Er is leven na de terreur: het netwerk van de slachtoffers is groter dan dat van de daders

Drie bommen. 35 doden. 340 gewonden. Vier maanden na de aanslagen in Zaventem en Maalbeek zijn de cijfers er niet minder afschuwelijk op geworden. De vier daders – drie dood, één levend met een hoedje – zijn sindsdien nauwelijks uit het nieuws geweest, maar hoe zit het met de slachtoffers?

'De aanslagen in Zaventem en Maalbeek laten zien dat de nieuwe wereldorde haar grens heeft bereikt'

Het is vrijdagmiddag, de gelovige moslims keren terug van het gebed, de joden maken zich klaar voor de sabbat. Ook Walter Benjamin, niet-praktiserende jood, is voorbereid. Hij heeft drie papieren zakjes met daarop ‘vrijdag’, ‘zaterdag’ en ‘zondag’ bij zich waarin antibiotica, pijnstillers en angstbestrijders zitten. Walter Benjamin staat vol goede moed voor zijn huis. Nog maar 26 treden te gaan en het weekend kan beginnen.

Tot 22 maart om 7u58 stond de 47-jarige Walter Benjamin aan het hoofd van een relatiebureau. Nu is hij een terreurslachtoffer op zoek naar een toekomst voor zichzelf en de wereld. Hij mag dit weekend het ziekenhuis verlaten en voor twee dagen terug naar zijn huis in Elsene. Walter heeft sinds twee maanden alleen nog maar een linkerbeen, dat op zes plaatsen gebroken is. Zijn andere been is een prothese. De dokters hebben hem aangeraden te verhuizen. Maar dan kennen ze hem nog niet, zegt Walter. Sinds de aanslagen in Brussel heeft hij een veel grotere opdracht dan een trap van 26 treden te overwinnen.

Twee vrienden helpen hem naar boven. Walter richt zich met zijn kruk uit zijn rolstoel op en waggelt de trap op. Wat zopas nog een stevige kerel leek, is nu een slappe pop die elk ogenblik op de grond kan zakken. Bij trede negentien struikelt hij. Zijn vrienden houden hem tegen. Waar de trap een bocht maakt, zet hij zijn kruk aan de kant, er is geen plaats meer voor zijn prothese. Voor hij kan bedenken dat hij een pijnstiller had moeten nemen, ligt hij al op de grond.

340 mensen raakten bij de aanslagen van 22 maart gewond, 35 zijn er gestorven, onder wie drie zelfmoordterroristen: Ibrahim en Khalid El Bakraoui, en Najim Laachraoui. De vierde, Mohamed Abrini, werd op 8 april opgepakt. Over hen werd al veel geschreven. Hun netwerk bleek zich uit te strekken van Rakka tot Parijs en Brussel.

Maar over een ander netwerk werd nog maar weinig geschreven. Het netwerk van de slachtoffers. Dat is nog groter.

Walter Benjamin, die niet naar de beroemde filosoof maar naar zijn grootvader is genoemd, maakt deel uit van een groep mensen uit de Verenigde Staten, Liberia, China, Japan, Ecuador, Polen en Duitsland, die door de pijn van de aanslagen met elkaar verbonden zijn. Er zitten gelovige mensen en atheïsten bij, armen en rijken. Het toeval heeft hem in contact gebracht met de familie van Raghavendran Ganesan, een computerspecialist uit India, met de weduwnaar en de drie kinderen van Loubna Lafquiri, die lesgaf aan een islamitische school in Brussel. Walter kent ook de ouders van Sascha en Alexander Pinczowski, de zus en broer die tussen Maastricht en New York pendelden. Al die mensen stellen zich de vraag: hoe moet je leven na de terreuraanslagen? Hoe kun je leven met terreur? Hoe moet dat, ‘de terroristen niet laten winnen’, zoals iedereen altijd zegt als er weer iets is gebeurd? Wat de meesten nu begint te dagen, is de mensen uit het netwerk van de slachtoffers al langer bekend: dat het niet mogelijk en ook niet verstandig is ‘gewoon door te gaan’.


