Reportage

Eenzaamheid met laptop: kluizenaars van nu (1)

Sinds mei woont een man uit Diest als kluizenaar in Oostenrijk. Humo klopte luid aan bij hedendaagse heremieten.

'Een Duitse journalist zei: 'U hebt iets waar miljoenen mensen naar verlangen. U hebt rust, stilte en een eenvoud van bestaan''

Dit is het land waar de kerken uientorens hebben en waar de schoenwinkels adverteren met de leus: ‘Een goed humeur begint bij goede bergschoenen’. Saalfelden is een toeristenstadje in de Oostenrijkse deelstaat Salzburg. Hoog boven Saalfelden verheft zich een kluis (° 1664) die nu bewoond is door Stan Vanuytrecht (58) uit Diest.

Vanop de wandelaarsparking vertrekt een ‘Stilteweg’. Het bord zegt dat de mens ‘meer dan ooit nood heeft aan plaatsen van stilte, eenvoud en eenzaamheid als tegenpolen van stress, economische druk en overconsumptie’, en dat het 35 minuten stappen is.

Het pad is steil, de wind koel op deze hete dag. Langsheen het pad een houten kapel. Vroeger was dit het noodonderkomen voor de kluizenaar als sneeuwstormen of lawines hem uit de kluis verdreven. Bij het crucifix staan veldbloemen en hangen Leichladen, houten gedenkplaten van lokale gestorvenen. In de knielbanken zijn namen met zakmessen gesneden. Souvenir voor God.

Na nog horten en klimmen over boomwortels verschijnt de witte gevel van de kluis tegen de rotsen. De schoorsteenrook heeft de bergwand zwart gemaakt. Hier woont hij dus, de vader van twee kinderen, de ex-landmeter en beroepsmilitair, de ex-ambulancier en gevangenenbezoeker. In 2014 werd hij diaken gewijd, in 2017 tot kluizenaar gekozen; er kwamen 50 sollicitaties vanuit alle landen, zelfs van een Thaise boeddhiste.

Hij zit op z’n laptop te werken aan de zondagspreek. Die gaat de pastoor straks nalezen ‘op fouten tegen het Duits’ en dat schrijfwerk moet nú, omdat hij nu internetverbinding heeft.

Bij de kluis zijn houten zitbanken geïnstalleerd, met parasols en bloembakken, het lijkt een berghut-met-caféterras. De grootste zitbank leunt tegen een esdoorn en hangt boven een loodrechte klif van veertig meter diep (Absturzgefahr!) Het uitzicht is een blauwe ansichtkaart met bergen. Maar moeilijk weg te denken is het aanwaaiende lawaai vanuit de vallei. Dat is het stadje met zijn bouwkranen, supermarktloodsen en parkings, zijn rijen glinsterende voorruiten, het nijdig optrekken van een motorfiets. Was ik een kluizenaar, ik zou die ruis niet kunnen verdragen.

Hij zegt dat het niet meer deert, en dat het ’s avonds stilvalt. Twee torenvalken vliegen schril schreeuwend naar hun nest in de rotswand. In april hebben alpinisten de hele wand boven de kluis gecontroleerd op los gesteente. Er hangt ook een ijzeren vangnet, maar dan nog vallen er regelmatig stenen, ‘kastaars van 2 à 3 kilo, dat geeft een klap, zo ’s nachts op het dak’.


Herr Einsiedler

Hij heeft verlichting op campinggas, beschikt over laptop en internet met batterijen, en over een gsm-op-zonnepaneel. Was hij niet liever een kluizenaar geweest zonder die digitale ledematen?

Stan Vanuytrecht «Voor mij was een kluizenaar een vent met een baard op een berg die zelden mensen ziet. Dat is hier niet mogelijk. Hier kan je geen pure kluizenaar zijn. Mensen vragen raad via mail, en er zijn de vele bezoekers. Sommige wandelaars komen hier al om zes uur voorbij. Ze roepen ‘Guten Morgen’, maar ik zwijg dan nog omdat ik m’n lauden nog niet gebeden heb.»

