null Beeld

Dwarskijker over 'Arno: Dancing Inside My Head' en 'Het Huis' 'Twee strandjutters uit het niets'

Al wat Arno zingt, is hij zelf, en zo hoort het ook.


Arno: dancing inside my head

Canvas – 11 december – 81.234 kijkers

Geregeld achteromzien houdt de nekspieren soepel: het zal in 1976 zijn geweest dat ik kennismaakte met het charisma van Arno Hintjens. 1976 was een mager jaar, maar loslopende kunststudenten van mijn slag, met uitzicht op een beroepsleven zonder noemenswaardige vooruitzichten, zaten op een avond toch maar mooi op een parterreplaats in de stadsschouwburg van Gent, waar het Belgische onafhankelijke platenlabel Dwarf zijn ongelijksoortige artiestenstal live aan het publiek blootstelde: ik herinner me onder andere jazz van Full Moon Trio en elegante dromerijtjes van Della Bosiers, maar nog het meest is het duo Tjens Couter me bijgebleven, twee strandjutters die uit het niets kwamen en in akoestische blues handelden. Paul Couter speelde slidegitaar en Arno Hintjens, de brildragende zanger en mondharmonicus, stiet op niet mis te verstane wijze ‘Little Red Rooster’ uit, een emblematische song van Willie Dixon, poet of the blues. The Rolling Stones hadden ruim tien jaar eerder al dat nummer naar hun hand gezet. Die avond in de stadsschouwburg van Gent was het voor mij zonneklaar dat Arno Hintjens nog van zich zou doen horen. Zowat een jaar later bleek de aimabele, pas afgestudeerde kunstschilder Cesar B., die het had aangelegd met een meisje uit mijn klas, voor manager van Tjens Couter te spelen, tussen twee sneldrogende acrylschilderijen in. In het gezelschap van mijn klasgenote en Cesar ontmoette ik Arno Hintjens voor het eerst, vermoedelijk na middernacht. Hij bleek toen min of meer in Gent te wonen, op tal van adressen dan nog wel, waar altijd barmhartige meisjes opendeden. We troffen elkaar daarna vaker in het prachtcafé van het befaamde filmhuis Studio Skoop, dat in die dagen een magische ontmoetingsplaats was voor types die vooral niet van een vaste betrekking als voorzitter van een werkgeversorganisatie zaten te dromen. Ik ben vergeten wat Arno Hintjes en ik toen zoal bespraken, en bovendien moet nu ook weer niet alle geouwehoer aan de vergetelheid ontrukt worden. Sterker nog: moge de geschiedenis er voor altijd van verschoond blijven!

Veertig jaar later is Arno, die zijn familienaam al lang achterwege heeft gelaten, een internationaal Belgisch begrip waarover Pascal Poissonnier in ‘Arno: Dancing Inside My Head’ meer wilde weten dan al genoegzaam bekend was. Het aardige van dit portret was dat Poissonnier Arno op een subtiel afstandje gadesloeg, en dus net dicht genoeg, vaak zonder hem daarbij te interviewen. We kregen Arno’s vaste repertoire in interviews dan ook niet te horen: dit keer geen uiteenzetting over de belgitude tussen Brussel en Oostende en het bijbehorende surrealisme, met motherfucker als stopwoord als de redenering te bochtig wordt.

null Beeld

In plaats daarvan zagen we hoe zijn songs tot stand kwamen in de studio: zijn band bleek zijn muziekinstrument te zijn – zijn manier van componeren kwam dus neer op het instrumentele gebruik van dienstige muzikanten, vaklui die bijvoorbeeld op zijn dringende verzoek het geloei van een welbepaalde koe aan een elektrische gitaar konden ontlokken. Hij hoefde maar te kikken of hij kreeg wat hij wilde, bijvoorbeeld: het geluid van een orgeltje dat hij in de jaren 60 in ‘Telstar’ van The Tornados en in het repertoire van The Kingsmen had gehoord. ‘Ik wil iets met een hoek eraf, maar toch groovy,’ klonk het ook. Gitarist Bruno Fevery vroeg: ‘Wat bedoel je met groovy? Funky?’ Arno: ‘Als ’t maar groovet.’ En met die informatie kon Fevery kennelijk meteen aan de slag. Arno zat er meestal zorgelijk bij tijdens de werkuren: zijn concentratie was met het blote oog niet van getob te onderscheiden als hij in een schoolschriftje zijn Europese teksten aan het fijnregelen was: ‘Je veux vivre dans un monde sans cholesterol avec un overdose de rock-’n-roll’. En nu jij weer.