'Mama, voor één keer moet je luisteren. Er is een explosie geweest, ik ben gewond. Misschien ga ik dood.' Walter Benjamin

Walter & Hassan

De orthopedische afdeling van het Universitair Ziekenhuis in Jette, een dag in mei. Het bezoekuur is net begonnen. In de kamer van Walter Benjamin zitten zijn moeder, een vriend die hij twintig jaar niet gezien heeft en twee vroegere schoolkameraden dicht op elkaar gepakt. De deur staat open, het is zinloos ze dicht te doen. Er komt nog bezoek en telkens brengen de verplegers geduldig nieuwe stoelen.

Twee dagen na de aanslag zet Walter iets over zijn verblijf in het ziekenhuis op Facebook. Eerst alleen voor de vrienden, om te laten weten dat hij nog leeft. Dan voor alle helpers, dokters en verpleegsters, om hen te bedanken. En uiteindelijk voor een groot publiek. Er komt een televisieploeg van RTL langs en Walter zegt dat 99,99 procent van de moslims fantastische mensen zijn. ‘Ik lees op internet dat er velen denken dat ik 99 procent van mijn hersens verloren heb,’ zet hij zes dagen na de aanslag op zijn Facebook.

Op 29 maart, een week na de aanslag, brengen de verzorgers stoelen voor het Belgische koningspaar.

Op 31 maart klopt een man verlegen op zijn deur. Het is Hassan Elouafi, een man die Walter Benjamin het laatst op de luchthaven gezien heeft. Hij heeft naar hem gezocht en zal vanaf nu wekelijks drie tot vier keer langskomen in het ziekenhuis. Ook nu is hij erbij en wringt hij zich tussen de moeder en de andere bezoekers naast het bed. Walter vertelt zijn oude kameraden meteen over de heldendaad van Hassan Elouafi. Hij heeft het verhaal al honderden keren verteld, maar ook nu weer zal hij zijn redder naar details vragen die zijn herinnering moeten aanvullen.

Walter Benjamin was onderweg naar zijn dochter in Tel Aviv. ‘Ik stond aan de check-in tegenover Starbucks,’ zegt hij, ‘toen ik een knal hoorde. Ik dacht dat het vuurwerk was en ik vroeg me af wie er nu zo dom kan zijn midden op een luchthaven vuurwerk af te steken. Plotseling zag ik vlak naast me een vuurbal.’

Toen alle mensen in paniek wegrenden uit de vertrekhal zag Hassan Elouafi, een Belg van Marokkaanse afkomst en vader van vier die als technicus op de luchthaven werkte, dat er tussen het stof van de brokstukken iets bewoog en stapte over de doden en verspreide lichaamsdelen heen tot bij Walter Benjamin. Het bloed spoot uit de stomp van het been dat was afgerukt. Hassan Elouafi vroeg aan de zwaargewonde man of hij iemand wilde bellen. Walter Benjamin zei het enige telefoonnummer dat hij van buiten kent. Zijn helper hield zijn mobieltje tegen zijn oor en Walter zei: ‘Mama, voor één keer moet je luisteren, het is belangrijk wat ik ga zeggen. Ik ben op de luchthaven. Er is een explosie geweest, ik ben gewond. Misschien ga ik dood.’ Hij zei dat ze de familie in Israël moest waarschuwen.

Zijn moeder zit ineengezakt op de ziekenhuisstoel en zegt: ‘Ik werd gek van angst.’

Hassan fluistert: ‘De man naast Walter was zijn hoofd kwijt.’

'Ik ben zo blij dat ik je levend terugzie.' Walter Benjamin en zijn redder, Hassan Elouafi


Een weduwe van 26

Terwijl op de luchthaven van Zaventem de moslim Hassan de jood Walter wakker houdt, zit Raghavendran Ganesan nog thuis in Brussel. Zoals elke ochtend skypet hij met zijn moeder en zijn vrouw 8.000 kilometer verderop. Ze vertellen over de hittegolf in India, en hij vraagt hoe het met zijn zoontje Arjun gaat. Hij is nog maar zes weken oud en is ziek geweest. Alles weer in orde, zegt zijn moeder, maar kom toch maar gauw terug naar huis, hij heeft zijn vader nodig. Twee maanden nog, dan ben ik weer terug, zegt hij voor hij zijn laptop dichtklapt.

