Dwarskijker: 'Een balorige jongensklas met honger en dorst'

Het is me bekend dat Zijne Majesteit van droge tot haast ondraaglijk droge Britse humor houdt

'Het is me bekend dat Zijne Majesteit van droge tot haast ondraaglijk droge Britse humor houdt'

'The Beatles waren méér dan hun muziek, en hun muziek betekende al zo ontzettend veel'


villa sporza: de blijde intocht van de rode duivels

Eén – 15 juli – 249.443 kijkers

En nu sport. Als je de lichaamslengte van Tomas Van Den Spiegel door die van Dries Mertens deelt, kom je bij het getal 1,2662721893491124 uit. Zulke trivia doen het altijd goed op feesten en partijen. Als je ze terloops in een gesprek mikt, ben je in een mum van tijd, en wellicht tegen alle verwachtingen in, een getapte jongen (M/V). Ik zou u nog meer wondere weetjes aan de hand kunnen doen, maar dat zou het bestek van deze rubriek jammer genoeg te buiten gaan. Lees desgewenst mijn brochure ‘Getapte jongen voor één dag’.

Voornoemde Tomas Van Den Spiegel, ex-basketbalspeler, kort samengevat 2 meter en 14 centimeter, verhief zich al zittend aan de gesprekstafel van ‘Villa Sporza’ in de hoedanigheid van sportmarketeer. Hij maakt zich nuttig bij een bedrijf dat onder andere het imago van profvoetballers begunstigt en hun tweets interessanter maakt dan ze zijn. Zulke ingrepen zouden uiteindelijk hun marktwaarde ten goede komen in een wereld waarin het voetbal stilaan meer om groteske transferbedragen dan om de sport zelf draait.

Van Den Spiegel had het al snel over percipiëren, content en storytelling. Wist hij veel dat mijn aandacht acuut verslapt zodra ik het jargon van marktwichelaars te slikken krijg, zeker als ik op een tropische zondagmiddag in een huis zonder airco ongeduldig op de Blijde Intocht van de Rode Duivels zit te wachten. Patrick De Koster, die voetbalmakelaar is, mocht zich ook in het gesprek mengen. In mijn hoogstpersoonlijke ordeningssysteem van mensen, dieren, dingen en alles daartussenin, horen voetbalmakelaars in dezelfde categorie thuis als zaakvoerders van casino’s langs secundaire wegen. Je kunt in zulke speelhuizen berooide handelsreizigers op drift aantreffen die meteen 50 euro van je willen lenen. Als je er tegen dergelijke hologige lieden aanloopt, rijst de vraag ‘Wat doe ik hier in hemelsnaam?’ haast vanzelf. Deze De Koster, die het hebben en houden van Kevin De Bruyne beheert, zei dat hij ook zijn personal shopper was: had Kevin z’n zinnen op een nieuwe auto gezet, dan ging De Koster wel even de voordeligste prijs voor hem bedingen in een of andere showroom. Net toen ik begon te vermoeden dat er een kleurrijk tv-portret in deze figuur school, en misschien zelfs een musical, zwenkten twee bussen het beeld in: in de ene bevonden zich de Rode Duivels en in de andere hun coach en hun entourage, onder wie vast ook wel enkele personal shoppers. Ze waren op weg naar het paleis in Laken, waar de vorst en zijn gemalin hen zouden ontvangen. Langs de route van de Rode Duivels begon het volk zich driekleurig op te hopen. Alom nam onbestemd voetbalgezang in volume toe, een stuk of vijf ongewisse hymnen door elkaar, waarin ‘Waar is da feestje?’, oorspronkelijk een uitwerpsel van de Pitaboys, de bovenhand haalde.

