Dwarskijker over 'Het journaal', 'Het gezin' en 'Tabula Rasa': 'Sterren van halftalenten'

Ook een 'opvallende auteur' was volgens de verslaggeefster 'de kleinzoon van Gandhi', die kennelijk zo opvallend was dat hij geen eigen naam behoefde


Het journaal

Eén – 29 oktober –507.096 kijkers

In harmonie met het thans heersende jaargetijde ben ik heden in herfststemming. De jaarlijkse coup de vieux van de natuur zie ik door een waas van weemoed aan, maar als ik mijn bril opzet, belet die melancholieke nevel mij niet om bijvoorbeeld de verhalen van Isaak Babel te lezen, of voor de zoveelste keer een boek van Gerard Reve, of werk van een andere schrijver van wie het overweldigende talent mij behoedt voor de in journalistenkringen veelvoorkomende aandrang om ook eens een roman te schrijven. En vervolgens, als dat boek in druk is verschenen, word je door halftalenten, die hun oordeel in sterren uitdrukken, voor halftalent versleten. Aldus herfstig gestemd op de laatste zondag van oktober, en van top tot teen op lezen ingesteld, werd ik even van de bladspiegel afgeleid door het éénuurjournaal van de openbare omroep, waarin, toeval of niet, de opening van de 81ste Boekenbeurs niet onopgemerkt voorbijging.

Wim De Vilder, een rolmodel voor velen, zei dat de beurs dit jaar ‘focust op de spannende relatie tussen boek en beeld’. Hij vroeg Pascale Mertens, die van de spannende relatie in kwestie rechtstreeks moest getuigen, wat er zoal nieuw was aan de 81ste editie. Dat kon de verslaggeefster ter plekke ons precies vertellen: ‘Er zijn niet alleen boeken op de Boekenbeurs,’ zei ze, ‘maar er is ook een showkeuken: kokende auteurs kunnen niet alleen hun boek voorstellen, maar ook hun éten.’ Terwijl ik me kranig probeerde te houden en een zenuwlachje bedwong, voerde Pascale Mertens nog meer nieuwigheden aan – ik citeer als gek: ‘Nieuw is ook dat er een literaire tattooshop is. Je kunt dus ook je liefde voor de literatuur laten vereeuwigen op je lichaam.’ De fieselemie van – als ik dan toch een auteur moet noemen – Sergio Herman vereeuwigd op je rug: het is wellicht de droom van elke boekenliefhebber die op tijd en stond iets te bikken wil hebben. ‘Kokende auteurs’: daar stel ik me alle rechtgeaarde fictie- en non-fictieschrijvers bij voor, die het op een zieden zetten als ze aan de Boekenbeurs denken, en aan Bekende Vlamingen van het tweede à derde echelon, die met de hulp van iemand die niet al te veel dt-fouten maakt een boek hebben gebakken, waar ze bij signeersessies ter Boekenbeurze drommen pas getatoeëerde bewonderaars mee trekken, die ze tussendoor ook even hun recepten en hun eten voorschotelen. Leesbevordering gaat door de maag.

Wim De Vilder wilde ook nog weten of er zich dit jaar ‘opvallende auteurs’ zouden vertonen op de Boekenbeurs. Pascale Mertens liet niet na Carlos Ruiz Zafón te vermelden, naar verluidt de best verkochte Spaanse auteur sinds de populaire tv-kok Cervantes. Ook een ‘opvallende auteur’ was volgens de verslaggeefster ‘de kleinzoon van Gandhi’, die kennelijk zo opvallend was dat hij geen eigen naam behoefde. En als we dan toch even stilstonden bij opvallende auteurs, konden we volgens Pascale Mertens ook niet om Candy Dulfer heen, die een boek tevoorschijn had geblazen aangaande ‘rock-’n-roll en saxofonie’. ‘En van eigen bodem: de meisjes van K3!’ voegde de verslaggeefster er als genadeslag aan toe, waarop Wim De Vilder, een onverbeterlijke handtekeningenjager die zichzelf al in de onafzienbare rij zag staan, enigszins beteuterd zei: ‘Dat worden zeker lange wachttijden.’ Tegen die tijd begon ik zoetjesaan te begrijpen dat het éénuurjournaal die zondag z’n eigen satire had aangemaakt. Dat had ik al kunnen weten toen ik de zin ‘Er zijn niet alleen boeken, maar er is ook een showkeuken’ opving. Dit onderwerpje in het éénuurjournaal van 29 oktober 2017 zorgde ervoor dat ik ook dit jaar niet naar de Boekenbeurs zal tijgen, want die is vast niet voor mij bestemd. Dat ik al sinds 1964, toen ik lid werd van de dorpsbibliotheek, een gretige lezer ben, verklaart wellicht het schaamteloze gebruik van het archaïstische, naar herfstbladeren, vergeelde boeken en oud geluk geurende werkwoord ‘tijgen’.