Raghavendran Ganesan is 30 en slimmer dan de meesten van ons. Hij is computerprogrammeur, wordt door zijn collega’s een genie genoemd. Vier jaar geleden is hij naar Brussel gekomen om voor Proximus te werken. Hij verdiende hier in België goed, en kon in India een eigen huis kopen. Dankzij de globalisering kon zijn hele familie sociale promotie maken. Binnenkort zal hij met vrouw en kind en met zijn ouders de nieuwe woning betrekken. Zijn vlucht naar huis is al geboekt.

'Raghavendran Ganesan stapte op in de tweede wagon, waar Khalid El Bakraoui zich om elf over negen opblies.'

Raghavendran Ganesan is erg punctueel. ’s Ochtends verlaat hij iets voor negen zijn huis en neemt in Merode de metro, het is vier haltes ver naar zijn werk. Hij stapt die dag op in de tweede wagon, waar twee haltes eerder Khalid El Bakraoui is ingestapt. De metro stopt aan de haltes Schuman en Maalbeek. Om elf over negen blaast Khalid El Bakraoui zichzelf op.

In Chennai in India slaat de moeder van Raghavendran haar handen voor haar gezicht en schreeuwt: ‘Vijf minuten! Had ik toch maar vijf minuten langer met mijn zoon gepraat! Dan leefde hij nog!’ Zes weken zijn voorbij sinds de terreur ook haar leven kapotmaakte.

Naast haar zit de rouwende familie: de vader, die als logistiek bediende heeft gewerkt en sinds kort gepensioneerd is, de jongere broer die in Duitsland studeert en naar huis gekomen is om zijn familie bij te staan, en Vaishali, de echtgenote, een weduwe van 26, een Indische schoonheid met reusachtige bruine ogen. Ze huilt en houdt haar slapende baby vast. Raghavendran was de enige kostwinner in de familie. Hij zou voor zijn oude ouders zorgen. De globalisering was ook daarom een zegen: Raghavendran kon in Europa carrière maken en zijn hele familie van de armoede bevrijden. Nu weten ze dat globalisering niet alleen voor welstand zorgt, maar ook voor terreur. Globalisering is evenzeer de sterkte als de zwakte van de moderne tijd.

Op 11 september 2001 werd het kapitalisme aangevallen. Bij het bloedbad op de redactie van Charlie Hebdo de vrije meningsuiting. In de Bataclan de moderne westerse levensstijl, in Orlando de seksuele vrijheid. In Brussel, waar je op straat alle mogelijke talen hoort, was het doelwit de internationaliteit. De aanslagen in Zaventem en Maalbeek laten zien dat de nieuwe wereldorde haar grens heeft bereikt.

Terwijl de moeder een Indische curry en chapati’s op tafel zet, vertelt de familie van Raghavendran over de eerste uren na de aanslag. Nadat ze haar zoon op Skype had gesproken, keek de moeder televisie en zag ze wat er op de luchthaven van Zaventem gebeurde. Ze probeerde haar zoon voortdurend te bellen, maar Raghavendran nam niet op. Zijn broer vertrok nog diezelfde dag naar Brussel en liep de ziekenhuizen af, maar niemand wist waar Raghavendran was. Twee dagen later kwamen de ouders in Brussel aan, collega’s van Raghavendran hielpen hen zoeken. Pas nadat ze drie dagen geen teken van leven hadden gekregen, begonnen ze aan het ergste te denken.

'Sascha en Alexander stonden bij de balie van Delta Airlines toen hun moeder belde. 'Papa wil nog iets zeggen.'


De sportlerares

Raghavendran Ganesan, Walter Benjamin, Hassan Elouafi: je zou ze de oorlogsslachtoffers van onze tijd kunnen noemen. Terreuraanslagen laten weduwen en wezen achter, kreupelen en getraumatiseerden.

Op 7 april, zestien dagen na de aanslag, post Walter Benjamin: ‘We mogen het barbaarse spel niet meespelen van zij die religie misbruiken om dood en vernieling te zaaien en onschuldigen in beulen te veranderen. Moslims, joden en christenen, laat ons samen optreden.’

