Erwin Mortier over 'Godenslaap': 'De generatie die de oorlog heeft meegemaakt is veel minder snel uit het lood te slaan'

'Schrijven, daar ben ik voor bedoeld.' Erwin Mortier over zijn magnum opus (204 bladzijden) 'Godenslaap'.


Download hier 'Godenslaap' van Erwin Mortier ☞

In ‘Godenslaap’, zijn nieuwe roman, houdt Erwin Mortier de pen vast van Helena, een stokoude schrijfster uit de betere middenklasse van lang geleden – zo maken ze ze niet meer – die panoramisch de achterwaartse verte van haar verleden inkijkt. Daarin was de Groote Oorlog kennelijk van cruciaal belang, ondanks al het doorslaggevends dat ze ná W.O. I nog heeft beleefd en doorstaan.

Net voor die oorlog uitbarstte, was ze aan een nonnenschool toevertrouwd, die ze zich als volgt herinnert: ‘In mijn schooltijd, op het eerbiedwaardige instituut der Zusters Cisterciënzerinnen van de Heilige Schrift, ging mijn sympathie, al dien ik eerder te zeggen mijn fascinatie, steevast uit naar de grotendeels onzichtbare nonnen in hun goddelijke termietenburcht, die door een hoge muur van de klassen en de overdekte speelkoer afgeschermd werden. De joffers die ons onderricht verstrekten, jonge burgerdames voor wie het huwelijk het einde van hun loopbaan inluidde, schenen mij veel sterieler toe dan die zwarte schikgodinnen, die in zelfverkozen maagdschap over de onberispelijk geboende tegels van hun gangen gleden met het ruisen van zeildoek om de kuiten – de vleugelslagen van de Geest, die zij in hun kapel ook in het holst van de nacht vereerden, tot ze in het eerste ochtendlicht languit voor het altaar gingen liggen, zwart als verschroeide motten.’

Er valt in ‘Godenslaap’ van méér wellustig taalgebruik te genieten, van méér goed georganiseerde samenzweringen van woorden die de fotografie ruimschoots overtreffen.

Op een blauwe maandag in de Indian summer bevind ik me in Drongen, een dorp aan de Leie, ten huize van Erwin Mortier. Hij woont er samen met Lieven Vandenhaute, cultureel verslaggever van de VRT, en met een hoofdzakelijk rosse kater die op zijn influistering de woonkamer verlaat om de interviewer niet te hinderen met kattengespin. Ik, een kattenliefhebber, heb nog maar zelden een gezeglijke kat meegemaakt: die kater zou, verdomd als het niet waar is, een volwaardig gespreksonderwerp kunnen zijn, maar de literatuur gaat voor, al vraag ik me weleens af waarom. Nu ook weer.

HUMO All art mag dan wel quite useless zijn, maar laat ik je toch maar vragen of de roman nog ergens toe dient in deze tijd.

Erwin Mortier «Ik denk dat een roman nog altijd inzicht probeert te bieden in de menselijke existentie. De gedachte dat literatuur één of ander maatschappelijk nut moet hebben, lijkt mij zeer eigen aan onze contreien.

»Ik heb ‘Het leven, niets dan het leven’ van Joris Van Parys gelezen, de biografie van Cyriel Buysse: daarin kun je merken dat het literaire establishment honderd jaar geleden gedomineerd werd door pastoors en andere zwartrokken. Die hadden een welbepaald eisenpakket: literatuur moest verheffend zijn en de mensen moraal bijbrengen, wat vooral neerkwam op: ze rond de kansel houden, opdat aLles bij het oude zou blijven. Daar zijn we blijkbaar nog steeds niet helemaal van af.»

HUMO Je hebt het vaker over een soort Vlaanderen waarvan ik denk dat je het in deze tijd makkelijk kunt ontlopen, zonder dat je daarvoor Vlaanderen hoeft te verlaten.

Mortier «Daar ben ik niet zo zeker van. Mensen die nu door middel van literatuur een of ander politiek doel nastreven, ook ter linkerzijde, zouden weleens de geestelijke erfgenamen van die zwartrokken van honderd jaar geleden kunnen zijn. Ik heb nog altijd de indruk dat kunst hier ergens voor moet dienen, en als ze dat niet doet, wordt ze snel als een vorm van decadentie afgedaan, als een verwerpelijke luxe. Denk maar aan de tijd toen men hier enkel het eerste deel van Claus’ ‘Het verdriet van België’ met de Staatsprijs wilde bekronen, want dat tweede deel was toch te experimenteel, spielerei, en daar geef je geen prijs aan.»

HUMO Bij ‘Phara’ zei je laatst dat Tom Lanoye en jij zowat de enige Vlaamse schrijvers waren die zich met geëngageerde columns in het politieke debat mengden. Staat dat niet haaks op wat je me net zegt?

