Dwarskijker over 'De zevende dag', 'Buurman, wat doet u nu?' en 'Radio Gaga'En toch nog praats voor tien

De minister beweerde 'het' nog altijd graag te doen, wat ons uiteraard geen hol aanging


De zevende dag

Eén – 1 oktober – 238 541 kijkers

Er was een tijd dat ik ‘De zevende dag’ als mijn zondagsplicht beschouwde, maar die periode ligt achter me. Ik sla dat 29 jaar oude actualiteitenprogramma nogal makkelijk over omdat ik uitgerekend op zondag meer voor genoegens dan voor plichten te vinden ben. Ik kijk die dag na elven liever naar ‘Boeken’ (VPRO) op NPO 1, waarin dichteres Delphine Lecompte laatst een selecte kijkersschaar probeerde duidelijk te maken waarom ze in haar poëzie liever van een ‘Bulgaarse laminaatverkoper’ dan van een ‘Bulgaarse lijmsnuiver’ gewaagde. Zulke gedachten belangen mij meer aan dan het discours van politieke gladjakkers die mediatraining hebben gehad. Voorts ben ik bepaald arbeidsschuw op de dag dat de Schepper zich uitdrukkelijk verpoosde en onzichtbaar achteroverleunde in zijn kersverse, van nieuwheid glimmende kosmos. Als ik naar ‘De zevende dag’ kijk, heb ik de indruk dat ik in touw ben, en dat komt me niet goed uit. En als er al eens iets van belang in dat programma gebeurt of gezegd wordt, zal het éénuurjournaal me daar wel op attenderen. Nu had ik over een personeelswissel in ‘De zevende dag’ gelezen, en over een opgefriste vormgeving waarbij het steeds holler klinkende adjectief ‘strak’ onvermijdelijk is. Er zou ook een experimentele kloostertafel centraal in staan, zodat ik haast verrekkend van nieuwsgierigheid bij mezelf dacht: ‘Vooruit dan maar.’

In een oorlogszone in Barcelona bracht André Vermeulen live verslag uit van het omstreden referendum aldaar. Hij kwam net in beeld toen een heethoofd dat vóór of tegen de onafhankelijkheid van Catalonië was, zijn microfoon probeerde weg te grissen. In een handomdraai was André die ijveraar te vlug af en voor de rest gaf hij, zoals het een vakman betaamt, geen krimp. Referendum of niet, André zal in Spanje vast wel aan Massiel hebben gedacht die in 1968, een jaar waarin het vanaf mei doorlopend mei was, het Eurovisiesongfestival won met ‘La la la’. ‘Vivo cantando’ van Salomé zal hem ook wel te binnen zijn geschoten, een lied waarmee Spanje één jaar later alweer die liedjeswedstrijd won, al moest het die keer de eerste plaats met Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk delen. Ik acht het niet onmogelijk dat André Vermeulen ook even gedacht zal hebben: ‘Wat kan mij sapperdekriek die Iberische stammentwist schelen? Geef mij potjandorie maar het songfestival door de eeuwen heen!’ Sapperdekriek, potjandorie: André lijkt me een jongen die, zelfs al is hij in een bloederig straatgevecht verwikkeld, de bastaardvloek boven het rauwere werk verkiest. Wellicht dacht hij ook: ‘Straks paella en crema catalana als toetje.’ Geen kwaad woord over André, por favor.