Zijn posts worden steeds politieker. De Brusselse opperrabijn, de voorzitter van de islamitische raad in België en de ambassadrice van Israël komen hem in het ziekenhuis bezoeken. Steeds meer mensen willen hem leren kennen en hun solidariteit laten blijken. Walter vraagt niet langer onaangekondigd naar het ziekenhuis te komen. Wie wel altijd welkom is, is Hassan. De video waarin hij Walter in het ziekenhuis huilend in de armen viel en zei: ‘Ik ben zo blij dat ik je levend terugzie,’ werd op Facebook 28.000 keer gedeeld.

Hassan Elouafi is op Zaventem verantwoordelijk voor de verluchtingssystemen en de beeldschermen. Hij deed juist een controleronde door de vertrekhal toen de eerste bom ontplofte. Hij weet niet hoe hij ooit nog terug kan keren naar die plek, waar voortdurend het alarm van de geblokkeerde transportband bleef loeien, waar het puin onder water kwam te staan door de sprinklerinstallatie, tot iemand hem, de technicus, vroeg ze af te zetten.

Fysiek is Hassan in orde, maar hij lijkt veel zwaarder gewond dan Walter Benjamin. Werken kan hij niet. Hij brengt couscous voor Walter naar het ziekenhuis. Hij scheert zijn kale schedel, duwt zijn rolwagen door het ziekenhuispark. Wilden de terroristen een oorlog tussen de religies? Ze krijgen deze vriendschap in de plaats. Wat deze mannen op kleine schaal proberen te doen, moeten de mensen na de terreuraanslagen meer dan ooit op grote schaal leren: praten met elkaar.

In een oud gebouw in Schaarbeek zit de middelbare school waar Loubna Lafquiri lesgaf. La Vertu is een moslimschool die pas vorige zomer na veel discussie werd opgericht, pal tussen twee katholieke scholen. Tegenstanders hadden het over mosliminfiltratie en een broeihaard voor jihadisten.

In deze school zijn sport, zwemmen en biologie verplichte vakken. De meeste meisjes en vrouwelijke leerkrachten dragen een hoofddoek, al is dat niet verplicht. Een gettoschool is het zeker niet. De leerlingen komen zowel uit rijke diplomaten- en professorenfamilies als uit armere gezinnen. Imams sturen hun kinderen ernaartoe, maar ook salafistische families. Hier geldt tolerantie, ook voor de streng gelovigen. Loubna Lafquiri was sportlerares en erg geliefd, zeggen haar collega’s – ook door de salafisten.

Een foto van Loubna die na de aanslag op het internet circuleerde, toont een lachende vrouw die op haar rug een kind draagt en haar arm om een ander kind heen slaat. Het zijn haar twee jongste zoontjes, 2 en 8 jaar oud, haar oudste zoon is 10.

In de lerarenkamer is het vak onder de naam ‘Loubna’ onaangeroerd, ze werd dit schooljaar niet meer vervangen. ‘We zitten er nog volop in,’ zegt schooldirecteur Hamza Boukhari, een Belg van Marokkaanse origine. Aan zijn kantoor hangt een citaat van Descartes: ‘Twijfel is het begin van wijsheid.’

‘De moslimgemeenschap betaalt een erg hoge prijs,’ zegt Boukhari. De leerlingen rouwen niet alleen om hun leerkracht, ze zijn net als iedereen ook bang voor een nieuwe aanslag. En ze vrezen dat de islamofobie steeds sterkere vormen zal aannemen.

Op 18 maart komt Loubna Lafquiri opgewonden aan op school. ‘De hel is losgebarsten in mijn buurt,’ zegt ze tegen haar directeur, ‘alles is afgesloten.’ Ze woonde met haar man en haar kinderen in Molenbeek, op een paar huizen van de plek waar Salah Abdeslam werd gearresteerd.

Vier dagen later, op 22 maart, neemt Loubna om zeven over negen de metro aan de halte Schuman. In de tweede wagon stapt ze op. Raghavendran Ganesan zit er dan al in.

