Dwarskijker over 'Strafpleiters', 'Ge hadt erbij moeten zijn' en 'De laatste 24 uur': Een engel des doods in vakantiestemming

Ik heb een geweten als mens,' zei Walter Damen, 'en een geweten als advocaat.' Zo'n setje lijkt me erg handig.


Strafpleiters

Canvas – 6 november – 304.032 kijkers

‘Strafpleiters’ is de Vlaamse echo van ‘Kijken in de ziel: strafpleiters’, een Nederlands programma waarin de vaardige interviewer Coen Verbraak met vriendelijke onverzettelijkheid boort naar de kwintessens van beroepscategorieën die niet altijd van klaarheid gediend zijn. En in één moeite door tast hij ook naar de psyche en de mores van de individuele mens die tot dergelijke beroepscategorieën behoort. Behalve strafpleiters zag ik hem onder anderen psychiaters, artsen, wetenschappers, schrijvers en hooggeplaatste militairen ontgrendelen. Zijn kunde zit, behalve in zijn maximale aandacht, ook in zijn korte, altijd zo helder en ondubbelzinnig mogelijk verwoorde vragen, waaruit ik opmaak dat een niet mis te verstane en daardoor onontkoombare vraag altijd precisiewerk moet zijn, en op een vernuftige manier eenvoudig, ook als je ze ter plekke en in de spanning van het interview moet ophoesten. Kortom, het stikt van de interviewers, maar de goede zijn schaars.

Net als ‘Kijken in de ziel’ is ‘Strafpleiters’ een sober tv-programma: ter stoffering waaien er wel enkele decoratieve of illustratieve beelden doorheen – als de familienaam Aquino valt, krijg je die bewuste ondernemers even te zien – maar de aandacht gaat aldoor naar twee personen die tegenover elkaar aan een tafeltje zitten, in een onopgesmukte, zelfs veeleer kale ruimte, die, wegens haar postindustriële sfeer, ook geschikt is om er minimalistische kunstvoorwerpen in tentoon te stellen. Als je de ramen afdekt, kun je er natuurlijk ook een hoop aardappels in bewaren. Best mogelijk dat die volgens kenners iets weg heeft van een minimalistisch kunstwerk.

Eén van die twee personen aan het tafeltje is Gilles De Coster. Zijn gesprekspartner is telkens weer één van de acht Vlaamse strafpleiters met een interessante staat van dienst, die voor dit programma uitverkozen zijn. Jef Vermassen is dit keer niet van de partij, wat origineel is.

De acht advocaten die in ‘Strafpleiters’ hun opwachting maken, hebben walgelijke moslimfundamentalisten verdedigd, alsook moordzuchtige psychopaten en een keur van alledaagser geboefte. Iemand moet dat doen in een rechtstaat. Uit ‘Kijken in de ziel’ herinner ik me dat strafpleiters eertijds door andersoortige advocaten als het uitschot van de advocatuur werden bestempeld, omdat ze zich vrijwel dagelijks afgaven met boeventuig. In deze tijd hebben sommigen van hen een soort sterrenstatus bij het ruime publiek, een glanslaagje dat hen in mijn ogen juist een tikje dubieuzer maakt dan ze ten overstaan van het ruime publiek willen zijn. En dan te bedenken dat het specialisme van Sven Mary ooit bouwrecht inzake veranda’s was. Telkens als hij eraan denkt dat hij het bouwrecht inzake veranda’s heeft laten varen, barst hij wellicht in snikken uit.

In ‘Kijken in de ziel’ valt mij altijd weer de bereidwilligheid van de geïnterviewden op, en ook in ‘Strafpleiters’ meende ik een soort inzet te zien die mogelijk naar eerlijkheid en opening van zaken zweemde, maar misschien ga ik er als naïeveling aan voorbij dat een getalenteerde advocaat uit hoofde van zijn oud ambacht listig de schijn van eerlijkheid kan ophouden, als zijn zaak daarbij gebaat is. Ze leken zich in ieder geval schrap te willen zetten tegen de populaire vooroordelen die er jegens hun beroep bestaan. Zo zou het absoluut onwaar zijn dat een advocaat ‘iemand is die recht praat wat krom is’.

