Dwarskijker over 'Hoe zal ik het zeggen?'en 'Pano: Undercover in de zorgfabriek'De vrome leugen van de heerlijke oude dag

Het is moeilijk om partij te kiezen voor mensen die in samenwerking met de televisie andere mensen een lesje willen leren


Hoe zal ik het zeggen?

VTM – 9 oktober – 651.417 kijkers

In het laatste decennium van de 20ste eeuw beleefde ik kinderlijk, soms kinderachtig plezier aan het verborgencameraprogramma ‘Surprise sur prise!’ op de Franse openbare zender France 2. Bekende Fransen werden er, meestal in hun vertrouwde omgeving, op buitengewoon bewerkelijke en al even vernuftige wijze in beetgenomen. Dit programma appelleerde aan wat er mij nog aan kwajongenschap restte, maar het genoegen dat ik eraan beleefde, zat evengoed in de gedachte dat een heel productieteam, met inbegrip van enkele onbezoldigde stagiairs, wellicht wekenlang in touw was geweest om een Franse célébrité volmaakt in het ootje te nemen. Kosten noch moeite. Van zo’n arbeids-prestatie zie ik de grandezza in. Ik zal toen al betwijfeld hebben of je een verborgencameraprogramma nog op een hoger niveau dan ‘Surprise sur prise’ kunt tillen, maar in ieder geval is het genre sindsdien, net als ik, koppig blijven voortbestaan.

Neem nu het nieuwe verborgencameraprogramma ‘Hoe zal ik het zeggen?’, waarin stand-upcomedian Jens Dendoncker met geinige bedoelingen in het wild rondloopt. Zoals menigeen is hij een West-Vlaming die trouw heeft gezworen aan de hee en de gaa. Soms verschijnt zijn pittoreske uitspraak in beeld: ‘Hijzeling’, lees je dan. Hier en daar verleent hij handlangersdiensten aan mensen die bijvoorbeeld machteloos moeten toekijken als hun puberzoontje Jasper, ten prooi aan hormonale schommelingen, van zijn jongenskamer een bende maakt en daar zelf in het geheel geen hinder van ondervindt. In die zooi kon een passant zelfs stukken aangevreten komkommer aantreffen, volgens de moeder van Jasper, maar goed, ik heb in mijn bohemienjaren ergere zwijnenstallen overleefd: het ene logeeradres was het andere niet in die onvergetelijke tijd. Enfin, Jens Dendoncker bracht in samenspraak met de moeder van Jasper een betoging op de been tegen de wanorde van haar zoon. Toen Jasper na schooltijd nietsvermoedend zijn straat in kwam gefietst, stootte hij op een pseudoverhitte menigte die zich in protestkreten te zijner attentie uitputte. Daar keek hij wel van op, maar hij stond er niet spectaculair van versteld.

Een andere moeder zat dan weer met twee ongenadig smakkende en drassig kauwende puberzonen opgescheept. Betere tafelmanieren leken er volgens haar niet in te zitten. Omdat ze het niet over haar hart kon krijgen om dat duo tegen een geringe vergoeding ter adoptie aan te bieden in het voormalige Oostblok, deed ze een beroep op Jens Dendoncker, die vast ook wel weet wat slobberen is. We zagen en hoorden Colin en Oliver – zo heetten die smakkers – in een bioscoop zitten, waar ze hardop chips of ander vulsel aan het wegkauwen waren. Op het filmscherm verscheen Axel Daeseleire, die een vrouw het hof maakte. Ze stond met haar rug naar de camera toe. Ineens viel de acteur uit zijn rol, sprak daardoor terstond Antwerps, en richtte zich op vermanende toon tot die twee luide eters in de zaal, die hem naar verluidt al smakkend en knersend uit z’n concentratie hadden gehaald. Ze lachten tegen hun verbazing op, maar toen hun eigen moeder de ruggelingse actrice bleek te zijn, die even later live en in een soireejurk in de bioscoop verscheen, piepten ze enigszins anders. Ik merkte dat het moeilijk was om partij te kiezen voor mensen die andere mensen in samenwerking met de televisie een lesje willen leren. Waarom mag er gegeten worden in de bioscoop?

