Een meesterwerk van 50: 'Da Capo' van Love

Wat als The Doors niet hadden bestaan? Zouden de jongens van Love, genre- en stadsgenoten uit LA, dan groter zijn geweest? Of was de wereld in de sixties nog niet klaar voor een rockgroep met een zwarte zanger? Vragen waar we een antwoord op zoeken nu ‘Da Capo’, hun tweede worp en misschien wel de ultieme hippieplaat, z’n 50ste verjaardag viert.

'Er is altijd wel een reden waarom een cultgroep niet doorbrak'

In 1972 stelde Lenny Kaye, de latere Patti Smith-gitarist, samen met Elektra-baas Jac Holzman de dubbele compilatie ‘Nuggets: Original Artyfacts from the First Psychedelic Era 1965-1968’ samen, in de volksmond bekend als ‘Nuggets’. Die stenen tafelen der garagerock tellen zevenentwintig vlammende sixtiessongs die op dat moment compleet vergeten waren, brandbommen als ‘(You’re) Pushing Too Hard’ van The Seeds en ‘You’re Gonna Miss Me’ van The 13th Floor Elevators. Beide nummers en de bijbehorende elpees stammen uit het apenjaar 1966, net als ‘Da Capo’ van Love.

Love zelf staat niet op de originele ‘Nuggets’ (wél op de uitgebreide heruitgave die eind jaren 90 verscheen, met de klepper ‘Seven and Seven Is’), maar net als The Seeds Sky Saxon (overleden in 2009) en The 13th Floor Elevators metRoky Erickson, had ook die groep een excentrieke frontman: Arthur Lee. De reden waarom ons hart nét iets sneller gaat slaan van ‘Da Capo’ dan van de al evenzeer bij het grote publiek onbekende ‘The Seeds’ of ‘The Psychedelic Sounds of The 13th Floor Elevators’, heeft wellicht te maken met de bezetting. Arthur Lee was zwart, straight outta Memphis, Tennessee, en Love was een mixed race-rockband uit Los Angeles, een fenomeen dat tot op de dag van vandaag voor gefronste wenkbrauwen zorgt: zelfs nu nog krijgen zwarte aanvoerders van rockgroepen (Bloc Party, en euh, Bloc Party) vervelende vragen van journalisten over hun uitzonderlijke positie. Black men can’t rock? Raar hoe iedereen dan ineens Jimi Hendrix vergeten is.


Tiurbus: Mercedes

De paden van Arthur Lee en Jimi Hendrix, die zich toen nog Jimmy James liet noemen, kruisten elkaar weleens in de clubs en studio’s van het Los Angeles van midden jaren 60. Lee had zich als tiener echt in die wereld binnengewerkt: in plaats van in de les te zitten, maakte hij tijdens de schooluren lange wandelingen naar dat grote witte Capitol-gebouw op Vine Street, om daar op zo veel mogelijk kantoordeuren te kloppen (ook dat waren de sixties: van security was toen nog geen sprake.) Op foto’s uit die tijd is er iets vreemds met het haar van Arthur Lee: hij deed z’n best om het zo plat mogelijk te kammen, en het lijkt nergens op. Muzikaal paste hij zich gelukkig niet aan de heersende normen aan: Lee stelde z’n groep samen uit zwarte en blanke muzikanten en was evenzeer in de ban van The Byrds als van de blues. En dat beviel Jac Holzman van Elektra, die Love een contract aanbood nadat ze het hele clubcircuit van LA hadden platgespeeld. Hun allereerste single, uit maart 1966, is een ongemeen pompende garagerockcover van de Bacharach/David-ballad ‘My Little Red Book’, een nummer dat de groep ontdekt had op de soundtrack van ‘What’s New Pussycat?’, in de versie van Manfred Mann.

Elektra was tot op dat moment een label dat eigenlijk alleen maar folkartiesten deed. Die waren makkelijker om op te nemen. En wellicht ook makkelijker om mee om te gaan. Holzman had het eerst niet door, maar toen Arthur Lee het contract tekende, was hij nog minderjarig. Toen Lee wat later van dat contract af wilde – er zat al snel een haar in de boter tussen hem en Holzman, de groep was ook niet tevreden over de klank van hun debuutplaat ‘Love’ – zei hij gewoon dat het onwettig was, want getekend door een minderjarige. Maar Lee was ook een opportunist: toen Holzman met méér geld over de brug kwam, tekende hij maar al te graag een nieuw contract, deze keer als meerderjarige. Uit voorzorg liet Holzman Lee’s identiteitsbewijs vastnieten aan het contract.

