Dwarskijker: 'Komisch en krols kirren'

De Amerikaanse economie zou onder Donald Trump lopen als een tierelier, maar daar merkt de gemiddelde zwarte niets van in Baltimore.


Het zomert met

Eén – 13 tot 21 aug. – 589.016 kijkers

De setting van ‘Het zomert met’ leent zich voor bruidsfoto’s. In dat decor, dat mij niet vanzelf in zomerstemming brengt, ontrolt zich een praatprogramma waarin Bruno Wyndaele in de aangeharkte natuur bekendheden ontvangt over wie een liefhebber van de populaire pers al een hoop meent te weten. Los daarvan is het verdienstelijk dat Eén toch iets nieuws aan de lammenadige zomerprogrammering toevoegt. Het is het gebaar dat telt, want voor de rest hoor je mooie augustusavonden natuurlijk niet aan de televisie te verdoen, vooral niet als je een teenager op jaren bent.

Nadat hij enkele wetenswaardigheden over bijvoorbeeld het kasteel van Kruibeke heeft verteld, schetst Bruno Wyndaele in één minuut zowel de biografie als de carrière van zijn gast(e), terwijl die bekendheid in de auto van de sponsor, een middenmoter in een met de omgeving vloekend blauw, al komt aangereden. Weg met de stretched limo! Een kluitje mensen, dat veeleer per ongeluk in beeld komt, zit op een afstandje en op tuinstoelen toe te kijken, zonder daarbij de samenhang van een publiek te vertonen. In tussenshots zien we bijvoorbeeld eenden koddig met hun staartveren schudden of een schichtige ree die een goed heenkomen in een bosschage zoekt.

Het komt me voor dat Bruno Wyndaele in dit programma vooral geluk aanschouwelijk wil maken, of het minstens eventjes in de vlucht bij de staart wil grijpen. Bart Peeters, in shorts, spreidde zodanig veel geluk tentoon dat het mij plaatsvervangend ging duizelen. Zijn vrouw, die hij met een zekere volharding als in requisitoir ‘het genaamde Anneke Bellens’ noemde, had laatst zonder voorafgaand overleg met haar wederhelft als in een opwelling een appartement in Spanje gekocht, en dat kón allemaal! Zómaar! Elke gast van ‘Het zomert met’ mag iemand meebrengen die hem of haar om één of andere reden na is. Bart Peeters, geheide tv-persoonlijkheid alsmede zanger van stad en land, had zijn buurman Jan Leyers meegebracht, die in shorts en geheel ontspannen het geluk in de beste der werelden, twee aanpalende percelen, kwam bevestigen. Van al die voorspoed had ik niet terug, maar als je zoveel geluk hebt, hoe bang ben je dan om het te verliezen?

Karen Damen, wier barnumcampagne ‘Karen maakt een plaat’ ik intussen in de mate van het mogelijke verdrongen heb, gaf ten overstaan van Bruno Wyndaele in alle ernst te kennen dat ze morgen al actrice zou willen zijn, en dat bij nader inzien eigenlijk al ís, maar ‘ze vragen haar niet’. Als pessimist voorzie ik dat spoedig gevolg aan die hartenwens zal worden gegeven. Het geval wil dat Karen Damen, die vooralsnog meer een professionele flapuit dan een actrice is, in dit programma iets vertelde dat mij authentiek leek en tot mijn verbeelding sprak. Zij associeerde de zomer met de zeppelin waarmee de bandenfabrikant Goodyear in haar kindertijd de aandacht op zijn merknaam placht te vestigen in het luchtruim boven Mortsel: met een snorrend motorgeluid trok dat luchtschip over. Op een zomeravond, toen ze al in bed lag te dommelen, hoorde de kleine Karen Damen ineens dat gesnor naderen. Ze liep naar haar moeder en riep opgewonden dat de zeppelin eraan kwam. Haar moeder geloofde haar niet – ‘Op dit uur?’ – maar deed niettemin het raam open. En inderdaad, het luchtvaartuig gleed langs de donkere hemel en wierp een hel licht af op de tuin van de Damens. Met zo’n beeld in gedachten kan ik een poosje zoet zijn. Ter wille van het mooi denk ik er de beeldvoering van Wes Anderson bij.