'De brandweermannen die in Maalbeek de gewonden wegbrachten, hadden een paar dagen eerder Salah Abdeslam naar het ziekenhuis gevoerd'


Zwarte stippen

Als om tien over acht in de brandweercentrale van Brussel een ‘oproep wegens brand’ binnenloopt, is het ochtendappel net achter de rug. Kapitein Nicolas Jalet hoort dat er in Zaventem twee explosies zijn geweest en stuurt er een team naartoe. Om twaalf over negen is er weer alarm – een explosie in Maalbeek. Maalbeek is de plaats waar Nicolas Jalet zijn jeugd heeft doorgebracht. Hij kent het station als zijn broekzak. Zijn mensen halen de gewonden naar boven – het is dezelfde compagnie die een paar dagen eerder de gewonde Salah Abdeslam naar het ziekenhuis heeft gebracht, nadat die bij zijn arrestatie een schot in het been kreeg.

'We zijn getekend voor het leven,' zegt de brandweer­kapitein.'

Op zijn vrije dag zit Nicolas Jalet thuis in zijn woonkamer aan de rand van Brussel. In zijn boekenkast staan werken over Stalingrad, Hitler en D-day. Eigenlijk had hij historicus willen worden, maar uiteindelijk leek het hem beter iets praktisch te gaan doen.

Nicolas Jalet toont een plattegrond van Brussel, die vol staat met dikke en dunne zwarte stippen. Alle branden die hij ooit heeft geblust, legt hij vast op de kaart. Bij station Maalbeek staat er nog geen stip. Daar is hij nog niet klaar voor.

Jalet denkt met afschuw aan 22 maart terug. ‘Wij zijn in zekere zin ook slachtoffers, mijn collega’s en ik,’ zegt hij. ‘We zijn getekend voor het leven.’ En toch staat hij sinds 22 maart positiever in het leven. Hij heeft het overleefd. Hij heeft mensen kunnen helpen. En hij heeft ervaring opgedaan voor nieuwe interventies.

Hoe komt het dat iemand als Nicolas Jalet een traumatiserende gebeurtenis te boven komt en iemand anders niet? En als er een antwoord is op die vraag, kan de maatschappij daar dan iets van leren?

'De hel is losgebarsten,' zei ze de ochtend dat Salah Abdeslam werd gearresteerd.'

De eerste therapeute die Hassan Elouafi opzocht, kon het niet aan. Als hij begon te huilen, moest ze meehuilen. Het was Walter Benjamin die hem een traumaspecialist aanraadde, een bekende van hem, een Israëli die ervaring heeft met slachtoffers van aanslagen – want Israël heeft op dat vlak een droevige voorsprong.

Yori Gidron is psycholoog en geeft les aan de VUB. Hij probeert orde te scheppen in de psyche van de mens. Menselijk leed ziet hij in de vorm van hersencellen, synapsen en zenuwbanen. Hij is gepassioneerd door wat er gebeurt in de hersenen van een mens die zich existentieel bedreigd voelt, en hij wil weten hoe onderzoek kan bijdragen tot de behandeling van trauma’s. Hij begeleidde humanitaire reddingsacties na de aardbevingen in Nepal, hielp tsunamislachtoffers in Japan en was onlangs nog in Haïti, in opdracht van de Verenigde Naties.

Op al die plaatsen leerde Yori Gidron vreemd genoeg veel mensen kennen die geen last hadden van wat hen overkomen was. Ze hadden soms alles verloren, dagen in doodsangst doorgebracht, en toch kwamen ze er psychisch volkomen ongeschonden uit. Yori Gidron noemt ze liever ‘overlevenden’ dan ‘slachtoffers’, wat een subtiel maar tegelijk groot verschil is.

In het kantoor van Yori Gidron in de Brusselse universiteitskliniek, twee etages onder de kamer van Walter Benjamin, ziet het resultaat van de terreur voor de slachtoffers er nog steeds even gruwelijk uit, maar hij weet ze wel bevattelijker te maken. Door de uitdrukking in getallen, tabellen en statistieken wordt het psychische leed bijna rustgevend rationeel.

Op de notebook van Gidron schieten staafdiagrammen in de lucht: na een verkeersongeluk heeft 20 procent van de slachtoffers last van een posttraumatisch stresssyndroom, na een verkrachting 45 procent. Bij een terreuraanslag is dat nauwelijks 30 procent. Dat betekent dat 70 procent van de mensen die een terreuraanslag overleven geen kenmerken van een posttraumatisch stresssyndroom vertoont. Ze hebben geen last van flashbacks, geen verhevigde polsslag, geen slaap- of concentratiestoornissen. In het vakjargon wordt een dergelijke veerkracht ‘resiliëntie’ genoemd.

