Dwarskijker over 'Culture Club' en 'Tegen de sterren op': 'Doldriftige applausmeesters uit Tsjetsjenië'

Culture Club' zou beter gediend zijn van meer karakter, meer ruggengraat en meer kritische zin dan van crossmediale zijsporen.


Culture Club

Canvas – 10 maart – 88.959 kijkers

‘Als ik u voor één keer een filmtip cadeau mag doen: u moet echt naar ‘Sprakeloos’ gaan kijken. Héél straffe kost.’ Aldus Bart Schols, de gewaardeerde omroepjournalist, in ‘De afspraak’. Hij is, althans op het eerste gezicht, een beschaafde jongen die mij dan ook voor één keer een filmtip cadeau mocht doen. Het hoeft nu ook weer niet altijd een Bongobon te zijn, en dat wéét Bart. De veelbekroonde schrijver Tom Lanoye, die in dit praatprogramma met het grootste gemak de honneurs waarnam, kon het ons nog sterker vertellen: ‘De grote regisseuse Hilde Van Mieghem krijgt echt de credits die ze verdient,’ klonk het gul. ‘Ik was echt niet goed van die film,’ deed Bart Schols er nog een schepje bovenop, en hij trok er een toepasselijk gezicht bij: een uitdrukking die mij, een exponent van de joods-christelijke cultuur, aan Jezus in de hof van Gethsemane deed denken. Hoe het ook zij, de argeloze mediaconsument moest, vóór de eerste kritieken verschenen, kennelijk denken dat ‘Sprakeloos’ een onontkoombaar meesterwerk was, waar je volgens Tom Lanoye ook nog eens naar eigen goeddunken om mocht sniffen, maar dan wel op de gevoelige klanken van Jef Neve. Die week hoorde ik Tom Lanoye ook in de radiofonische dependance van ‘Culture Club’

(Radio 1) hoog opgeven van ‘Sprakeloos’, en in het televisieprogramma ‘Culture Club’ maakte de grote regisseuse Hilde Van Mieghem haar opwachting. Wat ze daar over ‘Sprakeloos’ en Tom Lanoye zei, had ze die ochtend al omstandig, en in nagenoeg dezelfde bewoordingen gezegd in ‘De bende van Annemie’, een ochtendprogramma op Radio 1 waar ik veeleer per ongeluk dan uit eigen beweging naar luister. ‘De buzz is geweldig,’ zei de regisseuse in ‘Culture Club’, en laat die buzz, een georkestreerd geluid, nu net de reden zijn dat ik die vrijdagavond al flink verzadigd was van ‘Sprakeloos’, terwijl die film nog niet eens uit was. ‘Mag het iets minder zijn?’ is een vraag die zelden in een slagerswinkel opklinkt. Een cultuurproduct dat net iets te gretig en op te veel fronten tegelijk gepromoot wordt, begin ik toch een tikje verdacht te vinden. Ik hoed me voor meesterwerken bij geruchte. Goddank zijn er nog een paar bekwame filmcritici.

Ook ‘Culture Club’, een programma waarvan ik een principiële voorstander ben, bleek ook nu weer een marktplaats zonder meer te zijn, terwijl ik er toch iets anders van verwacht. Als tweespraak vermomde promotiepraatjes zijn geen interviews, zoals sympathie ook geen liefde is. Willy Sommers, die ik langs deze weg groet, zong dat al in 1971, kun je nagaan. Hij had het naar verluidt van Socrates, maar dáár zong Willy dan weer niet over in dat liedje.

Tommy Wieringa, een schrijver die ik graag lees, mocht zijn nieuwe korte roman ‘De dood van Murat Idrissi’ navertellen. ‘Een plot is iets voor amateurs,’ sprak hij met stelligheid, ‘volstrekt onbelangrijk.’ Zoiets zeg je misschien wel als het bedenken van een plot niet je sterkste punt is, maar presentatrice Sofie Lemaire ging er niet op in. Langs de neus weg, nu ja, veeleer nadrukkelijk terloops, vertelde Tommy Wieringa dat hij zijn eerste auto, toen die onderweg te kaduuk geworden was, in Spanje eigenhandig in een ravijn had geduwd. Spontaan kwam de vraag ‘Verzin je dit nu ter plekke?’ in me op. Ze had vast een bezienswaardig effect gesorteerd in ‘Culture Club’.

Ik kikkerde op toen ik in ‘Culture Club’ de schilderijen van Rik Wouters zag oplichten: o, die helle wemelingen, die verhevigde zomers waar Nel, zijn bruid en muze, in schitterde, als was ze de zomer zelf en ook nog eens een zomerlief voor alle seizoenen. Zo ademstokkend intens ziet een kunstenaar, die zijn dood voelt naderen, wellicht dat laaiende jaargetijde: Rik Wouters stierf toen hij 33 was aan de gevolgen van kaakbeenkanker. Noem een menselijk onderdeel en je kunt er kanker aan krijgen. Ik denk dat je beter zwijgend in de klaterende kleurenpracht van Rik Wouters opgaat dan dat je er met een deskundige over praat.

