uur heb ik de hulpdiensten gebeld.»

Terwijl ze wachten op de ambulance, maken Muriel en Alain het versufte slachtoffer wijs dat ze hem zo hebben gevonden, met die ijzeren pijl in zijn hoofd. Eric Vanderlinden heeft het op miraculeuze wijze overleefd, al lijkt zijn linkerkant wel volledig verlamd. Hij zal zich achteraf niets meer van het incident met de harpoen herinneren, ook niet dat hij nog een sigaret heeft gerookt, net voor hij flauwviel en met de ziekenwagen werd weggevoerd.


De pispotmoord

Hoe taai een slachtoffer kan zijn dat maar niet dood wil, ondervindt de moordenaar van Marc De Vos, een gehandicapte jongeman uit Sint-Niklaas die op 7 maart 2001 levenloos wordt aangetroffen in zijn kleine studio in de Zwijgershoek. Het slachtoffer ligt halfnaakt naast zijn bed, met zijn hoofd in een tot de rand gevulde nachtemmer. De dader is Jonny Goossens, zijn buurman met chronisch geldgebrek.

'Marc moet een verschrikkelijke doodstrijd gehad hebben. Ondanks zijn handicap had hij een normaal leven opgebouwd. Dat wilde hij zich niet zomaar laten afpakken.' Advocate Nadine Maes over de pispotmoord

‘Het was een op het eerste gezicht banale roofmoord,’ vertelt advocate Nadine Maes, die de nabestaanden van het slachtoffer op het assisenproces vertegenwoordigde. ‘Maar ik ben de zaak nooit vergeten door het extreme geweld dat de dader gebruikt had en de enorme overlevingsdrang van het slachtoffer.’

Nadine Maes «Marc De Vos kon alleen met krukken lopen. De dader heeft hem eerst het hoofd ingeslagen met één van zijn eigen krukken. Zijn schedel was half verbrijzeld, Jonny Goossens zei ‘dat hij het bloed hoorde druipen’, maar Marc was niet dood. Daarop begon Goossens hem te wurgen. Dat duurde veel te lang en toen hij te veel pijn in zijn handen kreeg, probeerde hij het werk af te maken met het snoer van de wekkerradio. En nog lukte het niet. ‘Ik hoorde hem nog reutelen,’ zei de dader. Dat was de doodsreutel. Goossens wilde dat het geluid stopte. Hij stak het hoofd van Marc in de pispot en verdronk hem in zijn eigen urine. Hij vulde de emmer bij met water, zette zijn voet op het achterhoofd van Marc zodat hij zeker niet meer recht kon komen, en wachtte tot er geen luchtbelletjes meer naar de oppervlakte kwamen.

»Het moet een verschrikkelijke doodstrijd geweest zijn. Marc was altijd een doorbijter. Hij had de eerste vijf jaar van zijn leven in het ziekenhuis doorgebracht omdat hij kinderverlamming had. Ondanks zijn handicap had hij een normaal leven opgebouwd. Dat wilde hij zich niet zomaar laten afpakken. Maar hij was kansloos. Ik herinner me dat zijn vader bij mij kwam en zei: een zoon verliezen is zo al heel moeilijk. Maar Marc is achtereenvolgens de schedel ingeslagen, gewurgd, en dan verdronken. Waar was dat voor nodig, meester?»

Wanneer de politie na de moord onderzoekt of er iets meegenomen is uit het appartement van het slachtoffer, blijkt hoeveel het leven van Marc De Vos waard was in de ogen van zijn buurman: 225 euro, een oude videorecorder, een wekkerradio, en een worst.


Zuster insuline

‘Het ideale slagwapen beantwoordt aan volgende kenmerken: compacte vorm en hoog specifiek gewicht, scherpe randen, goede hanteerbaarheid.’ Een boksijzer, een hamer, een staaf, een baseballknuppel. Géén kruk van een gehandicapte dus. Een en ander staat te lezen in het ‘Handboek forensische geneeskunde’, een indrukwekkend standaardwerk dat dr. Wim Van de Voorde schreef voor de aankomende wetsdokter, en dat wegleest als een thriller. We leren er onder meer hoelang een verdrinkingsproces duurt (5 minuten in zoet water, 10 minuten in zee), dat burking een manier van moorden is waarbij de (zwaarlijvige) dader met zijn of haar volle gewicht op het slachtoffer gaat zitten terwijl mond en neus worden dichtgedrukt en dat je een lijk in het water met minstens 120 procent van het lichaamsgewicht moet verzwaren om te vermijden dat het na een week of twee komt bovendrijven.