Yori Gidron vraagt zich af wat er in de hersenen van deze mensen anders is. Collega’s van Gidron hebben slachtoffers in de MRI-scanner onderzocht, waarbij ze geluiden van de traumatische ervaring lieten horen, zoals brekend glas, krakend hout en metaal dat verwrongen wordt. Er werd gelijkaardig onderzoek gedaan met videobeelden. Bij getraumatiseerde patiënten werd door de beelden en geluiden een bepaalde hersenregio geactiveerd: de amygdala, die verschillende emoties aanstuurt. Bij resiliënte patiënten flakkerde de neocortex op, die het abstracte denken reguleert. De vraag die daardoor rees, was: zouden we de neocortex niet actiever kunnen maken?

Girdon denkt van wel. Hij ontwikkelde een nieuwe therapie en ging in België en Israël aan de slag, ook met slachtoffers van terreuraanslagen. Met opmerkelijk resultaat: na drie maanden van intensieve praatsessies hadden proefpersonen zo goed als geen last meer van flashbacks. ‘We geloofden het zelf bijna niet,’ zegt hij. Hij voegt eraan toe dat op congressen heel wat collega’s de zaal verlaten als hij zijn theorie voorstelt, want die staat haaks op de gangbare, in steen gehouwde praktijk om trauma’s te behandelen.

In Israël is Yori Gidron ooit zelf op een fractie van een seconde na ontkomen aan een aanslag in een trein. Zijn moeder werd daarbij gewond. ‘We weten nog zo weinig,’ zegt hij. ‘Er moet dringend meer onderzoek gebeuren. Het gaat erom de neocortex van de hele maatschappij te activeren.’


De stem van de muezzin

Edmond en Marjan Pinczowski zijn Nederlanders en 38 jaar getrouwd. Hij heeft overal ter wereld hotelketens geleid, zij volgde hem naar Nairobi, Jeruzalem, Jamaica, Brussel, Antalya, Frankfurt en Athene. Een leven vol mooie momenten. De mooiste waren de avonden in Antalya, wanneer de muezzin opriep tot het gebed. Dan ging Marjan buiten op het balkon staan luisteren.

De Pinczowski’s zijn wereldburgers, ruimdenkende mensen. Sinds kort woont het echtpaar in de buurt van Maastricht, waar Edmond na zijn pensionering les is gaan geven aan een hogeschool voor hotelmanagement. Hun 26-jarige dochter Sascha en hun 29-jarige zoon Alexander pendelden naar New York, waar ze studeerden. Ze waren altijd mobiel bereikbaar voor hun ouders.

Sascha en Alexander waren een paar dagen bij hun ouders geweest, toen ze op 22 maart naar de Verenigde Staten terugkeerden. Ze stonden bij de balie van Delta Airlines te wachten om in te checken toen hun moeder belde.

‘Zijn jullie al ingecheckt?’ – ‘We staan juist in de rij,’ zei Alexander. ‘Wacht,’ zei de moeder, ‘papa wil nog iets zeggen.’ Toen Edmond Pinczowski de telefoon nam, hoorde hij een enorm gekraak. En toen was de verbinding verbroken.

Er is veel kapot sinds die dag. Het dagelijkse leven, de toekomstplannen, hun kijk op de wereld, alles is veranderd. De wereld klinkt anders dan vroeger. De moeder slaapt nu met oordoppen omdat het gekwetter van de vogels haar ’s morgens doet denken aan de eerste dag dat ze wakker werd met de gedachte: ‘Ik ben mijn kinderen kwijt.’

Vijf weken na de aanslag en vier weken na de begrafenis van hun kinderen ging Marjan Pinczowski met haar man mee op dienstreis naar de Verenigde Arabische Emiraten. Bij aankomst in het hotel in Dubai hoorden ze de stem van de muezzin in de lobby weerklinken, en Marjan liep naar buiten. ‘De stem van de muezzin,’ zegt ze, ‘klonk bitterzoet.’