Joris Van Cauter, die ook moraalfilosoof is, zei: ‘Blijf van ons weg als het kan.’ Een goede raad die ik zelf had kunnen bedenken in een onbewaakt moment. Voor je verdediging in een gemiddelde moordzaak betaal je tegenwoordig tussen de 35.000 en 50.000 euro, en voor één week assisen rekent Sven Mary 25.000 euro aan. Ik las een tijd geleden dat een bankrover in België gemiddeld zo’n 16.000 euro per overval opstrijkt. Enfin, over geld praten was geen taboe in dit programma.

De succesrijke advocaten die aan bod kwamen, hadden geen al te hoge dunk van de meesten van hun vakbroeders en -zusters: gemiddeld vonden ze drie op de tien strafpleiters goed in hun vak, en de argeloze kijkers moesten aannemen dat zij één van die drie waren. Nina Van Eeckhaut wist stellig dat een cliënt vooraf niet kan weten of een advocaat goed of slecht is: ‘’t Is een tombola, zoals zoveel in het leven.’ De strafpleiters leken mij ook opmerkelijk eerlijk over hun ijdelheid en de omvang van hun ego te spreken: ‘Een groot ego is nodig’, klonk het. En: ‘Als ik spreek, wil ik dat er gezwegen en geluisterd wordt.’ Sven Mary had zich, uit ijdelheid, speciaal voor het programma ‘Strafpleiters’ een nieuw pak laten aanmeten in Londen. Savile Row, I presume. Het kostte hem zo te zien geen enkele moeite om dat kenbaar te maken, wat volgens mij net iets meer van klasse dan van opschepperij getuigde.

Gilles De Coster peilde naar het geweten van de advocaten, dat net als bij de meeste mensen nogal elastisch is, en in sommige gevallen misschien zelfs uitgerekt. Als ze weten dat hun cliënt een moord heeft gepleegd, en er zijn geen bewijzen voor die misdaad, dan zullen ze er als professionals alles aan doen om hun cliënt vrij te pleiten. Sommigen hadden na de vrijspraak van een schuldige weleens last van gewetensknaging, maar dat onbehagen ging altijd over vóór het in gewetensnood en slapeloosheid kon omslaan. ‘Ik heb een geweten als mens,’ zei Walter Damen, ‘en een geweten als advocaat.’ Zo’n setje lijkt me erg handig. Je hoort weleens dat sommige mensen géén geweten hebben. De toga aanschieten, vernamen we, kwam neer op een wisseling van rol die de meeste advocaten van ‘Strafpleiters’ zowel aangenaam als noodzakelijk vonden. Gilles De Coster wilde weten of de strafpleiters, op grond van hun ervaring, de perfecte moord zouden kunnen plegen. Na enige overweging dachten de meesten van niet, maar Jan De Man gaf voorzichtigjes te kennen dat hij er wel raad mee zou weten. Hij bracht er een verontrustend glimlachje bij voort. Het is dus afwachten, en voor minstens één mens bang afwachten.

Ik kon het niet helpen dat ik zo nu en dan aan Coen Verbraak moest denken tijdens ‘Strafpleiters’, maar evengoed vond ik dat Gilles De Coster, ooit een bijzonder alerte en snel denkende radiojournalist, in ‘Strafpleiters’ beter tot zijn recht kwam dan in alle andere tv-programma’s die hij tot nog toe voor de firma Woestijnvis heeft helpen maken. Hij slaat een vriendelijke toon aan tegen die strafpleiters, zonder dat hij amicaal gaat doen: hij blijft ze met ‘meester’ aanspreken. Oog in oog, maar toch op een gepaste afstand. Ik ben benieuwd naar de voortgang van deze serie, maar dan wel met het nodige wantrouwen tegen togaberoepen. Nu ja, zulke verwoede praters kunnen mij altijd nog op andere gedachten brengen, zoals laatst die stofzuigerverkoper uit Oekraïne.

'Het zou een mooi experimentje zijn om het Sterke Verhaal van Sergio, het prototype van de raconteur in het café, eens duchtig te dubbelchecken. Is nonkel Fonske nog onder de levenden?'