Geert Hoste, de uitgetreden komiek, beloofde zich ook dit jaar van een eindejaarsconference te onthouden. De man die tegenover hem had plaatsgenomen, Johan Van Overtveldt, en diens ambtsgenoten vinden dat vast zonde. Alweer een kans minder om op de televisie verkrampt te zitten lachen in de Arenbergschouwburg terwijl Geert Hoste hen op het toneel naar beste vermogen afzeikt. Máár: altijd met een knipoog en relaxed ter plekke flanerend, want zo was Geert wel. Van Overtveldt, minister van Financiën, die ook nog eens met fraudebestrijding is belast, kwam pronken met de effectentaks, een belasting die volgens zijn kabinetsmedewerkers de beste uitvinding sinds het dieetwater is. Phara de Aguirre, die nog altijd met een uitgestreken gezicht kan doorboren, betwijfelde hardop de opbrengst van de kaaimantaks, die andere trots van Van Overtveldt. Die belasting is volgens zijn kabinetsmedewerkers de beste uitvinding sinds de rolschaatsen voor shetlandpony’s. De minister van Financiën, die ondanks z’n keiharde mediatraining een tikje wrevelig werd, vond dat je de opbrengst van die belasting niet kon achterhalen. Kijk, daar herkent een leek dan weer de ware financiële expert aan. Om het eens over een andere boeg te gooien, vroeg Phara de Aguirre tot slot: ‘Doet u het nog graag?’ De minister beweerde ‘het’ nog altijd graag te doen, wat ons uiteraard geen hol aanging.

Of wij, Vlamingen of hoe we ons voor de gezelligheid ook mogen noemen, tegen 2020 de afgesproken milieunormen halen, zou het onderwerp van een Groot Debat in dit programma zijn. We herkenden moeiteloos Bart Tommelein, minister voor Energie in de Vlaamse regering. Tegenover hem zaten drie vertegenwoordigers van bedrijven die duurzaamheid nastreefden, en naast hem bevond zich Björn Rzoska van Groen, die net als omroepjournalist Luc Pauwels voorzag dat Vlaanderen de milieunormen tegen 2020 hoogstwaarschijnlijk niet zal halen, of er zou zich al een tegennatuurlijk wonder moeten voltrekken. We kregen een glimp uit ‘Villa politica’ te zien waarin Rzoska tegen Tommelein uitvoer en de Vlaamse minister van Energie Tita Tommelein noemde. Fijn, zolang zo’n Rzoska maar niet gaat denken dat hij voor het cabaret geboren is en derhalve een theatertournee aankondigt. Maar goed, het aangekondigde Grote Debat was in hoofdzaak een gezellig samenzijn dat aan een eetfestijn in de provincie deed denken, kort voor vrijwilligers met schotels vol dampende boerenkost aanrukten. ‘Vraag niet wat Vlaanderen voor u kan doen, maar vraag wat u voor Vlaanderen kunt doen’: Bart Tommelein parafraseerde John F. Kennedy, iemand die het nog met Marilyn Monroe heeft gedaan, en keek niet raar op van het homerische gelach dat hij daarmee uitlokte. Hij lachte zelfs mee, voor de gezelligheid.

Omdat zijn racistische partij veertig jaar bestaat, kwam Gerolf Annemans even volhouden dat extreemrechts fatsoenlijker is dan volop uit het veertigjarige bestaan en het programma van het Vlaams Blok/Belang blijkt. Zelfs ik was op een gegeven moment aan sport toe in ‘De zevende dag’: in de problematiek van trainerswisselingen en -ontslagen in het profvoetbal zie ik, in het licht van het wereldgebeuren, niet het minste probleem, in tegenstelling tot Peter Vandenbempt, wiens eloquentie wellicht ook tot de sport gerekend mag worden. Hij klinkt alsof hij voor een troep uitgehongerde leeuwen uit holt en toch nog praats voor tien heeft. Er bestaat vast een Latijnse naam voor.

Ik voelde me haast opgelucht toen Xavier Taveirne, die zijn positie nog moet bepalen in dit programma, zich even onderhield met de vriendelijke Albert Hammond (73), een songschrijver van onbetwiste verdienste. Op een barkruk te midden van een oosters tapijt – een bijna knusse shot – bracht hij twee mooie liedjes van eigen vinding ten gehore: ‘The Air That I Breathe’, ooit een grote hit voor The Hollies, en ‘It Never Rains in Southern California’, dat mij aan de regensluiers van mijn jeugd deed denken en aan verlangens die daar in 1972 uit voortvloeiden. De livemuziek van Albert Hammond deed me niet vergeten dat ‘De zevende dag’ een te lange zit is. Ik vermoed dat twintig minuten welverdiende politieke satire, strategisch over het programma gespreid, er een heel andere dynamiek aan zou kunnen geven. Ik schrijf dit evenwel in het volle besef dat satirici niet voor het grijpen liggen.