In mei waren er constant bezoekers. Heel Saalfelden en omstreken wilde de nieuwe kluizenaar zien, ‘bijna elke dag zat het hier vol, soms twintig man tegelijk’. Dat had hij niet verwacht, dat de mensen zo gehecht zijn aan hún kluizenaar: ‘In het dorp kwamen ze ineens de straat oversteken om mij de hand te schudden en welkom te heten.’ Hij wil dat ook relativeren: ‘Iemand die niks met het geloof of kluizenaars heeft, die hoor je natuurlijk niet.’

Als ze hem aanspreken, is het met Herr Einsiedler, meneer de kluizenaar. Zoals vroeger in Vlaanderen, toen er nog een meneer pastoor was. Dat hij de eerste niet-Oostenrijkse heremiet is sinds 1664, wekte geen wrevel. Zijn vloeiend Duits en zijn volle baard maakten hem instant-aanvaardbaar. In het sportcentrum kreeg hij zelfs de sleutel om af en toe te douchen.

Vanuytrecht «En wat ik allemaal krijg! Brood, fruit, groente, chocola... En zakken koekjes. Net een kind dat moet vertroeteld worden.»

Sommige bezoekers drukken hem ook geld in de hand. Briefjes van 5, één keer 100 euro. ‘Ik heb geen geld nodig, ik leef van mijn vervroegd pensioen. Die giften gaan naar bloemen en de verfraaiing van de kapel.’

'De mensen gaan met hun problemen niet zo gauw meer naar hun eigen omgeving. Uit vrees om een nietszeggend antwoord te krijgen'

Wat nog moeilijk ligt, is dat bezoekers verwachten dat hij er altijd is. Terwijl hij twee voormiddagen naar het dorp gaat voor boodschappen en ook op zondagvoormiddag weg is voor de mis. Op zo’n zondag hadden twee bussen met toeristen hem – na de steile wandeling – niet thuis gevonden en dus volgde een kwaaie mail naar de pastoor (‘Komaan! Ik zit toch niet aan een enkelband!’). Sindsdien heeft het wandelpad een infobord, waarop staat wanneer de kluizenaar afwezig is.


Scherpenheuvel

Vanwege de toeristische toeloop naar kluis en kapel vraagt de gemeente om bier te verkopen. Eerst wilde hij weigeren (‘een kluizenaar is toch geen garçon’), maar nu merkt hij dat die aankoop de mensen helpt om hem aan te spreken. Hij vergelijkt het met Scherpenheuvel: ook daar die eeuwenoude combinatie van devotie en glazen trappist.

Vanuytrecht «Maar de échte beleving in Scherpenheuvel vind je bij de brandende kaarsen en de geschreven intenties van de honderden die steun komen zoeken. Dat is hier ook. In de kapel ligt een schrijfboek en daar lees je: man verloren, vrouw gestorven, kind doodgeboren, ouder overleden, alles waarvoor de mensen troost zoeken. Of ook zaken waarvoor ze dankbaar zijn.»

Mensen die met iets zitten, herkent hij aan hun stiller gedrag. Ze fotograferen niet en mijden de drukke uren van de kluis. De vader die zijn zoon verloor door zelfmoord, kwam om 8 uur ’s avonds en bleef drie uur.

Vanuytrecht «De mensen gaan met hun problemen niet zo gauw meer naar hun eigen omgeving. Uit vrees om een nietszeggend antwoord te krijgen. Zoals: ‘Ge moet u dat zo hard niet aantrekken.’ En dus gaan ze naar een psycholoog of psychiater, die zeer goed werk doen. Of ze stappen naar zo’n onbekende als de kluizenaar om hun hart toch eens te luchten.»

In een Frans magazine zag een kluizenaar uit de Cevennen zijn rol als volgt: ‘Ik volg amper de actualiteit, ik weet niet wie het WK Voetbal wint. Maar ik weet wel dat koppels uiteengaan, dat kinderen misbruikt worden, en dat naasten alleen blijven na een zelfmoord. Dat is rechtstreeks, die mensen zitten live voor mij.’