'Een wetsdokter vertrekt van het idee dat elk overlijden verdacht is. We hebben allemaal een beetje de speurdersmicrobe' Wetsdokter Jean-Pol Beauthier

Van de Voorde «Forensische geneeskunde is een heel specifieke wetenschap. Een wetsdokter kijkt op een heel andere manier naar een overlijden dan een huisarts.»

Beauthier «Een gewone arts zal doorgaans uitgaan van een natuurlijk overlijden, tenzij er tekenen van een misdaad zijn. Terwijl een wetsdokter vertrekt van het idee dat de dood verdacht is, en pas besluit dat het om een natuurlijk overlijden gaat als er geen enkel ongewoon of onverklaarbaar element te vinden is (lacht). We hebben allemaal een beetje de speurdersmicrobe, ja. Maar daardoor zal er ook zelden iets aan onze aandacht ontsnappen.»

Van de Voorde «Neem een wurging. Normaal gezien laat dat vlekkerige rode en blauwe plekken in de hals na, behalve als het slachtoffer van tevoren bewusteloos of verdoofd is, of als er een breed en zacht snoer is gebruikt – een sjaal bijvoorbeeld. Maar klap de oogleden om, en je ziet rode puntjes: dat zijn puntbloedinkjes die op verstikking wijzen.»

Beauthier «De moeilijkst te achterhalen doodsoorzaken zijn smoring (versmachting met bijvoorbeeld een kussentje of een plastic zak) en vergiftiging (intoxicatie), omdat die meestal geen uitwendige sporen achterlaten. Inwendig wel: als je met een kussen op een gezicht drukt, vind je meestal kneuzingen aan de binnenkant van de mond. Soms heeft het slachtoffer een rode neus.»

Van de Voorde «Gifmoorden komen dikwijls alleen aan het licht tijdens een autopsie, en dan nog alleen als er gericht naar bepaalde stoffen wordt gezocht. Een gevreesd dodingsmiddel is insuline. Ook dat vind je enkel terug met een gericht biochemisch onderzoek. Insulinemoorden worden meestal gepleegd door artsen en verpleegkundigen, de zogenaamde ‘engelen des doods’, in rusthuizen en hospitalen. Soms kunnen ze jaren doorgaan met moorden eer ze ontmaskerd worden.»

'Typisch voor daders die hun partner hebben vermoord is dat ze dikwijls pas een dag later aangifte van de verdwijning doen. Het vergt toch enig talent voor theater' Oud-speurder François Kind

De Wevelgemse diaken Ivo Poppe wordt ervan verdacht om en bij de vijftig slachtoffers op die manier naar de andere wereld te hebben geholpen. En in de jaren 70 waarde in een OCMW-rusthuis in Wetteren zuster Godfrieda rond, die meer dan dertig bejaarden een dodelijke insulinespuit gaf voor ze tegen de lamp liep. ‘Zuster insuline’, zoals de non door haar bange collega’s werd genoemd, bekende drie moorden, maar nam het woord moord nooit in de mond. Ze had die bejaarden ‘uit hun lijden verlost’.

Beauthier «Een krachtig gif dat geen énkel spoor achterlaat in het lichaam is kaliumchloride. Ook digoxine, een geneesmiddel voor het hart dat gemaakt is van een extract van vingerhoedskruid, is zo goed als onopspoorbaar. Maar je moet eerst aan zo’n middel geraken, en dat is niet zo eenvoudig.»

‘Vergiftiging laat misschien weinig sporen in het lichaam achter, maar er zijn ook nog altijd de sporen van de aankoop,’ zegt oud-speurder François Kind, die jaren voor de moordbrigade in Antwerpen werkte en twee jaar geleden met pensioen ging. ‘Die kunnen we meestal wel terugvinden via de farmaceutische inspectie.’

De meest knullige moord in zijn veertig jaar lange carrière gebeurde in juli 1993.