'Het kan niet anders of er schuilt veel geluk in verrijzenissen vóór de dood. Ik wou dat ik er nog één kon meemaken'


Buurman, wat doet u nu?

Eén – 2 oktober – 458 470 kijkers

Ik hoef nu ook weer niet altíjd haute télévision te zien, ook wel omdat haute télévision nog het meest een paradox is. Een snelle hap als ‘Buurman, wat doet u nu?’ sla ik op een blauwe maandagavond dan ook niet af. Het meisje uit Koewacht, dat er blondelings van alles uitflapt en geheel zichzelf is tijdens de werkuren, vond laatst tijdelijk onderdak bij Henny Vrienten. Ik weet wel iets over de carrière van die muzikant en componist, en bovendien ben ik een bewonderaar van zijn oeuvre, dat méér behelst dan alleen maar Doe Maar, een band die Nederlands cultureel erfgoed is. Voorts heb ik zijn poëziebloemlezingen ‘Zwaan kleef aan’ en ‘De trein schrijft liedjes van verlangen’ gelezen, en ik heb ook naar ‘Vreemde kostgangers’ geluisterd, de bijzondere plaat die hij begin dit jaar samen met Boudewijn de Groot en George Kooymans heeft uitgebracht. Cath Luyten repte met geen woord van dat geïnspireerde samenwerkingsverband, maar ze wilde wel weten wat iedereen die erin geïnteresseerd is, onderhand wel weet: waarom Doe Maar er destijds op z’n hoogtepunt de brui aan had gegeven. Voor de zoveelste keer vertelde Henny Vrienten over de leeftijdskloof die op den duur tussen de band en zijn publiek was ontstaan en over het steeds pijnlijker gekrijs dat uit die gaping opsteeg. Dertigers die over het leven van dertigers zongen, kregen tijdens hun concerten steeds meer te maken met almaar prillere, bij bosjes in zwijm vallende tienermeisjes, tot ze de aanblik van die kinderen in nood niet meer konden verduren. Die meisjes van toen waren intussen vrouwen van in de 40 die, goeddeels uitgekrijst, toch nog voor Doe Maar te hoop liepen op het Retrofestival, waar Henny Vrienten op het podium vergat dat hij volgend jaar in de zomer 70 wordt. Dat schoot hem na afloop weer eventjes te binnen toen hij backstage uitpufte, waarna hij snel weer vergat dat hij volgend jaar bij leven en welzijn 70 wordt. Er is overigens niets mis met zijn geheugen. Zo herinnerde hij zich zelfs dat nederwiet in de jaren 70 lichte kost was in vergelijking met het wel erg pittige THC-gehalte in de rücksichtslos veredelde planten die gespecialiseerde tuinders nu op de markt brengen.

‘Buurman, wat doet u nu?’ bracht me niets nieuws bij over Henny Vrienten, maar toch keek ik met genoegen naar dit programma, wellicht omdat ik een man zag die, naar zijn jeugdige voorkomen te oordelen, de schadelijke tijd op een afstandje had weten te houden en tegen het gewicht van de jaren in, een lichte tred aanhield. Ik meende ook een man te zien die vertrouwen had in zijn geluk. Het bestond uit liefde voor zijn kinderen en liefde voor zijn werk, maar evengoed uit de onvoorziene aanschaf van een Gibson Everly Brothers Flattop, de zoveelste gitaar waarin een minnaar van snaarinstrumenten zijn uiteindelijke geliefde meent te herkennen, die alle geliefden die aan haar voorafgingen in de schaduw zal stellen. Terwijl die minnaar maar al te goed beseft dat zulks een terugkerende illusie is, maar het blijft een plezier, misschien zelfs een genot, om er telkens weer met open ogen in te tuinen. We vernamen in het voorbijgaan dat die Gibson Everly Brothers Flattop 2.500 euro kostte. Zekere types, die ik niet te vriend zou willen hebben, zullen zich ongetwijfeld hebben afgevraagd waar die Henny Vrienten het in godsnaam van doet.

