Dwarskijker over 'Belgium's Got Talent' en 'Down The Road': Verlangen naar een ongeremde, kinderlijke vreugde

De aandacht van Dieter Coppens voor zijn kwetsbare medemensen was aldoor ongelogen en niet obligaat. Dat soort waarachtigheid zie je ook niet elke dag op de televisie

'De vraag is wat je met al die akelig synchroon dansende jongens en meisjes moet aanvangen, zodra je hun talent hebt ontdekt'


Belgium’s got Talent

VTM – 2 maart – 1.110.092 kijkers

Op vrijdagavond, als de stress min of meer gaat liggen, heb ik zo mogelijk nog meer behoefte aan amusement dan gewoonlijk. Het gebeurt dan ook dat ik haast willoos voor ‘Belgium’s Got Talent’ postvat, de talentenjacht in den blinde, waarin geboren kenners als Niels Destadsbader, Stan Van Samang en An Lemmens maatgevend zijn. Over de choreograaf Dan Karaty heb ik me al eens afgevraagd of hij wel in dat rijtje thuishoort, maar intussen bespaar ik me die moeite.

Er trekken in dit programma veel acrobatische dansgroepen voorbij, die zich in hun plaatselijke polyvalente zaal het schompes hebben geoefend. Hoe vaak kwam een bejaarde conciërge in nachthemd hun niet zeggen: ‘Het is halftwee ’s nachts, en nu ga ik echt afsluiten.’ Waarna de arme man door de extatische dansers in een drieste improvisatie werd meegevoerd, die hem verhakkeld en met een scheur in zijn nachthemd achterliet. De vraag is wat je met al die akelig synchroon dansende jongens en meisjes moet aanvangen, zodra je hun talent hebt ontdekt.

Het moet gezegd dat ‘Belgium’s Got Talent’ de notie ‘talent’ flink heeft opgerekt, of moet ik schrijven: gedemocratiseerd? Zelfs twee komisch bedoelde vrouwen, tantes die niet op hun mondje zijn gevallen en alleen al daardoor een begrip zijn op verjaarspartijen van hun naaste familie, komen nu in aanmerking voor een optreden in ‘Belgium’s Got Talent’. Murw zag ik hen die vrijdagavond aan, en met eendere doffe gelatenheid onderging ik de artiest Maxime, die zich in naam van de internationale showbizz opmaakte om binnen één minuut een recordaantal puddinkjes van het type flan te verstouwen. Hij zoog er, onder uitzinnig gejoel, 21 zijn ingewand in – onderhand werden het publiek en de jury steeds roeriger en luidruchtiger. Zo moet het ongelikte middeleeuwse volk bij het bijwonen van een openbare vierendeling ongeveer geklonken hebben. Toen Maxime als een bezetene had toegehapt, zochten enkele van die puddinkjes meteen een uitweg, zodat hij een poosje – het publiek hield het niet meer – op het podium stond te kokhalzen met verlies van lading. Koen Wauters kwam met een emmer aangerend, en even later zou hij samen met Laura Tesoro, gewapend met dweil en vloerwisser, voor schoonmaakploeg spelen. Dat ze wit waren, droeg niet bij tot hun geloofwaardigheid, maar ik zou ze in ‘Belgium’s Got Talent’ toch doorlaten naar de volgende ronde.

Bij het zien van dat verheffende tafereel schoot het me te binnen dat Hugo Claus, Cees Nooteboom en Harry Mulisch (sommige bronnen zeggen Karel Appel) in de zomer van 1959, op Ibiza, ook een wedstrijdje karamelpuddinkjes opschrokken hebben gehouden – altijd fijn om het in deze kolommen even over literatuur te hebben. Volgens de overlevering hebben ze er toen 135 verorberd. Nooteboom gaf het eerst op, en moest zoals afgesproken voor de rekening opdraaien. Nooteboom die in de brandende zon over zijn nek gaat: allemaal literatuur, hoor.

'De aandacht van Dieter Coppens voor zijn kwetsbare medemensen was aldoor ongelogen en niet obligaat. Dat soort waarachtigheid zie je ook niet elke dag op de televisie'


Down the road

Eén – 8 maart – 748.825 kijkers

Alsof ik niets anders te doen had, keek ik laatst rond het middernachtelijke uur naar ‘De sleutel van het leven’, een documentaire over Jacob de Leeuwe, die de Talmoed, het belangrijkste boek binnen het jodendom, in het Nederlands aan het vertalen is. Dat is naar verluidt onbegonnen werk, waar niettemin Gods zegen op rust, en alle onbegonnen werk wekt mijn belangstelling. In het begin van deze documentaire bond Jacob de Leeuwe een man de gebedsriemen om en hij zei: ‘De Talmoed geeft mensen als Chaim, half mens, half engel, een speciale plek op deze wereld. Ze zijn zo puur. Ze hebben, net als engelen, maar één opdracht in het leven: te zijn wie ze zijn: puur.’ De Chaim in kwestie bleek zijn zoon te zijn, een man met het downsyndroom. Downers halve engelen noemen is me net niet menselijk genoeg, het dingt zelfs af op hun menselijkheid, en aan puurheid maak ik liever geen woorden vuil. Ter wille van de lieve vrede hield ik ‘De sleutel van het leven’ dan ook al na de openingsscène voor bekeken, waarna ik achteroverviel in een bijzonder onpure en daardoor des te meeslepender droom.

