'Een charmismatische ongelukkige' Dwarskijker over 'Sorry voor alles', 'Alloo bij Gert Verhulst', 'Het grootste licht' en 'Callboys'

We zien wel. En intussen worden we gezien.


Sorry voor alles

Eén – 4 september

Op de radio, kort voor ik ’m uitzette, deed Adriaan Van den Hoof onlangs zijn beklag over verontruste burgers, of gewone zemelaars, die al schande spraken van ‘Sorry voor alles’ toen dat programma nog embryonaal was. ‘Wacht met een opinie,’ drukte Adriaan de luisteraars op het hart. Bij professionele beoordelaars drong hij met klem aan op een ‘glasheldere analyse waar programmamakers óók iets aan hebben.’ ‘Iedereen mag recensent zijn!’ riep hij ook nog, op de toon van getergde lieden die graag de retorische vraag ‘Waar moet dat heen?’ op het onverschillige heelal afvuren. Hij vond ook dat kijkers best dankbaar mochten zijn voor al die prachtprogramma’s waarmee zij ook dit najaar worden doodgegooid. Langs de neus weg gaf hij ons een praktisch voorbeeld van hoe het eigenlijk zou moeten. In Antwerpen werd hij volgens zijn zeggen nog niet zo lang geleden op straat omhelsd door mensen die hem met een van dankbaarheid vertrokken gezicht toeriepen: ‘Dank u, dank u, dank u omdat u onze zomer aangenaam hebt gemaakt.’ Dat sloeg merkwaardig genoeg op ‘Switch’, het spelletje waarin Adriaan Van den Hoof tijdens de vakantie op Eén warmdraaide als sympathieke huisvriend van het ruime publiek.

In die hoedanigheid zagen we hem nu ook in ‘Sorry voor alles’, een bij gebrek aan concurrentie gedoodverfd kijkcijferkanon dat ik voor de verandering eens níét in verband ga brengen met ‘The Truman Show’. Ik ga ook niet met een van verontwaardiging trillende stem gewag maken van een schending van de privacy, ook wel omdat ‘privacy’ in deze tijd zo’n verdomd ijl begrip is: zodra je het internet betreedt, is je privacy al publiekelijk opgeheven; loop ik, woonachtig in een provinciehoofdplaats, van mijn woning naar een winkelstraat zo’n twee kilometer verderop, dan kunnen de al dan niet bevoegde instanties dankzij een samenwerkingsverband van bewakingscamera’s mijn parcours stap voor stap nagaan. Daar speel ik dolgraag op in door op straat meestal opzienbarend te strompelen, of meelijwekkend te trekkebenen en ineens rasse zigzagbewegingen te maken, als iemand over wie Anne Teresa De Keersmaeker zich misschien zou afvragen: ‘Wie is in godsnaam deze charismatische ongelukkige? Zou hij geen aanwinst voor Rosas zijn?’ Blijven dromen is aangewezen.

Terug naar het soort glasheldere analyse waar programmamakers maar niet genoeg van kunnen krijgen: de eerste aflevering van ‘Sorry voor alles’ was in essentie een grootscheeps verborgencameraprogramma waarin dit keer een West-Vlaams meisje werd opgevoerd dat één maand lang, in haar vertrouwde omgeving, sluiks gefilmd en gemanipuleerd werd, maar dan wel te goeder trouw. Met haar verloofde, die met de programmamakers samenspande, liep zij nietsvermoedend een nagemaakte hotellobby binnen, waar ze na schalkse misleiding iets te zoeken dacht te hebben. Toen ze daar op de knop van de lift wilde drukken, schoof plots een hele wand de hoogte in. De logistiek achter dit programma en alle bijbehorende zenuwcrises smeken om een making-of.