Voor de vlucht naar Dubai, hun eerste na de aanslag, waren ze in Düsseldorf vertrokken – om het draaglijker te maken. Naast hen zat een somber voor zich uitkijkende jongeman. Marjan Pinczowski vond dat hij er uitzag als een terrorist. Hoe kon hij zomaar naar een film zitten kijken en zijn maaltijd opeten? Ze barstte in tranen uit en bleef de hele vlucht huilen, zes uur lang. De stewardess probeerde haar te troosten.

' Nu is jullie generatie aan de beurt. Jullie moeten met elkaar blijven praten'

Beschaamd vertelt Marjan Pinczowski dat die jongeman misschien niet eens van Marokkaanse afkomst was, zoals de plegers van de aanslagen, misschien was het zelfs een Indiër. Alleen door zijn huidskleur was ze overstuur geraakt. ‘Hij luisterde mee hoe Ed de stewardess ons verhaal vertelde,’ zegt ze, ‘en toen boog hij zich voorover en zei tegen mijn man: ‘Ik zal voor u en uw vrouw bidden.’’

Na de terreur groeit de angst voor het onbekende. Dat was zo in de Verenigde Staten na 11 september, dat was zo in Madrid na de treinaanslagen, dat was zo in Israël na de tweede intifada. Een verwonde samenleving is vatbaar voor vooroordelen – en voor populisme. Het is geen toeval dat uitgerekend nu partijen als AfD, FPÖ en het Front National in Europa zo succesvol zijn. In het verleden hebben terreuraanslagen samenlevingen altijd de rechterkant laten opgaan.

'De namen van de 32 dodelijke slachtoffers worden luid en langzaam voorgelezen op de herdenkingsplechtigheid in het paleis.'


Fotograaf in Molenbeek

Je zou veronderstellen dat een samenleving die voortdurend aan terreur onderhevig is, ook voortdurend in angst leeft. Dat ze het op een bepaald moment niet meer uithoudt. Het tegendeel is waar: hoe vaker een samenleving met terreur te maken krijgt, hoe meer ze eraan gewend raakt. Er bestaat niet alleen individuele, maar ook sociale resiliëntie.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog verlieten mensen tussen de luchtaanvallen hun bunkers en haalden broodjes bij de bakker. Tijdens het conflict in Noord-Ierland bleven de mensen met de bus naar hun werk gaan als altijd. In Israël werd in volle intifada falafel gegeten in de cafés, met zicht op de uitgebrande auto’s in de straat. En in Bagdad gaan de mensen elke dag naar de markt, ook al vallen daar telkens weer bommen. ‘De mens, die schoft, went aan alles!’ schreef Dostojevski.

De terreur wordt de nieuwe normaliteit en bewijst eens te meer dat we in staat zijn onder vreselijke omstandigheden te leven. En zoals altijd wanneer de mens in vreselijke omstandigheden moet leven, zoekt hij troost in rituelen.

Er zijn twee maanden verstreken wanneer de Belgische regering een herdenkingsplechtigheid organiseert. 22 mei is een regenachtige zondag, in Brussel zijn de straten rond het koninklijk paleis afgezet, soldaten marcheren op het trottoir, politieagenten controleren de auto’s. Voor een politiekordon stapt de familie Ganesan uit een taxi. De ouders van Raghavendran, zijn broer en de weduwe met het kind op haar arm. De vrouwen dragen hun beste sari, de mannen lungees, traditionele wikkelrokken. Ze lopen de trappen van het paleis op.

De weduwe van Raghavendran is hier al een keer geweest, samen met haar man. In 2014 hadden ze elkaar leren kennen en hun verhaal ontrolde zich als in een Bollywoodfilm: liefde op het eerste gezicht en een halfjaar later getrouwd met veel henna, bloemen en dansen. Ze kwam in Brussel bij hem wonen, ze bezochten de Kruidtuin en lieten zich rondleiden in het koninklijk paleis. Toen ze zwanger werd, keerde ze naar India terug. Ze wilden dat hun kind daar geboren zou worden en opgroeien. Hij zou haar binnenkort volgen. Het vliegtuig was al geboekt.