Tussendoor kregen we, voor de contrastwerking, ook eerdere gedaantes van Arno te zien, toen hij jonger was en de voortrazende tijd, met z’n roofdierengebit, hem nog niet deerde. De geheel herziene en aangevulde Arno van nu – hij werd 67 toen deze documentaire werd gedraaid – zorgde er onwillekeurig voor dat dit portret ook iets zegde over de spanning – of het compromis – tussen ouderdom en het levensgevoel dat we onder bejaarden rock-’n-roll noemen. Het klimmen der jaren had hem niet van hoofdbrekens verlost, zei hij, integendeel. ‘Je suis un vieux motherfucker’: al wat hij zingt, is hij zelf, en zo hoort het ook. In zijn geboortestad Oostende zat Arno thee te drinken met de hoogbejaarde maker van animatiefilms Raoul Servais, ook een Oostendenaar. Ineens zei Arno merkwaardig fel, als in een opwelling, dat hij steeds meer last had van heimwee naar vroeger, en dat hij waarlijk de pest had aan dat nostalgische gevoel. Hij keek erbij alsof hij iets proefde dat je in een restaurant meteen zou terugsturen. Servais kon er in het West-Vlaams van meespreken: ‘Nostalgie, melancholie… Je bent nog jong, wacht maar tot je 88 bent, zoals ik.’ ‘Ik ben 67 en ik heb er nu al last van!’ riep Arno, nu nog feller. Op een ander moment in deze documentaire klaarde hij helemaal op toen hij het hups rammelende spotliedje ‘Mr. Pleasant’ van The Kinks hoorde, alsof iets dierbaars uit het verleden en z’n eigen jonge jaren 2 minuten en 59 seconden lang een herkansing kregen in het nu. Zo werkt nostalgie ook. Arno wilde het liefst in het heden leven, onaangedaan door gisteren noch door morgen, en intussen almaar cd’s maken en op tournee gaan, en daarna nog meer cd’s maken en opnieuw de hort op. De tredmolen als uitweg uit de werkelijkheid: een illusie waar ik ook wel voor te vinden ben. ‘Arno: Dancing Inside My Head’ keerde Arno niet binnenstebuiten en boorde ook geen peilloos diepe lagen aan, maar we kregen hem wel te zien tijdens momenten dat hij zich minder van de camera leek aan te trekken dan gewoonlijk. Let wel: minder is voor een oude rot in het vak nog altijd beduidend meer dan niets. Niettemin: een mooi portret.

undefined

null Beeld

undefined

'Is de zelfkennis van Erik Van Looy, en het leven dat eraan voorafging, stof voor een auteursfilm?'


Het huis

Eén – 13 december – 1.049.637 kijkers

Het vermakelijkheidscomité van ‘De slimste mens’, Geubels en Jeroom, maakt zich ten overstaan van een brede kijkerschare graag vrolijk over ‘De premier’. De regisseur van die film, die door een gril van zijn lot ook een geliefd quizmaster is, moet daar weleens hikkend om lachen, want inzake zelfrelativering heeft hij zijn weerga niet. Ik reken nietigheidsbesef en zelfrelativering tot de goede manieren, maar als ik Erik Van Looy ten koste van ‘De premier’ in een deuk zie liggen, heb ik me al weleens afgevraagd of ook zelfrelativering te gelegener tijd niet aan relativering toe is. Waarna ik ijskoud tot de orde van de dag overging.