Martin Heylen, reporter en programmamaker, herinnerde zich hoe hij als jongetje, liggend in het gras, niet uitgekeken raakte op de zingende veldleeuwerik die loodrecht ten hemel steeg, en vervolgens in allerijl weer naar beneden kwam. Het hoort bekend te zijn dat ook in het Meetjesland over elke idylle een schaduw hangt: Martin zag zichzelf ook nog naar de einder staren vanaf het schamele vissershuisje in de polders waarin hij als niet al te gelukkige, niet al te zelfverzekerde textielarbeider van 18 zijn intrek had genomen. Martin vergoodde in die tijd Eddy Merckx maar ook homerisch sportverslaggever Jan Wauters, ‘een bereikbare god’. Die praatvaar heeft er als rolmodel zijdelings voor gezorgd dat Martin Heylen de journalistiek is ingegaan, nadat zijn vrouw, met wie Martin intussen al een eeuwigheid getrouwd is, hem eerst con amore zelfvertrouwen had aangepraat. Moge de journalistiek altijd openstaan voor reporters als Martin Heylen, die al eens een arbeider van dichtbij hebben gezien en – sterker nog – er zelf ooit één zijn geweest.

Martin Heylen maakte van de gelegenheid gebruik om namens een milieuvereniging op zuinigheid met water aan te dringen, en Dina Tersago, onder wier make-up naar verluidt een ploetermoeder schuilgaat, diende zich in haar ‘Het zomert met’ dan weer als ‘advocate van de borstvoeding’ aan, een ereambt als een ander. ‘We moeten niet flauw doen over borstvoeding,’ zei ze, ‘we moeten tonen dat het kán.’ Ja, laten we normaal doen en vooreerst advocates van de borstvoeding overbodig maken. Laat ik maar toegeven dat mijn hoofd die zomeravond bij hoge uitzondering niet naar de borstvoedingsproblematiek stond. Tussen februari 1955 en augustus 1956 was dat ongetwijfeld anders. Ik was opportunistisch in die tijd.

Bruno Wyndaele, die een kundige interviewer is, heeft oprechte belangstelling voor zijn gasten, die hij daarbovenop, en misschien wel voor het gemak, zelfs aardig lijkt te vinden. Vrij van ironie luidt zijn stelling in elke aflevering: ‘De zomer is een goed seizoen om over je leven na te denken,’ maar om al te diepe afdalingen in het duister van de ziel te voorkomen, last hij tijdig een geinige activiteit in. Met Karen Damen speelde hij jokari, met Martin Heylen ging hij uit hengelen, en Tine Embrechts moest, omdat ze ooit met een Mexicaan getrouwd was, komisch en krols kirren met begeleiding van een mariachitrio, waardoor de sfeer ineens naar carnaval in een wegcafé in de periferie van Aalst overhelde. Exotisme hoef je niet altijd ver te zoeken.

Elke gast(e) wordt enigszins geprest om herinneringen aan een zomerliefde op te halen, en in één moeite door ook een liedje te kiezen dat onlosmakelijk met zijn of haar zomergevoel verbonden is. Bruno troont zijn gast(e) vervolgens, helaas in alle eer en deugd, mee naar een bosje waarin – je zult het altijd zien – een bescheiden orkestje heeft postgevat. Ik herken Patrick Riguelle en Isolde Lasoen, maar het is jammer genoeg in niemand van ‘Het zomert met’ opgekomen om de accordeonist en de toetsenvrouw, muzikanten die naam waardig, óók een naam te geven. Dit gelegenheidsbandje klinkt zo mooi dat het voor mijn part vaker dit praatprogramma had mogen onderbreken, al was het maar omdat muziek altijd voorgaat in de zomers van het leven, en wat mij betreft ook in de rest van de seizoenen.

De naar mijn smaak meest uitgebalanceerde aflevering tot nog toe draaide om Jani Kazaltzis, die, hoewel uiterlijkheden zijn vakgebied zijn, volstrekt geen poseur is en de dingen met een soms malicieus glimlachje bij hun naam noemt: ‘Mensen verwachten iets van mij, en dat gééf ik ze.’ Hij is niet vies van zelfspot, maar ook niet van spot in overige zin. Jani Kazaltzis had in alle ernst Michel meegebracht, die in transitie is en in de nabije toekomst helemaal tot Michèle zal uitbloeien. Hij maakte onderhand een drastische hormonenkuur door: ‘Je huilt als je niet wilt huilen.’ Michel, die er al helemaal als Michèle uitzag, was er aangenaam van geschrokken hoeveel begrip mensen voor zijn transformatie opbrachten. Zulk meegevoel heet me dunkt beschaving, en zou au fond een dun laagje vernis zijn. Iets waarover je maar beter kunt waken.

