Dwarskijker over 'La vie en rose' en 'De klas': 'Met de kop naar voren het ongeluk tegemoet'

Haddegij iets met Frankrijk?' luidde het in de couleur locale die Annemie Struyf, in vetvrij papier gewikkeld, uit Vlaanderen had meegebracht


La vie en rose

Eén – 23 maart – 838.713 kijkers

‘La vie en rose’ is nog maar eens een programma over landverhuizers, in dit geval Vlamingen die om één of andere reden hun zuurverdiende kavel tegen een stek in la France profonde hebben ingeruild, het dichtstbijzijnde land van belofte.

Annemie Struyf, de gevierde televisiereporter, zou de drijfveren van die migranten achterhalen, en ons ook een idee geven van hun nieuwe perspectief in den vreemde. Daartoe deed ze zich zoals gebruikelijk als een ver familielid voor dat, terwijl de verhuisdozen van de migranten nog lang niet uitgepakt waren, ineens in hun achterkeuken opdook. Ze ging ervan uit dat ze niet ongelegen kwam: haar familiariteit is haar handelsmerk. ‘Haddegij iets met Frankrijk?’ luidde het in de couleur locale die ze, in vetvrij papier gewikkeld, uit Vlaanderen had meegebracht. Neen, op één bezoek aan Disneyland Paris na had de emigré in kwestie nooit iets met Frankrijk te maken gehad.

Na twee afleveringen waren de motieven van de landverhuizers nog steeds wazig: sommigen maakten gewag van een behoefte aan ‘iets anders’, of aan rust en ongerepte natuur en zonovergoten vergezichten, of ze zegden dat ze hun kinderen niet in België wilden laten opgroeien. Of ze hadden het over drukkende afbetalingen waar ze in Vlaanderen, los van hun gewone werkuren, een extra dagtaak aan hadden. ’s Nachts lagen ze er ook nog eens van wakker. Danny en Sofie, een boer en zijn boerin, waren ook in Frankrijk, ergens in de Limousin, een boer en zijn boerin. Naar verluidt stonden agrarische Belgen daar als ‘harde werkers’ bekend, wat in die uithoek van het Franse landbouwareaal een compliment schijnt te zijn. Ik koesterde als zondagspsycholoog het vermoeden dat de migranten van ‘La vie en rose’ een diepere, vooralsnog moeilijk bespreekbare reden hadden om Vlaanderen voor bekeken te houden, maar dat zal het vervolg van deze programmaserie vast wel ten overvloede uitwijzen.

Bij het zien van dit programma kon ik een gedachte aan integratie niet vermijden. Het kan niet anders of het Frans van Steve en Nancy zal ook al in Vlaanderen niet ver hebben gereikt. In het dorp Corrèze in het Centraal Massief – dik duizend zielen – gingen ze een B&B drijven, wellicht met het oog op een Vlaamse clientèle wier Frans ook veeleer denkbeeldig was. Toen ze in de plaatselijke bank iets dringends te bespreken hadden, wilde Steve aan de baliebediende zeggen dat hij een afspraak met meneer huppeldepup had, maar hoe zeg je, als je toch al gestrest bent, ‘afspraak’ in het Frans? Het woordenboekje, dat Nancy in haar handtas had zitten, bood wonderwel uitkomst: ‘Rendez-vous!’ Veel gekker moesten die Fransozen het niet maken.

Ook Mariëlle, die al geruime tijd in de Lot-et-Garonne woonde, liet zich allerminst op haar Frans voorstaan. Integendeel zelfs: hoe langer ze in Frankrijk woonde, hoe Vlaamser zij zich er voelde. Ze was ooit voor de zon naar de Lot-et-Garonne gekomen, maar de winters bleken er lang en koud. Ze was er intussen achter gekomen dat je ook in Frankrijk borstkanker kunt krijgen, en voor de rest voelde ze zich er vaak eenzaam, want haar vriend was handelsreiziger en dan ook meestentijds met commercieel oogmerk het huis uit. Het verbaast me dat Vlaamse Belgen, voor wie het Frans officieel de tweede landstaal is, zich nauwelijks in die taal kunnen uitdrukken, maar toch breeduit in Frankrijk willen gaan wonen.

De buurtschappen die we in ‘La vie en rose’ te zien kregen, maakten een uitgestorven indruk. Er was veel stilstand en al evenveel leegstand. Enkele bejaarde mannen leken in opdracht van het plaatselijke bureau de tourisme, meestal gesloten, welhaast roerloos jeu de boules te spelen, maar voor de rest viel er zo te zien geen hol te beleven. Je was er vast al blij als er eens een oude krant voorbijwoei. Zodra je er uitgekeken was op de natuur, begon je je wellicht af te vragen hoe ver Parijs eigenlijk was in vogelvlucht. Of Schoten, desnoods.