Mortier «Je mengt je niet zozeer als schrijver in het politieke debat, als wel als burger. Als je iets van mij in de krant leest, moet je dus niet in de eerste plaats aan de schrijver denken, al zal ik natuurlijk altijd wel mijn best doen om mijn standpunt met het metier van de schrijver te formuleren. Het is me al opgevallen dat schrijvers die politieke columns schrijven zelden of nooit uit de subsidieruif eten.»

HUMO Suggereer je nu dat subsidietrekkers eigenlijk monddood zijn?

Mortier «Ik kan het niet hardmaken, maar ik heb in de wandelgangen toch al wel van intimidatiepogingen vanuit de kabinetten gehoord. ‘Monddood’ is te sterk uitgedrukt, maar ik denk wel dat sommige subsidietrekkers een zekere schroom voelen om zich vrijelijk over bijvoorbeeld het cultuurbeleid uit te laten.»

HUMO En daarom vraag jij geen subsidie aan.

Mortier «Ik heb nooit subsidie aangevraagd, neen, al zou ik die ongetwijfeld wel krijgen, heb ik van overheidswege al vernomen. Als ik dan zeg: ‘Neen, bedankt, ik doe het niet,’ krijg ik te horen: ‘Maar jij hebt het ook niet nodig,’ alsof ze daar mijn financiële situatie kennen.»

HUMO Vind je dat je genoeg verdient als schrijver?

Mortier «Ik geef weinig lezingen, zodat ik grotendeels van de verkoop van mijn boeken afhang. We leven bescheiden: dit huis is een huurhuis. Maar we kunnen eten en drinken wat we willen, en als we ziek zijn kunnen we ons verzorging permitteren. Eén keer per jaar kunnen we zelfs met vakantie, en dat is voor mij voldoende (lacht). Ik heb me altijd al op de mogelijkheid ingesteld om, zodra de boekenverkoop minder zou worden, van één inkomen te leven: dat van Lieven. Maar mijn wederhelft vindt het belangrijk dat ik zo lang mogelijk mijn financiële onafhankelijkheid bewaar.»

HUMO Ooit was je halftijds wetenschappelijk medewerker aan het voortreffelijke Museum Dr. Guislain in Gent. Die baan – een mooi werk, volgens mij – heb je voor het schrijverschap laten varen.

Mortier «Dat was geen moeilijke beslissing, want ik heb me altijd voorgenomen van de pen te gaan leven zodra dat ook maar enigszins mogelijk was. Ik heb graag in het museum gewerkt, en ik zit er nog altijd in de adviesraad – oude liefde roest niet, en mijn collega’s wilden alle ervaring die ik er had opgebouwd niet zomaar laten schieten. Maar de omschakeling van wetenschappelijk medewerker naar schrijver werd steeds lastiger: ik kwam thuis met een overvolle kop, en dan moest ik het ritme van de schrijver zien te vinden. Het kostte mij in die tijd gemiddeld een dag of drie om weer in de schrijfroutine te komen, en als ik dan eindelijk op dreef was, moest ik alweer aan mijn officiële werk beginnen te denken.»

HUMO Wanneer voel je je klaar om te schrijven?

Mortier «Ik moet in mijn onderwerp kunnen verzuipen, er bijna in ten onder gaan. Ik moet me omringd voelen door de wereld die ik probeer te creëren, wat een bijna fysieke gewaarwording is.»

HUMO Bestaan er middelen, of kunstgrepen, om die suggestie te intensifiëren?

Mortier «Neen. Ik vergelijk schrijvers graag met hengelaars die aan de waterkant zitten te wachten tot ze beet hebben. Ondertussen ben ik natuurlijk wel aan het dénken, hè. Uit de wisselwerking van die twee geestesgesteldheden moet vroeg of laat de aanzet ontstaan.»

'Een schrijver móét op de zenuwen werken'

HUMO Ik weet dat je altijd aan meer boeken tegelijk werkt. Heeft dat een reden?

Mortier «Het houdt mijn geest en mijn inspiratie levendig. Ik voel aan wanneer iets zijn momentum begint te krijgen, en dan denk ik: ‘Hier moet ik nu al mijn energie in stoppen.’ Talent heeft ook te maken met de souplesse waarmee je kunt inspelen op wat zich ineens aandient. Ik sta met het schrijven op, en ik ga er ook weer mee slapen.»

HUMO De wereld die je in ‘Godenslaap’ oproept is een bombardement van indrukken. Weet je nog wat de kiem van dat boek was?