Ten paleize deden de Rode Duivels me aan een vermoeide, hangerige, verveelde en dan ook naar baldadigheid neigende jongensklas denken, die geregeld hét gespreksonderwerp op de klassenraad is. Omdat de vorst en zijn gemalin onvoorwaardelijke voorstanders van een losse, ontspannen omgang zijn, très décontracté, verschenen de Rode Duivels in sporttenue – nu ja, misschien ook wel om misverstanden te vermijden: het is bij zo’n ontvangst zaak om de juiste mensen te huldigen. Een paar Duivels, onder wie de geeuwerige, lang niet uitgeslapen Fellaini, droegen een korte broek van jeansstof, terwijl het merendeel van de ploeggenoten voor uniforme zwarte shorts had geopteerd. Vast weer een statement dat mij volkomen ontgaat, maar waar analisten, geen knelpuntberoep, enkele weken zoet mee zijn. In zijn toespraakje gewaagde de vorst van de strijdlucht van de Rode Duivels, maar een hartslag later had hij het juiste woord wel te pakken: strijdlust. Even heb ik gedacht dat hij moedwillig een grapje maakte, want het is me bekend dat Zijne Majesteit van droge tot haast ondraaglijk droge Britse humor houdt. Tijdens de wedstrijd België-Engeland was onze vorst toevallig bij de koningin van Engeland te gast, onthulde hij: ‘Iemand kwam binnen en zei: u hebt gewonnen, en de koningin van Engeland feliciteerde mij.’ Ik zat, zoals vaker in mijn leven, op een pointe te wachten, maar die bleef uit. Enfin, noch onze koning noch Elisabeth II van het Verenigd Koninkrijk heeft België-Engeland gezien, de wedstrijd om de eervolle derde plaats van het WK 2018. Liever kronen en scepters zitten vergelijken, wellicht.

De Rode Duivels begaven zich vervolgens in open bussen naar de Grote Markt, waar de driekleurige massa intussen naar wens kolkte. De openbare omroep had overal correspondenten uitgezet, wier woordenstroom doodliep op: pufferig warm en duizenden uitgelaten Belgen op straat. Bert De Vroey meende dat het land een unitaire indruk maakte en Goedele Wachters straalde een soort blijdschap uit waar je vast enkele dagen van moet herstellen. Het benieuwt me of je een dergelijke volksmassa nog op de been zou kunnen krijgen om het einde van een bezetting te vieren, maar dat hoef ik niet noodzakelijk in het echt mee te maken.

Ten stadhuize ontspon zich een vermakelijk tafereel: de Rode Duivels gingen wel op de selfie met allerlei hotemetoten van het hoofdstedelijke stadsbestuur en hun kinderen, maar toen ze een tafel bemerkten waarop puntzakken friet op consumptie lagen te wachten, vielen ze er in teamverband op aan, opnieuw in hun hoedanigheid van balorige jongensklas, nu met honger en dorst: de belgitude aanschouwelijk gemaakt voor beginners. Intussen leek het alsof de regie zich niets meer aantrok van het verloop van dit programma: een zekere anarchie was zo te zien toegestaan, ook tijdens de Grote Balkonscène, waarin de spelers één voor één uitzinnig werden toegejuicht. De ene Rode Duivel genoot al meer van die stormachtige bijval dan de andere – het scheen me toe dat Kevin De Bruyne terughoudender was, verlegener, en in dat opzicht erg Vlaams. Eden Hazard, de captain, speelde als geboren leidersfiguur meteen voor gangmaker die wel erg veel schik had in het effect van de yell ‘Waar is da feestje?’ Zelfspot is een deugd, en je snijdt er spotters de pas mee af: Dries Mertens ging onder daverende toejuichingen op zijn knieën zitten, zodat hij nauwelijks boven de rand van het balkon uitkwam. De zin ‘Hé, de Rode Duivels hebben een kindje gekregen’ kwam in me op. Toch nog even ernstig nu: als je de lichaamslengte van Thibaut Courtois deelt door die van Dries Mertens, dan kom je bij het getal 1,1775147929 uit. Interessant, zult u zeggen, en ik zal u daar voor één keer niet in tegenspreken.

Op het balkon nam de vermakelijke balorigheid van de jongensklas alleen maar toe, zodat ik me er spontaan een wanhopige ingreep van een afgepeigerde, schor geschreeuwde leraar aan de rand van een zenuwinzinking bij verbeeldde: ‘Jongens! Jóngens! Jóóóón-gééééns!!! Alsjeblieft! Alsje …. Jóng …’

Hoewel het voetbal niet tot mijn basisbehoeften behoort, hebben deze memorabele Rode Duivels bijgedragen tot mijn genoegen in de zomer van 2018. En hun coach Roberto Martínez is het soort gentleman, een onmiskenbare caballero, dat ik doorgaans niet in de voetbalwereld zou thuisbrengen.




