Dwarskijker over 'Where the Wild Men Are' en 'Marlon Brando: An Actor Named Desire': 'Psychologie van de koude grond'

Ik zag iemand die geen moeite deed om sympathiek bevonden te worden. Dat is een verdienste, maar nog geen reden om iemand wél sympathiek te vinden.


Where the Wild Men Are

Canvas – 22 juli – 62.657 kijkers

Wat met de jaren óók afneemt, is het vertrouwen in het leven. Vorige week woonde ik de uitvaart van Raf Sauviller bij: hij en ik aanschouwden in hetzelfde jaar het levenslicht, vermoedelijk al met het soort achterdocht dat ons later naar de journalistiek zou voeren. De laatste jaren bekruipt mij zo nu en dan het intense verlangen om de boel de boel te laten en ergens bezijden de samenleving niet thuis te geven in een buurtschap waaromheen de wijnstok gedijt. Om van dat verlangen af te geraken, hoef ik maar naar ‘Where the Wild Men Are’ te kijken, een serie waarin Ben Fogle aanloopt bij mensen die de ratrace opgegeven hebben om zich met elementaire middelen in één of andere wildernis staande te houden. Ben Fogle is een nogal glad type dat je van koffers van Louis Vuitton zou kunnen verdenken, en van een medewerker die zonder mopperen met zulke reisbenodigdheden sjouwt. In zo’n wildernis vertoont hij zich, zodra de weersomstandigheden dat billijken, graag in bloot bovenlijf: zijn tors mag gezien worden, maar dat neemt niet weg dat hij hoogstwaarschijnlijk het type is dat in de etalages van de beschaafde wereld altijd eerst zijn weerspiegeling zoekt en er in gedachten een pittig prijskaartje aan hangt.

Laatst ging hij zich in Nieuw-Zeeland, op het Great Barriereiland, met een cameraploeg mengen in het teruggetrokken bestaan van ene Ben Assado, een Iraniër van oorsprong die als kind met zijn ouders de Irak-Iranoorlog was ontvlucht, en in één moeite door ook het religieuze schrikbewind van de ayatollahs. Hij had het in Duitsland en in Amerika tot doctor in de scheikunde geschopt, maar zo te horen was hij op de academische wereld afgeknapt: details gaf hij daarover niet prijs, maar zijn carrière was anders verlopen dan hij had uitgestippeld. Hij gaf er de brui aan en vestigde zich in een eigenhandig gebouwd huisje op het dunbevolkte Great Barriereiland. Daar leefde hij met wisselend succes van de jacht en de visvangst: eerst probeerde hij zeeforel te vangen, die als aas voor de grotere koningsvis dienst moest doen, maar vaak moest hij vrede nemen met alleen maar aas in de pan. Soms ging hij op wilde varkens jagen, en hij hield ook een toom kippen. Aangezien die hem te veel in beslag namen, had hij zich voorgenomen ze één voor één op te eten. Eén keer per jaar ging hij boodschappen doen in Auckland, en zo nu en dan, als de zelfvoorziening te wensen overliet, nam hij een los baantje aan.

Dat op zonne-energie drijvende woninkje, dat over een watersysteem op zwaartekracht beschikte, was nog lang niet afgewerkt. Overal puilde bedrading uit, en al wat Ben Fogle tijdens zijn verblijf niet mocht aanraken had zijn gastheer met een stukje rode plakband gemarkeerd. Hij leek me in staat tegen Fogle uit te schieten, mocht die per ongeluk een vinger naar de verboden vruchten in zijn woonruimte uitsteken.