Het meisje kwam, als was ze het middelpunt in ‘Het mooiste moment’, onvoorzien in een televisiestudio terecht waar ze nogal snel een joelende menigte familieleden, vrienden en bekenden ontwaarde, alsmede Adriaan Van den Hoof, die dit keer naliet ‘We gaan switchen!’ te roepen. Het meisje leek me het type niet dat zich van sommige aanwezigen afvroeg: ‘Wat moet die klepzeiker hier?’ Deze Ann-Sophie De Jonckheere was een geknipte, uitstekend gescreende en misschien zelfs net iets te ideale kandidate voor dit programma: als ze over haar eerste verbazing heen was, zette ze het op een stralen dat de hele uitzending lang aanhield. Eén brok zonneactiviteit, dat meisje. Dat ze ter vermaak van een brede kijkersschare uitvoerig genept was, vatte ze meteen sportief op. ’t Was alsof je haar zag denken: ‘Als je dan toch op de tv wil komen, hoort dit er allemaal bij.’ Ze trad het leven duidelijk zonder argwaan en met de beste bedoelingen tegemoet, zelfs als ze bijna oog in oog kwam te zitten met een dubbelgangster, die nagenoeg dezelfde kleding droeg als zij, en warempel ook nog eens dezelfde bril. Dat verwonderde Ann-Sophie wel, maar ze rook geen onraad. Ook niet toen ze in een kledingwinkel geholpen werd door Jani Kazaltzis, die haar met zwier rood, groen en oranje aanpraatte, alvorens walgend weg te duiken en zichzelf te verfoeien om zoveel opgelegde slechte smaak. In de selectieproef voor een tv-programma waarvoor ze niet was uitverkozen, had ze nog gezworen dat ze bij haar leven nooit de kleurencombinatie rood, groen en oranje zou dragen. Die selectieproef voor dat tv-programma dat niet bestond, was ook een onderdeel van ‘Sorry voor alles’: kosten noch moeite. En de makers konden er in ieder geval zeker van zijn dat Ann-Sophie er iets voor overhad om op de televisie te komen.

Ook de acteur en zanger Roel Vanderstukken kluste bij in ‘Sorry voor alles’: hij speelde zichzelf op een themafeestje waarop hij zijn nieuwe plaat zou voorstellen in de sfeer van het oude Egypte. Ann-Sophie werkte weleens als promotiemeisje, en nu toevallig ook – alsof de duvel ermee gemoeid was. Vanderstukken vroeg haar om plaats te nemen in een sarcofaag en er na enkele minuten, op zijn klopsignaal, triomfantelijk uit tevoorschijn te komen met z’n nieuwe plaat. Er werd niet geklopt. Later moesten enkele familieleden, vrienden en kennissen gissen hoelang Ann-Sophie zonder een kik te geven in die sarcofaag zou blijven zitten. Het juiste antwoord was: langer dan een uur. Roel Vanderstukken noemde haar daarom erg professioneel, terwijl ik meer aan verregaande meegaandheid of zelfs slaafse volgzaamheid dacht: diepmenselijke eigenschappen die je buiten ‘Sorry voor alles’ weleens met de dood zou kunnen bekopen. Overdrijf ik? Zoveel te beter.

Hoewel ik die zondagavond op niets dan amusement was ingesteld, had ik ook eventjes te doen met Ann-Sophie. Op de huwelijksplechtigheid van een vriendin, een feestelijkheid die van voren tot achteren in scène was gezet, trad ze als getuige op. Uiteraard zag ze de ingelijste woorden ‘Ceci n’est pas un mariage’ niet, één van de vele tekenen waarvoor ze in haar argeloosheid blind of toch slechtziend bleef. Tijdens een gelegenheidstoespraak schoot de getuige herhaaldelijk vol: haar gevoelens waren zo te zien oprecht, en in contrast met de onechte werkelijkheid net iets te gênant om zomaar voor vermakelijk te kunnen doorgaan, ook al beloofde de vriendin dat Ann-Sophie ooit in het echt haar huwelijksgetuige zal mogen zijn.

De beelden van Jacky Lafon, de actreuse, die zich in die rare maand ongezien toegang verschafte tot de woning van Ann-Sophie, waar ze voor het oog van de camera deed alsof ze thuis was, herinnerde me eventjes aan de verneukeratieve ingrepen van ‘Schalkse ruiters’. Lafon knoopte er vriendschap aan met de labrador des huizes, die buiten het medeweten van Ann-Sophie de cover van Woef haalde, een blootblad voor honden. Dat ik aan ‘Schalkse ruiters’ moest denken, betekent nu ook weer niet dat ‘Sorry voor alles’ voor mij dezelfde aantrekkingskracht heeft, maar niettemin neem ik graag aan dat een hoop volk zich op zondagavond graag in samengesteld-gezinsverband zal overgeven aan dit verstrekkende verborgencameraprogramma dat ook een vraag- en gokspel is aangaande alles wat de proefpersoon nietsvermoedend heeft meegemaakt gedurende die dertig dagen dat zij of hij ongemerkt in de kijker liep. Ik durf er geen eed op te doen dat het procedé van ‘Sorry voor alles’ me na circa drie afleveringen nog naar de vierde zal leiden. We zien wel. En intussen worden we gezien.