Geblinddoekt werd Erik Van Looy, in de dagen dat hij ‘De premier’ aan het monteren was, in het gezelschap van Eric Goens in een granaatappelrode DS naar een geheim landgoed gereden, een vrijstaande woning in de open ruimte die eenvoudige lieden die er toevallig langsfietsen als in een reflex ‘chic’ noemen. Binnen afzienbare tijd zal zo’n woning als ‘een huis van vóór de betonstop’ bekendstaan. Maar goed, in zo’n landgoed voltrekt zich nu eenmaal ‘Het huis’, een programma waarin een bekende logé, op uitnodiging van Eric Goens, een etmaal lang zijn zieltje röntgent. ‘Chic,’ zei Erik Van Looy nadat hij er even had rondgekeken. Er scharrelden exotische varkens in de tuin rond, die hem meteen – zijn referentiekader is radicaal cinefiel – aan de film ‘Hannibal’ deden denken, waaruit bleek dat zulke zwijnen, geboren alleseters, met slobberige wellust stukken van mensen opschrokten.

In de populaire pers heb ik uitentreuren gelezen dat de regisseur van ‘De premier’ een vat vol eigenaardigheden is. Eigenaardig genoeg leek het alsof hij zich speciaal voor ‘Het huis’ niet liet pramen om er al z’n particulariteiten meteen uit te gooien, als om er in één keer vanaf te wezen. Nu, er zijn vast méér mensen die tegelijk préparé en garnaalsalade op een broodje eten, maar dan voor een weddenschap, terwijl Erik Van Looy die prak gewoon een etenswaardige combinatie vindt.

Spierpijn, die hij aan het amateurvoetbal had overgehouden, ging hij te lijf met een raadselachtig smeersel waarin wespengif de werkzame stof was: de ene pijn deed je als het ware de andere vergeten, en dat zou al met al heilzaam zijn, sprak hij met een van pijn vertrokken gezicht.

‘Ik ben raar. Vind ik wel, ja.’ Een aantal keren ontroerde dit programma me acuut, vooral toen hij enigszins beschaamd de steekkaarten bovenhaalde waarop hij sinds z’n knapenjaren boekhoudkundig bijhield welke films hij had gezien en hoe die hem bevallen waren – in 1986 waren dat er 558, alleen al in de maand maart van dat jaar verwerkte hij er 54. Hij moest er schaapachtig om lachen, zo’n lach waarin een excuus schuilgaat. Ik vind zo’n obsessie veeleer charmant. En zijn eigenaardigheden zijn verkieslijker dan de normaliteit van luitjes die te pas en te onpas ‘Niet normaal!’ roepen.

Eén van de verrassingsgasten in dit programma was Patrick, de broer van Erik. ‘We zijn allebei een beetje raar,’ zei die, om ons meteen uit de droom te helpen. Erik bewonderde zijn broer, die van jongs af aan besloten had zijn leven grotendeels in een hangmat door te brengen, en dan ook een kei was in ambitieloosheid. Erik zelf was dan weer dwangmatig ambitieus en erg competitief, ‘maar zonder talent’, voegde hij eraan toe. Die ambitie had geluk vaak in de weg gezeten. Patrick, een ex-huisman, vond het dan weer jammer dat hij op een dag, door omstandigheden gedwongen, zijn hangmat had moeten verlaten. Toen hij zich even onbespied waande, vroeg Patrick op vertrouwelijke toon aan zijn broer: ‘Vind je het niet ambetant dat ik hier ben?’ ‘Ik ben me bewust van de camera’s,’ antwoordde Erik met een verbrijzeld glimlachje in de richting van de dichtstbijzijnde lens.

Gaandeweg durfde ik te veronderstellen dat Erik zich na zijn kindertijd, die onder andere dertien verhuizingen behelsde, uit het paradijs gestoten voelde, en dat de volwassenheid net zo’n afknapper was als zijn wedervaren met ‘The Loft’ in Amerika. 8mm-filmpjes waar hij als kind in voorkwam, maakten hem wee; hij had het over de onschuld en de zorgeloosheid die we onherroepelijk kwijtspelen. In dit programma leek hij nauwelijks talent voor liegen te hebben. In de Biechtkamer, waarin de centrale gast van ‘Het huis’ geacht wordt een volledige bekentenis af te leggen – leuke dingen voor de mensen – zei Erik Van Looy: ‘Mijn grote zonde is dat ik het geluk niet gevonden heb waar het was en is. Ik was niet serieus op de juiste momenten en serieus op de verkeerde.’ Is zulke zelfkennis, en het leven dat eraan voorafging, stof voor een auteursfilm? Met een cameo voor zijn broer?

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234