'Het gezin', waar ik met gemengde gevoelens naar kijk maar er toch de zuigkracht van voel, zal in het beste geval wel een oefening in empathie zijn'


Het gezin

Eén – 1 november – 658.454 kijkers

Op gezette tijden worden er documentaireseries gemaakt die als twee druppels water op het ware leven willen lijken, of hoe noem je de doorlopende vertoning die zich uitentreuren en tot in hun dromen toe aan de levenden voordoet? Nu ja, dat ware leven is op de televisie uiteraard gebald, gezeefd en door bedrieglijke montage verhevigd, waarna het meestal niet geweten wil hebben dat het reality is.

Ik las dat ‘Het gezin’ tot stand was gekomen dankzij een hoogtechnologisch, aan de universiteit ontwikkeld samenspel van onbemande camera’s die ook pienter genoeg zijn om aan persoonsherkenning te kunnen doen. Dankzij hun onderlinge verstandhouding kunnen ze zelfs voorspellen dat Huppeldepup de kamer zal binnenkomen, of anders Dinges, om maar eens iemand te noemen die een kamer dreigt binnen te komen: ’t is in ieder geval een gave die ik deerlijk mis. Onbemande camera’s lijken mij draaglijker dan de onbehouwen cameraploegen die zich destijds thuis voelden bij de Pfaffs, maar bij het zien van ‘Het gezin’ had ik dan weer de indruk dat ik een vaste betrekking bij de Stasi had, het voormalige Oost-Duitse ministerie voor Staatsveiligheid. Mijn ouders zeiden altijd: ‘Hoe moeilijk dat voor jou ook zal zijn, hoe onmogelijk zelfs, probeer toch maar een vaste baan te vinden, ergens.’ Toch even serieus nu, voor de afwisseling: het zal mij altijd wel verbazen dat mensen hun persoonlijke levenssfeer goeddeels prijsgeven aan een ongeregelde volkstoeloop die ik in een goede bui vast al eens ‘het iets te ruime publiek’ heb genoemd. Evengoed houd ik er terdege rekening mee dat ook mijn idee van privacy z’n beste tijd heeft gehad.

In de eerste aflevering van ‘Het gezin’ stak ik ongewild mijn neus in het dagelijkse leven van het samengestelde gezin Rotsaert-Schotte, dat net zijn intrek aan het nemen was in een nieuwe woning in Hansbeke: een keerpunt in het leven van een man en een vrouw en vier kinderen, die in mijn ogen een grote menigte vormden, terwijl ik anders wel meen te weten waar zo’n kindertal in de praktijk op neerkomt. Het spreekt vanzelf dat de makers van ‘Het gezin’ in de schier eindeloze beeldenstroom die ze tot hun beschikking hadden, op zoek zijn gegaan naar de beste illustraties van zulke keerpunten, en wellicht ook naar de bijbehorende crisissen of intense geluksmomenten. Het leven zoals het is, alles goed en wel, maar dan liefst minus de verveling. Het tienermeisje Noémie, dat zich in een levensbedreigende ziekte moest schikken, wachtte samen met haar alleenstaande moeder gezonde longen van een donor af: ‘Het is een tombola!’ We zagen hoe ze, met behulp van een neusbrilletje en een zuurstoffles, dolde met haar trouwste vriendinnen van de middelbare school. Een andere keer was ze narrig en zonk ze in existentieel verdriet weg op de sofa, terwijl haar moeder gemoedereerd een deken over haar uitspreidde. Aan het eind van deze aflevering kreeg ze te horen dat ze op een ‘actieve wachtlijst’ stond: er gloorde hoop, wat volgens echte kenners sporadisch voorkomt in het ondermaanse.

