'Een oorverdovend welkomstlied' Dwarskijker over 'Ten oorlog' en 'Winteruur'

Als ik op straat een wildvreemde aanspreek, tast hij meteen naar zijn hartstreek, alsof hij in allerijl z'n portefeuille klem wil zetten in z'n binnenzak.


Ten oorlog

Eén – 26 oktober

De formule is inmiddels vertrouwd: Arnout Hauben, Jonas Van Thielen en Mikhael Cops zoeken sporen van een oorlog die te onzent heeft gewoed, dit keer WO II. WO II: weet je nog wel, oudje, of ben je al een natuurlijke dood gestorven? Al spoorzoekend proberen Hauben, Van Thielen en Cops zich ook enigszins in te beelden hoe het leven in Europa geweest moet zijn toen de bevrijding en het bijbehorende bloedvergieten ter hoogte van de Normandische kust ophanden waren. Daartoe reist het onderhavige drietal eerst van Londen naar Berlijn, wat de Amerikaanse generaal Bradley en zijn manschappen hen hebben voorgedaan, zij het in minder comfortabele omstandigheden, en al helemaal niet in vrijetijdskleding. Vervolgens zullen ze van Stalingrad naar Berlijn trekken, in navolging van de Russische generaal Zjoekov – zó’n kerel – en zijn troepen.

Het treft me telkens weer hoe oer-Vlaams ‘Ten oorlog’ wel is. Dit programma roept zowel de padvinderij als bedevaarten in me op, en het fluistert me een uitdrukking als ‘de knapzak aanspreken’ in; ‘Ten oorlog’ ziet er ook uit alsof het puur uit liefhebberij is gemaakt, zonder daarom amateuristisch te ogen, in de zin van té doe-het-zelverig. De makers laten uitschijnen dat hun onderneming low budget is. In Engeland deelden ze hotelkamers die net iets duurder waren dan een regenachtige nacht onder de blote hemel. Opdat we vooral niet zouden denken dat die types van de openbare televisie in het buitenland de grote heer uithangen op de rug van de belastingbetaler, onderstreept het trio van ‘Ten oorlog’ dat het uit heel gewone jongens bestaat, jongens van stavast weliswaar, maar met bescheiden verwachtingen. Mooi zo, al heb ik in de loop der jaren wel geleerd dat je moet oppassen voor lieden die op de televisie iets te nadrukkelijk voor gewone jongens willen doorgaan. Bescheidenheid is vaak een schutkleur, terwijl argwaan dan weer een journalistiek beginsel is.

Arnout Hauben heeft nog steeds de gave om wildvreemde voorbijgangers meteen vertrouwen in te boezemen. Dat is in zijn vak een benijdenswaardig pluspunt. Als ik op straat een wildvreemde aanspreek, tast hij meteen naar zijn hartstreek, alsof hij in allerijl z’n portefeuille klem wil zetten in z’n binnenzak. Soms roept zo’n man of vrouw nog vóór ik het woord tot hem of haar heb gericht: ‘Neen, ik heb geen kleingeld bij me! En ook geen coupures van 5, 10, 20, 50, 100, 200 of 500 euro!’ Arnout Hauben weet zijn toevallige ontmoetingen op straat ook merkwaardig goed uit te kiezen: in Londen liep hij in deze aflevering toevalligerwijs tegen een middelbare man aan die wel iets van krijgsverrichtingen afwist: een ex-militair die verschrikkingen had meegemaakt in Noord-Ierland, Bosnië, Kosovo, Irak en Afghanistan, wat nogal veel is in één mensenleven. De ex-militair nam de jongens van ‘Ten oorlog’ mee naar zijn bescheiden optrekje, waar hij geruggensteund door een halveliterpul Carlsberg zei dat het ruimen van massagraven in Bosnië en Kosovo hem nog het levendigst bijstond. Uit zijn blik meende ik te kunnen opmaken dat die beelden hem nog weleens uit de slaap hielden, en dat hij wellicht nooit meer helemaal zou genezen van het leven en de dood die hij in die dagen onder ogen had moeten zien. Hij had twee kinderen maar geen relatie met hun moeder. Zo’n man zal altijd wel alleen zijn als het erop aankomt. Aan zijn tijd bij het leger had hij wel een reeks militaire onderscheidingen overgehouden – als je in een oorlogssituatie domweg aan de dood ontsnapt, ben je vanzelf dapper. Hij liet die eretekens graag zien. Zijn kleinkinderen zullen ze na zijn heengaan misschien op eBay, of op de veilingsite die in hún tijd in zwang is, aan de man proberen te brengen. C’est la vie et la mort.