Vanuytrecht begeleidde vroeger in het ziekenhuis mensen van wie een naaste overleden was. Hij zag het lijden bij anderen en kende zelf ook geen gemakkelijk bestaan. Echtscheiding, kinderen niet mogen zien, armoede en een ‘psychische instorting’. De miserie bij hemzelf en bij anderen deed hem zoeken ‘naar een dieper antwoord’.


Klokkenluider

Daarom wilde de diaken in het klooster: in april was hij begonnen aan een inloopperiode bij de trappisten in Westmalle. Op 1 juli zou hij intreden. Tot hij in de abdij telefoon kreeg dat hij was aangenomen als kluizenaar. Is het een vlucht om in klooster of kluis te willen intreden?

Vanuytrecht «Vluchten naar een klooster of kluis is de allerslechtste oplossing. Want in die stilte komt je verleden in alle hevigheid terug. Ik vlucht niet. Ik heb altijd vooruit gewild. En door mijn tegenslagen heb ik dingen geleerd waarmee ik nu mensen kan bijstaan.»

De zielzorger is ook hovenier en klusjesman. De kapel onderhouden, takken snoeien, wegels begaanbaar houden, hout hakken voor zijn keukenvuur. Drie keer moet hij ook de klok luiden, om zeven, twaalf en negentien uur (‘Als de radio zegt: ‘Es ist sieben Uhr, die Nachrichten,’ dán begin ik!’)

Zich ten volle kluizenaar voelen, dat gebeurt pas ’s avonds, als hij alleen is.

Vanuytrecht «Ik voel me goed als ik alleen ben en als er tijd is voor contemplatie. Als ik dan de completen bid, met het avondrood in het westen, met die stilte op de berg en de eerste lichtjes in het dal, dat is werkelijk danken voor de dag en met Hém die dag afsluiten.»

'Stan Vanuytrecht: 'Het is niet omdat ik op 1.000 meter hoogte zit, maar hier voel ik mij toch dichter bij God.'

Dikke onweerswolken trekken zich samen. We zullen het gesprek morgen verderzetten. Ik haast me met de donder en het bergpad naar beneden. Na het onweer en de heftige regen is de nacht bezaaid met sterren. De trein, een lint van zilveren ramen aan de voet van de bergen.


Spartaans

’s Morgens vertelt hij dat ik de voorlaatste journalist ben die nog mag langskomen: begin juli is het afgelopen met interviews, hij wil rust. Toen zijn aanstelling wereldwijd in het nieuws kwam, volgden kranten, radio en tv uit Oostenrijk, België, Nederland en Duitsland. Tegen de journalist van de Frankfurter Allgemeine had hij zijn verwondering geuit over zoveel mediabelangstelling.

Vanuytrecht «Die man zei dat hij die belangstelling héél goed begreep: ‘U hebt iets waar miljoenen mensen naar verlangen. U hebt rust, stilte en een eenvoud van bestaan.’»

Hij ziet dezelfde aantrekkingskracht ook in de Belgische abdijen. Daar zitten de gastenverblijven voor de lekenbezoekers bijna permanent vol.

De kluis is niet toegankelijk voor bezoekers, maar ik mag zijn verblijfplaats zien. De inkomgang is smal, de zijmuur een gekalkte rotswand. Hier hangen de foto’s van zijn voorgangers: verweerde koppen, noeste karakters, sommigen bleven dertig jaar. Hij is de vierendertigste in 353 jaar hermitage.

Vanuytrecht «Het is bijzonder om tussen dezelfde muren te leven als zij. Als ik hun gezichten bekijk, dan denk ik: ‘Jullie hadden het zwaarder.’ Want zij hebben spartaans geleefd. Zij moesten leven van een karig moestuintje op de rotsgrond en van wat ze gingen schooien in het dorp. Zij bleven ook in de winter, dat waren maanden dat ze bijna niemand zagen. In vergelijking ben ik een luxekluizenaar.»