Mortier «De stem van Helena, de stokoude vertelster die voor een stuk opgevreten wordt door haar eigen verleden. De inspiratie is eigenlijk uit de eerste zin ontstaan: ‘Ik heb altijd gehuiverd voor de daad van het beginnen.’ Een zin die ik zomaar op papier had gegooid – ik weet dat ik er heel lang naar heb zitten kijken (lacht). Ik had nog geen flauw idee van de complexiteit waartoe ze aanleiding zou geven, maar die stem was wel al duidelijk.»

HUMO Letterlijk?

Mortier «Ja. Een toon, een stijl, een ritmiek van spreken. Ik hoor die stem, en ik krijg het vermoeden dat er een hele wereld achter schuilgaat, die ik dan beetje bij beetje moet ontsluieren. Er ontstaan tekstfragmenten die zich gaandeweg beginnen op te stapelen, en ondertussen dringt er zich een sfeer aan je op die steeds meer onafwendbaar wordt. Een schrijver is ook iemand die zit te kijken naar wat er op papier gebeurt, en hij láát van alles op papier gebeuren. Voor een deel zijn er dus krachten buiten mezelf aan het werk: het onderbewuste schrijft mee, en je zelfbewuste kant kijkt toe – je zit jezelf als het ware onder het schrijven op de vingers te kijken, en je wordt de eindredacteur van je eigen talent.»

HUMO Is de wachttijd op het moment waarop een roman zich aandient ook op een aangename manier spannend?

Mortier «Soms krijg ik er geweldig de zenuwen van. ’t Was voor mij van meet af aan vrij duidelijk dat Helena het over de Eerste Wereldoorlog zou hebben, maar toen dat goed tot me doordrong, dacht ik toch: ‘Mijn God, de Eerste Wereldoorlog!’ Ik bedoel: de veelheid die dat onderwerp impliceert en de geladenheid ervan brachten me toch eventjes van slag.»

HUMO Helena heeft de Eerste Wereldoorlog meegemaakt toen ze jong was. De Tweede Wereldoorlog heeft ze ook doorstaan, maar daar zwijgt ze over, alsof die kwalijke tijd in haar leven bijzaak was.

Mortier «Ik heb geprobeerd haar meer over de Tweede Wereldoorlog te laten vertellen, maar ik had het gevoel dat ik haar karakter te veel forceerde. ’t Was alsof ze daar niet over wílde vertellen. En van mensen die de twee wereldoorlogen hebben meegemaakt, heb ik nog gehoord dat de Eerste veel erger was. Nu het ‘eeuwfeest’ in het verschiet ligt, worden ook veel mensen van onze generatie nieuwsgierig naar die slachting. Ik heb ook gemerkt dat er in Vlaanderen buitengewoon weinig fictie over die periode is geschreven. Wij hebben geen equivalent van de War Poets in Engeland, wat merkwaardig is.»

HUMO Ik heb ooit aan Hugo Claus gevraagd of hij mensen die de oorlog hebben meegemaakt anders bekeek dan mensen die van na de oorlog waren. Ja hoor: dat onderscheid was volgens hem wezenlijk.

Mortier «Dat wezenlijke verschil merk ik ook: de generatie die de oorlog heeft meegemaakt is veel minder snel uit het lood te slaan. En het is ook díé generatie die, nadat de Europese beschaving voor de tweede keer was ingestort, gezegd heeft: ‘En nu is het welletjes.’ Het project van de Europese Unie is uit die houding ontstaan, en ook de sociale zekerheid. Dat staat nu allemaal onder druk, net omdat die generatie aan het verdwijnen is.

»Vorig jaar zat ik in de Thalys naar Parijs. Ik deed alsof ik in de Marie-Claire zat te lezen, terwijl ik een gesprek van jonge eurocraatjes afluisterde. Ze hadden het over de toekomst van Europa. Eén van die jochies zei: ‘Het zal maar vooruitgaan als er óf een zware financiële crisis komt óf een oorlog.’ Ik heb die conclusie in de marge van m’n Marie-Claire genoteerd. De financële crisis hebben we al: we kunnen de toekomst dus vrij hoopvol tegemoetzien (lachje).»

'Van Claus heb ik altijd waardering voor mijn werk ondervonden, en ik waardeerde op mijn beurt zijn geweldige oeuvre'

HISTORISCHE BESCHEIDENHEID

HUMO Aangezien ‘Godenslaap’ ook over de mechaniek van de herinnering gaat, en over details die kettingreacties van herinneringen veroorzaken, is het bijna niet te vermijden dat de naam Proust zal vallen in de recensies. Ik moest bij het lezen van je roman dan weer aan Maurice Gilliams denken, die geboren is in 1900, en dus een generatiegenoot van Helena is.

