Dwarskijker over 'Over de streep' en 'De fiscus': Wonden likken in het openbaar

Kennelijk hebben we twaalf knuffels per dag nodig voor onze evenwichtige ontwikkeling. Hoe haal ik die achterstand ooit nog in?


Over de streep

VTM – 14 november

De meeste van mijn opvoeders waren mensen die bewust WO II hadden meegemaakt. Principiële flinkerds: ‘Tut tut, niet zeuren’. Zij gingen er doodleuk van uit dat iemand die de oorlog niet had meegemaakt, geen redenen tot klagen kon hebben. Met je persoonlijke sores kon je maar beter niet te koop lopen, want anders was je minstens een aansteller. Vaak had je als scholier de indruk dat je je niet eens verdrietigheden kon permitteren. Het leven was nu eenmaal hard, en daar moest je maar tegen bestand zijn. Ze konden het ons, pubers, nog sterker vertellen: het leven zou, let maar eens op, nóg harder worden. Gevoeligheid was in mijn jonge jaren meer een gebrek dan een kwaliteit, denk ik, en je wonden likte je onder geen beding in het openbaar, ook al omdat die kwetsuren je geheim waren. Er werd in mijn kringen niet geknuffeld, tenzij door zakkenrollers. Sommigen van ons waren al cynisch nog voor ze echte levenservaring hadden opgedaan.

De wereld lijkt me rond deze tijd van het jaar nog meer dan gewoonlijk een verzamelplaats voor verregaande naarlingen, maar bij het zien van ‘Over de streep’ had ik, zolang dit programma duurde, het vermoeden dat de boel er in emotioneel opzicht toch enigermate op was vooruitgegaan sinds mijn jeugd. Ik hoop nu maar dat die indruk niet aan toenemende weekhartigheid te wijten is, een kwaaltje dat met de jaren komt.

Middelbare scholieren van het RHIZO in Kortrijk, vierdejaars, kwamen publiekelijk voor hun zielenpijn uit. In het gelegenheidsprogramma ‘Over de streep’, dat met Rode Neuzen Dag gelieerd was, sprong een kennelijke therapeute geneeskrachtig tevoorschijn, een Nederlandse die er geen twijfel over liet bestaan dat ze Anouchka heette en daar met luider stem aan toevoegde: ‘Zeg maar: ‘Hey, Anouchka!’ Ik werd een kil rillinkje gewaar dat mij belette ‘Hey, Anouchka!’ te zeggen. Laat ik maar toegeven dat ik iets anders riep, dat, hoe amusant ook, maar beter niet in druk verschijnt. Zo nu en dan gaat er niets boven goede manieren. Anouchka leidde de gemeenschappelijke opwarming van leraren en leerlingen – een soort tribale dans – alvorens het leed dat haar in haar jeugd was overkomen, in de groep te gooien: de achtereenvolgende dood van haar grootmoeder en haar moeder. Je kon merken dat ze dat vaker had gedaan. Daarna waren de leerlingen aan de beurt. ‘Wie houdt van knuffelen?’ wilde Anouchka ook nog weten. Ze had uit goede, maar anonieme bron dat we twaalf knuffels per dag nodig hadden voor onze evenwichtige ontwikkeling. Hoe haal ik die achterstand ooit nog in?

‘They fuck you up, your mum and dad’ is niet voor niets een tijdloze versregel van de grote Philip Larkin: er was in ‘Over de streep’ ook sprake van emotionele verwaarlozing en huiselijk geweld, euvels die tot een welgemeende zelfmoordpoging hadden geleid, waar de aardige Fleur, die ternauwernood aan de zelfgekozen dood ontsnapt was, zich levend en wel erg schuldig over voelde. Bij de mannelijke minderheid van de school torste Seppe een zware last. We zagen hoe hij zichzelf overwon toen hij over zijn depressieve vader sprak die zich het leven had benomen. ’s Ochtends voelde Seppe zich niet lekker die bewuste dag; hij wilde thuisblijven, maar zijn vader stond erop dat hij naar school ging, en Seppe gehoorzaamde. Boven op het verdriet om de dood, de zelfmoord, van zijn verwekker, voelde hij er zich schuldig over dat hij die ochtend braafjes naar school was gegaan. Het kostte de scholieren moeite om openlijk over hun diep zittende probleem te spreken; ze moesten die narigheid op eigen kracht uitdrijven, en na afloop waren ze zowel confuus als opgelucht, en ook wel trots. ‘Over de streep’ had een toon die ik doorgaans niet van commerciële televisie verwacht: die jongelui werden met de nodige schroom benaderd en hun verdriet werd niet nodeloos aangedikt: geen emotioneel effectbejag en geen nadrukkelijke tranentrekkerij. De presentatoren Evi Hanssen en Sean Dhondt waren zowel discreet als betrokken; ze hielden zich gedeisd en zo hoorde het ook in dit programma.

Het lijkt me raadzaam om zo vroeg mogelijk van het zeer van je jeugd te genezen. Er dofweg in berusten, is achteraf bekeken niet meer van deze tijd.