Zijn bordercollie geeuwt. Hij dooft de petroleumlamp, een pitje dat elke nacht blijft smeulen om toch iets van licht te hebben in die aardedonkere kluis. Er zijn maar drie deuren, waarvoor hij telkens fors moet bukken. De sobere zitkamer geeft toegang tot de kleine slaapkamer, ernaast is de keuken. Daar kookt hij op een houtkachel; die warmte vloeit ook naar de tegelkachel in de zitkamer.

Er is geen stromend water. De gevulde bidons zijn afgetapt van de regenton. Daarmee wast hij zich in een plastic teil ter grootte van een voetbadje. In zo’n kom doet hij ook de was, ‘ik schrob op een wasbord zoals mijn moeder vroeger’. Zijn drinkwater komt uit een winkelrek en staat in plastic flessen tegen de rotsmuur.


Gij zijt zot!

Een smalle houten trap leidt naar een kleine kapelruimte. Tegen de muur een oude kerststal, die veel weg heeft van een Oostenrijkse bergchalet. In de hoek een knielbank en een crucifix, hij zegt dat hij in de kluis beter kan bidden en bezinnen dan thuis in zijn woonkamer. Hij woonde in een begijnhof, ook een traditioneel oord van gebed, maar hier is meer transcendentie.

Vanuytrecht «Het is niet omdat ik op 1.000 meter hoogte zit, maar hier voel ik mij toch dichter bij God. De hectiek ligt beneden in de vallei, hier kan ik me volledig richten op Hem.»

Ooit was deze biddende man in de grove pij een fan van Herman van Veen, Leonard Cohen en Boudewijn de Groot. En als het moest rocken, dan ‘Aqualung’ van Jethro Tull. Wat zou die jonge Stan van 1977 denken van de Stan anno 2017?

Vanuytrecht «Die zou een kluizenaar nen ouwe zak op nen berg noemen (lacht). En hadden ze mij toen gezegd: ‘Stan, dat zijt gij, later,’ dan had ik geantwoord: ‘Gij zijt niet zot, maar goed zot.’»

Toch heeft het zoeken naar stilte en eenzaamheid altijd in zijn karakter gezeten.

Vanuytrecht «Als kind bouwde ik altijd op m’n eentje kampen in het bos. En als jonge gast wilde ik soms thuis weg. Naar de kust en langs het strand wandelen. Drie dagen alleen. Tegelijk ben ik sociaal. Vakantiekampen leiden, in de legerkazerne met twintig op een kamer, dertig jaar instructeur zweefvliegen. Met plezier, hè!»

Nu heeft hij beide: het alleen zijn en het sociaal zijn. Hij is ook niet rouwig dat zijn verblijf van november tot april onderbroken is omdat de kluis en de toegangsweg dan gesloten zijn vanwege lawinegevaar. Dat stelt hem in staat om zijn kinderen en kleinkinderen te zien. Met die familiale pauzes denkt hij het kluizenaarschap zelfs meerdere jaren te kunnen volhouden.

We nemen afscheid. Op de terugweg tikt de regen gestaag op blaren en roerloze bomen. Slakken kruisen mijn weg. Die hebben een voorsprong qua traag en bedachtzaam leven.


Pelgrim

De kluis van Bolderberg ligt in Heusden-Zolder. Twintig minuten stappen. Het mulle zand is warm van de zon. Het zou loofstil kunnen zijn tussen eiken en dennen, maar er is ook het gedempte geraas van het circuit in Zolder en van de E314. Op 60 meter hoogte staat de kapel met de kluiswoning tussen forse lindebomen. Die boomstammen dragen harten-met-pijlen en namen van oude geliefden. Hier zijn diepe wortels en een lange geschiedenis. De kluis is in 1673 gebouwd op het domein van de adellijke familie de Villenfagne de Vogelsanck en is nu in erfpacht bij de gemeente.