Koen en Katrien, ouders van twee kinderen, baatten een Belgische frietkraam uit op het Franse platteland – noem het een gat in de markt, voor zover er van een markt sprake kan zijn in een gat. Als de handel flauw was, verdiende het stel met een beetje geluk zo’n 50 euro per dag – een dag die overigens meer dan acht werkuren telde. Katrien had een glimlach voor alle omstandigheden ontwikkeld, en Koen had net op tijd een som gelds geërfd waarmee hij in the middle of nowhere een huis kon kopen. Het stel juichte noch zeurde. Het leven van de meeste Vlaamse emigrés die we in dit programma te zien kregen, was geen vetpot. Van de opbrengsten van hun boerderij – akkerbouw en veeteelt – konden Danny en Sofie en hun drie kinderen zuinigjes leven; in mindere tijden hadden ze zo’n 500 euro per maand te besteden. ‘Harde werkers,’ zeiden de omwonende Franse boeren alvorens een middagdutje te doen. ‘Als je het maar graag doet,’ sprak Danny in z’n lijzige Kempense dialect, zonder hartstocht prijs te geven. Door het rotweer bleek zijn zaaiwerk vergeefs te zijn geweest, en de haver lag er nu al verpieterd bij, maar Danny had het mopperen kennelijk allang verleerd.

Het is zonneklaar dat ‘La vie en rose’ juist niet rooskleurig is. En dat je niet aan de condition humaine ontsnapt door je in een Franse negorij in te graven. Vandaar dat het zoetelijke wijsje ‘Douce France’ van Charles Trenet alleen maar ironisch kan klinken in dit programma, zelfs een tikje bitter. Er zullen altijd wel Belgen zijn die menen te weten dat het diep in Frankrijk doorlopend vakantie is, dag en nacht. Er zullen altijd wel mensen zijn die met de kop naar voren hun ongeluk tegemoet stormen. Dat maakt hen interessant. Toch voor ons aller Annemie Struyf, een ver familielid dat het beste met ons voorheeft.

'Ook dit keer was 'De klas' behalve een mooi programma ook een voorstudie van een betere wereld, een enclave in de barre en boze werkelijkheid'


De klas

Eén – 21 maart – 747.018 kijkers

Hoewel een recent zelfonderzoek heeft uitgewezen dat ik nog het meest een pessimist met een vereelt zieltje ben, verkeerde ik laatst in een bovenste beste stemming. Ik ervoer een tijdlang een soort vreugde die je bij schemerlicht ook voor hoop zou kunnen houden. Uitgerekend op de eerste lentedag van het jaar 2017 zag ik vroege zwaluwen en later ‘De klas’, waarin dit keer Siska Schoeters aanschouwelijk onderwijs gaf, en dan nog wel in een school waar ik twee beroepslevens geleden, in het kader van de lerarenopleiding, zelf nog proefles heb gegeven. Ik was iemand anders toen, een personage dat stilaan een vervaagde kennis is naar wie ik, nu ik in de opruimfase van mijn leven zit, misschien niet eens meer zou wuiven mocht ik hem aan de overkant van de straat voorbij zien hippen op een pogostick.

Laat ik het in godsnaam over Siska Schoeters hebben, een no-nonsensetype dat van een geintje houdt. Door haar markante oprechtheid, haar volslagen gebrek aan kapsones en haar niet klein te krijgen naturel steekt ze gunstig af tegen de poseurs, ijdele kwakers en professionele blaaskaken die sinds jaar en dag eigen zijn aan radio & televisie. Ik sta op het punt namen te noemen, maar de lente, met haar vertoon van zwaluwen, verzacht mijn zeden. Ook een pessimist met een vereelt zieltje ontsnapt daar blijkbaar niet aan. Hij vindt ook dat iemand die daar talent voor heeft, een mooi format voor Siska Schoeters zou moeten bedenken.

