null Beeld

Dwarskijker over 'De Leuvense scene', 'Ukrainian Sheriffs' en 'Kinderen van de collaboratie': 'Herinneringen aan de haardstede'

Ver van de bebouwde kom betrok Jean-Marie Aerts een onderkomen boerderij mét vrijstaand kakhuis.

undefined

null Beeld


De Leuvense scene

Canvas – 16 november – 58.163 kijkers

Jan Delvaux, die enigszins bekend hoort te zijn van de meestal vermakelijke rubriek ‘De Dikke Delvaux’ in ‘Allez Allez’ op Radio 1, verdiept zich sinds jaar en dag in de geschiedenis, of toch in de petite histoire, van de Belgische popmuziek. Voor die mengelmoes van muzikale strekkingen heeft de vroegere radiomaker Gust De Coster in zijn apenjaren ooit de term Belpop bedacht. Langs de neus weg groet ik onderhavige Gust hartelijk. Belpop is naar mijn aanvoelen een onbestemde verzamelnaam die al sinds hij Gust voor het eerst van de lippen vloot een ironische bijklank heeft. Maar dat kan geheel aan mij liggen.

Tijdens zijn nooit eindigende research stiet Jan Delvaux, die ook een anekdotejager is, op enkele groepsfoto’s in zwart-wit die Jan De Vijver op 29 april 1973 in Leuven had gemaakt. Er staat een drom jongelui op, die achteraf bekeken, nadat er al doden waren geteld, als de ‘Leuvense scene’ bekend zou staan, en tevens als het klantenbestand van een stuk of wat cafés waar zo’n scene graag steun zoekt bij de tapkast. Het betrof een ongelijksoortige zwik muzikanten, die in de omgang Jokke of Frakke heetten, of anders – er is geen el van gelogen – Lange Polle. En als je al sinds je geboorte Armand Hombroeckx was, dan luisterde je, nadat je greep had gekregen op de elektrische gitaar, toch liever naar de naam Big Bill Krakkebaas, zeg maar Big Bill, want dat ‘Krakkebaas’ is – ik wik mijn woorden – nogal kut.

Die groepsfoto’s van Jan De Vijver waren een mooi uitgangspunt voor een zoektocht naar een verzonken tijd, waar de voormalige kroegbaas Flor Dewit, die God weet waarom als Dikke Flor bekendstond, nog met animo over kon meepraten: er werden in die vroege jaren 70 in het café hele elpees van Chick Corea gedraaid zónder dat de zaak prompt leegliep. Men schreef liever powezie dan poëzie in die epoque, en men deinsde niet terug voor een bandnaam als Freakadel. Dikke Flor, zal ik maar zeggen, wist ook ‘dat iedere muzikant en iedere interessante mens uit die tijd lichtelijk alcoholistisch was.’ Maar intussen, lang voor de huisarts bij deze en gene leverinsufficiëntie vaststelde, werd in die ongetwijfeld natte gemeente, zij het met vallen en opstaan, toch werk gemaakt van de professionalisering van de Belgische popmuziek. Wars van kleinkunst in het Nederlands zingen, op de tonen van elektrische rock-’n-roll, was een diep verlangen van Raymond van het Groenewoud, die in die tijd een uitweg zocht uit de begeleidingsband van Johan Verminnen, waar ik overigens uitstekende herinneringen aan heb. Hij probeerde zijn toekomst eerst uit met Louisette – ‘Maria, Maria, ik hou van jou’ – en later met Bien Servi, waar gitarissimus Jean-Marie Aerts een stuwende kracht in was. Vandaar dat Van het Groenewoud zich in die tijd geregeld in Leuven ophield, ’t is te zeggen in Kessel-Lo, waar Aerts, aan de Vossenweg, ver genoeg van de bebouwde kom, een onderkomen boerderij mét vrijstaand kakhuis betrok. Van daar uit bracht hij weleens koeien aan het schrikken met de volumeknop op tien, net zolang tot de zekeringen het weer eens begaven. Als onomkeerbare romanticus vond ik de herinneringen aan de haardstede van de aldoor gedreven Jean-Marie Aerts het mooist in deze documentaire. In die net niet onbewoonbare boerenstulp werden, tussen de jamsessies door, voortdurend nieuwe plannen gesmeed: het was een mythisch locatie voor al wie er toen bij was, en – ik maak me geen illusies – voor niemand anders, als ik mezelf even buiten beschouwing laat.