François Kind «Een vrouw uit Zwijndrecht heeft haar man verstikt met een kussen en heeft het lijk in de kast van de slaapkamer verstopt. Een dag later doet ze aangifte van zijn verdwijning. Dat zie je dikwijls bij partnerdoding: de daders doen bijna nooit onmiddellijk aangifte van de verdwijning. Ze laten er een dag overheen gaan, want het vergt toch enig talent voor theater.

»Thuis zit ze dus met dat lijk in de kast. Het is een warme zomer en na een paar dagen beginnen de kinderen te klagen over de stank. De vrouw probeert de geur te maskeren door overal in huis ruikers bloemen neer te zetten en kwistig met rozenparfum te spuiten, maar de stank wordt steeds hardnekkiger. Op vrijdagavond, wanneer de kinderen uit huis zijn, beslist ze om het lijk van haar man te gaan begraven in het maisveld rechtover haar deur. Met veel moeite, want het is een tenger vrouwtje, zeult ze het naakte lichaam van haar man de trap af – bonk-bonk-bonk – en sleept ze het naar buiten. Net op het moment dat ze op de stoep staat, klaar om over te steken, draait een rijkswachtcombi de straat in. De vrouw laat haar man ogenblikkelijk vallen en spurt naar binnen. De rijkswacht ziet het naakte lijk voor haar deur liggen en belt aan, zij doet alsof ze zich een bult schrikt: ‘Dat is mijn man!’

»De rijkswachters denken dat de moordenaars het lijk van de man misschien voor haar deur hebben gedropt als een soort bedreiging. Als ik er een paar uur later bij geroepen word, is de zaak snel opgelost. Ik vraag aan die vrouw: ‘Wat is hier gebeurd?’ En zij antwoordt met een piepstemmetje: ‘Ik heb mijn man vermoord.’

»Het gebeurt niet vaak dat daders zo snel door de mand vallen. Meestal zijn het gewiekste leugenaars. In mijn beginjaren bij de politie ben ik zo wel een paar keer bij de neus genomen.

»Op een dag krijg ik de opdracht om een huiszoeking te gaan doen bij de onderbuurvrouw van een man die is verdwenen. Alles wijst in de richting van moord. Ik merk dat de vrouw een drankprobleem heeft: als ik enkele kasten opentrek, rollen de lege wijnflessen eruit. Als ze de reden van mijn bezoek verneemt, doet ze me lichtjes aangeschoten een gênante bekentenis: ‘Ach meneer, u zal een emmertje vinden met mijn slaapkleed dat onder het bloed zit. Dat komt omdat mijn maandstonden altijd zo hevig zijn.’ Ik ben erin getrapt als een klein kind, want achteraf bleek natuurlijk dat zij de moord gepleegd had samen met haar vriend. Ze hadden het trouwens slim bekeken: de wagen van het slachtoffer was in beslag genomen en stond op een Antwerpse politieparking. Die vrouw en haar vriend zijn de wagen daar ’s nachts gaan weghalen, hebben het lijk van hun slachtoffer met zijn eigen auto naar Nederland gevoerd, en zijn het voertuig daarna terug bij de politie gaan parkeren. Niemand die iets had gezien!»


Als door gelatine

Het duivelskoppel van de harpoenmoord, zoals Alain en Muriel in de pers gedoopt worden, heeft geenszins de sterallures van Bonnie en Clyde. Muriel Hauwaerts, in de gevangenis 25 kilo vermagerd, lijkt meer op een grijze muis dan op de femme fatale die ze vroeger was. Tegenover de jury hangt ze een intreurig verhaal op over de hel waarin ze leefde met Eric Vanderlinden. ‘Te nemen met een flinke korrel zout,’ zeggen de psychiaters, die haar als mythomaan, narcistisch en niet al te slim bestempelen. Van Alain Verhaegen valt vooral zijn pompeuze manier van praten op. Hij zegt dingen als ‘Het schijnt me toe dat ik dat moet bevestigen’ wanneer hij ‘ja’ bedoelt. Een manier om zijn intellectuele capaciteiten te onderstrepen, zeggen de psychiaters – en laat dat nu net iets zijn dat Alain, naast zelfkennis, ontbeert.