Even roerde Cath Luyten de burn-out aan waarin Henny Vrienten ooit verzonken was, in een tijd dat hij beroepshalve van geen ophouden wist en overstelpend veel werk aannam. Uit die doffe ellende was hij na een jaar als herboren en ook wijzer opgestaan. Het kan niet anders of er schuilt veel geluk in verrijzenissen vóór de dood. Ik wou dat ik er nog één kon meemaken.

Over haute télévision gesproken: de documentaire ‘Vreemde kostgangers’, uit de voortreffelijke serie ‘Het uur van de wolf’, is voor Jan en alleman op YouTube beschikbaar.

'Van jongs af aan had ik al een idee van dementie. Lang voor ik kon meespreken over het Belgische surrealisme en absurde humor'


Radio Gaga

Canvas – 4 oktober – 325 839 kijkers

Mijn inwonende grootmoeder, Juliana C., had ijsblauwe ogen en grijswit haar dat ze in een dot droeg. Op een dag in 1964, toen ik 9 was en zij 80, zei ze me: ‘Kijk, manneke, er huppelt een konijn op de tuinmuur.’ Zij behoorde niet tot het Belgische surrealisme noch stond ze om haar absurdistische humor bekend, zeker niet in eigen kring. Evenmin als zij wist ik destijds wat surrealisme en absurde humor waren, maar in ieder geval ontwaarde ik met de beste wil van de wereld geen huppelend konijn op de tuinmuur en zij wel. Ze vertrouwde me ook toe dat het beeldje van de Zwarte Madonna van Halle, dat op een commode in haar slaapkamer stond, het soms op een dansen zette, en hoe mooi dat wel was. Ze zou me roepen als het weer eens zover was. Het duurde niet lang meer of ze vroeg me tot drie keer per dag wiens manneke ik was en of ik niet naar huis moest. Mijn ouders zeiden dat ze last had van aderverkalking en daardoor weleens verrassend uit de hoek kon komen. Daarna gingen ze weer nijver aan de slag in hun nerinkje, ervan uitgaand dat mijn kinderziel tegen de steeds maller wordende Juliana C. bestand was. Mijn vader wilde zijn dementerende moeder niet aan een zorginstelling toevertrouwen, want er was immers thuiszorg. Ik herinner me dat twee bonkige nonnen van het Wit-Gele Kruis mijn weeklagende en tegenstribbelende oma, die geen zin had in een wasbeurt, kordaat en vooral krachtig de badkamer in werkten. Een uitgelezen moment om buiten te gaan spelen.

Op een warme zomerdag glipte mijn grootmoeder in haar zwarte winterkleren – een 19de-eeuwse verschijning – het huis uit, toen de rest van het gezin dacht dat ze sliep. Iemand trof haar toen verdwaasd op een afgelegen weggetje aan: ze wilde haar broer een bezoek brengen, die al jaren de pijp uit was. Ze voerde geanimeerde gesprekken met een vrouw die op de cover van een catalogus van een postorderbedrijf stond. Als ze dat drukwerk niet meteen kon vinden omdat iemand het bij het opruimen had weggeborgen, vroeg ze haast in paniek naar die vrouw van papier. Mijn grootmoeder en ik sliepen in belendende kamers; ’s nachts hoorde ik haar soms met een ijle stem Franse kinderliedjes zingen. Mijn grootmoeder was er wel, maar ze was er tegelijk steeds minder, wat verwarrend voor me was, soms angstaanjagend, en ook wel de bron van een onbestemd verdriet dat ik in deze fase van mijn leven, als ik een minder dagje heb, nog steeds kan navoelen. Ik kon niet aan haar ontsnappen en dat wilde ik ook niet. Ze stierf toen ik 12 was. Nu ik zelf mijn beste tijd gehad heb, herinnerde ik me laatst glashelder, terwijl ik zat te suffen in een tram, haar ijsblauwe ogen. Ze blikten me uit het duister der tijden aan. Maar wat ik eigenlijk met enig omhaal van woorden wilde zeggen, is dat ik van jongs af aan al een idee had van dementie. Lang voor ik kon meespreken over het Belgische surrealisme en absurde humor.