Bepaald ongeïnspireerd vond ik de practical joke aangaande een vriendenclubje, een drinkgezelschap, van wie één vriend zich wegens vaste verkering had losgeweekt. Om onder mannetjesputters geen gezichtsverlies te lijden, had die afvallige al eens geopperd dat zijn vriendin hem gegijzeld hield. ‘Hijzeling’. Vandaar dat ‘Hoe zal ik het zeggen?’ voor z’n huis een politieoptreden tegen een gijzeling organiseerde, tot vermaak van zijn vriendjes. Ik wachtte, net als de vriendin van de afvallige, geduldig tot het voorbij was.

Er werden ook een paar mensen averechts beloond in dit programma: een vrouw die in een stadspark netjes de drol van haar hond in een daartoe bestemd zakje schepte, werd eerst dreigend aangesproken door een roedel ongelikte bikers, die vervolgens in close harmony haar lof begonnen te zingen. Eén onderwerpje stond haaks op de rest: de uitlokking van een fietsendiefstal in de fietsenstalling voor het spoorstation in Berchem nabij Antwerpen. Voor het oog van de camera ging een gegadigde er met een fiets vandoor die het productieteam van ‘Hoe zal ik het zeggen?’ moedwillig en demonstratief niet op slot had gezet. Onmiddellijk scheurde er een van op afstand bestuurd schaalmodel van een politieauto achter die geblurde dief aan. De stem van Jens Dendoncker klonk eruit op – ‘Crapuul!’ – en de dief sprong van z’n buit af en koos het hazenpad. Zou hij naar ‘Hoe zal ik het zeggen?’ gekeken hebben? Het amusementswereldje kan zich maar beter ver van politiewerk houden, en de politie ver van amusement, dacht ik.

De knaller van dit programma moest, naar ik aanneem, een scène met de populaire acteur Rik Verheye zijn, die luidens zijn moeder nogal nalatig was in paperassenwerk en dienaangaande een lesje verdiende. Als hij belastingen vooruit wilde betalen, dan stelde hij dat tot de allerlaatste dag uit, sprak zijn moeder. Ik begreep niet wat daar nalatig aan was, want zelf ben ik ook niet voor de administratie geboren. Toen Rik Verheye zijn straat in kwam gereden, zag hij dat zijn woning met politielint was afgezet. Er heerste een drukte van belang, waaruit een deurwaarder nader trad en meldde dat het huis behalve verzegeld ook in beslag genomen was, en dat Verheye voor een achterstallige schuld ten belope van 36.000 euro moest boeten. De acteur kon zijn zintuigen niet geloven, helde naar paniek over en belde een noodnummer: dat van mama, die zich om de hoek verdekt had opgesteld. Toen iemand zogezegd de laptop van Rik Verheye uit het raam gooide, vond de acteur de werkelijkheid ineens té ongeloofwaardig, en een oogwenk later vertoonde hij de kettingreactie van emoties die gangbaar is bij een mens die plots beseft dat hij het verneukte haasje is in een verborgencameraprogramma: een flits van woede, onmiddellijk gevolgd door een brede opklaring en de impuls om iemand die hem er vermoedelijk in heeft doen stinken, inniger dan nodig te omhelzen. Fijn, maar na de eerste aflevering van ‘Hoe zal ik het zeggen?’ moet nog blijken of dit programma iets beters dan zedenlesjes aan zijn genre toe te voegen heeft.

'Bejaardenzorg aan de vrijemarktwerking overlaten is onbeschaafd en voor mijn part zelfs verdorven'