'Ik voorzie een teveel aan portrettisten en een tekort aan lieden die de moeite van het portretteren waard zijn, met alle gevolgen van dien'


Alloo bij Gert Verhulst

VTM – 6 september

Het grootste licht

VTM – 7 september

Luk Alloo, die hoogstwaarschijnlijk een fidele kerel is, zou ons ‘de mens achter het bekende gezicht’ laten zien in een serie tv-portretten van Bekende Vlamingen. Er wordt de laatste tijd heel wat afgeportretteerd op de televisie, waardoor ik zoetjesaan voor een inflatie van het genre begin te vrezen. Ik voorzie ook een teveel aan portrettisten en een tekort aan lieden die de moeite van het portretteren waard zijn, met alle gevolgen van dien. Voorts denk ik dat de kunst en de kunde van de portrettist niet noodzakelijk uit zijn lijfelijke aanwezigheid in het portret hoeft te blijken, zelfs al heeft het er dan alle schijn van dat Luk Alloo een geschikte peer is, ook al is hij dan iets te goede vriendjes met de verkeerspolitie.

De eerste mens die op aansporing van Luk Alloo achter zijn gezicht vandaan kwam, was de boomlange entrepreneur en entertainer Gert Verhulst, een man die onmiskenbaar maatschappelijk succes heeft en volgens de bazin van zijn stamkroeg ‘altijd gewoon’ is gebleven. Die eigenschap vond zij in het Antwerps typisch Antwerps.

In het verkeer ontpopte Gert Verhulst zich als een ietwat geïrriteerde deskundoloog, die in het Antwerps maar al te goed wist hoe je in de file het fileprobleem kon oplossen, maar de automobilisten om hem heen wilden maar niet luisteren en volhardden dan ook in dom rijgedrag in de stremmende verkeersstroom. In het steeds ingewikkelder heden, waarin je nooit meer onbereikbaar kon of mocht zijn, verlangde Gert Verhulst weleens terug naar de tijd van de Witte van Zichem, of toch naar de traagzame, idyllische wereld die hij zich bij het Vlaamse platteland ten tijde van het interbellum kennelijk voorstelde. Een vleugje historisch besef zou hem in een ommezien op andere gedachten kunnen brengen.

Luk Alloo speculeerde met succes op het emotionele en evocatieve effect van plekken waar de geportretteerde in zijn jeugd iets mee te maken had: de aanblik van zijn middelbare school, die volgens hem niet veranderd was, riep bij Gert Verhulst meteen gedachten op aan nare leraren en onverkwikkelijke dagen met slopende lessenroosters. Hij moest ook denken aan die keren dat hij in z’n blote bast in de ijskoude regen ging staan, om bronchitis op te lopen die hem even van alweer een vervloekte dag op school zou ontheffen. In zijn lagere school herinnerde hij zich nog de kleuterklas waarin hij het nog maar 45 jaar geleden – je mag er niet aan denken – een keer in z’n broek had gedaan. Het scheelde niet veel of hij wees ons in dat klaslokaal de precieze plek aan waar hij op die doemdag opeens nattigheid had gevoeld. Voor de rest was zijn jeugd gelukkig. Vooral in zijn verloren paradijs in Horendonk, waar zijn ouders ooit een vakantiehuisje hadden: terwijl hij daar zijn gangen van weleer naliep en aan zijn overleden moeder dacht, en aan de dingen die onherroepelijk voorbijgaan, kreeg hij even last van dauw op de ogen en een onvast stemgeluid. Emo is wel heel erg courant op de televisie.

Gert Verhulst vond de dood een ernstige tekortkoming van het leven. Dat heb ik, sinds ik me min of meer van dat leven bewust ben, al vaker gehoord. Zijn gewicht – hij hoefde naar verluidt maar naar eten te kijken of hij kwam al bij – kon hem ook ongelukkig maken, maar los daarvan had hij het geweldig naar zijn zin: hij had een stabiele relatie, zijn kinderen leken hem te waarderen, hij hoefde zich ook in materieel opzicht geen zorgen te maken, hij woonde ver genoeg van Aleppo, en in zijn directiekamer bij Studio 100 mocht hij graag rummikuppen op z’n iPad, een tijdverdrijf dat het bedrijf tot op heden geen noemenswaardige schade heeft berokkend. Zou de voormalige financieel directeur van Studio 100, die een tijd geleden in het nieuws was, ook vaak hebben gerummikupt ten kantore? Of had die wel wat beters te doen?