Mensen met het downsyndroom zijn dan weer in al hun menselijkheid te zien in ‘Down the Road’, een serie over een keur van downers die vergezeld van Dieter Coppens en Griet Dehamers een reis maken door zeven Europese landen. Het mooie ‘Zonnekinderen’ (2004) echoot in dit programma, en voorts moest ik ook aan de hachelijke dwaaltocht in ‘Tytgat Chocolat’ denken. Ik hoop van harte dat downers geen rage zijn.

Niets menselijks is hen vreemd: de downers zouden ‘op zoek gaan naar hun grenzen’ en ook naar ‘vriendschap, liefde, avontuur en nieuwe ervaringen’. Van meet af aan konden ze het uitstekend met elkaar vinden, zodanig zelfs dat Lore en Kevin al snel begonnen te tortelen. ‘Je bent temperamentvol, je kunt alles goed uitleggen,’ zei Lore, waarop Kevin meteen moest toegeven: ‘Da’s waar.’ ‘Ik vind je een toffe kerel,’ deed de zienderogen verliefder wordende Lore er nog een schepje bovenop. Om zijn kennelijke onweerstaanbaarheid nader te verklaren, zei Kevin droogweg: ‘Ik ga naar de fitness.’ Kevin kon op zelfkennis bogen. Naar eigen zeggen was hij me er eentje, en daar gaf hij een treffend voorbeeld van: ‘Soms zeg ik: ‘Kijk, een koe!’ En er is helemaal geen koe te zien.’ Ik moest ook lachen om een jubelende uitspraak als: ‘Frieten, dat is mijn god!’ En toen Kevin en de rest van zijn gemêleerde gezelschap in Zeeland, om van de couleur locale te proeven, uit de muur mochten eten, sprak hij apodictisch: ‘Geen snack zonder frieten.’ Die keer toen hij een schotel verse maatjes, bedoeld als hap voor het hele gezelschap, tijdens een boottocht aan de zeehonden voerde, vond ik ook kostelijk.

Er mocht gelachen worden in ‘Down the Road’. Dat kon je ook aan het gezicht van de voortreffelijke Dieter Coppens zien, die voor een beetje downer een gedroomd aanspreekpunt was in dit programma: naar mijn aanvoelen reageerde hij altijd juist op zijn kwetsbare medemensen, en het zag er niet naar uit dat hij daar veel moeite voor moest doen. De aandacht die hij voor hen had, was aldoor ongelogen en niet obligaat. Dat soort waarachtigheid zie je ook niet elke dag op de televisie.

Griet Dehamers, die doordeweeks in een dagcentrum mensen met het syndroom van Down begeleidt, greep vakkundig en dus met liefde in als er wegens heimwee, hoogte- of watervrees, of angst voor evenwichtsverlies op de fiets, getroost of gesust moest worden. ‘Naar mensen die in een academische luchtbel gedoctoreerd hebben in een doodlopend zijpad van de wijsbegeerte, is misschien net iets minder vraag dan naar zorgwerkers,’ noteerde ik in de marge.

De downers toonden een grote bereidheid om monter door het leven te gaan. Pieter en Lore woonden al min of meer zelfstandig, maar ook de rest verlangde naar onafhankelijkheid. Ze bleken zich behoorlijk te kunnen redden: na een dropping bereikten ze in ieder geval allemaal, de meisjes eerst, zo goed als ongehavend hun logeerplaats in het Duitse Monschau, de Parel van de Eifel. Dieter: ‘Wie heeft de weg gevraagd?’ Martijn: ‘Ik. In het Duits.’ Dieter: ‘En wat heb je dan gevraagd?’ Martijn: ‘De weg.’ Geen speld tussen te krijgen. Of beter: wasserdicht.

Nadat hij zich een keer gesneden had, vertrouwde Martijn zichzelf niet meer met een scheermes, en nu hij geen beroep op zijn moeder kon doen, had hij iemand anders nodig die hem schoor. Hij stelde hoge eisen aan zijn occasionele barbier Dieter Coppens, maar na verloop van tijd sprak hij uit de grond van zijn hart: ‘Dieter, je bent als een tweede moeder voor mij.’ Dieter aanvaardde dat onvoorziene ouderschap prompt, en er kwam een mooie scène van. Later zou hij in die moederrol ook nog een zweer in de lies van Martijn te lijf gaan: it’s all in a day’s work.

Hélène, de jongste van het ensemble, was ingetogener en ook wel ietsjes bangelijker uitgevallen dan de rest, maar zij kon prat gaan op haar liefde voor cultuur: ‘Fotografie, kunst, noem maar op.’ De anderen konden zich helemaal vinden in ‘Thuis’, ‘Familie’, Frans Bauer en Marco Borsato, maar Hélène zocht het elders, en daar gedroeg ze zich ook wel naar. Aan de ontbijttafel hing ze ineens een tragisch verhaal op over Mohammed, een geliefde die haar ontvallen was. Ik maak me sterk dat we in de loop van deze serie nog meer over dat pijnlijke voorval zullen vernemen, of juist niet. Voor het overige zou ik graag eens de ongeremde, kinderlijke vreugde willen beleven die in Pieter opstak toen hij tijdens een vispartij een forel verschalkte. In een andere stemming zei hij: ‘Op kamp werd ik altijd verliefd op een begeleidster, en dat mocht niet. Ik dacht: ik zoek iemand met een beperking.’

‘Down the Road’ is een sympathiek, vermakelijk en emancipatoir programma. ‘Ik zou niet met ze willen ruilen,’ schreef ik in de marge, ‘maar toch zijn ze mijn gelijken.’ Liefhebbers van mongolen verwijs ik graag door naar ‘Temptation Island’.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234