Mortier «Ik ben erg geïnteresseerd in de hele schrijversgeneratie van Gilliams: toen die aan het werk was, had je in een stad als Gent een kosmopolitisch cultureel leven. Je had toen ook Vlamingen die in het Frans schreven, Maeterlinck bijvoorbeeld. Die had heel graag in het Vlaams geschreven maar hij kon het niet, en Buysse wilde niets liever dan in het Frans schrijven maar dat leek ook nergens naar, en dus hielden ze zich maar aan de taal waarmee ze het meest vertrouwd waren. Er was in hun tijd wel een taalstrijd gaande, maar het soort nationalisme dat naar een homogeen Vlaams taalgebied streeft, was blijkbaar niet aan de orde. Achter mijn tuin stroomt de Leie: Maeterlinck en Cyriel Buysse hebben er nog samen op geschaatst.

»Tegenwoordig is ons cultureel leven nadrukkelijk Vlaams – het kosmopolitisme hebben we zo te zien onder de mat geveegd. Mannen als Maeterlinck zijn óók onze literaire voorvaderen, maar dat deel van ons literaire erfgoed hebben we weggedrukt.»

HUMO Doordat ‘Godenslaap’ fragmentarisch is opgezet, is die roman hedendaags, maar toch lijk je er ook klassieke romankunst in na te streven.

Mortier «Ik ben niet zo gauw onder de indruk van de kretologie van het nieuwe. Ik ga er ook niet van uit dat datgene wat schrijvers van nu bezighoudt de schrijvers van vroeer onberoerd liet, en vice versa. De gedachte dat er voortdurend een nieuw soort mens zou opstaan, die ook een nieuw soort kunst moet produceren, vind ik aanmatigend. Als ik de brieven van de Brabantse mystica Hadewijch lees, die achthonderd jaar oud zijn, merk ik dat zij net als ik al worstelde met de oeverloosheid van de taal, die altijd te veel of te weinig zegt. Dat schrijversprobleem is dus van alle tijden. Wij proberen ons wel een unieke plaats in de tijd en de geschiedenis toe te kennen, maar iemand zegt in ‘Godenslaap’ dat we ook maar muizen zijn die in het looprad van het noodlot trappelen. Af en toe maan ik mezelf tot historische bescheidenheid aan.»

HUMO De gruwelen van de Eerste Wereldoorlog, waaronder allerlei misselijke verminkingen, beschrijf je – ik wik mijn woorden – heel erg mooi. Daardoor ontstaat er een verwarrende spanning tussen de esthetiek van je stijl en je onderwerp. Bewust?

Mortier «Absoluut. In Nederland schreef iemand al dat ik me ‘op het randje van het decadente’ beweeg. Dat soort esthetiek is me ook opgevallen bij schrijvers die ooggetuige waren van de Eerste Wereldoorlog: Mary Borden bijvoorbeeld, een Amerikaanse die als verpleegster in lazaretten achter de frontlinie werkte. Modder is hét icoon van de Eerste Wereldoorlog, en zij heeft het gedicht ‘The Song of the Mud’ geschreven. Ook daarin merk je die verwarrende mengeling van afschuw en fascinatie. Volgens mij kun je die gruwel pas in je geest toelaten als je er een esthetische vorm aan geeft.

»In ‘Godenslaap’ staat Helena met haar moeder en de Engelse soldaat, een oorlogsfotograaf die later haar man zou worden, op het dak van een casino op de Kasselberg in Noord-Frankrijk. Ze kijken gefascineerd naar de nachtelijke frontlinie. Die scène heb ik uit de dagboeken van de Amerikaanse schrijfster Edith Wharton, alleen heb ik het camerastandpunt veranderd. Het tafereel wordt in feeerieke termen beschreven, terwijl iedereen op dat eigenste moment ook beseft dat er duizenden soldaten aan het creperen zijn.»

HUMO Nu we het zijdelings over esthetica hebben: ooit heb je kunstgeschiedenis gestudeerd. Zou die studie meespelen in de manier waarop je als schrijver kijkt en vervolgens formuleert?

Mortier «Neen, want ik heb er vooral geleerd een wal op te trekken tussen de academische benadering van de kunst en datgene wat mij wérkelijk bezighield. Achteraf bekeken ben ik blij dat ik kunstgeschiedenis en geen Germaanse filologie heb gestudeerd: had ik in taal en letterkunde doorgeleerd, dan zouden er misschien wel allerlei academische normeringen in mijn werk zijn geslopen. Mochten literatuurwetenschappers natuurwetenschappers zijn, dan zouden ze de zwaartekracht wellicht niet bestuderen maar betreuren. Ze maken zich voortdurend boos op hun onderzoeksobject omdat het zich niet volgens hun theorie wenst te gedragen.»

