null Beeld

Een meesterwerk van 50: '1' van Tim Hardin

Heden is jarig ‘1’, de eerste van Tim Hardin, met de hoesfoto waarop hij het hardst op Rik Torfs lijkt. En met, volgens (mxp), de schoonste twee minuten en twee seconden uit de popgeschiedenis.

'Hardin kneep de smart de strot toe, voor ze de kans kreeg om oeverloos te worden'

We moeten daar niet onnozel over doen: het mooiste liefdeslied aller tijden is ‘How Can We Hang On to a Dream’ van Tim Hardin. Francesco Petrarca, The Righteous Brothers, Paul Severs: ze moeten allemaal de duimen leggen.

Dat het zo perfect is, heeft vast te maken met het feit dat ‘How Can We Hang On to a Dream’ recht uit het hart is geschept: het is de samenvatting van Hardins hopeloze liefdesleven, twee minuten en twee seconden van de schoonste uitzichtloosheid ooit getoonzet. En dat lummelende lentepianootje! Die in gepeins verzonken strijkers! Waar Hardin naar verluidt nog zeer kwaad om is geweest – die hadden ze er in de eindmix nog snel overheen gedrapeerd.

Ik vind dat nu niet echt storen.

Hoe vaak zou Susan Yardley met zoontje Damian op de arm, en later aan de hand, zijn weggelopen van haar man – ‘What can I say / She’s walking away / From what we’ve seen’? Ontelbare keren. Ze hielden erg veel van elkaar, maar Tim Hardin had een maîtresse. Haar naam was heroïne en ze had nét dat tikkeltje meer lef en overredingskracht.

Maar daarover straks meer – heden is jarig ‘1’, uitgebracht in juli 1966 door het label Verve, de eerste plaat van Tim Hardin, met de hoesfoto waarop hij het hardst op Rik Torfs lijkt. Een goed burger heeft die plaat in huis, maar mocht u ze kwijt zijn of uitgeleend hebben, zoek op YouTube eens ‘Misty Roses’, en besef dat we er van een songsmid als deze in recente tijden niet zoveel meer gehad hebben – Ryan Adams komt in de buurt, Chris Whitley, Mark Lanegan, Mark Eitzel, Jeff Buckley, misschien haal je het dozijn.

Laat vervolgens ‘Ain’t Gonna Do Without’ op uzelf los – een uit een stevige Stax-riem gesneden en met een pesterige bluesharmonica overgoten lap muziek. Luister naar ‘Reason to Believe’ en vraag u minutenlang af waar u het van kent – van de latere versie van Rod Stewart, inderdaad (het nummer was de A-kant van de single waarvan op de B-kant ‘Maggie May’ stond – tijden van muzikale weelde).

Op zijn mooist is Tim Hardin op ‘1’ echter in zijn dromerige songs – waarbij ‘dromerig’ een braaf woord is voor onversneden treurnis en ongeneeslijke zwartgalligheid: ‘Never Too Far’, drassig van de melancholie (‘Does it ease your heart to say / Tomorrow brings another way to lose you’) of ‘It’ll Never Happen Again’, een intrieste verzuchting van een jongeman die de onderkant der dingen heeft gezien en wiens blik voor eeuwig door tranen is vertroebeld (‘I remember our first affair / All the pain, always rain around my eyes / It’ll never happen again’). En natuurlijk ‘How Can We Hang On to a Dream’: zeker als het over de liefde gaat, valt er bij deze zanger niets vreugdevols te beleven – naast Tim Hardin is Morrissey een montere flierefluiter.


Strofe-refrein-strofe

Hardin was 25 toen hij ‘1’ maakte, en toen feitelijk al tien jaar halftijds op de dool. Geboren in 1941 in Eugene, Oregon, bepaald niet de broeierigste plek op aard, had hij zijn handen vol met zijn strenge vader en zijn eigen twijfelende knapenhart. Hij maakte zijn middelbare school niet af, ging merkwaardig genoeg bij de US Marines, leerde allicht als soldaat in het Verre Oosten zijn maîtresse kennen, en kwam op z’n 20ste in New York terecht, waar zijn songschrijverschap tot bloei kwam – hij maakte er muzikale vrienden als Fred Neil (schrijver van ‘Everybody’s Talkin’’) en John Sebastian (van de latere Lovin’ Spoonful).