Doorgaans zijn het de nabestaanden van het slachtoffer die uitkijken naar een assisenproces, om antwoorden te krijgen op hun vragen: waarom is hun geliefde vermoord? Heeft hij nog iets gezegd, heeft ze nog pijn geleden? Hier is het omgekeerd. De beklaagden zitten met één prangende vraag: hoe kán het toch, dat Eric de toch wel drastische aanslag met de harpoen op wonderbaarlijke wijze heeft overleefd? En het is wachten op hun eigen assisenproces voor het antwoord.

Na het fiasco met de slaapmiddelen en de injectienaald wilde Alain geen risico meer lopen op een nieuwe mislukking. In de dagen voor ze zouden toeslaan, oefende hij daarom met zijn harpoengeweer in de garage.

Verhaegen «Alles scheen goed te werken. Ik had de punt van de harpoenpijl nog wat scherper gemaakt. Alleen maakte ik mij zorgen over een soort van weerhaak die uitklapte op het moment dat de pijl doel trof. Ik wilde dat het projectiel Erics hoofd vollédig zou binnendringen, en niet ergens onderweg zou haperen. Dus zaagde ik de weerhaak eraf.»

Precies dat detail heeft Eric Vanderlinden het leven gered, stellen de wetsdokter en de ballistische expert in hun getuigenis op het proces. De pijl zelf is scherp genoeg om door het hoofd te gaan zoals door gelatine. Maar de weerhaak dient om zoveel mogelijk schade aan het weefsel aan te richten. Nu die er is afgehaald, heeft de pijl geen enkel dodelijk letsel in de hersenen veroorzaakt.

Muriel Hauwaerts en Alain Verhaegen worden op 26 juni 2009 schuldig bevonden aan poging tot moord met voorbedachten rade. Ze krijgen respectievelijk 14 en 15 jaar gevangenisstraf. Muriel Hauwaerts komt in het voorjaar van 2012 voorwaardelijk vrij. Alain Verhaegen volgt zes maanden later. Eric Vanderlinden herstelt van zijn verlamming. (Hoe het is om verder te leven na vijf moordpogingen, zal hij zelf in de slotaflevering van deze reeks vertellen, red.)


De zwarte weduwe

De federale politie noteerde voor 2014 in België 202 levensdelicten: 52 moorden (met voorbedachten rade) en 150 doodslagen. Er waren ook 825 pogingen die niet lukten.

Van de Voorde «Soms proberen daders een moord te camoufleren als zelfmoord, vaak op een niet al te slimme manier. Ze klemmen het slachtoffer bijvoorbeeld een mes in de hand of een vuurwapen, met de vinger op de trekker. Zoiets is bij een zelfdoding bijna onmogelijk. Als iemand zichzelf doodschiet of doodsteekt, glijdt het wapen uit de hand als gevolg van de spierverslapping in de eerste ogenblikken na het overlijden. Het is dezelfde spierverslapping die de mond doet openvallen en de sluitspieren doet ontspannen zodat uitwerpselen de vrije loop krijgen.

»Een klassiek voorbeeld is de man die zijn echtgenote wurgt en haar nadien aan een touw ophangt. Met een paar eenvoudige onderzoeken kun je achterhalen of het om een misdaad gaat, door te kijken naar het snoerteken en de positie van het hoofd. Bij een zelfdoding zakt het hoofd door de zwaartekracht naar de zijde tegenover de stropknoop, en vertrekt een speekselspoor aan de afhangende mondhoek. Is dat niet het geval, dan moet er een belletje gaan rinkelen.

»Bij een val van een hoogte zijn we ook altijd extra argwanend. Iemand die dood ligt beneden aan een brug of een balkon: is die gesprongen, gevallen of geduwd? We kijken altijd eerst naar de afstand tussen de springplaats en de plek waar het lichaam is gevonden. Iemand die recht naar beneden springt of valt, ligt doorgaans dichter bij de gevel dan iemand die geduwd wordt.

»De moeilijkste gevallen zijn verdrinking: dodingen door verdrinking zijn zeldzaam omdat de dader veel sterker moet zijn dan het slachtoffer, maar bij kindermoord is het een tamelijk frequente methode. Soms wordt een moord verdoezeld door een verdrinking na te bootsen. Een paar jaar geleden werd ik geroepen bij een vrouw die in een privézwembad in Leopoldsburg was verdronken. De kinderen hadden hun dode moeder drijvend op haar buik gevonden, haar man zei dat ze niet kon zwemmen en dat ze verdronken moest zijn toen hij niet thuis was. Met de autopsie hebben we toen niet alleen kunnen aantonen dat de echtgenoot thuis was op het moment dat de vrouw overleed, maar ook dat ze onder water was gewurgd.»