In Kapellen braken de vliezen van Sanne Zoilé, die na vruchtbaarheidsbehandelingen een tweeling herbergde. Haar man Tom reed haar geheel ontspannen naar de kraamkliniek. Door merg en been gaande weeën golfden intussen af en aan en Tom, zó’n kerel, vroeg bij een stoplicht doodkalm aan een andere automobilist of die wel besefte dat hij met een platte band te kampen had. Bijna ontstond er een gesprek over de geschiedenis van het reservewiel, terwijl Sanne Zoilé het, om het niet te hoeven uitschreeuwen, op een steeds verwoeder puffen zette. Ook prioriteiten zijn relatief, en onvrijwillige humor is de beste.

Jef uit Loppem, een nog krasse dokter van 94, interesseerde mij al bij de eerste aanblik het meest. Hij woonde alleen in een huis dat het soort rommeligheid vertoonde waar ik met het grootste gemak overheen kijk. Bepaalde vrouwen, meestal redderige types, herkennen er ‘een man alleen’ aan. Jef had het grootste deel van zijn leven in Congo de geneeskunde uitgeoefend. Toen hij al 60 was, had hij in nauwe samenwerking met een Soedanese vrouw, over wie we alsnog niets vernamen, zijn eerste kind verwekt – er zouden er nog drie volgen. Hij bleek intussen gescheiden, en één van zijn dochters, een aardige meid van gemengden bloede, zorgde ervoor dat Jef zelfstandig kon blijven wonen. Noch zij noch haar zus, ook een aardige meid van gemengden bloede, vonden het erg dat Jef hun verjaardag niet wist, en ze ergerden zich ook niet aan zijn hardhorendheid en knorrige manier van doen. Er zaten beelden in ‘Het gezin’ waaruit je zou kunnen opmaken dat de hoogbejaarde dokter eenzaam was, en alleen nog liefde van zijn hond Beau en zijn kat Poes verwachtte, maar ik zag veeleer een man die in gedachten, liggend op zijn bed, door z’n verleden in de tropen bladerde, en misschien wel in leven bleef om dat nog vaker te kunnen doen. Bovendien hielden zijn aardige dochters van hem, en hij, op zijn stroeve manier, evengoed van hén. Hij kon zich ook zonder al te veel moeite van een eenvoudige mobiele telefoon bedienen.

‘Het gezin’, waar ik met gemengde gevoelens naar kijk maar er toch de zuigkracht van voel, zal in het beste geval wel een oefening in empathie zijn. Na afloop hebben mijn liefste en ik, ouders van vier kinderen, in ieder geval het glas – of was het een kopje lindethee? – geheven op het legenestsyndroom. Dat gebeurde in onze persoonlijke levenssfeer en gaat dus bijna niemand wat aan. Het was geen thee, herinner ik me ineens.


Tabula rasa

Eén – 29 oktober & 5 november – 1.033.018 kijkers

Waarom hebben katterige comakijkers het nooit over hun doorligwonden en over de hoop geglaceerde bagger die Netflix in de aanbieding heeft? Maar waar ik het eigenlijk over wilde hebben: op Eén kijk ik de volgende zondagavonden in primetime ouderwets lineair naar ‘Tabula rasa’, ook al hoor ik allerwegen dat het lineaire kijken net zo dood is als de papieren pers. Ik was vrijwel meteen voor deze serie te vinden, waardoor ik mijn ingebakken afwachtende houding dit keer merkwaardig snel liet varen. Na afloop van de eerste aflevering al uitzien naar de tweede, en daar allerlei gedachten bij hebben, is een genoegen van weleer dat ik van harte trouw gebleven ben. Het verlangen om de volledige ‘Tabula rasa’ in één ruk te verbruiken, is me vreemd, ook al omdat deze serie ook vormelijk meer tot savoureren dan tot schrokken uitnodigt. Laat ik, nu dat nog net kan, deze gelegenheid maar aangrijpen om me zo beschaafd mogelijk van het consumentisme, een kwaal van deze tijd, te distantiëren.