HUMO Helena is een schrijfster – ‘Godenslaap’ is evenzeer háár boek als het jouwe – maar ze publiceert niet, en daar heeft ze gek genoeg vrede mee. Kán dat, als je het dan toch in je hebt om literatuur voort te brengen?

Mortier «Ik wou aan de hand van Helena een verheviging van het schrijverschap zoals ik het zie tonen. Schrijvers zijn volgens mij weigeraars van de ultieme definitie – als er een definitie is, een definitief antwoord op iets, dan zullen zij altijd wel zeggen: ‘Wacht ’s even,’ waarna ze aan die definitie beginnen te frunniken. Daardoor werken ze ook vaak op de zenuwen, wat ik een compliment vind. Helena trekt haar weigering zo ver door dat ze haar geschriften niet eens aan de buitenwereld wil prijsgeven.»

HUMO Dat zou je ook pretentieus kunnen vinden.

Mortier «Ja, ’t heeft ook iets ontzettend hautains – ’t is zelfs de ultieme ijdelheid, zo van: ‘Ik hou het voor mezelf, want het is veel te goed voor deze wereld.’ Maar evengoed heeft het iets belangeloos en onpersoonlijks. Ik heb zelf behoorlijk lang geschreven zonder te publiceren, en ik hou er rekening mee dat ik op een dag weer ondergronds zal gaan, bij manier van spreken. Als het publiek me niet meer lust. Maar ik denk niet dat ik ooit zal ophouden met schrijven. Vraag me niet waarom, maar als ik niet schrijf word ik een ongenietbaar sujet.

»Toen ik ‘Marcel’ publiceerde, was ik ineens een echte schrijver, over wiens werk iedereen zijn zegje deed. Dat ervaar ik nog altijd als vervreemdend: ik sta hier ’s avonds de afwas te doen, en ondertussen hebben ze het op Radio 1 over de schrijver Erwin Mortier. ‘Interessante jongen,’ denk ik dan (lacht), maar het dringt nooit echt tot me door dat ze het over míj hebben. Die afstand vind ik heel belangrijk. Ik schrijf niet om mezelf voor mijn werk te gaan plaatsen – ik schrijf om in mijn werk te verdwijnen.

»Nu ja, ik herinner me wel dat ik, toen ‘Marcel’ meteen werd opgepikt en erkend, toch dacht: ‘Schrijven, daar ben ik voor bedoeld.’ ’t Klinkt stom, maar zo ís het. Dat ik íéts ben, vind ik een immense geruststelling. Ik heb twee zekerheden in mijn leven, en daar heb ik genoeg aan: dat ik zal schrijven tot ik er dood bij neerval, en dat ik mijn man doodgraag zie. Als schrijver en als kunstenaar kun je twee fatale fouten maken: je identificeren met succes of je identificeren met het gebrek eraan. In het eerste geval dreig je zot te worden van glorie, en in het tweede zot van miserie.»

HUMO Succes zal anders wel heel erg verlokkelijk zijn, denk ik. Als je het hebt, wil je het houden – misschien wil je het zelfs nog vergroten.

Mortier «Zeker, en het opent veel deuren. Drie jaar geleden zat ik samen met Hans van Mierlo en de Nederlandse ambassadeur in een restaurant. Ik heb hen toen honderduit vragen gesteld over de Europese Unie, over hoe zij er de toekomst van zagen. Ik dacht: ‘Nu ik hier toch zit...’ (lacht) In zulke omstandigheden denk ik vaak aan mijn vader, die maar tot zijn zestiende naar school is kunnen gaan.»

HUMO Had je het gevoel dat jij dat moest goedmaken?

Mortier «Absoluut niet. Mijn vader heeft, ook dankzij de democratisering van het onderwijs, zijn kinderen kunnen laten studeren. In onze familie behoorde ik tot de eerste generatie die naar de universiteit kon gaan. Toen ik afstudeerde was mijn vader ontroerd, ook wel omdat hij er op dat moment wel aan gedacht zal hebben dat het hem nooit te beurt is gevallen.»

HUMO Met schrijvers als Gerard Reve en Hugo Claus ging je op zeer vertrouwelijke voet om. Heb je er ooit voor gezórgd dat je met hen kon omgaan?

Mortier «Neen. Dat ik hen persoonlijk heb leren kennen, was puur toeval – door te debuteren kwam ik in de literaire wereld terecht: we bleken een soort kijk gemeen te hebben, er was ook een zielsverwantschap mee gemoeid. Van Claus heb ik altijd waardering voor mijn werk ondervonden, en ik waardeerde op mijn beurt zijn geweldige oeuvre.»

HUMO Je hebt ook hun fysieke en geestelijke ontluistering van dichtbij meegemaakt. In het geval van Reve heb je daar onverbloemd over geschreven.

