Dwarskijker over 'De helden van Arnout' , 'Bargoens' en 'Bake Off Vlaanderen'Klapstuk van het noodlot

Je zou Haubens aanpak verlicht amateurisme kunnen noemen, maar dan professioneel.


De helden van Arnout

Eén – 28 augustus – 649.958 kijkers

Vóór het lineaire televisiekijken, de papieren weekbladpers en ik helemaal uit de tijd zijn – nog even geduld – wil ik op de valreep en in druk nog een stuk of wat lineaire tv-programma’s met mijn gouden strot bezingen, en wel als volgt: ‘Wat is een held? Iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest’ zegt het personage Labare in ‘De donkere kamer van Damokles’, een roman van Willem Frederik Hermans. De zogeheten millennials, de in merg en been gedigitaliseerde smaakmakers en spelbepalers van vandaag, lezen Hermans hoogstwaarschijnlijk niet meer. Lezen is gewoon comakijken, maar dan in een boek.

Te oordelen naar zijn jongste programma maak ik me sterk dat Arnout Hauben een held met aanzienlijk minder scepsis definieert dan Labare op inblazing van Hermans. In de eerste aflevering van ‘De helden van Arnout’ riep hij de lotgevallen van Joseph Abbeel voor de geest, een man die in de Franse tijd als loteling in de legerscharen van Napoleon dienstdeed, toen die gelederen in aldoor barder winterweer tegen Rusland optrokken. In hartje Vrasene vroeg Arnout Hauben aan enkele toevallige voorbijgangers, lieden die boften dat ze Luc Haekens niet troffen, of ze ooit van de brouwerszoon Joseph Abbeel hadden gehoord. Neen, maar één van die Vrasenaren kon een andere Vrasense brouwer bij zijn naam noemen, een man die óók een zoon heeft, en Arnout Hauben ging, wellicht uit vrees voor nog meer couleur locale, snel tot de orde van de dag over. Die kwam neer op een procedé dat me intussen vertrouwd is: in een ongekunstelde, doe-het-zelverige sfeer drijven Haubens programma’s op elementaire nieuwsgierigheid, vertellerschap, non-conformistische padvinderij en voettochten bezijden de platgetreden paden. Je zou zijn aanpak verlicht amateurisme kunnen noemen, maar dan professioneel. Als hij op dreef is, doet Arnout Hauben me altijd weer aan een bevlogen onderwijzer denken, aan wie zijn leerlingen als ze stokoud en tot in hun details verrimpeld zijn, nog steeds dierbare herinneringen koesteren, voor zover ze zich tegen die tijd nog iets herinneren.

Vergezeld van Jasper, een cameraman die op z’n tijd van een geintje houdt, en een meisje dat buiten beeld ijlings Russisch in Nederlands kon omzetten, trad Arnout Hauben in de voetsporen van Joseph Abbeel, die naar Moskou zouden leiden. En route citeerde hij met veel inleving uit de memoires van Abbeel. We vernamen dat de cavalerist aan één stuk door honger en dorst leed en onder de vlooien en de luizen zat. Na een krijgsverrichting waarbij 70.000 doden vielen, moest hij het met een door twee kogels doorboorde hand zien te redden; de natuur ging onverdroten haar gang en in zijn etterende schotwonden voelden zich na verloop van tijd een handvol maden thuis. Om hem heen pasten de Russen, die er waarlijk zin in hadden, de tactiek van de verschroeide aarde toe. In dat inferno moest Abbeel ook nog zijn paard afstaan, en een cavalerist zonder ros is al snel een richtingloze voetganger die vermoedelijk nog het liefst bij moeder thuis was gebleven, waar hij vast minder had geklappertand dan op een walmend slagveld waar Kozakken in galop raak hieuwen, zoals het elitetroepen betaamt. Ziedaar mijn eenvoudige voorstelling van de gemiddelde held in de oorlogsvoering van weleer.