In de naar mijn smaak mooiste scène van dit portret zag je Gert Verhulst met de scooter van Oostduinkerke, één van zijn verblijfplaatsen, naar zijn werk in De Panne rijden, waar zich zijn wingewest Plopsaland uitstrekt. Daar gleed hij eerst in de rol van Gert, de eeuwige gespreksgenoot van die bobtail, en in één vloeiende beweging ook in een onflatteuze jurk, waarin hij voor een uitgelaten menigte kinderen deed alsof hij tegen zijn zin Marthe van K3 moest spelen. Als een man van bijna 50 jaar, die er als kind al van droomde om beroemd te worden, zonder morren die soepjurk aantrekt, dan beleeft hij vast nog veel genoegen aan zijn vak.

Meer heb ik niet over hem te melden, tenzij misschien dat ik hem ’s anderendaags, gesecondeerd door Ruth Beeckmans, zijn vak zag uitoefenen in ‘Het grootste licht’. Het logo van dit programma stelt een resusaap voor die dof naar een brandende gloeilamp zit te staren. Al snel bleek ‘Het grootse licht’ de zoveelste pleisterplaats voor het Vlaamse schnabbeldom te zijn, dat dit keer uit Olga Leyers, Guga Baúl, Sven De Ridder, Kamal Kharmach en Frieda Van Wijck bestond – tu quoque, Frieda? Deze graai uit het mediavolkje moest bijvoorbeeld een pluchen kat uit een hoge boom zien te halen met de beperkte middelen die ze in een tuinhuisje aantroffen. Of ze moesten – God zal me kraken – de burgemeester van Kontich op eigen kracht zien te imponeren – als je dat kunt, zit je ongetwijfeld op rozen. Alsof dat nog niet genoeg was, moesten ze op of in hun lichaam een hele ananas zien te verbergen. Wat heeft dit te betekenen? Is het een ongeïnspireerd alternatiefje voor ‘De idioten’? Ik zag vooral een pijnlijk soort onvermogen in dit programma, overschreeuwde wanhoop die ongelukkigerwijs komisch was bedoeld, en mij tot de conclusie ‘eens en dan nooit meer’ noopte. Ach, waarom altijd zo negatief? Wie een dieptepunt herkent, weet vast ook wat een hoogtepunt is.

'Jay twijfelde er niet aan dat z'n flink gedateerde machismo het uitstekend deed bij 'de vrouwtjes', die ongetwijfeld een grote lul herkennen als ze er één zien'


Callboys

VIER – 7 september

Eerder heeft Jan Eelen het leven in Vlaamse verkavelingen en in de belendende kantoortuin met succes op z’n tragikomische mogelijkheden beproefd. Dit keer verkent hij een milieu waarover de gemiddelde burgerman en zijn gade vast handenwrijvend beweren dat ze er niet of nauwelijks mee vertrouwd zijn: in ‘Callboys’ maken we meteen kennis met de praktijk van enkele dynamische seksuele uitzendkrachten. Het manusje-van-alles van escortbureau ‘Callboys’ Randy Paret (Bart Hollanders) leverde Devon Macharis (Matteo Simoni) af bij een klant (Joke Emmers) in een voor de rest verlaten wellnesscentrum bij avond. Daar doorbrak Devon Macharis, een klinkklare Limburger, de vierde wand om de kijkers instructief toe te spreken. Intussen handelde hij Wendy, zo heette de klant, stapsgewijs af. Hij is een adonis met een matje, en hij is ook een klassiek haantje met dito versierderspraatjes. Later zou blijken dat hij nogal traag van begrip is, en ondanks zijn illusieloze beroep ook naïef. Hij kon onder water wel twee en een halve minuut lang beffen: dat moest je hem nageven. Toen Wendy, die waar voor haar geld wilde, kordaat een bestelling plaatste – ‘Ik wil eerst een massage, en dan twee orgasmes: vaginaal en clitoraal, in die volgorde’ – keek Devon Macharis daar een fractie raar van op. En de toon was gezet.