De naam van Jean-Marie Aerts viel herhaaldelijk in deze documentaire. Hij was zowel een gangmaker als een kwaliteitsnorm in die Leuvense scene. Lange Polle, die ik Paul Van Bruystegem mag noemen, zei dat hij als aankomende muzikant, of als jongen die ervan droomde om ooit muzikant te worden, weleens naar de stulp van Jean-Marie Aerts fietste om er van een afstand te horen met welke muziek de gitarist zoal doende was. Op een dag dreunde hem een hoekige, metalige, willens en wetens vierkant draaiende voorstudie van T.C. Matic tegemoet: ‘Iemand leek braakgeluiden te maken. Dat was geen muziek. Jean-Marie heeft te veel gedronken, dacht ik.’ Later zou Van Bruystegem anders over dat lawijt gaan denken.

Er waren weinig vooraanstaande meisjes te bekennen in de Leuvense scene, tenzij dan Viona Westra, de zangeres van Mad Curry. Ben ik de enige die vergeten is dat die band destijds als ‘supergroep’ werd verkocht? Het zou me niet verbazen. De styliste Lien Degol, die in deze documentaire voor de contrastwerking naast Big Bill had plaatsgenomen, bleek in de jaren 70 een it-girl in Leuvense muzikanten-kringen te zijn geweest. Ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Lien Degol stond toen bekend als Lien van De Kantien, omdat haar ouders een horecazaak dreven die De Kantien heette. Over de middenstand gesproken: Paul Rans, van de tijdloze folkgroep Rum, moest zich in de plaatselijke scene dan weer in de naam Polle Jambona schikken, omdat de slagerij van zijn ouders veelzeggend Jambona heette. Dat soort werk.

Dit tijds- en sfeerbeeld had over het algemeen beknopter gekund, maar was voor de rest een aardige documentaire over een samenloop van jongelui die ter hoogte van Leuven een stroomversnellinkje in de Belgische popmuziek hebben teweeggebracht. Maar wellicht ging ‘De Leuvense scene’ nog het meest over mensen die jong waren in de jaren 70, en intussen oud genoeg zijn om meer dan ooit in de mythes van hun jeugd te geloven.

undefined

null Beeld

undefined

'Het leven in dat Oekraïense gat ging gewoon door. Iemand zette een pot hondenvlees op het vuur'


Ukrainian Sheriffs

Canvas – 19 november – 57.273 kijkers

Om de banden met het Wilde Oosten aan te halen, wil ik wel even op een stoel gaan staan en ‘Leve het wonderschone Oekraïne!’ roepen, maar na het zien van ‘Ukrainian Sheriffs’ dacht ik niettemin dat ik het leven in een Oekraïense negorij liever in een documentaire meemaak dan aan den lijve. In deze rauwe tranche de vie van Roman Bondarchuk mochten we vrijblijvend meelopen met twee manspersonen die met toestemming van hun plaatselijke gemeenschap voor sheriff speelden. De ene ordehandhaver was een primaire bonk in camouflagekleren, de andere, pezig en besnord, zag eruit als iemand aan wie zo’n bonk in de natuurlijke orde der dingen moet gehoorzamen. Dit tweetal verplaatste zich in een wrakke Lada, een walmend, vuilgeel vehikel waarop de vlag van Oekraïne wapperde. Het dundoek knapte onderweg weleens af, niet noodzakelijk tijdens een drieste achtervolging. ‘Ach, laat maar,’ zei de ene ordehandhaver dan tegen de andere, en ze tuften doodleuk huns weegs.

Tijdens het handhaven van de orde liepen ze bij een persoon aan die ze een zwerver noemden. Die vergrauwde, geheel verzopen man, die naar verluidt de kwaadste niet was, woonde met zijn vrouw in een bouwsel ter grootte van het gemiddelde Mariakapelletje langs Vlaamse wegen. Hij zag er vast jaren ouder uit dan hij was. Zijn deerniswekkend vrouwtje, een schrale gedaante, dook naast hem op: haar gezicht zag er gehavend uit, geschaafd en gebutst, want de zwerver stond om zijn losse handjes bekend. Het vrouwtje kermde dat hij de laatste tijd goed voor haar was. Hoe het ook zij, de zwerver kreeg opbeurend nieuws te horen: er was hem een nieuwe half verkrotte woning toegewezen, maar eerst moest hij beloven dat hij nooit meer honden zou opeten. Hij bezwoer de ordehandhavers dat hij zich zou beheersen, al wist hij zeker dat je van tuberculose gevrijwaard bleef als je je op tijd en stond te goed deed aan een hond of een wasbeer. Gezondheidsadvies sla ik nooit in de wind.