‘Radio Gaga’, de wekelijkse oefening in empathie, draaide dit keer verzoekplaatjes voor dementerenden en hun naasten in Huis Perrekes in Geel, waar alles om ‘kleinschalig genormaliseerd wonen voor personen met dementie’ draait. We maakten kennis met een opgewekte vrouw die nog maar een beetje dementeerde, zich daar goed van bewust was, en er vrede mee leek te hebben. Dat ze nog niet voltijds in Huis Perrekes hoefde te verblijven, vond ze vooralsnog een goed teken. Een andere vrouw zei monter dat ze zopas 80 was geworden. ‘Ze wordt binnenkort 86,’ zei haar zoon in een zacht terzijde. Hij zat met een verkreukeld glimlachje naast haar. Even later zou diezelfde vrouw, die zich in gedachten op een permanent verjaardagsfeest leek te bevinden, uitgelaten meedelen dat ze nog maar pas 36 was geworden, en dat was haar niet aan te zien.

Karel was minder spraakzaam; er kwamen nog wel woorden in hem op, maar ze bleven ergens steken, of ze verbrokkelden pal voor hij ze gezegd kreeg. We kregen hem te zien toen zijn vrouw hem weer even naar hun eigen huis had meegenomen. Voor zover haar heugde, had ze haar man nooit anders dan bij zijn koosnaam aangesproken, maar sinds hij dementeerde, reageerde hij alleen nog op zijn officiële voornaam: Karel. Ze vroeg: ‘Weet je wie ik ben, Karel?’ en vrijwel meteen had ze spijt van die vraag, want in Karels hoofd begonnen allerlei verroeste tandraderen ineens vierkant te draaien en veeleer in het ijle dan in elkaar te grijpen. Alleen hij kon hun helse geknars horen. Het lijkt me voorts erg menselijk dat zijn vrouw hem al vaker had gevraagd of Karel wist wie zij was.

Paul ging nog één keer per week zijn vrouw bezoeken, die sinds haar 57ste aan preseniele dementie leed. Vaker naar haar toe gaan deed hem te veel pijn. Zijn vrouw was in een afgrondelijke stilte vervallen en helemaal zoek geraakt in zichzelf, of innerlijk misschien zelfs uitgewist. We kregen ook een arts te zien die niet meer wist dat hij ooit arts was geweest, en volgens zijn vrouw diep verdrietig kon worden als hij in een helder moment in de gaten kreeg dat zijn geest hem in de steek liet. Een zoon, die een zorgelijke oogopslag niet kon onderdrukken, herinnerde zijn dementerende vader aan kampeervakanties van vroeger. Je zag hem intussen de gruwelijke verdwijntruc beseffen: beetje bij beetje was zijn vader een vreemde man in de gedaante van zijn vader aan het worden.

Als je niet plomp van geest was, kon deze aflevering van ‘Radio Gaga’ je behoorlijk terneerdrukken, maar de tevreden tuinman Lucien, een kennelijk oergezonde man van 90 wiens overleden vrouw dement was, vond het leven al harkend zo kwaad nog niet: hij keek graag terug op al die keren dat hij zich samen met zijn vrouw, een beeldhouwster, goedgekleed had neergevlijd in het pluche van de opera. En hij keek ook graag naar haar beelden die in zijn tuin oprezen. Altijd is er wel een samenloop van factoren die dit programma draaglijk maakt. De welbekende zon die aldoor uitbundig op Huis Perrekes scheen en de sympathieke, minnelijke en ook wel vrolijke doe-het-zelfaanpak van Joris Hessels en Dominique Van Malder behoedden ‘Radio Gaga’ voor de levensgevaarlijke zwaarte.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234