Ook de twee andere escorts van ‘Callboys’ wijdden ons doorheen de vierde wand vrijmoedig in hun methodiek in: de motorrijder Jay Vleugels (Rik Verheye), een haast cartooneske Viking uit de binnenlanden van West-Vlaanderen, initieerde het betaalde liefdesspel met een vingervlug goochelkunstje, waarin een gepersonifieerd muntstuk – ‘je kunt ze via het internet in Denemarken bestellen, een week later heb je ze al’ – een rol speelde. Hij is een kortaangebonden type met een grote bek. Hij twijfelde er niet aan dat z’n flink gedateerde machismo het uitstekend deed bij ‘de vrouwtjes’, die ongetwijfeld een grote lul herkennen als ze er één zien. Hij bleek ook mordicus over de algemene beroepseer van zijn professie te waken: toen hij van een klant vernam dat zij van de diensten van een escort gebruik had gemaakt die om te beginnen al iets groenigs tussen z’n tanden had zitten, ontstak hij in het soort buitenproportionele woede en wraaklust, waar je ongetwijfeld al Jay Vleugels voor moest zijn.

In de naar mijn smaak heuglijkste, goed geschreven scène van de eerste aflevering maakte een middelbaar echtpaar gebruik van de diensten van callboy Wesley Biets (Stef Aerts), een op het eerste gezicht beheerst leiderstype. Hugo, prachtig gespeeld door Peter De Graef, had voor z’n 50ste verjaardag seks met een andere vrouw gevraagd, ‘om te lachen, hè?’ Zijn echtgenote Sandra (Bien De Moor) had daar in toegestemd, en aldus geschiedde. Maar ze had er wel iets tegenover geplaatst: voor haar 50ste verjaardag wilde zij het met een andere man doen, die dan de escort Wesley Biets bleek te zijn, die doorheen de vierde wand zijn aanpak van dit specifieke geval toelichtte. Hugo mocht toekijken, maar niet filmen, laat staan meedoen. We zagen hoe hij bezijden de slaapkamer stilletjes verging van onbehagen en spijt, en van zeurend verdriet ook.

Als je de callboys samen zag in hun heldere eigentijdse bedrijfsruimte, die in hetzelfde gebouw zat als een consultantsbureau, dacht je niet aan belhoeren maar aan starters – prostitutie leek ineens een bedrijfstak als een andere. Hun onderlinge samenhang deed me, mogelijk ook wegens hun hoogstpersoonlijke kapsels, aan een indiebandje denken dat het in afwachting van succes vooral van camaraderie moet hebben. Aangezien de ene escortboy al wat beter in de markt lag dan de andere, stak er ook weleens afgunst de kop op, want een beetje callboy is vooral een ijdele geest in een ijdel lichaam. En Randy Paret, het zwaar brillende en melancholiek ogende factotum van de callboys, wilde diep in zijn hart één van hen zijn, waardoor hij in deze aflevering de aandrang voelde om als een ware escort zijn ballen te scheren. Stiekem verhuurde hij zich ook een keer daadwerkelijk aan een eenzame vrouw, voor wie hij meer voelde dan je van een prostitué mag verwachten. Er kwam geen seks aan te pas en hij wilde na het goede gesprek ook geen geld aannemen, maar niettemin voelde hij zich geweldig schuldig omdat hij het huisreglement had overtreden. Of toch een ongeschreven wet waar de prinzipienreiter Jay Vleugels uiteraard met luider stem alles over wist: ‘Hij mag neuken, maar niet met onze klant, en niet in onze naam!’

In een vermakelijke maar evengoed tere scène legde Devon Macharis Randy Paret uit hoe je je testikels moest scheren als je roodheid en jeuk wilde vermijden, een advies dat meer moederlijk dan vaderlijk klonk. In een felrealistische flits kregen we die jeukende rode ballen ook te zien. Het meesterschap zat ’m in deze eerste aflevering ook in de details, bijvoorbeeld in een vluchtige passage waarin Devon Macharis het in een moment van totale onschuld over het kinderlijke plezier heeft dat hij zichtbaar aan woorden als ‘rabarber’, ‘huisjesslak’ en ‘paling’ beleeft. Ik meen dat genoegen te kennen.

Complexe personages in een parallelle wereld près de chez vous, uitstekende acteurs, waarachtig ensemblespel in het grensgebied tussen huilen en lachen, waar het beste drama vandaan komt. En dan te bedenken dat deze eerste aflevering nog maar een exposé was.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234