Mortier «Toen ik op zijn Geheim Landgoed in Zuid-Frankrijk te gast was, drong het pas goed tot me door hoe zijn hele oeuvre verknoopt was met zijn gekwelde persoonlijkheid, met zijn wanhoop, obsessies en angsten. Nooit eerder had ik me gerealiseerd dat het schrijven zo’n existentiële noodzaak voor hem was. Hij stond zeer onbeholpen in de wereld. Hij zei het zelf: ‘Was ik geen schrijver, dan zat ik in een gekkenhuis.’»

'Van mensen die bij de omroep werken – ik heb het even niet over mijn wederhelft Lieven Vandenhaute – heb ik al gehoord dat hen wordt geadviseerd hun homoseksualiteit nooit uit te spelen, want dat zou nadelig zijn voor het imago van de zender. We moeten oppassen dat we niet sluipenderwijs naar de jaren vijftig terugkeren'


OERMOEDER

HUMO Jij bent wellicht goed geplaatst om te weten of dat waar is, want van opleiding ben je behalve kunsthistoricus ook verpleger.

Mortier «Ja. Wat je vaak ziet bij psychiatrische patiënten, is obsessieve herhaling van gedachten en gedragspatronen: dat wordt dan een ritueel waarmee ze op bijna religieuze wijze greep op de werkelijkheid proberen te krijgen. Dat zag ik allemaal bij Gerard, en je merkt het natuurlijk ook aan zijn werk, aan zijn stijl.»

HUMO Waarom ben je ooit verpleger geworden?

Mortier «Op de middelbare school was ik een probleemkind: elk schooljaar zakte ik wel een niveau lager – het ‘watervalsysteem’ heet het nu – tot ik bijna naar het beroepsonderwijs moest. Allerlei tests gaven uitsluitsel: ik was heel erg dom. Maar ik las toen al veel, en ik was intens met mijn muziekstudie bezig, kortom: er was een hele wereld in mij die maar niet door het reguliere onderwijs werd opgemerkt, laat staan gewaardeerd. Een schooldirecteur zei me ooit: ‘Waarom ga je niet, zoals normale mensen, basketballen op woensdagmiddag?’ Dat vind ik nog altijd verschrikkelijk.»

HUMO Heb je toen ooit gedacht: ‘Misschien bén ik wel dom’?

Mortier «Ja, zeker in mijn vroege adolescentie. Enfi n, ik kwam in een paramedische opleiding terecht, waar ik nóg meer tijd had om te lezen. Daarna ben ik onmiddellijk naar de universiteit gegaan, en tegen alle verwachtingen in slaagde ik.

»De psychiatrie heb ik eigenlijk alleen maar meegemaakt toen ik mijn burgerdienst deed in het Psychiatrisch Centrum Dr. Guislain. Wat mij daar frappeerde was de enorme stilte: iedereen zit er in zijn eigen kop gevangen, en krijgt ook vaak medicijnen die dat volstrekte isolement nog versterken. Ik zag er mensen lijden onder hun medicatie: een machteloosheid die zeer aangrijpend is. Verplegers zagen de problemen van die patiënten veel sneller dan de psychiaters. Dat vond ik zeer tragisch.»

HUMO Heb je iets aan die ervaring gehad?

Mortier «Ik ben het eens met Freud, die gezegd heeft dat stoornissen in de menselijke psyche – laat ik zulke problemen gemakshalve zo noemen – ons een blik geven op de condition humaine in z’n verhevigde vorm. Toen ik in de psychiatrie werkte, was er een patiënt die zich op de toenmalige televisieomroepster Rita Boelaert had gefixeerd. Hij wist wel zeker dat ze verliefd op hem was. Sterker nog: dat ze hem met een helikopter zou komen halen. Om de zoveel dagen stond hij die helikopter af te wachten, maar Rita kwam niet, en dan was hij weer een paar dagen ontredderd. Je kunt je er vrolijk over maken, je kunt zo’n man in infotainmentprogramma’s te kijk zetten, maar je kunt je ook afvragen of wij niet allemaal diepe verliefdheden gekoesterd hebben die in de verste verte niet reëel waren.»

HUMO ‘Godenslaap’ draait ook om het matriarchaat. Waarom wou je het daarover hebben?

Mortier «Ik herinner me het matriarchaat uit mijn eigen jeugd. Het waren altijd vrouwen die de touwtjes in handen hadden; de mannetjes waren bijzaak, een aanhangsel dat op gezette tijden voor bevruchting moest zorgen. Als de maatschappelijke verhoudingen grondig verstoord worden door oorlogen of hongersnoden, vallen we nogal snel op het matriarchaat terug. In de sloppenwijken in Afrika en Zuid-Amerika hebben de vrouwen het voor het zeggen. Iemand vertelde mij dat er een aantal jaren geleden in de Muide, een Gentse volksbuurt, clans waren, en dus ook vetes. Als de wijkagent de indruk wekte dat hij een clan bevoordeelde, werd hij met vereende krachten bij de uniformkraag aan een regenpijp te kijk gehangen, en het waren altijd vrouwen die het bevel tot zo’n actie gaven.»