Bij een gecamoufleerde moord is de toevallige vinder vaak zelf de dader, weet Van de Voorde uit ervaring. ‘Om het geloofwaardig te maken haalt die er vaak nog een derde bij om de feiten te gaan melden.’

De Leuvense wetsdokter werkte mee aan het onderzoek naar Jeanine Steeno, bijgenaamd ‘de zwarte weduwe’, die in 2013 voor het assisenhof verscheen voor de moord op twee weduwnaars die in verdachte omstandigheden waren overleden. Beide mannen hadden net voor hun dood grote sommen geld op Steeno’s rekening gestort. Uiteindelijk werd Steeno enkel voor de moord op haar vriend Roger Debuysere veroordeeld, ondanks haar verdienstelijke poging om het op een zelfmoord te doen lijken.

Van de Voorde «Die dag werd ik door het parket van Leuven opgeroepen om een vermoedelijke zelfmoord vast te stellen. Toen ik aankwam, lag de dode man in de zetel met een plastic zak over het hoofd en een koord rond de nek. Schijnbaar verstikt. Ik kon niets verdachts aan het lijk vaststellen, behalve dat de overledene 2,6 promille alcohol in het bloed had. Het verhaal van Jeanine Steeno, die hem gevonden had, was totaal ongeloofwaardig. Ze beweerde dat haar vriend bloednuchter was toen ze vertrok, en dat ze hem een kwartier later in deze toestand had gevonden. Op nauwelijks 15 minuten tijd zou de man zich niet alleen ladderzat hebben gedronken, maar zocht hij ook een koord, schaar en plastic zak bij elkaar, legde de schaar na gebruik terug in de schuif, en pleegde zelfmoord.»

Jeanine Steeno bleef haar onschuld volhouden maar kreeg 25 jaar cel. De 76-jarige gepensioneerde verpleegster is vandaag de oudste vrouwelijke gedetineerde in een Belgische cel.

Van de Voorde «De manipulatie van de plaats delict, staging of the crime scene, komt vaker voor dan men zou denken. Dikwijls wil een dader daarmee het eigenlijke motief verdoezelen om te voorkomen dat het onderzoek naar hem of haar leidt. Er wordt bijvoorbeeld een roofmoord geënsceneerd om een partnerdoding te verbergen. Inbraak en verkrachting zijn nog twee vaak voorkomende ensceneringen.»


Macaber grapje

De allerbeste mise-en-scène in de Belgische moordgeschiedenis is de mangamoord in Brussel, die de speurders van de moordsectie van de federale politie drie jaar lang op het verkeerde been zal zetten. Op 28 september 2007 vindt een wandelaar in het Dudenpark in Vorst tussen dorre herfstbladeren een stuk romp en twee dijbenen van een volwassen man. Vlakbij de menselijke resten liggen twee A4’tjes met daarop in rode en groene letters de boodschap ‘Watashi wa Kira dess’. Japanse woorden die te vertalen zijn als ‘Ik ben Kira’ en verwijzen naar de razend populaire mangastrip ‘Death Note’, over de Japanse tiener Kira die ervan droomt om te heersen over een wereld zonder slechteriken en daarom alle criminelen vermoordt. Er ligt een spoor van rijstkorrels rond en er is een Japanse tekening in het gras gekerfd. Voor de rest heeft de politie geen enkel aanknopingspunt. Niemand heeft een verdachte op klaarlichte dag zien zeulen met hompen vlees die in totaal zo’n 30 kilo wegen. Niemand weet wie het slachtoffer is. Er is ook geen enkele verdwijning gemeld.