In de kapel wordt in drie talen om stilte gevraagd. In het gastenboek staan de verzuchtingen. ‘Help mij met m’n examens, ik kan er niks van’ (Nina), ‘Vrede op aarde, leef samen zonder ruzie en geweld, dat zegt een 10-jarige’ (Lotte). Ik tik tegen het klokje, niemand doet open. Ik wacht een uur, geen kluizenaar te zien. In het dorp zeggen ze dat hij ‘binnenkort gaat verhuizen’.

Willy Aerts (69, gescheiden, één zoon) was zes jaar kluizenaar in Bolderberg (2006-2012). Hij behoort tot de sprekers die bedachtzaam over hun baard strijken.

Willy Aerts «Het was niet eens mijn plan om daar kluizenaar te worden. Ik woonde in Heusden-Zolder, ik was betrokken bij de restauratie van de kluis, en omdat dat dossier in het slop zat, heb ik in 1999 een pelgrimstocht naar Italië ondernomen. Zo hoopte ik op sponsorgeld en wat beweging in dat dossier.»

Hij was al twee keer naar Compostela gestapt, maar deze drie maanden durende tocht was een openbaring.

Aerts «Ik reisde heel sober, met enkele kaarten en een kompas, en nauwelijks bepakking. Onderweg zijn in de natuur gaf me opnieuw het gevoel uit mijn kinderjaren, dat elke dag de wereld voor je open ligt.

»Maar wat nog het meest indruk maakte, was de goodwill van onbekenden. Tegen valavond kwam ik in een dorp aan, en door mensen aan te spreken met mijn verhaal over de kluis kon ik gratis logeren. Ik heb geslapen in studentenkamers, kloosters, parochiezaaltjes, vakantiewoningen en tehuizen voor daklozen en vluchtelingen. Eén keer lag mijn matje in een feestzaal tussen de klaarstaande tombolaprijzen. Een andere keer in een zaaltje waar toneel werd gespeeld; er stond een ijzeren bed op de scène, en natuurlijk ben ik in dat decor gaan liggen en niet op de stenen vloer.

»Ik had overal het volste vertrouwen dat er altijd wel íémand zou helpen. Een mens moet met vertrouwen in de wereld kunnen staan, dat is een gedachte die mij heel dierbaar is. En ik zal niet zeggen dat ik al stappend kluizenaar ben geworden, maar door die ervaring is er in mij iets gewekt.

»Uiteindelijk kwam het toch tot een restauratie. Ik ging heel dikwijls kijken en telkens was er die rust en stilte die me aangenaam overviel. En zo is de gedachte gegroeid om daar zélf te gaan wonen. Er waren nog kandidaten, maar mijn pelgrimsverleden gaf allicht de doorslag. Zoals ik geholpen ben op mijn tochten, zo wilde ik iets betekenen voor de bezoekers van de kluis. Een kluizenaar woont afgelegen, maar hij is verbonden met de mensen.»

'Willy Aerts: 'Angst is een slechte raadgever; zou stilte een goeie raadgever kunnen zijn?'


Zonderling met baard

Aerts werkte in 2006 nog als psycholoog bij het Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum in Geel. Twee jaar combineerde hij dat werk met het kluizenaarschap. In 2008 ging hij met pensioen en was hij fulltime heremiet. Hij bleef wel zijn gewone burgerkleren dragen en zocht geen afzondering.

Aerts «Ik zocht de stilte, maar niet de solitude. Een eenzaam en spartaans kluizenaarsbestaan was niet mijn bedoeling. Ik ben ook geen eenzaat, ik heb vijfentwintig jaar groepsreizen begeleid, ik ben een sociaal iemand.

»Het is trouwens een misvatting dat kluizenaars baardige zonderlingen en extreme eenzaten zijn. Bolderberg had vaak sociale kluizenaars. Ze deden armen- en ziekenzorg en gaven onderwijs aan de dorpskinderen.»