De fiscus

Eén – 16 november

Er bestaan veel songs over de gespannen verhouding tussen een belastingplichtige en de fiscus. Ik zie thans mijn kans schoon om de lezer nog maar eens aan The Beatles te herinneren, meer bepaald aan ‘Taxman’, een nummer van de onvergetelijke godzoeker George Harrison. ‘Revolver’(1966) opent ermee, een elpee voor het leven die mij ook in déze rottijd nog opbeurt. ‘Taxman’ was een reactie op de zogeheten supertax die geheven werd door de Labour-regering van Harold Wilson. De gemiddelde Beatle moest toen tussen de 90 en de 95 procent van zijn inkomsten aan de fiscus afstaan. ‘If you drive a car, I’ll tax the street / If you try to sit, I’ll tax your seat / If you get too cold, I’ll tax the heat / If you take a walk, I’ll tax your feet,’ klinkt het in dit nummer. John Lennon zou George Harrison volgens de overlevering een handje hebben geholpen met de tekst. ‘Taxman’ duurt 2 minuten en 39 seconden, en ik beleef er meer plezier aan dan aan de 49 minuten en 12 seconden van ‘De fiscus’. In deze serie, die vormelijk aan ‘De recherche’ verwant is, mogen we als loze stagiair meelopen met een scala aan belastingambtenaren die aan 15 minutes of fame toe zijn, voor zover tv-bekendheid verenigbaar is met hun ambt.

Niet dat ik me op braafheid laat voorstaan, maar ik betaal keurig wat ik het systeem volgens allerlei onnavolgbare berekeningen verschuldigd ben, en mopper daar nooit openlijk over. Nu ja, lang geleden, in tijden van bohème, heb ik een voodoopop van een welbepaalde belastingcontroleuse laten maken door één van mijn meest exotische kennissen, een handige, zo goed als artistieke jongen aan wie ik eerst moest uitleggen wat belastingen waren. Uiteraard voel ik geen noemenswaardige genegenheid voor de fiscus, maar ik begrijp en erken het wezenlijke verband tussen belastingen en de sociale zekerheid, die ik een hoog goed vind, als ze al geen proeve van beschaving is. Ik betreed liever geen staatsgebouwen waar de administratie zich schuilhoudt, maar door ‘De fiscus’ kwam ik in een belastingkantoor terecht waar ik onherkenbaar gemaakte figuren waarnam. Zij hadden jarenlang geen belastingen betaald en lieten hun schuldenberg dan maar grootmoedig aan het OCMW over, om er vanaf te wezen. De belastingontvanger met dienst was een man die al jarenlang op het punt stond zijn geduld te verliezen. ‘Zelf betalen: is dat een optie, meneer?’ snibde hij even sarcastisch als illusieloos. En ook: ‘Ik zou nu kunnen vloeken, dat ligt in mijn karakter, maar ik doe het niet.’ Dat komt ervan als een camera toekijkt.

Een ambtenares die deskundig was in personenbelasting, een krimpvrij type met een geserreerde glimlach, kreeg een echtpaar op jaren over de vloer dat de kosten van nieuwe dakisolatie van de belasting had afgetrokken – dat mocht – en in één moeite door ook de kosten van nieuwe roofing: dat mocht dan weer niet. Toen de man van het echtpaar daar kennis van nam, aarzelde hij geen ogenblik om België een apenland te noemen waaruit hij spoedig zou emigreren. Zijn vrouw wist duidelijk van niets, en leek zich vooral af te vragen welke kleding ze zou aantrekken om te emigreren. De vraag ‘Waarom zit ik hier nu naar te kijken?’ drong zich ineens aan me op.

Opdat de zwijgende meerderheid, die alom voor populisme te vinden blijkt, er vooral niet van zou uitgaan dat de fiscus nooit echte fraudeurs aanpakt, maar altijd sukkels die de kosten van nieuwe roofing van de belasting aftrekken, mochten we in het zog van de Bijzonder Belastinginspectie binnenvallen bij een uiterst verdachte veehandelaar, die luidens ingewijden ook als ‘de hormonenkoning’ bekendstond. In alle vroegte dienden enkele belastinginspecteurs zich onaangekondigd bij de laakbare veehandel aan: zij hadden zich, met het oog op stront, in witte wegwerpoveralls gestoken en waren voorts toegerust met een bodycam waarmee ze enkel elkaar in beeld mochten brengen. We werden heibel en gescharrel in het kantoortje van de verdachten gewaar, en er klonken barse, vermanende stemmen op. De hormonenkoning zelf was in geen velden of wegen te bekennen, maar zijn dochter, die de zogenaamde boekhouding deed, nam buiten beeld de honneurs waar, met een smurfenstem. Ze bleek haar boekhouding, voor zover die zwart op wit bestond, liever aan de papierversnipperaar toe te vertrouwen dan aan de Bijzondere Belastinginspectie: een oud gebruik in dat bedrijf. De hoogste tijd voor een vleugje ernst: ik voel me een schender van de privacy als ik in dit programma verdachten in het nauw zie die het op een grotesk liegen of een kansloos zwijgen zetten. Het dansje van lieden die geen poot hebben om op te staan, kon ik ook in ‘De recherche’ niet aanzien, en ik vrees dat zulke gênante scènes, waaruit moet blijken dat de belastinginspectie niet stilzit, nogal vaak als pièce de résistance zullen opgediend worden in ‘De fiscus’. Kijkvoer voor wel een miljoen mensen, vernam ik, maar niet noodzakelijk voor mij.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234