Ge hadt erbij moeten zijn

VTM – 8 november – 565.076 kijkers

In ‘Ge hadt erbij moeten zijn’ gaat de televisie aan de haal met een vermaak dat nog het meest in de kroeg thuishoort. In zo’n dranklokaal is er altijd wel iemand die op een gevorderde avond, als de verversingen zich laten voelen, een Sterk Verhaal opdist. Zijn gezelschap vormt dan, mede door die verversingen, een mild, mogelijk zelfs murw publiekje – gewillige toehoorders die maar al te goed weten dat het Sterke Verhaal in kwestie tot het vaste repertoire van de raconteur behoort, en sterker nog: zij kunnen die vertelling intussen mééprevelen of er zelfs een tweede stem bij zingen.

Enkele Bekende Vlamingen van verschillende echelons ontvangen in hun huis de makers van ‘Ge hadt erbij moeten zijn’, die ze meestal eerst een kopje koffie aanbieden – het is blijkbaar nog vroeg. Nu ja, Sergio, het voorlopige hoogtepunt der Quisquaters altegader, riep meteen: ‘Ik heb geen koffie!’ Waarna hij zonder waarschuwing losbarstte in een Sterk Verhaal. Het voerde hem in gestrekte draf terug naar het tweede jaar van de middelbare school, en naar een gedrongen gymnastiekleraar die eiste dat zijn leerlingen volgens hun lichaamslengte, oplopend van klein naar groter, in de rij gingen staan. Dat leek mij in die dagen niet ongewoon, en wellicht nog steeds niet, maar de jonge oproerling Sergio Quisquater weigerde zich luidens zijn Sterke Verhaal neer te leggen bij die verplichte fysieke rangorde, waardoor hij zich herhaaldelijk de toorn van die gymnastiekleraar op de hals haalde. Om een lang Sterk Verhaal zo kort mogelijk te maken: op een dag nam de merkwaardige Quisquater een van zijn oom geleende oefengranaat mee naar de gymnastiekles, nadat hij dat nepwapen ter wille van het realisme eerst legergroen had geverfd: zulke details zijn, hoe twijfelachtig ook, belangrijk in een Sterk Verhaal. Die oom zou ene nonkel Fonske geweest zijn, een beroepsmilitair. De machtige Quisquater had met zijn klasgenoten afgesproken dat ze panisch uiteen moesten stuiven zodra hij die handgranaat in de gymnastiekles te voorschijn zou hebben gehaald. Aldus geschiedde en volgens Sergio’s overlevering was de gymnastiekleraar, naar diens stuiptrekkingen en wegdraaiende ogen te oordelen, er wel heel erg van geschrokken. Quisquater, die meestentijds geen beest is, schrok zich op zijn beurt wezenloos en bekende voor alle zekerheid dat ‘het allemaal maar om te lachen was’. Op slag kwam de gymnastiekleraar weer bij kennis en hij sprong grauwend op Sergio af, die van de weeromstuit tegen een wandrek aanknalde en – een ongeluk komt nooit alleen – een arm brak. Waardoor de gymnastiekleraar dan weer medelijden met hem kreeg. Het aardige van dit type Sterke Verhalen is, dat de verteller er veeleer als stumper dan als held uitkomt, ook al beseft hij dat niet altijd. Het zou een mooi experimentje zijn om het Sterke Verhaal van Sergio, het prototype van de raconteur in het café, eens duchtig te dubbelchecken. Is nonkel Fonske nog onder de levenden?

In deze aflevering vertelde de stand-upcomedian en televisiemaker Bart Cannaerts hoe hij ooit zijn allereerste auto, een gammele Volkswagen Vento, had verkocht. Hij zou er op de automarkt aan de Boomsesteenweg in Antwerpen 1.200 euro voor vragen, maar na veel vijven en zessen waar enkele ongelikte types uit het voormalige Oostblok de hand in hadden, hield hij nog 5 euro aan die transactie over: ‘Echt, echt gebeurd.’ Alles goed en wel, maar Cannaerts zei dat hij ook als stand-upcomedian geen munt kon slaan uit dat wedervaren, terwijl zijn vrienden er in het café wél om moesten lachen. Ik denk dat veel Sterke Verhalen ook dofweg doodslaan op de televisie. Om dat in ‘Ge hadt erbij moeten zijn’ enigszins te ondervangen, zie je enkele bekende acteurs – usual suspects als Ben Segers, Ruth Beeckmans en Stefaan Degand – het Sterke Verhaal karikaturaal neerzetten terwijl de Bekende Vlaming het molto espressivo aan het vertellen is. Daarbij playbacken ze nauwgezet de stem van de verteller en, als dat zo uitkomt, ook die van zijn onverhoeds keffende hondje. Dat lipsynchrone foefje sorteert een tijdlang een grappig vervreemdingseffect, maar in de tweede aflevering lette ik er al niet meer op.