Pano: Undercover in de zorgfabriek

Eén – 11 oktober – 750.321 kijkers

Toevallig deed ‘Pano’ zich laatst ook als verborgencameraprogramma voor. Omroepjournaliste Lina Nasser had zich samen met een vriendin tien weken lang nuttig gemaakt als vrijwilligster in zeven verschillende commerciële woon-zorgcentra voor bejaarden. Die undercoveroperatie had tweehonderd uur tersluiks gefilmd beeldmateriaal opgeleverd, waar we in ‘Pano’ een pittig concentraat van te zien kregen. Zo’n indikking is natuurlijk altijd een op effect berekende verheviging van de werkelijkheid, maar dat belette me geenszins om na afloop van ‘Undercover in de zorgfabriek’ nog meer tegen ons eventuele voorland op te zien dan gewoonlijk: oud zijn en hulpeloos en aldoor zorg behoeven, en dán in één van de commerciële zorgcentra terechtkomen die we in dit programma te zien kregen. Bejaardenzorg aan de vrijemarktwerking overlaten is onbeschaafd en voor mijn part zelfs verdorven. Als je weet dat de Jan De Nul Group en AB InBev aandeelhouder zijn van zulke zorginstellingen met winstoogmerk, dan zou je vanzelf al onraad moeten ruiken. In een grofkorrelig zwart-witbeeld vroeg een bejaarde om een schone pamper, maar wegens onderbezetting en grote drukte was er geen verplegend of verzorgend personeel beschikbaar dat hem met onmiddellijke ingang uit zijn precaire situatie kon verlossen. De commerciële zorginstellingen die in dit programma voorkwamen, kampten met het oog op wintstmaximalisatie gestaag met personeelstekort, waardoor de bejaardenverzorgers en de verpleegkundigen dan weer permanent overbelast waren en onder het van hot naar her hollen volstrekt geen tijd hadden voor een praatje met de bewoners, die altijd wel om een gesprekje verlegen zaten. ‘Ik ben droevig,’ zei een bewoonster op deerniswekkende toon, ‘niemand ziet me staan.’

In zo’n commercieel woon-zorgcentrum verblijven kost handenvol geld. Het eten was er door cijferaars, die de aandeelhouders moeten tevredenstellen, op maximaal drie en een halve euro per maaltijd begroot. Zo’n maal kwam volgens een gekweld klinkende bewoner neer op liefdeloos bereide, onappetijtelijke, en door te veel paneermeel verpeste drab. Zijn beschrijving deed me aan de bagger denken die de Jan De Nul Group wereldwijd ophaalt. Winst sluit een moreel failliet niet uit. Sommige bejaarden konden hun doodswens onder de druk van hun omstandigheden niet langer voor zichzelf houden, wat hartverscheurend was, en wraakroepend. Om van de bewoners af te wezen werden ze om zes uur ’s avonds al naar hun kamer afgevoerd, waar hun eenzame nacht desnoods al bij klaarlichte dag een aanvang nam. Ik vroeg me wel af of die oude mensen geen naaste familieleden hadden – zonen en dochters bijvoorbeeld – die zich ernstig zorgen maakten over het lot van ma en pa. ‘Kan ik nog iets voor je doen?’ vroeg Lina Nasser aan een bejaarde. ‘Lief zijn,’ antwoordde een oude kinderstem.

De grofkorrelige, onvast gekadreerde zwart-witbeelden van het deprimerende leven in sommige commerciële woon-zorgcentra contrasteerden in deze ‘Pano’ veelzeggend met fragmenten uit hoogglanzende reclamefilmpjes die bejaarden, alvorens ze naar het paradijs wiekten, eerst de hemel op aarde in het vooruitzicht stelden: we zagen kerngezonde, zelfs net iets te krasse knarren duizelen van wellness in een zonnig commercieel woon-zorgcentrum, met uitzicht op de beste der werelden, waar het eeuwige leven al een beetje begonnen was. En klaverjassen maar! En nadien een potje biljarten, waarna het alweer tijd was voor een voetmassage. Hoe parelde de champagne er in de flûtes! Hoe oogverblindend was de vrome leugen van de heerlijke oude dag!

Ter vergelijking gaf Lina Nasser ons ook een indruk van het dagelijkse leven in een niet-commercieel verzorgingstehuis. In Home Sint-Jozef waren personeelstekort en zware werkdruk ook hinderlijk, maar verpleger Koen vond al redderend en regelend toch de tijd voor een belangstellend en invoelend praatje met de bejaarden – Koen was voor het oog van de camera zodanig voorbeeldig dat ik me afvroeg of zulke mensen wel in de natuur voorkwamen, maar dat zal wel weer aan míjn natuur liggen. Voor zover ik daar op grond van deze ‘Pano’ over kan oordelen, leek het leven in Home Sint-Jozef me stukken draaglijker dan in de commerciële woon-zorgcentra, waar de liefdeloze omstandigheden de bewoners juist leken aan te moedigen om der dagen zat te zijn. What a drag it is getting old, en het kan zo te zien altijd nog erger nu de verzorgingsstaat zorgwekkend ziek is.

De uitdijende verontwaardiging die ‘Undercover in de zorgfabriek’ heeft teweeggebracht, is meteen ook de belangrijkste kwaliteit van dit programma.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234