Op weg naar de Engelse zuidkust hielden de drie van ‘Ten oorlog’ ergens halt om een partijtje te paintballen, kwestie van aan den lijve te ondervinden wat oorlog in vredestijd betekent. De exploitant van het paintballgebeuren – of hoe heet zo’n attractie? – was een uit-en-ter-na verengelste Turk, die klanten lokte met een gevechtshelikopter waarin Tom Cruise nog had plaatsgenomen tijdens een filmopname. De uitbater bleek ook nog in het leger gediend te hebben – twee jaar Special Forces – waardoor hij de jongens van ‘Ten oorlog’, nadat hij ze aan denkbeeldige flarden had geschoten, kon verzekeren dat echte oorlog harder aankomt dan paintballen. Wie schetst mijn verbazing?

Jonas Van Thielen, die soms kijkt alsof hij liever iets anders zou doen, is in dit programma nog steeds acteur te velde. In Speaker’s Corner in Hyde Park sprak hij een drom mensen toe over de bedoeling van ‘Ten oorlog’. Dat deed hij in een Engels waarachter een geboren Engelsman niet meteen een bloody foreigner gaat vermoeden, zo Engels klonk het. Hij speelde in de wijde natuur ook het lot van kolonel Townsend E. Griffiss na, de eerste Amerikaanse piloot die tijdens WO II sneuvelde op Europese bodem. Jonas Van Thielen gaf klanknabootsingen van een luchtgevecht ten beste, waardoor ik ging denken dat ik zonder mijn kinderen in het jeugdtheater zat. ‘Wat doe ik hier?’ leek me dan ook geen overbodige vraag, want mijn kroost is volwassen en heeft wegens beroepsbezigheden en een eigen leven geen tijd meer om met mij naar het jeugdtheater te gaan. En ik ben het eerlijk gezegd ook wel enigermate ontgroeid.

Maar waar het ons meer om te doen is: een erg concrete voorstelling van hoe onze bevrijders zich hebben gevoeld, zat ’m volgens mij in het feit dat heel veel Amerikaanse soldaten zeeziek waren tijdens de oversteek naar Frankrijk, zodat ze misselijk Omaha Beach opstormden. We zagen hoe Arnout Hauben ergens op het Kanaal over de reling hing en hartstochtelijk zijn maaginhoud – vast een English breakfast met alles erop en eraan – aan de woelige baren prijsgaf. Er zou hem, eenmaal in Normandië geland, gelukkig geen oorverdovend welkomstlied van Duits geschut te wachten staan. Ik ben, nu het al zeventig jaar vrede is, toch nog benieuwd hoe WO II zal aflopen in ‘Ten oorlog’.

'Op de gastenlijst van 'Winteruur' stonden tot nog toe geen lieden die spoedig de barbarij zullen inluiden'


Winteruur

Canvas – 26, 27, 28 en 29 oktober

De dagsluiting: op de Nederlandse televisie herkauwde een dominee lang geleden aan het einde van een televisieavond hardop een Bijbelcitaat, opdat protestanten van alle gezindten nadien in een sfeer van contemplatie hun bedstee zouden opzoeken. In de seculiere wereld, inmiddels alom bedreigd door zeloten van de kwalijkste soort, las de grote schrijver Simon Carmiggelt een zogenoemde ‘Kronkel’ voor, één van zijn sublieme stukjes. Daarmee gaf de Vara te kennen dat de uitzendingen erop zaten.

Op Canvas lijkt Wim Helsen in ‘Winteruur’ in zijn eigen stijl bij die traditie aan te knopen. Na mooie, naar de houtsnedes van Frans Masereel hakende begintitels, blijkt Wim Helsen zich in een decor te bevinden dat meer wegheeft van een voorlopige verblijfplaats dan van een honk. Naar de inrichting te oordelen is het een soort berghut in het laagland. Er ligt iets wits en harigs op de vloer waarin de dommelige witte golden retriever Boris, die een tekstloze figurantenrol speelt in dit programma, naadloos zou kunnen opgaan als hij daar de fut toe had. In die ruimte kun je de buitenwereld niet zien, maar ik vermoed dat er sneeuw in de lucht hangt.