Er zijn ongeveer zeshonderd gasten in de troonzaal van het paleis. Regeringsleden, ambassadeurs, soldaten, brandweermannen, overlevenden en nabestaanden van overal. De familie Ganesan neemt gereserveerd plaats op de tweede rij, onder de gouden kroonluchters, op het rode fluweel van de stoelen. Een blazerskwintet speelt Mozart, de koning en de eerste minister houden toespraken in het Nederlands en het Frans. Ze hebben het over respect, moed en een betere wereld.

De namen van de 32 dodelijke slachtoffers worden luid en langzaam voorgelezen. Voor elk van hen wordt een witte roos neergelegd.

Raghavendran Ganesan.

Loubna Lafquiri.

Alexander Pinczowski.

Sascha Pinczowski.

Na Brussel zijn er nieuwe aanslagen gevolgd – in Orlando, in Istanbul, in Bagdad. Het is alsof we gevangen zijn geraakt in een eindeloze rij aanslagen.

Hoe kun je leven met terreur? De slachtoffers van Brussel en hun familieleden gaan er elk op hun manier mee om. De ouders en de weduwe van Raghavendran Ganesan zullen met de baby de nieuwe woning betrekken die hij gekocht had; zijn broer is van plan uit Duitsland terug te keren, want nu is hij verantwoordelijk voor de familie.

Ook de Pinczowski’s overwegen weg te gaan. De moeder voelt zich in Europa niet meer veilig. In de basisschool waar Loubna Lafquiri vroeger lesgaf, willen ze een sporthal naar haar vernoemen. Nicolas Jalet, de brandweerman, heeft in Zwitserland een bijscholing gevolgd over branden in tunnels, want wie weet ontploft de volgende bom in een tunnel.

En Walter Benjamin?

In het universiteitsziekenhuis, afdeling revalidatie, krijgt hij bezoek van jongeren die schrijven voor een schoolkrant. Zes meisjes tussen de 15 en 17 jaar oud, een lerares en een leraar zitten op zijn bed, op stoelen en op de grond. De meisjes gaan naar een katholieke school. En toch zijn vijf van hen moslims. Twee komen er uit Molenbeek. Ze luisteren met grote ogen naar Walter Benjamin, die vertelt over de knal, de vuurbal, over het telefoontje naar zijn moeder, over Hassan Elouafi, die ook bleef zitten toen hij wist dat Walter Benjamin een jood is. Eén van de meisjes zegt: ‘Ik heb nog nooit een Israëli gezien. Als mijn vader dat zou weten.’

Walter Benjamin legt haar geduldig uit dat hij weliswaar jood is, maar dat hij de Belgische en Franse nationaliteit heeft, dat godsdienst en nationaliteit twee verschillende dingen zijn.

De meisjes staren ongelovig naar de wonde aan zijn been, en hij zegt: ‘Het zal blijven gebeuren. Er zullen meer aanslagen volgen. En er zullen moskeeën in brand worden gestoken. Nu is jullie generatie aan de beurt. Jullie moeten met elkaar blijven praten.’

Als het gesprek afgelopen is, staan de meisjes heel voorzichtig op, alsof ze bang zijn de fragiele band die ze met Walter Benjamin hebben opgebouwd door een bruuske beweging te zullen verbreken. Beleefd nemen ze afscheid, maar hij houdt hen nog even tegen.

Hij wil nog iets zeggen over zijn fototoestel, dat in zijn rugzak zat en mee met de bom ontploft is. Walter Benjamin was erg aan zijn camera gehecht. Hij trok er in het weekend vaak op uit om in Brussel, zijn geliefde stad, foto’s te maken. In Molenbeek is hij nog nooit geweest.

En nu wil Walter Benjamin niets liever dan dat. Daarom is hij dit weekend thuis, het eerste weekend dat hij weer op de been is. Daarom is hij de 26 treden weer naar beneden gekomen. Hij heeft zich naar een fotowinkel laten brengen om een nieuwe camera te kopen.

Als hij weer kan lopen, zegt hij tegen de meisjes, wil hij als fotograaf door Molenbeek trekken. Hij wil de jongeren die bij hem in het ziekenhuis zijn geweest, ook de meisjes, thuis gaan opzoeken. Hij wil hun verschillende werelden samenbrengen. Dat is het enige nut dat hij uit de aanslag kan puren.

© Die Zeit

Vertaling en bewerking:

Els Snick

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234