Zoals gebruikelijk is in zijn programma’s, sloeg Arnout ook in ‘De helden van Arnout’ zijpaden in waarop hij even halt hield bij bijvoorbeeld een oudere Rus, die zich op het platteland tussen Smolensk en Moskou aan de kant van een stille weg stond af te vragen wat die drie vreemdelingen in zijn particuliere belangstellingssfeer te zoeken hadden. Ik heb al vaker gemerkt dat Arnout Hauben zich bewust is van zijn fidele uitstraling en daar langs z’n neus weg zijn voordeel mee doet. Als ik in den vreemde, in een streek waar mijn idee van beschaving niet langer opgaat, ergens na zonsondergang aanklop omdat ik de weg kwijt ben, dan kan ik me maar beter instellen op de inhoud van een nachtemmer die me vanuit een raam op de eerste verdieping aanvloeit, terwijl er hels gefoeter in een erg plaatselijke taal opklinkt. Dat heb je dan met míjn uitstraling. Arnout Hauben knoopt, zelfs al heeft hij er een tolk bij nodig, erg makkelijk een praatje met Jan en alleman aan. Het duurde niet lang of de oudere Rus aan de kant van de stille weg gaf zijn levenslange zere plek bloot: zijn twee kleine dochtertjes werden in de jaren 70 doodgereden, toen er op de stille weg nog zo goed als geen verkeer was. Maar dat was nog niet genoeg – het noodlot heeft vaker een klapstuk achter de hand: vijf jaar geleden werd zijn echtgenote op diezelfde weg doodgereden. Geen auto reed voorbij tijdens dit gedempte gesprek waarin het ongeluk van die oudere Rus vreemd genoeg naar zwarte humor zweemde. Daarna knoopte dit programma doodleuk weer aan bij het wedervaren van Joseph Abbeel, die in zijn memoires schreef dat hij als de dood was voor de wrede Kozakken. Het duurde niet lang of Arnout Hauben en zijn gezelschap zaten aan bij een hedendaagse Kozak en zijn familie. Daar kwam een scène van die je in haast alle documentaires en reportages over het leven in het hedendaagse Wilde Oosten ziet: er wordt gastvrij en vooral onbekrompen wodka geschonken onder het uitstoten van steeds harder klinkende heilwensen. Dat iemand uitgerekend in die roezige sfeer, die zowel in een vechtpartij als in ontroerende samenzang kan omslaan, ineens een vervaarlijk automatisch geweer bovenhaalde en ter bewondering doorgaf, vond ik ook typisch. De Kozak bleek een veteraan van de Tweede Tsjetsjeense Oorlog. ‘Volgens mijn vrouw, die psychologe is, ben ik niet getraumatiseerd,’ zei hij. Ik hef graag het glas op vrouwelijke psychologen, nog het liefst tijdens de therapie.

Hoewel de troepen van Napoleon flink op hun lazer kregen in Rusland, wist Joseph Abbeel te ontkomen. Toen hij eenmaal heelhuids de overkant van de Berezina had bereikt, kon hij zó terug naar Vrasene, altijd rechtdoor, in westelijke richting. Die roemloze terugtocht lijkt me een al even grote beproeving als de hachelijke opmars naar Moskou, maar Arnout Hauben was er merkwaardig kort over, op het wegwuiverige af, wat ik vooral komisch vond. Hij zei tot slot dat zijn teruggekeerde held het ambt van schoolmeester aanvaardde in Vrasene: voorwaar een verrassende wending na alle oorlogsgruwel die voorafging. ‘Vertel nog eens over die gaten in uw hand, meester, en over de maden die erin kronkelden.’ Nu ja, schoolkinderen durfden dat in die tijd vast niet te vragen. En een posttraumatische stressstoornis had aan het begin van de 19de eeuw nog geen naam. Ik maak me op voor de tweede aflevering van ‘De helden van Arnout’.


Bargoens

Eén – 29 augustus – 454.115 kijkers

De titel – ‘Bargoens’ – is Bargoens voor dieventaal. Als titel van dit televisieprogramma staat Bargoens luidens de bijbehorende internetpagina voor een taal ‘die gesproken wordt door mensen die door niemand worden begrepen’. Dat zal wel niet louter aan hun slordige articulatie liggen, neem ik aan. In ‘Bargoens’ gaat nu ook weer niet zó toevallig ook Goens schuil, de naam van de onverschrokken doordouwer om wie dit programma óók draait. Het adjectief ‘bar’, dat aan Goens voorafgaat, betekent onder andere cru, ongehoord en grof. Maar laat ik het, vooraleer ik me aan nog meer speculatieve semantiek te buiten ga, snel over het programma zelf hebben. We zagen een hond van het lobbesachtige type op een zitbank liggen; hij sluimerde en droomde mogelijk dat hij op een zitbank lag te sluimeren. Buiten beeld klonk een onbestemd maar veeleer verontrustend gerucht op. De camera keerde de blik naar rechts en bleef stilstaan bij een ziekenhuisbed dat in een huiskamer stond. Een dubbelgevouwen, verwrongen gedaante lag erin te kermen. Op slag begreep ik dat die man haast verrekte van de pijn. Om hem heen lag een waaier van doordrukstrips; hij had zijn gezicht in een ademmasker geperst, dat zo te zien niet de minste verlichting bood. In wanhoop sloeg hij zichzelf op het hoofd, waarna hij radeloos met dat hoofd tegen de muur begon te bonken. Deze scène was niet om aan te zien en deed me dan ook denken aan iets dat ik ooit over snuffmovies heb gelezen. Niettemin moeten beleidsmakers ter hoogte van de Reyerslaan, die weten wat goed voor ons is, gedacht hebben dat dit beeldmateriaal geknipt was voor primetime op Eén. En ik, naïeveling, maar denken dat de openbare omroep een zendgemachtigde is die een zekere terughoudendheid nastreeft, eventueel verwant aan fijngevoeligheid en empathie.