Dat iedereen bij het woord kluizenaar aan de eenzaat-met-de-baard denkt, komt door een beeldvorming die al vierhonderd jaar meegaat. Een vriend-kunsthistoricus liet me Vlaamse gravures zien uit de 16de eeuw. De ontwerpen zijn van kunstschilder Maerten de Vos en ze tonen de bewondering die de hervormingsgezinden binnen de katholieke kerk hadden voor die eerste heremieten van de tweede tot de vijfde eeuw. In een karig bestaan vonden zij een vruchtbare bodem voor gebed. En in de afzondering, vér van de materiële wereld, wilden zij dichter bij God komen: dat bestaan werd in prenten-albums geïdealiseerd.

Op haast alle gravures hebben de kluizenaars blote voeten, een pij en een gordel met een dikke paternoster. Het haar is lang, de baard nog langer. Twee naakte heremieten dragen slechts een lendendoek van grote blaren. Alsof die sobere kledij nog niet volstaat, wonen ze in bergspelonken en rotsholen, in kuilen onder boomwortels, in houten schuren, hutten en zelfs tonnen. Slechts ééntje betrekt een kleine stenen kluis.

Er zijn ook vrouwelijke kluizenaars, in lange kapmantels en evengoed in schamele onderkomens. Als de kluizenaars geen boeken lezen of op de rotsen knielen om te bidden, dan worden ze belaagd door demonen, of vertrappelen ze zelf allegorische slangen en reptielen. Soms bewerken ze een moestuin of hoeden ze schapen. Er is ook één heremiet compleet in kluisters gewikkeld die zich geselt met een ijzeren ketting. Vele eeuwen scheiden deze geketende van de gsm met zonnepaneel.


Keffende vos

In zijn niet-spartaanse kluis had Willy Aerts stromend water, tv, computer en een gsm, maar er waren ook ongemakken.

Aerts «Buiten de zomer was het altijd kouwelijk, omdat de architect bij de restauratie de toestand van 200 jaar geleden heeft teruggebracht. Niet-geïsoleerde daken en muren, en die muren zo dun dat de buitenkoude door de stenen binnendrong. Flinterdun glas in de ramen. Spleten en kieren in de vensterkozijnen die ik met krantenpapier moest dichtstoppen. En altijd tocht. Als ik een kaars aanstak op tafel, stond de vlam scheef. Het enige moderne was de vloerverwarming, maar die verwarmde alleen de vloer, ik moest met een extra houtkachel stoken.

»Het duistere bos deerde mij niet. In het dorp zeiden ze vaak: ‘Ik zou daar niet durven te wonen!’ En hoofdschudden als ik na middernacht nog een eind door dat bos moest. Soms met de zaklamp, soms zonder. Ik heb me nooit onveilig gevoeld; een verlichte straat met auto’s is veel gevaarlijker. En het maanlicht dat op het zand weerkaatst, dat is toch romantisch!

»Door het open raam hoorde ik ’s nachts alle bosgeluiden. Uilen. Keffende vossen. Of de schreeuw van een konijn dat door een vos werd gepakt.»

Hij wilde van de kluis ‘een oase van rust maken’ en zegt dat de moestuin de beste ontmoetingsplek was.

Aerts «Ik had een prachtige hof met groenten, bloemen en kippen. Ik was daar veel, en voor bezoekers is het makkelijk om de man in de tuin aan te spreken. Dat begint over de prei en de aardappelen en dat gaat over naar andere dingen. God en spiritualiteit, ziekte, overlijden, relatieproblemen, onenigheid met kinderen, stress op het werk, hele levensverhalen. Zo uitvoerig dat ik zei: ‘Kom binnen een kop koffie drinken.’

»Niet dat ik als ex-psycholoog nog eens therapeut wilde spelen. Nee, ik vond het een geschenk dat iemand zijn levensverhaal vertelde. Want dat wil zeggen dat die mens je vertrouwt. Het doet elke mens goed dat hij in het anonieme, dagelijkse leven ineens vertrouwelijk kan zijn met een onbekende. Als pelgrim heb ik dat vaak ervaren: dat ik bij vreemden logeerde en dat er op één avond een vertrouwelijkheid en openhartigheid ontstond alsof we elkaar al jaren kenden. Dus als bezoekers mij in vertrouwen namen, dan was ik content, dan voelde ik mij ten volle kluizenaar.»