Aan het begin van elke aflevering van ‘Het zomert met’ biedt Bruno Wyndaele zijn gast(e), zoals het hoort onder beschaafde mensen, iets te drinken aan. Ik ben het meest te vinden voor invités die een glas wijn boven een glas water verkiezen. Zonder subjectiviteit stond ik nergens.


Oh, Baltimore!

Canvas – 20 aug. – 132.136 kijkers

Op ‘Little Criminals’, een prachtplaat voor volwassenen van Randy Newman uit 1977, staat de droefgeestige song ‘Baltimore’. Ik zing er met mijn jongenssopraan even een paar stukjes uit voor: ‘Hard times in the city / In a hard town by the sea / Ain’t nowhere to run to / There ain’t nothin’ here for free’. En dan het refrein: ‘Oh Baltimore / Man it’s hard just to live / Oh, Baltimore / Man, it’s hard just to live, just to live’. Volgens de overlevering had Randy Newman toen hij deze song schreef éénmaal met de trein door Baltimore gezoefd. ‘The city’s dying and they don’t know why’, zong Randy Newman dik veertig jaar geleden ook nog. Alles is er zo te zien nog bij het oude: Björn Soenens en Koen Soete lieten zich voor de documentaire ‘Oh, Baltimore!’ rondrijden door de onderkomen zwarte wijken – mag je het nog over getto’s hebben? – van deze stad in Maryland. Grauwheid, leegstand, overal dichtgetimmerde of anders stukgeslagen vensterramen, verkrotting, erfelijke armoede, drugshandel, 70.000 heroïneverslaafden op 620.000 inwoners, trossen hangjongeren zonder vooruitzichten. De daklozenopvang moet per nacht tot 3.000 daklozen onderdak zien te geven, en voor de rest wordt er ook heel wat afgemoord onder zwarte jongelui, en is blank en racistisch geïnspireerd politiegeweld er courant. De Amerikaanse economie zou onder Donald Trump lopen als een tierelier, maar daar merkt de gemiddelde zwarte, in veel gevallen een dompelaar, niets van in Baltimore. Je zou dan ook denken dat Trump er allerwegen de schuld van alles zou krijgen, maar zijn naam viel maar één keer: de burgerrechtenactivist Kwame Rose, een man met een vriendelijk voorkomen, zei dat niet Trump het had gedaan maar de hele blanke Amerikaanse samenleving, die volgens hem al sinds mensenheugenis door en door racistisch was. Blanke progressieve Democraten vond hij nog de ergste soort – ‘de wolf in schaapskleren’ – en daartoe rekende hij ook zwarte elitefiguren als Oprah Winfrey en Barack Obama, die de Amerikaanse zwarten tijdens zijn presidentschap alleen maar valse hoop had gegeven. Kwame Rose leek voorgoed klaar te zijn met het blanke Amerika en vond dat er voor de Afro-Amerikanen sinds Martin Luther King helemaal niets veranderd was.

We maakten ook kennis met een zwarte politiecommissaris die het blanke politiegeweld tot een paar rotte appels in het korps herleidde. Hij pleitte voor rehabilitatie in plaats van de buitenproportionele gevangenisstraffen die gangbaar waren voor zwarten. Hij vond dat er in de probleemwijken vooruitgang was geboekt, ‘maar,’ zei hij, ‘als je zelf uit een betere buurt komt, kun je dat niet zien.’ Inderdaad. Hij nam de documentairemakers mee naar een welgedane en mogelijk iets te enthousiaste vrouw die zich van stadswege voor de huisvesting en de maatschappelijke re-integratie van daklozen beijverde. Speciaal voor de gelegenheid kwam Dana, een gewezen dakloze die zijn leven weer enigszins op orde had, voor het oog van de camera zijn dankbaarheid betuigen. Ik zag weinig hoopvols in deze documentaire, maar om te hopen moet je misschien al de wanhoop voorbij zijn.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234