Als een Sterk Verhaal in ‘Ge hadt erbij moeten zijn’ aan de beurt is gekomen, heeft het volgens mij meteen afgedaan in de kroeg. Dat eindpunt is een pluspunt en tevens de aanzet tot het verzinnen van nieuwe Sterke Verhalen. Aan het werk, allermerkwaardigste Quisquater!

'Wie Bart De Pauw nu zonder blikken of blozen 'de Vlaamse Harvey Weinstein' heeft genoemd, is godzijdank mijn type niet, en zo wil ik het te allen tijde houden'



De laatste 24 uur
VTM – 9 november – 495.134 kijkers

Om de toon te zetten, citeer ik even uit ‘Harnas van Hansaplast’, het jongste boek van Charlotte Mutsaers, een schrijfster die ik bewonder: ‘Ze zeggen weleens dat iemand het leven heeft verlaten. Maar het ligt omgekeerd. Het leven verlaat ons, en meestal niet gracieus. Het sluipt uit je weg zonder afscheid te nemen, vraagt nooit of het schikt en laat je barsten te midden van de shit. Elk leven is qualitate qua een Unvollendete; voltooide levens bestaan niet.’

Nu ik een leeftijd heb bereikt waarop ik mijn volgende verjaardag altijd weer wil uitstellen, en nog het liefst fluitenderwijs ontkennen, hoef ik niet meer aan de dood herinnerd te worden, want ik pieker er vanzelf al elke dag over: een volstrekt zinloze bezigheid die ik evenwel niet kan laten.

Een humaninterestprogramma waarin de menselijke eindigheid een rol speelt, zal, hoe onderhoudend het ook wil zijn, altijd wel een onprettige ondertoon hebben. Neem nu ‘De laatste 24 uur’, waarin Nathalie Meskens een engel des doods in vakantiestemming speelt, zo’n engel die over een bepaald type caravan zegt: ‘Die retrokes zijn keigraaf.’ Dat doet ze wellicht louter voor de gezelligheid. In een bovenste beste bui diende zij zich bij de professionele proefpersoon Staf Coppens aan, die meteen te horen kreeg dat de laatste 24 uur van zijn leven waren ingegaan. Staf mocht zijn eindtijd naar eigen goeddunken besteden, wat neerkwam op afscheid nemen van iedereen die hem lief en na was. In het klasje van zijn kleine kinderen, die les kregen over pesten op school, had hij zich ter gelegenheid van zijn levenseinde in een kast met een éénrichtingsspiegel verstopt. Uitgerekend zíjn zoontje moest van de juf voor die spiegel gaan staan en zeggen wat hij allemaal mooi vond aan zichzelf. In de kast schoot Staf bij het zien van zijn kroost herhaaldelijk vol, en toen hij er op een teken van Nathalie Meskens uit mocht komen, bleef hij maar tegen z’n tranen vechten. Ineens was ik begaan met alle andere kinderen uit dat klasje, die géén Bekende Vader hadden.

Een tijdje later moest hij afscheid nemen van zijn broers, die eerst hadden laten weten dat ze er niet bij konden zijn, maar ineens doken ze op: met verstikte stem zei hij dat hij van z’n twee broers hield en dat hij veel aan ze te danken had, en één van die broers, Matthias, nóg een professionele proefpersoon, die zijn ontroering nauwelijks meester was, sprak met schorre stem: ‘Stop ermee. Ge zijt zó’n janet.’ Waarna Staf, rekening houdend met de tijd die hem nog restte, ergens heen mocht waar hij nooit eerder was geweest: dat was het eiland Texel, waar hij ineens een reclamebord voor Kippenkraam Agnes bemerkte, en de desbetreffende Agnes was – ik mag een krulstaart krijgen als het niet waar is – zijn eigen moeder, die bij het zien van haar Staf een lekker stukje braadkip opdiende en vervolgens volschoot. Staf, diep ontroerd, hing een verhaal op over moeilijke tijden die hij met zijn moeder had doorstaan: er kwam een moeilijke vader aan te pas, die tussen manisch en depressief fluctueerde, en ook nog eens dood was. Dode vaders spreken niemand meer tegen. Iemand zou het voor ze op moeten nemen.