De uitzichtloze, tot stervens toe gekwelde man was Peter, een dertiger, echtgenoot en vader, die aan clusterhoofdpijn en ondraaglijke zenuwpijn leed en tussen de tien en de vijftien aanvallen per dag te verduren kreeg. Hij had al 29 hersenoperaties ondergaan, de ene al vergeefser dan de andere. Ik hoefde de praktijk van zijn lijden niet te zien om me er iets bij te kunnen voorstellen. Toen zijn pijn breeduit op de televisie vertoond werd, voelde ik me in de rol van onbevoegde en verwerpelijke pottenkijker gedwongen, wat kwalijk is. Vlak bij het ziekenhuisbed waarin Peter toen de pijn een weinig week ‘Ik ben op, man’ kermde, in de linkerbenedenhoek van het beeld, glom het aangesneden hoofd van Eric Goens op. Er kwam tekst uit: ‘Zelfs de hond schrikt er niet meer van op.’ Het klonk alsof de onverbiddelijke programmamaker niet ontevreden was over die opmerking.

De barre binnenkomer – botte effectmakerij en een inbreuk op zijn intimiteit – waarvoor Peter ongetwijfeld zijn toestemming heeft gegeven, bracht dit programma uit balans en verpestte in één moeite door mijn kijk op de rest ervan. Aldus ontstemd, en zelfs enigszins van mijn stuk, zag ik nog meer mensen aan die een gevecht moesten leveren om zich min of meer staande te houden – die dagelijkse strijd is het thema van deze programmaserie. Eén van hen was de schrijver Pieter Aspe, die ontredderd en onthand was na de dood van zijn echtgenote. In zijn eigen flat maakte hij een ontheemde indruk. Hij kwam ook niet meer aan schrijven toe en vulde, om de indruk te hebben dat hij iets deed, de vaatwasser extra traag. Noem het een dagtaak. Die verlorenheid in een erg vertrouwde omgeving was al pakkend genoeg, maar toen had Eric Goens het strategisch over ‘de ongelofelijke schoonheid én de tragiek van mensen die over de dood heen van elkaar blijven houden’, waardoor Aspe geheel naar wens volschoot. Zout in de wonde zal wel een legitieme interviewtechniek zijn, maar ik houd er niet van.

We maakten ook kennis met twee gevangenen die onder invloed van speed iets hadden uitgevreten waar een celstraf van 20 jaar op staat. Terwijl ze boerenwerk verrichtten in het penitentiair landbouwcentrum van Ruiselede, hadden ze weer uitzicht op invrijheidstelling: één van hen leek nog steeds last te hebben van het verlangen om iemand ongevraagd en zonder onderscheid des persoons een ram voor z’n harses te geven, maar hij beloofde beterschap.

In Antarctica stelde ik meer belang in de panoramische beelden van het smeltende landschapsschoon dan in Alain Hubert, die namens zijn International Polar Foundation tegen de Belgische staat vocht, omdat hij op beschuldiging van financiële malversaties en belangenvermenging uit de beleidsraad van de Prinses Elisabethbasis was gezet. Het is me bekend dat hij intussen weer een akkoord gesloten heeft met de overdreven Vlaamse staatssecretaris Zuhal Demir. En Pieter Aspe schrijft tegenwoordig weer 1.200 woorden per dag – hoeveel zou hij er bij het reviseren schrappen? Wellicht zal er in ‘Bargoens’ gaandeweg hoop gloren voor al deze mensen, misschien zelfs ook voor Peter, die zei dat de pijn afnam, of toch draaglijker werd, toen hij een tijd geleden in Spanje vakantie vierde. Maar evengoed was de eerste aflevering zo nadrukkelijk deprimerend dat ik er het belang van het programma dat erop volgde door inzag: ‘De club’, een onstuimig vrijgezellenfeest voor getrouwde of anderszins in een vaste relatie verwikkelde vrouwen. Veel gekker hoeft het voor mijn part niet te worden.