Om te beginnen, en dus al in de begintitels, is ‘Tabula rasa’ een lust voor het oog; er zitten avontuurlijke shots in, en de erg zintuiglijke sfeerschepping is van meet af aan onweerstaanbaar.

Veerle Baetens, een uitnemende actrice in de fleur van haar leven, speelt Annemie D’Haeze, die in haar naaste omgeving liever Mie genoemd wordt. Tja. Na een ongeval lijdt ze aan geheugenverlies. Telkens als ze in de stress schiet, is het ‘alsof er een zandstorm opsteekt die alles uitwist.’ Het zand in kwestie, roodbruin Saharastof dat bij een bepaalde luchtstroming ook weleens over geparkeerde middenklassers in België uitwaaiert, komt altijd weer in de hallucinatoire beelden of doorwaakte nachtmerries terug waaraan Mie ten prooi is.

In het heden zit Mie in de recreatiezaal van een psychiatrische kliniek. Als geheugensteun portretteert ze de mensen die haar daar komen bezoeken in een schetsboek, onder anderen Wolkers (Gene Bervoets), een botte, halsstarrige inspecteur die Mie in verband brengt met de verdwijning van iemand die – nomen est ongetwijfeld omen – Thomas De Geest heet. Mie weet van niets, en in die recreatiezaal zit ze er totaal afgetobd en vervreemd bij, onopgemaakt, vaal en verdoft, alsof de werkelijkheid nog maar nauwelijks tot haar doordringt, of erger nog: alsof die werkelijkheid, waarin luidruchtige gekken als de pyromaan Vronsky (Peter Van den Begin) het zo nu en dan op een schreeuwen zetten, naadloos in een nachtmerrie is overgegaan waartegen Mie geen verzet meer biedt. Veerle Baetens heeft in deze scènes, die zich in het grensgebied tussen wanhoop en gelatenheid afspelen, een prachtig tragisch gezicht.

Scènes uit het heden in het gekkenhuis worden afgewisseld met flashbacks naar ‘drie maanden voor de verdwijning’, toen Mie zich nog kon handhaven in het oude huis aan de bosrand, dankzij geheugensteuntjes die haar man Benoit (Stijn Van Opstal) overal had aangebracht. In de tweede aflevering blijkt dat Mie voor haar ongeluk een musicalster was, en dat Thomas De Geest, een kennelijke eenzaat die in een containerpark werkt en hokt, een fan maar mogelijk ook een stalker van haar was. Ineens heeft het er ook de schijn van dat haar man Benoit, de steun en toeverlaat van Mie, mogelijk minder betrouwbaar is dan hij het liefst laat blijken. Paranoia, ontregeling, geheugenverlies, het vermoeden van krankzinnigheid, de voorspiegeling, in een glimp, van de desintegratie van een gezin en mogelijk ook van een hele familie: het is erg en het ziet ernaar uit dat het ergste nog moet komen. Kortom: dat belooft.

Er zitten elementen van de horrorfilm in ‘Tabula rasa’, en daar heeft Jonas Govaerts, die deze serie samen met Kaat Beels regisseert, vast de hand in: de moeilijk thuis te brengen boswachter (Mark Peeters) die aan de rand van het bos staat te staren en ook weleens als schimmige gedaante in een kapmantel opduikt. En dan is er natuurlijk ook het in z’n voegen krakende oude huis aan de bosrand, een karakterspeler an sich, waar geesten zich in alle hoeken en kanten kunnen nestelen, ook al zijn ze alleen maar tussen de oren thuis.

Na twee afleveringen durf ik te denken dat ‘Tabula rasa’ van grensoverschrijdende kwaliteit is: een prachtige hoofdrol en een welgemikte cast. Voorts meeslepend geregisseerd en in beeld gebracht, en voor zover ik daar na twee afleveringen over kan oordelen, drijvend op een mooi scenario. Ik zie me nu al genoopt om over afzienbare tijd op ‘Tabula rasa’ terug te komen. Het lijkt me voor het overige niet onmogelijk dat je je, bij het zien van de hersenschimmen van Mie, op den duur gaat afvragen of je je nog wel op je eigen hersenen kunt verlaten in deze serie.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234