Op Texel bracht Staf de nacht door in een supergraaf retroke, verlicht met sfeervolle lampionnetjes. De volgende dag trok een reclamevliegtuigje de tekst ‘Liefie, schaats met mij’ door het luchtruim boven Texel. Staf wist meteen dat zijn Nederlandse vrouw Monique naderde, in het gezelschap van hun twee kinderen nog wel. En volschieten maar! Emo-tv und kein ende. Hij had Monique leren kennen tijdens het tv-programma ‘Dancing on Ice’, waarvan ik me alleen nog Luc Appermont herinner, die schaatste alsof hij achter een denkbeeldig looprek aan stommelde en dacht: ‘Plus est en vous mais pas en moi.’ Op Texel schaatsten Staf en Monique, ten afscheid, op de tonen van ‘She’ van Charles Aznavour, maar dan in de doorslaggevende versie van Elvis Costello, een prachtlied dat ooit hun openingsdans was. Staf stortte nagenoeg in toen zijn vrouw en zijn kinderen hem voorgoed uitwuifden. Ach, ’t was aldoor ‘Huil of ik schiet!’

Staf wou, alvorens het tijdelijke met het niets van vóór onze geboorte te verwisselen, nog iets vettigs uit de muur eten, nu hij toch in Nederland zijn laatste adem zou uitblazen: het betrof een zogeheten Van Dobben, die volgens de gelijknamige firma ‘een beroemde rundvleeskroket is, die kort, dik en stevig is, maar nooit precies dezelfde vorm heeft’. Ze zou ook ‘een traktatie’ zijn ‘van puur rundvlees, echte bouillon en de beste ingrediënten’ In ieder geval douwde Staf Coppens dat stukje Hollands cultuurpatrimonium aan een waterkant naar binnen, op een plek waar zich net een reiger had vertoond, en waar hij onder auspiciën van VTM weldra kerngezond het loodje zou leggen.

Na afloop van ‘De laatste 24 uur’ vroeg ik me af of ik iets anders zou doen dan roerloos, als verstijfd, m’n einde af te wachten, mocht ik van bevoegde zijde te horen krijgen dat mijn laatste etmaal begonnen is. Misschien zou ik naar meer morfine vragen, of naar morfine tout court, als mijn spraakvermogen nog iets voorstelt. Je kunt desgewenst ‘De laatste 24 uur’ als een voorbereidende oefening op het onvermijdelijke bekijken, maar ik betwijfel of al dat voorbarige verdriet, dat tranen storten in het ijle, wel gezond is.

Na afloop had ik zin in echte verstrooiing, maar alle beeldschermen die tot mijn beschikking stonden, vertoonden de persoonlijke en professionele neergang van een vooraanstaande televisiemaker. Toen ik in het journaal de video zag waarin hij zijn noodsituatie toelichtte, dacht ik even aan een prelude op een satirisch programma waarin hij zich vrolijk zou maken over het onverkwikkelijke klimaat dat na de zwijnerijen van de reuzelachtige Harvey Weinstein is ontstaan. Maar al snel moest ik wel geloven dat hij bij de openbare omroep, de afnemer van zijn programma’s, van grensoverschrijdend gedrag beticht was door personen die, terwijl ik dit opschrijf, nog niet met naam en toenaam zijn genoemd, en dan ook schimmen zijn.

Met stomheid geslagen, en ook wel verward, zag ik het aan. Ik had geen idee, terwijl allerlei morele scherpslijpers meteen raad wisten met Bart De Pauw, wars van de onschuldpresumptie. Zo kende ik mijn natuurlijke vijanden weer. Wie Bart De Pauw nu zonder blikken of blozen ‘de Vlaamse Harvey Weinstein’ heeft genoemd, is godzijdank mijn type niet, en zo wil ik het te allen tijde houden.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234