Waarmee we vanzelf zijn aanbeland aan het hoofdstukje Ego’s en Excessen. Met het allereerste geld dat de groep had gekregen van Holzman, zo’n vijfduizend dollar, had Arthur Lee zich een Mercedes Gullwing gekocht: een tweezitter met naar boven openzwaaiende deuren, niet echt geschikt als tourbus voor een vijfkoppige groep. De overige vier groepsleden kregen het wisselgeld, elk zo’n honderd dollar. Er werd binnen Love ook strijd gevoerd tussen de twee songwriters: Arthur Lee en Bryan MacLean. ‘Zijn gezag was er één van de zachtaardige soort, maar het was wél zo: Arthur was de baas van de groep,’ liet producer Bruce Botnick ooit optekenen. En er waren de drugs. Lang voor Guns N’ Roses hun roemruchtige stek in Los Angeles deelden met groupies en heroïnespuiten, deed Love iets gelijkaardigs in een gigantisch huis dat ze the castle doopten. Het was daar dat Arthur Lee ‘Da Capo’ schreef, getuige daarvan ook de barokke, speelse song ‘The Castle’.

De nugget ‘Seven and Seven Is’ blijft het beste nummer van ‘Da Capo’: een bom van een song, waarvan de slopende opnames – het moordende tempo speelde vooral de drummer parten – Jac Holzman blijvende gehoorschade bezorgde, tot groot genoegen van Arthur Lee. ‘She Comes in Colors’ is naïef en onnozel zoals alleen songs in de sixties naïef en onnozel konden zijn, net als ‘Stephanie Knows Who’. De B-kant, die wordt ingenomen door één track van achttien minuten, het meanderende ‘Revelation’, is er ontegensprekelijk over. ‘Da Capo’ is daardoor misschien wel de ultieme hippieplaat, en bewijst tegelijk dat er altijd wel een reden is waarom een cultgroep niet doorbrak.

Al groeven de jongens van Love ook hun eigen graf toen ze het veelbelovende groepje van ene Jim Morrison aanprezen bij Jac Holzman. Op een avond zakte Holzman af naar de Whisky a Go Go op de Sunset Strip, rechtstreeks van z’n vlucht uit New York, maar hij vond niks aan het optreden van The Doors waarvan hij daar getuige was. Arthur Lee vond Holzman daarom een nog grotere lul dan hij al dacht: wie begreep The Doors nu niet? Een paar optredens later ging de platenbaas natuurlijk toch overstag, en wel omwille van het hypnotiserende effect dat Morrison en co. op hun publiek hadden. Elektra tekende The Doors, met de bekende gevolgen: zij werden groot, Love werd vergeten. Elektra verweet Love dat ze niet op tournee wilden – The Doors deden dat wél, ze speelden overal waar ze konden en werden ook groot buiten LA. Love verweet Elektra dan weer dat het al z’n verdiensten in The Doors investeerde. Het zou tussen Love en Elektra nooit meer goed komen. De volgende plaat ‘Forever Changes’ uit 1967, groots aangepakt met strijkers, toeters en bellen, werd amper gepromoot, en flopte.


Bandana

In de documentaire ‘Love Story’ uit 2006, zie je Arthur Lee het verhaal doen van zijn sixties in Los Angeles. Hij heeft er op dat moment een gevangenisstraf opzitten van meer dan vijf jaar, ongeveer de helft van de twaalf jaar die hij in 1996 had gekregen voor het in de lucht afvuren van een pistool – op het moment van die feiten had hij al andere geweld- en drugsdelicten op z’n kerfstok. Lee zit verscholen achter een donkere zonnebril, draagt een lelijk zwart hemd met glinsterende muzieknoten op geborduurd en – erg grappig, maar wellicht niet zo bedoeld – in ongeveer ieder shot van het interview heeft hij een andere bandana onder zijn grote zwarte hoed geknoopt. Het is vanachter die zonnebril en vanonder die bandana dat Arthur Lee het uiteindelijk ook toegeeft: hij was destijds bang om te touren, bang om op te treden buiten Los Angeles, bang dat ze daarbuiten uitgefloten zouden worden. Achter jeugdige branie en arrogantie zit al te vaak angst voor het onbekende. Arthur Lee stierf in 2006 op 61-jarige leeftijd.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234