Ergens in een bewoonde bouwval troffen de plaatselijke ordehandhavers het lijk van een naakte man aan in een bloedplas die er niet om loog. Een beetje sheriff vermoedt bij die aanblik uiteraard kwaad opzet, maar na verloop van tijd kon het tweetal ons geruststellen: het was een ongeluk geweest. De man in kwestie had geprobeerd z’n tanden eruit te wrikken met een schroevendraaier, en toen dat niet lukte, had hij ze eruit willen rammen met een stok. Er was kennelijk iets misgelopen. Hoe de sheriffs dáár achter waren gekomen, wisten ze vast ook niet. In het voorbijgaan vernamen we dat je altijd de benzine van de politie moest betalen als je de hulp van die dienders nodig had. Had je daar geen geld voor, dan kwamen ze niet, zelfs al verkeerde je in doodsnood. Wie in dat dorp niet straatarm was, had het, om het zacht uit te drukken, niet breed.

Een gespannen man met een vaste betrekking zat hele dagen op een hoge uitkijktoren de horizon af te turen. Af en toe meldde hij in een walkietalkie dat alles veilig was. Uit zijn transistorradio kwamen krakende berichten over het Oekraïens-Russische conflict, de nare achtergrond waartegen deze documentaire zich afspeelde. De oorlog was nog ver weg, maar sommige weerbare mannen in het dorp stonden paraat, terwijl andere een oproepingsbevel niet met vreugde tegemoet zagen. Beetje bij beetje werd de tegenstelling tussen pro-Russisch en anti-Russisch voelbaar in dat gat, maar het leven ging er alsnog gewoon door. Ergens zette iemand die tuberculose wilde voorkomen een pot hondenvlees op het vuur.

‘Ukrainian Sheriffs’ mag dan wel aan het werk van Aki Kaurismäki en de gebroeders Coen doen denken, maar je zit er toch net ietsje minder comfortabel naar te kijken dan naar grimmige fictie. Als westerling, die zich al eens met een poëziebundel heeft laten betrappen, voelde ik me bepaald week en kwetsbaar na het zien van deze overigens erg geslaagde documentaire. Een wodkaatje dan maar.

undefined

null Beeld


Kinderen van de collaboratie

Canvas – 21 november – 429.056 kijkers

Naar het kijkcijfer van ‘Kinderen van de collaboratie’ te oordelen, is de Duitse bezetting tussen 1940 en 1944 in de gedachten van menigeen een blijvertje, ook in de geest van lieden die ruimschoots ná WO II ter wereld kwamen en op zoek naar onbeheerd kleingeld nooit een SS-uniform in vaders kleerkast hebben aangetroffen. Zij hebben dan ook makkelijk praten over goed of fout zijn in de onverkwikkelijke bezettingsdagen, waarin België uiteenviel in zwart en in wit, nu ja, de Belgische bevolking vertoonde nog het meest alle mogelijke grijswaarden daartussenin. Zegt de Bijbel immers niet: ‘Red vooral je eigen hachje’? Nu ik er even bij stilsta: neen, dat zegt de Bijbel niet.

De meestal door het Vlaams-nationalisme geïnspireerde collaborateurs die in ‘Kinderen van de collaboratie’ ter sprake kwamen, naar verluidt idealisten, dachten dat de Duitse bezetter hen aan het Dietsland van hun dromen zou kunnen helpen – alle dagen vendelzwaaien – maar gelukkig kwam er niets in huis van dat Derde Rijk. ’t Kon stervenskoud zijn aan het Oostfront, en wat zal het beloofde Dietsland er ineens wel heel ver weg hebben geleken. Terwijl hun neus eraf vroor, begon het bij sommige idealisten door te siepelen dat ze mogelijk misleid waren door weer andere bevlogenen. Zulke idealisten waren ook weleens je reinste schoften, die maar al te graag met een erg fout uniform pronkten terwijl ze afgeladen sportpaleizen toebulderden in de trant van Dolf naar wie een snor is genoemd. Hoe het ook zij, het lijkt mij onbeschaafd om hun schuld 73 jaar na de Bevrijding naar hun kinderen door te schuiven. Laat staat dat je die kinderen, die onderhand zelf op jaren zijn, op één of andere manier de fouten van hun ouders zou nadragen.