HUMO De magna mater, de oermoeder, is in ‘Godenslaap’ de moeder van Helena. Zij vindt het literaire talent van haar dochter maar flauwekul.

Mortier «Die oermoeder is enkel op het nuchtere overleven gericht. Vandaar ook dat Helena zich tegen haar verzet, vergeefs. »Vrouwelijkheid is volgens mij in veel gevallen iets heel taais, al denken we meestal het omgekeerde. Zodra vrouwen bijvoorbeeld hun kinderen moeten verdedigen, zijn ze tot geweldige uitspattingen van geweld in staat, blind geweld. Terwijl mannelijk geweld meestal erg gestructureerd is.»

HUMO Op hoge leeftijd droomt Helena nog over haar moeder, terwijl de mannen uit haar leven nooit in haar dromen voorkomen. Ze schrijft ook dat haar vader een moederlijker fi guur was dan haar moeder.

Mortier «Alle mannen in ‘Godenslaap’ hebben iets vrouwelijks.»

HUMO Die keuze zal men wellicht aan je homoseksualiteit toeschrijven. En men zal ongetwijfeld ook zeggen dat jij mooie vrouwenportretten maakt, zoals men ook zegt dat homo’s vrouwen zo goed kunnen aanvoelen, veel beter dan hetero’s. Gaat dat niet de kant van het vooroordeel uit?

Mortier «Ik denk het wel. De schilderingen van vrouwen in het werk van Hugo Claus zijn volgens mij onovertroffen.»

HUMO Ik hoop dat de volgende vraag niet meer van deze tijd is, maar laat ik ze toch maar stellen: heb je ooit last gehad van je homoseksualiteit?

Mortier «Ik niet, maar het zelfmoordcijfer bij jonge homo’s blijft hoog. Misschien moeten we ons ook durven af te vragen hoeveel jonge homo’s er in zogenaamde weekendongevallen omkomen. In het onderwijs mag homo’s nog altijd niet expliciet de weg naar bijvoorbeeld homo-organisaties gewezen worden. En een homoseksuele kennis werd maar niet benoemd in het katholieke onderwijsnet, omdat hij in een interview met een jongerenblaadje over zijn homoseksualiteit had gesproken.

»Iemand als Paul Codde zou in deze tijd volgens mij nooit meer als televisieomroeper kunnen werken – een eclatante homo die weleens in Finse klederdracht voor de camera durfde plaats te nemen (lacht). Van mensen die bij de omroep werken – ik heb het even niet over mijn wederhelft – heb ik al gehoord dat hen wordt geadviseerd hun homoseksualiteit nooit uit te spelen, want dat zou nadelig zijn voor het imago van de zender. We moeten oppassen dat we niet sluipenderwijs naar de jaren vijftig terugkeren.»

HUMO In ‘Godenslaap’ is de broer van Helena homo. Heb je nagekeken hoe het homo’s ten tijde van de Eerste Wereldoorlog verging?

Mortier «’t Was dolle pret, denk ik (lachje). Een jaar geleden heb ik de Amerikaanse homoseksuele schrijver Edmund White in Amsterdam ontmoet. Hij vertelde over de sfeer in de jaren vijftig, homo’s die in schimmige kelderbars in Manhattan hun lot zaten te beklagen. ‘Maar,’ zei hij, ‘wij waren daar niet alleen, want er kwamen ook gescheiden vrouwen en vrouwen die een affaire hadden met een kleurling.’ Iedereen die maatschappelijk niet werd getolereerd, kwam er samen, en dat vond White achteraf bekeken vrij gezellig. In tegenstelling tot de homowereld van nu, die volgens hem een soort markt is geworden: als je je arm tot je elleboog in een herenkont wil steken, dan bestaat daar wel een gespecialiseerd etablissement voor.

»Maar wat homo’s ten tijde van de Eerste Wereldoorlog betreft: de seksuoloog Magnus Hirschfeld ijverde toen al voor de emancipatie van homo’s. Hij stelde een herentypologie van seksuele verlangens op. Die kwam neer op een aantal medische etiketten, waarmee homo’s zich niettemin konden identifi ceren, en een identiteit was net wat ze nodig hadden.»

HUMO Die broer is geen probleemgeval in je boek, hij lijkt niet met zijn geaardheid te worstelen, maar hij is wel een schimmige figuur.