Wim Helsen, onomstotelijk een man van taal, ontvangt er elke avond iemand die zijn geest laat waaien over een tekst die hem of haar dierbaar is. Ze mogen hem zelf voorlezen. Op de gastenlijst stonden tot nog toe geen lieden die spoedig de barbarij zullen inluiden. Otto-Jan Ham had een fragment uit ‘Smalfilm’ uitgekozen, een songtekst waarin Spinvis het lot van oude mensen schetst. Voor één keertje zónder ironie sprak Ham over zijn angst om ouder te worden en spoorloos dood te gaan. Laat ik zeggen dat hij ongewoon confidentieel klonk. Wim Helsen, die bijzonder is van nature, hoefde het er ook niet uit te sleuren: goed opletten volstond, en achteloze maar welgemikte tussenvraagjes stellen, terwijl je iemand de indruk geeft dat hij ten volle je aandacht waard is. Niet iedereen kan het.

De in boekenbijlagen vaak omhooggestoken schrijfster Annelies Verbeke probeerde in het gezelschap van Wim Helsen eerst een zekere argwaan weg te glimlachen, had ik de indruk. Misschien verwachtte ze de variant van Wim Helsen die destijds het beeld van ‘Vrienden van de poëzie’ kwam ingeschoten, een hoogtepunt van ‘Man bijt hond’. Wim Helsen, de ontregelneef, stak maar eventjes de kop op: Annelies Verbeke sprak de schrijversnaam Čapek vermoedelijk uit zoals het in diens geboortedorp usance is: tsjopek. Ik werd een komisch effectje gewaar in de toon waarop Wim Hensen zei dat hij al zijn hele leven nietsvermoedend ‘tsjapek’ had gezegd. Het duurde niet lang of we wisten dat Annelies Verbeke zich dit jaar niet al te best had gevoeld, en dat ze het leven weleens teleurstellend vond. De behartigenswaardige tekst van Čapek – ik zeg nu al ‘tsjopek’ – die ze had uitgekozen, ging over de mens als verzameling ikken – een menigte ikken die om beurten even de baas mogen spelen. ’t Zou bevrijdend zijn mochten al die ikken op het idee komen om het ego te lynchen, al was het maar om te zien wat er daarna met hen zou gebeuren.

Marc Didden herinnerde ons eraan dat Luceberts emblematische, vaak te onpas geciteerde en in ieder geval autonoom geworden versregel ‘Alles van waarde is weerloos’ ook nog een veelzeggende context had, namelijk de rest van het gedicht waar hij deel van uitmaakt. Marc Didden koppelde er een gedachte aan de volslagen kwetsbaarheid van de kunstenaar aan vast – hij sprak met kennis van zaken want er huizen al jaren twee zielen in zijn borst: die van een kunstenaar en die van een criticus. Of die vreedzaam kunnen co-existeren is nog maar de vraag, maar erover nadenken is al een mooi tijdverdrijf.

Het was me een genoegen dat Michael Van Peel, die doordeweeks in eindejaarsconferences doet, voor een fragment uit een stukje van Godfried Bomans had gekozen – dat verwacht ik namelijk niet meer van hedendaagse dertigers. In die tekst beschreef Bomans zo kinderlijk mogelijk een scooter, een Vespa. Volgens mij heeft hij oneindig veel betere teksten geschreven, maar Van Peel bleek zichzelf graag met een Vespa te verplaatsen, wat uiteraard een band schept waar ik niet op wil afdingen. Ik, een teenager op jaren, vind het ook alleraardigst dat Van Peel een Fiat in een Batmobile heeft omgebouwd.

Aan het eind van elke aflevering van ‘Wintertijd’ mogen de gasten nog eens de tekst van hun gading voorlezen, waarna Wim Helsen hen er zachtjes toe aanzet om de kijkers op z’n Vlaams slaapwel te wensen, wat precies hetzelfde is als welterusten of slaap zacht. Het mooie, boven kijkcijfers verheven programmaatje ‘Wintertijd’, dat ik zo vaak mogelijk wil zien, stuurt ons met enige diepgang het ongewisse van de slaap in. Wat niet wegneemt dat ook oppervlakkigheid erg bevorderlijk kan zijn voor een goede nachtrust.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234