In de loop van zijn programma geeft Ben Fogle in enkele terzijdes zijn indrukken weer van de persoon bij wie hij in het wild te gast is. Psychologie van de koude grond is daarbij niet te vermijden: hij vond Assado erg intelligent, een controlefreak en iemand die geen autoriteit verdroeg. Uiteraard veronderstelde hij dat zijn gastheer heteroseksueel was en daarom peilde hij naar Assado’s houding jegens vrouwen. Aan een vrouw had hij ooit gevraagd om de ramen van zijn geïmproviseerde woninkje te lappen. Dat die vrouw hem daarbij ontzet had aangekeken, deed voor hem de deur dicht. ‘Ik ben hier niet om vrouwen te entertainen,’ zei hij ook nog. Fogle was blij dat hij Assado greppels had helpen graven, teneinde de regenval in goede banen te leiden. De uitgetreden doctor in de scheikunde ging ook niet op zoek naar een vrouw: ‘Ze weten dat ik hier ben,’ zei hij, ‘ze moeten maar naar me toekomen.’ Fogle, die ervan uitging dat het volstrekte kluizenaarschap ongezond is voor een mens, troonde Assado mee naar een kroeg, waar enkele plaatselijke bewoners telkens weer vaststelden dat ze onderling verdomd lokaal waren. Toen hij onder de mensen was, keek Assano niet ongelukkiger dan thuis, in zijn zelfgekozen isolement, maar ook niet gelukkiger.

Als Ben Fogle in ‘Where the Wild Men Are’ afscheid neemt van zijn gastheer en/of gastvrouw, lijkt het altijd alsof hij zich moet losrukken van een vriend of een vriendin voor het leven. Nu ook weer. Ik zag in Ben Assano iemand die geen moeite deed om sympathiek bevonden te worden. Dat is zeker een verdienste, maar nog geen reden om iemand wél sympathiek te vinden. Naar de specifieke oorzaak van zijn drastische levenskeuze had ik uiteindelijk het gissen. Misschien wilde deze ongetwijfeld complexe en eigengereide of gewoon in het leven teleurgestelde man niemand lastigvallen in de hoop dat niemand hém te na zou komen. Vertel mij wat.

Ik heb zoals gebruikelijk één en ander op deze serie aan te merken, maar kijk er graag naar. Enige psychologie van de koude grond biedt in dezen wellicht uitkomst.


Marlon Brando: An actor named desire

Canvas – 22 juli – 55.509 kijkers

De wereld vergaat voor ieder mens apart. Best mogelijk dat ik tot de laatste generatie behoor die nog veel ziet in het iconische beeld van Marlon Brando uit ‘The Wild One’, een seculier devotieprentje: Johnny Strabler, de leider van een motorbende, die op het stuur van zijn Triumph Thunderbird geleund maling heeft aan noem maar op. Zodoende was hij een voorafspiegeling van de wereldomspannende rebellie der teenagers. Het was 1953. Teenagers waren een sociaal-maatschappelijke nieuwigheid en ik, vandaag een teenager op jaren, zat godbetert nog niet eens in de pijplijn.

Het is 2018 en op een broeierige zondagavond in juli besluit ik op Canvas nog maar eens kennis te nemen van het levensverhaal van de broeierige Marlon Brando, één van die schijnbaar bovenmenselijke en dus al te menselijke 20ste-eeuwse verschijningen waarop ik niet uitgekeken raak. Ooit was hij een boerenjongen uit Omaha, Nebraska, die het niet getroffen had met zijn ouders: zijn moeder was hopeloos aan de drank en zijn vader, een verlopen handelsreiziger, deed inzake pimpelen niet voor zijn echtgenote onder, liefst in stemmige hoerenkasten. Die vent had voor de rest geen goed woord over voor zijn zoon, waardoor Marlon emotioneel aan zijn moeder klitte: als jongetje trof hij mammie geregeld uitgeteld op de vloer aan, en dan moest hij haar uitkleden en te bed leggen. Freudianen, iedereen kent er wel één, ervaren een feest van herkenning.

Een jeugdvriend herinnerde zich in deze documentaire dat Marlon goed dieren kon nabootsen en met dat kunstje zijn dronken moeder graag aan het lachen bracht, al was het maar om te zien of ze nog reageerde. Was dat al welbewust acteren? Of iets anders dat uit wanhoop voortvloeit? Jammer dat ik geen freudiaan bij de hand heb.