The Beatles: Eight Days A Week – The Touring Years

Canvas – 15 juli – 98.692 kijkers

Het mooiste wat ik deze week op ’t Oude Medium heb gezien is ‘The Beatles: Eight Days a Week – The Touring Years’. In die documentaire toont Ron Howard aan de hand van, wat mij betreft, hartroerend archiefmateriaal, hoe The Beatles noodgedwongen, klemgezet door hun steeds oorverdovender succes, van opwindende liveband naar studiogroep zonder weerga evolueerden. Tijdens dat traject kwamen ze er ook achter dat een song, niet het minst als je hem aan Sir George Martin toevertrouwt, een onbetwistbare kunstuiting kan zijn, die wegens ingeschapen tijdloosheid nooit uit de mode raakt. Toch niet in mijn tijd van leven.

Als je jong was toen The Beatles over de wereld woeien, en vatbaar voor de Fab Four, hoor je bekend te zijn met vrijwel alles wat in deze documentaire aan bod kwam. Het geval wil dat ik niet genoeg kan krijgen van datgene wat ik allang over The Beatles weet: zulke kennis zal voor mij altijd wel stof tot mijmering blijven, ik recycleer ze dan ook met welbehagen. Ik hoop dat The Beatles, als het zover is, voorkomen in de film-van-mijn-leven, in meer dan één flits liefst.

De wereld van vóór The Beatles, zoals zij zich ten plattelande aan mij voordeed, staat me nog voor de geest: laaghangend wolkendek, kinkhoest, levertraan, bejaarden die over een open been klaagden; doffe huisvrouwen met plastic regenkapjes en kunststoffen boodschappentassen waaruit onveranderlijk prei en bleekselderij staken; arbeiders, sommigen waren nog maar 14, met een Groene Michel zonder filter in hun kop. Ze liepen in grauwe drom naar één van de twee sombere textielfabrieken of keerden er anders van terug, met dezelfde vreugdeloze gezichtsuitdrukking. En dan was er nog een elektriciteitscentrale die, waar je ook stond, de einder verpestte. Er waren ook zulthoofden in boerse pakken die samen met de pastoor de plaatselijke autoriteit moesten voorstellen en dat maar al te graag deden. Het begin van de jaren 60 was een grijze en beige tijd, waar The Beatles, gezanten van nieuwe tijden, ineens vrolijk tegen indruisten, toen ze meerstemmig en veelkleurig uit de lampenradio kwamen. Die spoedig door een transistor vervangen zou worden.

Zelfs in zwart-witbeelden van de jonge Beatles zie ik kleur. En hoe oogstrelend zijn echte kleurenopnames uit die tijd al niet, zoals die beelden van een concert in de ABC Cinema in Manchester in 1964 die we in deze documentaire te zien kregen. Intussen zei een autoritair Engels zulthoofd in het soort zwart-wit waar geen kleur in zat: ‘The Beatles zijn de ondergang van de jeugd.’ De nakende ondergang van zijn soort gezag had hij nog niet in de gaten, yeah yeah yeah!

Richard Curtis, regisseur van ‘Blackadder’, ‘Four Weddings and a Funeral’ en ‘Notting Hill’ en Beatlesfan van het eerste uur, zei iets dat me volkomen waar leek: ‘The Beatles waren de droomversie van wat jij en je vrienden in het echte leven waren.’ Whoopi Goldberg, die als zwart meisje ook idolaat was van de Fab Four – ze had ze nog in het Shea Stadium gezien – sprak: ‘Ze waren The Beatles, hun kleur had geen belang, ze waren geweldig.’ Kortom, The Beatles waren méér dan hun muziek, en hun muziek betekende al zo ontzettend veel.

Paul McCartney herinnerde zich die keer toen Ringo Starr, drummer van Rory Storm & The Hurricanes, kwam proefspelen: ‘Al na z’n eerste tik op de drums keken John en ik elkaar aan: ‘Dit ís het!’’ Waarna Sir Paul een brok in de keel kreeg. Alsof zijn lotgevallen met drie andere jongens uit Liverpool, die dol waren op rock-’n-roll, hem ineens, mogelijk voor de zoveelste keer, te machtig werden. Het kan niet anders dan dat een Beatle op gezette tijden niet gelooft wat hij heeft beleefd, en zich dan ook afvraagt of hij het misschien allemaal al dagdromend verzonnen heeft.

Deze documentaire is nog tot 14 augustus beschikbaar op vrt.nu. Het is nooit te laat om de grootsheid van The Beatles in te zien.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234