Voor de leerlingen de klas kwamen binnengedruppeld, vatte Siska ter informatie even haar eigen middelbareschooltijd samen: ze deed haar best, maar leren was een last – ze behoorde tot de staart van het peloton en legde liever mondelinge dan schriftelijke examens af, want daar kon ze zich nog uit lullen, zij het in het zweet haars aanschijns. Voor de les begon, zei ze dat ze bang was voor geproest en gegiechel zodra ze met de rug naar de leerlingen toe zou gaan staan om iets op het schoolbord te schrijven. Nu, ze had niets te vrezen, want de klas die zich dit keer aandiende, zou ook nu weer voorbeeldig blijken. Een beetje pessimist met een vereelt zieltje, die weet dat televisiemakers de schone schijn niet schuwen, zal zich al vaker hebben afgevraagd in welke mate de klassen die in ‘De klas’ aan bod komen, representatief zijn voor het hedendaagse onderwijs. Waar is de goeie ouwe blackboard jungle gebleven? En waar zijn de depressieve, ten enenmale opgebrande leraren wier toekomst je ook ‘ziekteverlof’ kunt noemen? Leraren van wie sommigen in een onbewaakt moment al eens verhanging hebben overwogen, wat levensgevaarlijk kan zijn?

Moge niets u beletten om welgemoed voort te lezen: Siska Schoeters zou het in de klas als ervaringsdeskundige over familie en thuis hebben, ‘maar dan niet over de gelijknamige soaps’. Als lesmateriaal had ze in twee plastic emmertjes een rijkdom aan figuurtjes van Playmobil meegebracht. Aan de hand van dat speelgoed ontvouwde ze het verschil tussen het gezin van haar meisjesdromen – een welgestelde man, twee blonde kinderen en een golden retriever – en haar werkelijkheid van nu: een samengesteld gezin met een man en vier kinderen, onder wie twee uit eigen uterus. En een huisdier dat liever anoniem wenste te blijven. Op hun beurt moesten de scholieren met die figuurtjes de samenstelling van hun gezin verbeelden, waarna het klasgesprek een aanvang kon nemen.

De openhartigheid van die scholieren en het gemak waarmee ze over de doorgaans goede of op z’n minst werkbare relatie met hun ouders praatten, zelfs over ouderliefde, was ook voor een pessimist met een vereelt zieltje bemoedigend. Een meisje van Turkse komaf vertelde hoe haar ouders, die nog steeds in Turkije woonden, haar op haar 9de aan de goede zorgen van haar oudere zus in België hadden toevertrouwd. Sindsdien zag ze haar ouders weinig, maar ze was niet het type dat daarover jammerde, al zei ze: ‘Ik mis iets in mijn opvoeding: ouderlijk toezicht, genegenheid.’ Het klonk als een nuchtere vaststelling. Een ander meisje zei dat ze meer van haar papa dan van haar mama hield – het scheen me toe dat vaders vaker een knelpunt zijn dan moeders. In mijn jonge jaren was het generatieconflict nog in de mode. Een advies – of was het een bevel? – van Jerry Rubin, een Amerikaanse activist en boegbeeld van de tegencultuur, luidde in die dagen: ‘Vertrouw niemand boven de 30.’ In de klas van ‘De klas’ zei een jongen: ‘Je ouders moeten je vrienden zijn.’

Nadat Siska een filmpje over vrijstad Christiania had getoond, een aloude pleisterplaats voor hippies in Kopenhagen waar kinderen zo goed als in het wild opgroeien, was er maar één scholier in de klas van Siska die de totale vrijheid wel zag zitten. Een meisje zei: ‘Altijd alles mogen doen wat je wil: sáái!’ Je hebt geen kind aan zulke kinderen, wat mijn opvoeders niet van mij konden zeggen, als ik het me goed herinner.

In de les van Siska was uiteraard ook ruimte voor leerzaam amusement, dat de Irritante-Ouders-Bingo heette. Ouders die meezingen met de favoriete muziek van hun kinderen is zo’n ergernis. Ik herinner me dat ik luid meezong met ‘...Baby One More Time’ en ‘Oops!... I Did It Again’ van Britney Spears zodra mijn tienerdochters naar school waren. En ik danste er ook bij als een derwisj met een evenwichtsstoornis. Wat niet weet, wat niet deert.

Ook dit keer was ‘De klas’ behalve een mooi programma ook een voorstudie van een betere wereld, een enclave in de barre en boze werkelijkheid, een veilige plek waar geen polarisering heerste en waar niemand nog woorden vuilmaakte aan godsdienst en multiculturalisme. Buiten de muren van die klas in het lyceum ging een hemelvaarder moorddadig tekeer in Londen, berokkende de Oranje Hulk in het Witte Huis zowel Amerika als de rest van de planeet elke dag schade en dreigde de protofascist Erdogan ermee dat weldra geen Europeaan nog veilig zal zijn in Europa.

‘Don’t mess with the Schoeters,’ zei Siska ook nog. En aan een meisje dat ’s avonds een nieuw hondje zou krijgen, vroeg ze zo ernstig mogelijk of Siska geen geschikte naam zou zijn voor die blaffende viervoeter.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234