'Ik acht het niet onmogelijk dat een aflevering van 'Bake Off Vlaanderen' me goed zou uitkomen mocht ik bijtrekken van een griepje of anderszins murw zijn'


Bake Off Vlaanderen

VIER – 30 augustus – 334.434 kijkers

‘Suiker: de sluipmoordenaar’: zoiets heb ik vaker gelezen in artikels waarin iemand met wetenschappelijke argumenten het ergste voor de volksgezondheid vreest. Die sluipmoordenaar, ook wel stille doder genaamd, heeft allerminst belet dat ‘The Great British Bake Off’ (BBC) een geheide televisiehit is in het Verenigd Koninkrijk en ‘Heel Holland Bakt’ (NPO) een kijkcijferkanon in Nederland. In het Tochtgat aan de Noordzee is het dan weer de commerciële televisie die deze onloochenbare succesformule aan het ruime publiek aanbiedt. ‘Bake Off Vlaanderen’: ‘Heel Vlaanderen bakt’ klonk ongetwijfeld te Nederlands voor luitjes die te pas en te onpas ‘Oh, my Gawd!’ roepen.

Dit programma speelt zich op het domein van het kasteel van Villers in Schoten af, een fraai aangeharkte groene omgeving die televisiemakers tot duizelingwekkende dronebeelden noopt en tot lieftallige tussenshots van duikelende eendjes in de parkvijver. Het hemelse licht waarin ‘Bake Off Vlaanderen’ baadt, zie je niet zelden ook op trouwfoto’s in de etalage van fotowinkels in de provincie, alsook tijdens verschijningen van de Heilige Maagd.

De gewaardeerde acteur Wim Opbrouck speelt lichtvoetig en schalks voor leidinggevende gastheer in dit programma en daar zal hij vast wel een artistieke reden voor hebben. We maakten ook kennis met twee juryleden: meesterbanketbakker Herman Van Dender is ook iets hoogs in de chocolade, en daarbovenop hofleverancier. Toch even Laurent bellen straks. Hoezeer mijn ziel ook vereelt mag zijn, toch voelde ik meteen een zwak voor Regula Ysewijn, die blijkens de website van dit programma over eten schrijft en ook beslagen is in de geschiedenis van voedingsgewoonten en eetcultuur. Dwangmatige roepers van ‘Oh, my Gawd!’ konden op de site van ‘Bake Off Vlaanderen’ lezen dat ze een foodwriter en een food historian is. Regula Ysewijn: alleen al haar patricische naam uitspreken is me een genoegen. Haar elegante voorkomen doet me denken aan fotomodellen die omstreeks Expo ’58 in tijdschriftadvertenties het nieuwste modelletje roerzeef, de Atomic Food Mill, luister bijzetten. De kijkers vernamen dat ze heel erg blij wordt van gebak. Dan was ze potverdorie bij ‘Bake Off Vlaanderen’ aan het juiste adres.

In het deelnemersveld school, naar de eerste aflevering te oordelen, geen kwaad. Nu ja, de ene kandidaat was er al iets meer van overtuigd dat hij voor de televisie geboren was dan de andere, maar dat is veeleer gebruikelijk in programma’s waarin kijkers televisiesterren kunnen worden. Ik zag hoe bijvoorbeeld rolcakes tot stand kwamen en leerde dat ‘een rolcake perfect opgerold moet zijn om de naam rolcake te verdienen’ en dat je, wat er ook gebeurt, de rijs- en baktijden goed in het oog moet houden. Fijn, ik schat bakken niet gering, maar aldoor bleef ik een buitenstaander die zich afvroeg wat er op dat uur nog zoal te zien was op de televisie, en of hij niet beter in Boenin voort zou lezen. Ondanks de hartverheffende aanwezigheid van Regula Ysewijn, lijkt het me weinig waarschijnlijk dat ik een vaste afnemer van dit programma zal worden. Ik hoed me voor het klassieke ouderdomskwaaltje dat gemeenzaam vertrutting heet, maar ik acht het niet onmogelijk dat een aflevering van ‘Bake Off Vlaanderen’ me goed zou uitkomen mocht ik bijtrekken van een griepje of anderszins murw zijn. Het internationale succes van dit programma kan ik niet afdoende verklaren, maar het zou me niet verbazen dat het iets met vredigheid en vriendelijkheid te maken heeft. Het is een afvalwedstrijd en de eerste Vlaamse afvaller bleek al meteen een voorbeeldige verliezer, die het uit de grond van zijn hart een hele eer vond dat hij had mogen deelnemen.

‘Heel Noord-Korea bakt’ bedenk ik ineens. Donald J. Trump zou die titel stellig heel anders opvatten dan ik.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234