Dat ontluikende songschrijverschap van Hardin had één belangrijk kenmerk: het muntte uit in soberheid en noodzakelijkheid. Nooit te veel noten, nooit te veel woorden; Will Sheff, die tien jaar geleden met Okkervil River Hardins ‘Black Sheep Boy’ coverde, wist het prachtig te verwoorden: ‘A Tim Hardin song never outstays its welcome – zijn songs blijven nooit langer dan nodig. Ze zijn kort en mooi: een strofe, een refrein, een tweede strofe, en het lied is uit and he’s out of there. Het zijn kleine, perfect geslepen edelstenen.’

Luister nu nog eens naar ‘How Can We Hang On to a Dream’. Strofe-refrein-strofe. Een bruggetje de naam niet waardig. Aan het eind denk je: ‘Verrek, was het dat al?’

Hardin is in dat opzicht een tegenpool van Jeff Buckley: allebei zongen ze hartverscheurend, maar waar Buckley de smart de vrije loop liet, kneep Hardin ze de strot toe, voor ze de kans kreeg om oeverloos te worden.

Iedereen heeft wel íéts, maar Tim Hardin had podiumvrees en angst voor grote massa’s, wat zijn leven als popster een wel buitengewoon spannend kantje gaf. Toen hij op vrijdag 15 augustus 1969 Woodstock mocht openen, had hij zich dermate veel moed moeten inspuiten dat hij voortdurend omviel – Richie Havens moest zijn plaats innemen, en Hardin kon pas later op de avond, toen voldoende geesten hem hadden verlaten, zijn set afwerken, die naar verluidt niet uitblonk in samenhang en virtuositeit.

Twee jaar eerder had Hardin al de kans van zijn leven laten liggen, toen Bobby Darin zijn ‘If I Were a Carpenter’ had gecoverd en al doende een nummer 1-hit had gescoord in de Billboard Hot 100 – als Hardin tóén het ijzer had gesmeed en op tournee was gegaan om zijn tweede elpee (‘2’) te promoten, was hij allicht dertien jaar later niet berooid en haast onopgemerkt gestorven in een luizig appartement aan Orange Drive in Hollywood.

Dat luizige appartement is inderdaad onze trieste bestemming, en véél meer valt er onderweg niet uit te leggen wat niet te herleiden is tot het woord ‘heroïne’ – al was Hardin ook aan alcohol verslaafd en kampte hij als kettingroker met zware ademhalingsproblemen, wat op zijn latere platen (neem ‘Painted Head’ erbij) eenvoudigweg hoorbaar is. Ook hoorbaar was het gestage opdrogen van zijn songschrijfkunst. Achter elke artistieke beslissing die hij nam, zat een verborgen agenda waarin steeds hetzelfde gekribbeld stond – toen hij begin jaren 70 naar Londen verhuisde om er met Tim Rose te gaan samenwerken, bleek al snel dat het hem meer om de gratis methadon te doen was geweest. Van de twaalf optredens die het duo op Britse bodem speelde, gingen er elf frontaal de mist in doordat er eentje zijn teksten bleef vergeten.

Ofschoon zij geweldig haar best deed, bleek Susan, zij die maar away bleef walken maar die ook steeds terugkwam, uiteindelijk niet bestand tegen de bodemloosheid van haar man – zij bleef hem trouw, met Damian op de arm en later aan de hand, tot hij haar in 1976 die ene keer te veel bedreigde en zij hem, honderd kilo zwaar en kaal, voorgoed achterliet in LA, waar hij de laatste rechte lijn naar de overdosis inzette.

Op dat onzalige moment, 29 december 1980, vier dagen na kerstmis, was Tim Hardin net 39 jaar oud geworden. Het nieuws van zijn dood haalde amper de kranten – zijn laatste plaat (‘9’) was alweer zeven jaar oud, en zoals we weten had hij intussen geen fonkelende livereputatie opgebouwd.

Die arme, trieste man. Zo onthutsend veel talent, en zo verschrikkelijk weinig moed. Terwijl hij met knikkende knieën in de coulissen van het leven stond, pronkten op het podium anderen met zijn veren – Hardins songs werden gecoverd en niet zelden tot hits opgewerkt door Johnny Cash, Robert Plant, The Four Tops, Nico, Fleetwood Mac, The Small Faces en The Byrds.

Wij hebben gelukkig die 2 minuten en 2 seconden van zijn bange droom nog.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234