Bosmens

Aerts «De mensen denken: ‘Och, die kluizenaar zit daar eenzaam in zijn kluis.’ Niks van. Ik ontmoette heel veel mensen. Werkmensen, boeren, professoren, hoge figuren van de kerk en de politiek. En ze kwamen vanuit heel het land, sommigen van 150 kilometer ver.»

In de kapel legde Willy papiertjes met eigen bedenkingen.

Aerts «Ik schreef over de schoonheid van de sneeuw die gevallen was. Of over het belang van stilte in een wereld van drukte en geluid. De winkelmuziek, de oortjesmuziek, het verkeerslawaai kan zo vertrouwd worden dat je denkt dat dat het leven is. Terwijl het maar half is, omdat er geen stilte is. Mensen zeggen soms: ‘’t Was zondag maar stil in de stad.’ Stil is dan synoniem voor saai en vervelend. Ik gaf dan stof tot nadenken door te schrijven: ‘Angst is een slechte raadgever; zou stilte een goeie raadgever kunnen zijn?’ Mét vraagteken. Nooit een uitroepteken, nooit belerend of opdringerig.

»Dat werd fel gelezen. Soms ook meegepikt. Of ze kwamen een kopie vragen. Ik had natuurlijk geen kopieermachine, wel papier en bic (lacht).

»Je kunt denken: ‘Och, zo’n kluis is maar een man in een bos,’ maar dat zo’n gedachte met iemand mee naar huis ging, dat maakte mij content. Nieuws kon ook een aanleiding zijn. Dat een kind van 12 zelfmoord gepleegd had, en wat dat zei over onze ‘samen-leving’. Altijd korte, simpele bewoordingen. Een eenvoudig inzicht formuleren, is niet makkelijk. Zoveel in het leven is complex of wordt complex gemaakt. Complexiteit zit in alles: in je smartphone, je beltarieven, je belastingformulier. Ik wil het andersom. Ik zou willen dat eenvoud een economisch principe wordt.»

Willy zag zichzelf als kluizenaar voor de rest van zijn leven. Hij wist, dit word ik nooit beu. Met zijn pensioen kon hij de huishuur en zijn levensonderhoud betalen, en toch liep het anders. Hij leerde via z’n vroegere werk een vriendin kennen, die kwam steeds vaker op bezoek.

'Ik ontmoette heel veel mensen. Werkmensen, boeren, professoren, hoge kerkfiguren en politici. Sommigen kwamen van 150 kilometer ver'

Aerts «En toen moest ik kiezen. Blijf ik alleen in die kluis of ga ik samenwonen? Zo afgezonderd leven in een donker bos en in dat koud-vochtig interieur is volgens mij niks voor een vrouw. Een vrouw heeft ook meer nood aan sociaal contact. Een man kan op café alleen aan de toog zitten, met zijn gedachten, en met zijn rug naar iedereen. Een vrouw heeft het daar moeilijk mee.

»Ik heb de knoop doorgehakt, na zes jaar was het voorbij. Het was met hartzeer dat ik stopte. Want ik heb het heel graag gedaan en ik denk er nog heel dikwijls aan terug.»

Zijn opvolger Pieter Stevens (slechts 29!) bleef van 2012 tot nu; ook hij leerde iemand kennen. Die vriendin woont en werkt in Gent en daar gaan ze nu samenwonen. Stevens zag het contemplatieve leven als complementair bij zijn pastoraal werk. Hij werkte bij de jeugddienst van het bisdom Hasselt en was kluizenaar ‘na de werkuren en in het weekend’. In september wordt hij opgevolgd door Jonas Slaats (36), theoloog, auteur en activist. Hij komt er wonen met vrouw Barbara. Een kluiskoppel.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234