Stef Kamil Carlens en zijn band speelden een delicate versie van de droefgeestige song ‘Sunday Morning’ van The Velvet Underground. De tijd rijt alle wonden nog wat meer open: het is intussen 50 jaar geleden dat de emblematische elpee ‘The Velvet Underground & Nico’, met de banaan van Warhol erop, aan ’s werelds cultuurpatrimonium werd toegevoegd. 50 jaar is de gemiddelde levensverwachting in Afghanistan. Kurt Overbergh, wiens adolescente enthousiasme ik wel mooi vind, legde die markante plaat en haar blijvende betekenis uit aan beginnelingen, waarna we een weinigzeggend gesprekje met producer Norman Dolph te zien kregen. In het voorbijgaan werden we naar het internetmagazine van ‘Culture Club’ doorverwezen, waarin Overbergh ter lering en vermaak in New York allerlei plaatsen aandeed die van betekenis waren in la vie de bohème van The Velvet Underground. Het is mij een raadsel waarom we die reportage niet op de televisie te zien kregen. Het televisieprogramma ‘Culture Club’, waar ik een trouwe kijker van wens te blijven, zou beter gediend zijn van meer karakter, meer ruggengraat en meer kritische zin dan van crossmediale zijsporen, bedenk ik ineens. Ziezo. Uit. Klaar. Punt.

'Hoewel ik Nathalie Meskens nog altijd van meer talent dan gemiddeld verdenk, komt het me toch voor dat ze maar beter spoedig kan breken met haar artistieke raadgevers'


Tegen de sterren op

VTM - 15 maart - 601.819 kijkers

Ik heb een sterk vermoeden dat ‘Tegen de sterren op’ in z’n 7de seizoen door een dal gaat, maar dan wel onder luid applaus. De bulderlach van het publiek, vast aangezwengeld door doldriftige applausmeesters uit Tsjetsjenië, is in de reguliere natuurkunde omgekeerd evenredig met de humor die in dit satirisch bedoelde programma nogal zoek is, de jongste tijd.

De makers van ‘Tegen de sterren op’ willen in dit 7de seizoen zodanig actueel zijn dat ze zo te zien geen tijd hebben om sommige sketches bijtijds te deleten. Nu de populaire komiek Philippe Geubels, ongetwijfeld om puur artistieke redenen, VIER voor bekeken houdt en emplooi heeft gevonden bij de openbare omroep, moest Nathalie Meskens nog maar eens een fondsbril opzetten en een gummi kaalkop aantrekken. Dat was al geen aanradertje toen ze het voor het eerst deed, buiten carnavalstijd. De sketch zelf was een schoolvoorbeeld van een heilloze onderneming: we zagen die ontoereikende imitatie van Geubels achtereenvolgens als nieuwslezer van de VRT en als plaatsvervanger van weerman Frank Deboosere, en we zagen hem ook wezenloos in ‘Thuis’ en in ‘Beau Séjour’ opduiken. Laat ik, om niet in details te hoeven treden, zeggen dat de kwaliteit van meet af aan te wensen overliet. Aan het eind van deze aflevering zou Nathalie Meskens, bij wijze van klapstuk, snel na elkaar een snoer van zangeressen imiteren – vrouwen die de afgelopen honderd jaar op wereldschaal van belang zijn geweest in de populaire muziek. Toen ze inzette met Billie Holiday trok er al een huivering door me heen, en toen ze aan Aretha Franklin toe was, riep ik: ‘Niet doen! Niet dóén! Of de bliksem zal je treffen!’ Hoewel ik Nathalie Meskens nog altijd van meer talent dan gemiddeld verdenk, en haar al sinds ‘Kaat & co’ een aardige meid vind, komt het me toch voor dat ze maar beter spoedig kan breken met haar artistieke raadgevers. Haar potpourri – het publiek klapte natuurlijk uitzinnig – riep beelden op van een gevorderd personeelsfeest waarop een directiesecretaresse haar zanglust botviert, en daar ten overstaan van haar tipsy collega’s, die alles goedvinden, net iets te lang mee doorgaat.

In elke aflevering catchen twee personages met elkaar in een rubriek die ‘Star War’ heet: dit keer namen Marc Wilmots, zeg maar Ivan Pecnik, en Thibaut Courtois, zeg maar Guga Baúl, het tegen elkaar op. Er kwam humor van waar je kort na je 9de verjaardag klaar mee hoort te zijn.

In de rubriek ‘Tête à tête’ voerde Chris Van Espen in de rol van Sam Gooris een gesprekje met de echte Sam Gooris: dat kon ermee door, als ik rekening houd met de rest van het aanbod, maar ik vraag me af of een satirisch imitator niet op slag ontzenuwd is als zijn mikpunt hem haast in de armen valt. Zo horen ze volgens mij niet getrouwd te zijn.

Guga Baúl, de beste stemmenimitator sinds de uitvinding van de bandrecorder, had ook een gummi kaalkop aangetrokken teneinde zich over Theo Francken vrolijk te maken, maar stemtechnisch echode hij dit keer minder raak dan gewoonlijk, en dan zwijg ik nog over zijn tekst. De persiflage op De Romeo’s, die in hoogsteigen persoon ook al naar de persiflage zwemen, is intussen versmald tot drie dom lachende showkostuums op zoek naar een geestig groepsgesprek. En de Johan Stollz van Walter Baele was eigenlijk Willy Naessens die zich in een onbewaakt moment Johan Stollz waande. Ik denk dat ‘Tegen de sterren op’ stilaan aan een zelfparodie toe is, of zijn ze daar al mee begonnen?

Is er zelfgenoegzaamheid in het spel? Gebrek aan zelfkritiek wegens groot succes? Zijn de sketchschrijvers afgetobd? Of zijn de makers van ‘Tegen de sterren op’ er zeer van overtuigd dat het ruime publiek niet piekert over mijn idee van kwaliteit? Het kost me geen moeite om hun daarin gelijk te geven.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234