'Schaamteloos seksueel, monsterlijk mooi: Brando was behalve een natuurkracht ook zijn eigen kunstwerk'

Volgens zijn legende werkte Marlon Brando in New York als liftboy in een hotel tegenover de Stella Adler Studio of Acting. Omdat hij er vaak mooie meiden zag in- en uitlopen, liep hij er ook eens binnen. Het duurde niet lang of hij kwam er weer buiten als de ongeziene Marlon Brando, engel en demon, animaal en etherisch, schaamteloos seksueel, monsterlijk mooi: kortom, een acteur die behalve een natuurkracht ook zijn eigen kunstwerk was. Een acteur ook wiens nieuwe, hoogstpersoonlijke, ook op het toneel van alle overgeleverde theatraliteit gespeende vorm van acteren de grandeur van een toenmalige coryfee als Laurence Olivier toch enigszins relativeerde. De acteur Robert Duvall zei dat hij ‘helemaal van streek was’ toen hij Marlon Brando op het toneel had gezien in ‘A Streetcar Named Desire’ van Tennessee Williams. Ik houd niet van hysterische overdrijvingen, maar in dit specifieke geval kost het me geen moeite om me, aan de hand van beelden uit de film ‘A Streetcar Named Desire’, iets bij die ontregeling voor te stellen.

‘An Actor Named Desire’: al vroeg in zijn carrière gaf Marlon Brando te kennen dat zijn verlangen niet meer naar acteren uitging, zelfs dat hij acteren maar niks vond. Volgens Stella Adler, zijn docente, vertrouwenspersoon en occasionele geliefde, vond hij acteren al bij al een beroep voor nichten. Daar valt iets voor te zeggen, maar goed: misschien was hij er te goed in en ging het acteervak hem dan ook zodanig makkelijk af dat hij het niet langer serieus kon nemen. Misschien dacht hij dat hij als politiek activist van grotere betekenis zou kunnen zijn in de wereld, wat volgens mij een dwaling was.

Niettemin speelde hij nog onvergetelijke rollen in ‘The Godfather’ en zeker ook in ‘Last Tango in Paris’ van Bernardo Bertolucci, waarin hij in een aantal door merg en been gaande monologen, vaak improvisaties, lucht gaf aan zijn barre autobiografie. Dat was ook voor hem zodanig hartverscheurend dat hij achteraf spijt kreeg van die openbare biecht. In die tijd weigerde hij al tekst uit het hoofd te leren, zodat zijn tegenspeelster Maria Schneider, die ik erg aantrekkelijk vond, zijn tekst op haar voorhoofd moest kleven. Dat vond ze vast minder erg dan de beruchte scène waarin Brando te harer attentie een klont boter als glijmiddel gebruikte. Nog een improvisatie.

Brando werd een zwaarlijvige zonderling, die te zijnent in de heuvels van Los Angeles met de waanzin flirtte, in het gezelschap van zijn demonen vereenzaamde, en intussen ook nog in het reine moest zien te komen met méér persoonlijke tragedies dan één mens kan verdragen: zijn zoon vermoordde de man van zijn dochter Cheyenne, en die beroofde zich later van het leven.

‘Marlon Brando: ‘An Actor Named Desire’ was bij lange na niet dé documentaire over Brando – ik ben meer voor ‘Listen to Me Marlon’ (2015) te vinden – en het verbaasde me dat zijn problematische maar evengoed markante rol van kolonel Kurtz in ‘Apocalypse Now’ er onvermeld in bleef. Maar als er voor de rest niets te beleven valt op de televisie, neem ik genoegen met een documentaire die me ertoe aanzet om nog eens naar de dvd van ‘Last Tango in Paris’ te kijken.

Nu ik het toch over acteren heb: uit een onderzoek van Telenet blijkt dat de Vlamingen altegader in 2017 maar liefst zes miljoen uur naar ‘F.C. De Kampioenen’ hebben gekeken. Blij dat ik daar geen schuld aan heb.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle verhalen van de Humo rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234