De zoons en dochters van collaborateurs die zich in deze programmaserie nader verklaarden, leken over het algemeen afgerekend te hebben met de beginselen van hun ouders. De ene was al meer van zijn voorgeschiedenis genezen dan de andere, maar zo te zien kostte het sommigen niet zoveel moeite om publiekelijk te zeggen dat hun collaborerende vader na de oorlog zijn verdiende straf had gekregen. Die vaders waren volgens hun kinderen niet noodzakelijk tot inkeer gekomen nadat ze hun straf hadden uitgezeten. De schrijver en diplomaat Herman Portocarero, wiens vader tot zijn laatste snik de Holocaust ontkende, vond dat de repressie ‘geen blinde wraak van de Belgische staat’ was geweest, terwijl een paar andere getuigen zich juist met een verbeten trek om de mond van België afkeerden, een houding die ze ongetwijfeld met hun collaborerende ouders gemeen hadden, for old times’ sake. De actrice Rosemarie Bergmans zei dat het voor haar altijd al moeilijk was geweest ‘om België als land te accepteren,’ en daarom had ze zich metterwoon in Griekenland gevestigd. Ginds voelde ze zich thuis, omdat ze er voor het eerst een leven kon leiden dat ‘niet door haar ouders was bepaald’. De vader van Rosemarie Bergmans, een oostfronter, werd kort na de Bevrijding geëxecuteerd, nadat prins Karel, de regent van België, zijn gratieverzoek had afgewezen. Zijn terechtstelling had ervoor gezorgd dat zijn dochter voorgoed tegen de doodstraf was. Voor mijn generatie, die in haar naoorlogse kindertijd volkomen opging in de jeugdserie ‘Johan en de Alverman’, zal Rosemarie Bergmans altijd wel Rosita de Bobadila blijven, de geliefde van Johan. Die serie werd in 1965 uitgezonden, het jaar waarin The Beatles en The Stones, samen mijn basispakket, zoetjesaan tot mij doordrongen. Ik was 10 en WO II was toen al – of nog maar? – twintig jaar geleden.

‘Kinderen van de collaboratie’ opent telkens weer met archiefbeelden waarin je de verschrikkelijke straatterreur van de nazi’s ziet: misselijkmakende taferelen. In deze aflevering zaten beelden van de zogeheten volksrepressie, een tijdelijke staat van wetteloosheid die wat wreedheid en ploerterij betreft niet hoefde onder te doen voor het geïnstitutionaliseerde geweld van de nazi’s: het vermeende goede nam een voorbeeld aan het kwade. Hondsvotten, die er in die eerste naoorlogse weken niet aan twijfelden dat ze aan de goede kant stonden, schoren grijnzend vrouwen kaal, nadat ze die eerst een hakenkruis in het voorhoofd hadden gekerfd. Die vrouwen hadden in de liefde met een Duitse soldaat gecollaboreerd. Voor dat uur der wrake, een braakwekkend schouwspel, was een grote menigte uitgelopen. Ik heb altijd al gewalgd van volksgerichten en ‘Kinderen van de collaboratie’ brengt me dienaangaande niet tot andere gedachten. Terloops zorgt deze documentaireserie er ook voor dat ik op mijn hoede blijf voor allerhande idealisme, en nog meer voor geestdrijvers die zich daarop laten voorstaan.

Niets belet me om het even over de esthetiek van ‘Kinderen van de collaboratie’ te hebben: de tekeningen van Joost Jansen, die de sfeer van dit programma bijkleuren, lijken voorproefjes van een graphic novel die ik graag zou lezen. Zijn coloriet – roodbruin, zwart en vuilwit – evoceert zowel de bezetter als de somberte die ik in mijn verbeelding met het dagelijkse leven na spertijd associeer. Voor het overige is ‘Kinderen van de collaboratie’ een programma dat ik, om een gewaarschuwd man te blijven, liever niet oversla.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234