Mortier «Hij schept volgens mij plezier in een geheimzinnig dubbelleven, maar hij heeft ook aan het front gezeten en er de hel gezien: hij is er bijna gesneuveld. Vandaar dat hij de rest van zijn leven volgens mij als een soort vakantie opvat, en blijk geeft van een blijmoedig fatalisme.»


PROFESSORENTELEVISIE

HUMO Laten we het voor de gezelligheid even over die column hebben die je over de Gouden Uil geschreven hebt. Een motie van wantrouwen, zou je kunnen zeggen.

Mortier «Ik heb vooral geprobeerd er spijt in uit te drukken. Doordat sommige juryleden bindingen hebben met de sponsors, wordt de indruk gewekt dat de jury niet integer is. Maar die indruk wek ík niet in die column.»

HUMO Evengoed vertrouw je het zaakje niet, en bovendien ga je ervan uit dat die vernieuwde jury vooral op een mediagenieke laureaat uit is. Je beweert ook te weten dat Marc Reugebrink, de vorige winnaar van de Gouden Uil, volgens de sponsors niet mediageniek genoeg geweest zou zijn.

Mortier «Ik hoor weleens iets achter de schermen, en volgens mij is dat soort druk er altijd geweest. Toen Joris Van Parijs in 1996 de Gouden Uil won voor zijn Masereel-biografie, werd er op de eerstvolgende vergadering van de belanghebbenden gezegd dat dat soort winnaars in de toekomst vermeden moest worden. Dat weet ik uit goede bron. Die biografie heeft voor geen meter verkocht.»

HUMO Wat vind je over het algemeen over de verhouding tussen schrijvers en media?

Mortier «De openbare omroep schiet wat kunst en cultuur betreft nog steeds schromelijk tekort, maar hij krijgt natuurlijk ook een enorm schizofrene opdracht van onze vertegenwoordigers in de politiek: de VRT moet zoveel mogelijk kijkers zien te halen en tóch kwaliteit brengen. Daardoor wordt het begrip ‘cultuur’ zodanig opgerekt dat de rek er stilaan uit is. Om te herdenken dat Jacques Brel dertig jaar geleden stierf, zie je dan een jochie ter ere van de zanger mosselen klaarmaken op de Grote Markt in Brussel. Na afloop verschijnt er een tekst in beeld die je erop wijst dat je maar op de rode knop hoeft te drukken als je tegen betaling een documentaire over Brel wil zien. Mijn God!

»Ik begrijp de angst niet die de openbare omroep voor cultuur voelt. Om iets bij te verdienen heb ik daar ooit in het archief gewerkt, en ik kan je verzekeren dat ze qua kunstprogramma’s een indrukwekkend palmares kunnen voorleggen, en nu heb ik het níét over ‘Container’. Als mensen uit mijn branche het debat willen openen, krijgen we altijd weer te horen: ‘Wat jullie willen is professorentelevisie.’ Dat willen we net níét. Ik zie heel vaak de schitterendste kunstprogramma’s op Europese zenders, die vooral géén professorentelevisie zijn: ‘Imagine’ op de BBC, bijvoorbeeld.

»Ik geloof dat die vreemde perceptie van kunst en cultuur onder het bewind van Tony Mary en Aimé Van Hecke is ontstaan – zij zijn in hun opzet geslaagd, want de hele mediajournalistiek houdt ondertussen staande dat cultuur op de televisie niet werkt, en dat er geen kijkers voor te vinden zijn. Regine Clauwaert, de toenmalige bazin van de cultuurfabriek van de VRT, heeft een vergelijkend onderzoek laten doen, en hun cultuurprogramma’s kwamen er beter uit dan die van de BBC. Maar meneer Mary heeft die onderzoeksresultaten doelbewust, om politieke redenen, zoekgemaakt. Ook dat weet ik uit goede bron.

»Waarom zegt de politiek niet: ‘Jullie móéten, los van de kijkcijferdwang, goede documentaires maken over onze Vlaamse kunstenaars?’ Stel dat Tom Lanoye – ik wens het hem niet toe – doodvalt, dan is er over hem, en bij uitbreiding: over zijn generatie, niets anders te vinden dan beeldfragmenten. De traditie van het uitgebreide schrijversportret is afgebroken. Doodjammer, want hier geldt vraag en aanbod niet, het gaat om ons culturele geheugen.»

HUMO Laat ik je tot slot een vraag stellen die Helena in ‘Godenslaap’ ook stelt: ‘Zou al wat we doen en laten ooit iets anders zijn dan gemoduleerde ontreddering?’ En nu jij weer.

Mortier «Voor mij zal de wereld altijd wel een bron van welbehagen en verbijstering zijn. Ook als schrijver zie ik de wereld niet doorlopend als een puur onherbergzame plek. Hoe bar en hard hij voor ons ook kan zijn.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234