Is er een seriemoordenaar aan het werk in het Dudenpark? De politie vreest van wel en schakelt een profiler in. Speurders vlooien de mangastrips uit en gaan te rade bij mangaspecialisten, maar vinden geen enkele link met de gevonden lichaamsdelen. De macabere vondst haalt de voorpagina van de kranten en lokt Japanse televisieploegen naar Brussel. In Frankrijk wordt een meisje van 17 gearresteerd omdat ze, onder de schuilnaam ‘Kira Kira’, een mail heeft verstuurd naar de Franse televisiezender M6 waarin ze alle criminelen waarschuwt voor de komst van de wreker, verwijzend naar de vondst in het Dudenpark. Het blijkt een plaisanterie, een grap van het meisje te zijn.

'De boodschap uit de mangastrip was een ideetje van de laatste minuut om de voorpagina van de kranten te halen. Dat is wel gelukt' Advocate Sophie Michez


Pas drie jaar later krijgen de speurders onverwacht een duwtje in de rug. ‘Zonder dat enorme toeval was de zaak waarschijnlijk nooit opgelost,’ zegt advocate Sophie Michez, die de zaak een van de fascinerendste in haar carrière noemt.

Sophie Michez «In Schaarbeek wordt een Marokkaans meisje het slachtoffer van een groepsverkrachting. De politie doet een huiszoeking in het appartement van een van de vermoedelijke daders. Daar worden geen bewijzen van de verkrachting gevonden, maar wel een ander DNA-profiel met een verrassende match: het nog altijd ongeïdentificeerde slachtoffer van de mangamoord. Het gaat om een jonge Fransman, Sidi Larbi Ezzoubairi. De speurders ondervragen de jonge bewoner. Die blijkt het appartement te hebben ‘geleend’ van zijn broer, Mohamed Sidi Atir. Dat was een cliënt van mij, een vriendelijke jongen die ik soms bijstond in rechtszaken voor kleine drugsvergrijpen. Ik kon mijn oren niet geloven toen ik hoorde dat hij aan de beruchte mangamoord werd gelinkt.»

''Het was het beste dwaalspoor uit de Belgische moordgeschiedenis.' Advocate Sophie Michez over de mangamoord

De doorbraak in het onderzoek volgt snel. De moord blijkt niet het werk van een vernuftige psychopaat, maar van drie door drank en drugs dolgedraaide twintigers die bezeten zijn van mangastrips.

Michez «Mijn cliënt Mohamed Sidi Atir (een van de drie daders, red.) had het slachtoffer in Zeebrugge leren kennen op het festival Polé Polé. De jongen was mee naar Brussel gekomen en logeerde bij mijn cliënt. Maar hij bleef langer dan afgesproken en werkte Mohamed fel op de zenuwen. Op een avond hebben hij en zijn vrienden, volledig dronken en stoned, het slachtoffer doodgeslagen, geschopt en gemarteld. Ze waanden zichzelf personages in een film en omschreven het als ‘een fantastische trip’.

»Maar toen lag die jongen daar dood. Wat moesten ze ermee? Het lichaam dumpen? Geen van hen had een auto. Iemand had het lumineuze idee om het lichaam in stukken te snijden en ze op te lossen in zuur, zoals de Hongaarse dominee Andras Pandy met zijn slachtoffers deed. Ze gingen een zaag en liters Destop kopen in de Brico. Maar het plan mislukte. De Destop was niet krachtig genoeg. De stank in huis was intussen niet meer te harden. Ze moesten er iets anders op vinden. Helder nadenken ging niet goed: die jongens dronken en snoven van ’s morgens tot ’s avonds. Toen propten ze de lichaamsdelen in valiezen en rugzakken en zeulden ermee door Brussel, met de tram, de metro en de fiets. De armen en benen dropten ze in een krakerspand in Anderlecht, het hoofd gooiden ze in het kanaal, en de dijbenen en de romp in het Dudenpark. Het is een wonder dat ze door niemand zijn betrapt.

»De boodschap uit de mangastrip was een ideetje van de laatste minuut. Ze hadden het gedaan ‘in de hoop dat ze de voorpagina’s van de kranten zouden halen’, gaven ze tijdens hun ondervragingen toe. Dat is uiteindelijk wel gelukt. De speurders waren zo bezeten door het mangaspoor dat ze alle andere mogelijkheden uit het oog verloren. De rijstkorrels bleken achteraf trouwens niks met de moord te maken te hebben, maar waren daar toevallig beland tijdens de doortocht van een pas getrouwd koppeltje. Het zogenaamde Japanse teken dat in het gras was gekerfd, bleek een stukje onkruid.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234