Ex-oostfronter Jan Fossey slaat terug: 'Syriëstrijders zijn moordenaars, wij waren soldaten'

Enkele weken geleden, in Humo, vergeleek historicus Bruno De Wever Syriëstrijders met oostfronters. ‘Kleuters,’ noemde hij de jihadisten van IS. ‘Qua barbarij reiken ze zelfs niet tot de enkels van de oostfronters.’ Jan Fossey, één van de laatste nog levende oostfronters, was daar niet gelukkig mee. ‘Ikzelf heb een afkeer van fysiek geweld.’

'In het begin denk je: 'Die kerel aan de overkant heeft ook een vader en moeder.' Maar dat verdwijnt snel aan het front'

Voor ik zijn rijtjeshuis in Borgerhout kan betreden, duikt Jan Fossey naar de vloer. Met één flukse handbeweging raapt hij een reclamefolder op die uit de brievenbus is gevallen. Pas daarna nodigt hij me uit om binnen te komen. ‘Ik wil niet dat u uitglijdt,’ zegt hij zonder een spoor van spot.

91 wordt Fossey aan het eind van dit jaar, maar de pezige man met de priemende ogen verkeert in blakende vorm. Alleen zijn knoken zijn niks meer waard, vertelt hij. Elke ochtend komt een verpleegster hem thuis wassen en insmeren, maar zijn geest hoeft niet gemasseerd, die is nog altijd helder.

Jan Fossey «Mijn ouders waren allebei slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Mijn moeder, die onderwijzeres was, is gestraft omdat ze een groep jonge vrouwen had geleid die voor vrede en Vlaanderen streed: zeven jaar beroepsverbod heeft ze gekregen. Mijn vader is gestraft omdat hij had geijverd voor de verbetering van de arbeidsomstandigheden van Vlaamse burgergevangenen in Duitse werkkampen. Hij is aangehouden en voor het assisenhof veroordeeld tot tien jaar opsluiting. Een straf die later is teruggebracht naar zeven jaar.

»Na de oorlog organiseerde mijn moeder met andere vrouwen bezoeken aan gevangenen. Ook in Leuven-Centraal, waar mijn vader vastzat. Er werd wat gekout, de mannen aan de ene kant van de tafel, de vrouwen aan de andere kant. Tot mijn vader op een keer tegen mijn moeder zei: ‘Zeg, wanneer kom je eens voor mij alleen?’

»Ze hebben zich in Leuven-Centraal verloofd. (Zwijgt) Wat kan er dan later van de kinderen komen?»

HUMO U hebt het flaminganten-gen meegekregen?

Fossey «Ik heb van jongs af aan Guldensporen- en zangfeesten meegemaakt, ja. Maar vooral het pacifisme was belangrijk bij ons thuis: ‘Nooit meer oorlog.’ Op de kermis mocht ik van mijn ouders niet naar het schietkraam. En enkele jaren later ga ik als vrijwilliger naar het front. Hoe rijm je dat?

»Mijn vader kon in de Tweede Wereldoorlog, dankzij zijn contacten met dokter August Borms (Vlaams-nationalistische voorman en collaborateur, red.) en René Lagrou (eerste leider van de Algemene SS-Vlaanderen, red.), gaan werken op de commissie voor rechts- en eerherstel, een instantie die mensen vergoedde voor de schade die ze hadden geleden door hun betrekkingen met de Duitsers tijdens de Eerste Wereld-oorlog. Zo verzeil je in bepaalde kringen. Je gaat als jongetje mee naar de Malpertuus, het Vlaamse café tegenover de Antwerpse opera, je ziet daar de jongens van het Algemeen Vlaams-Nationaal Jeugdverbond (AVNJ) in uniform rondlopen. Je vraagt: ‘Mag ik daar ook naartoe?’ Dat mag. Het AVNJ wordt de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen, je uniform verschiet van kleur, van grijs naar groen, je wordt almaar meer Duitsgezind, en voor je het weet, maak je deel uit van de Hitlerjeugd Vlaanderen.

»In 1943 ben ik met de jeugdbeweging voor een maand naar een Wehrertüchtigungslager in Duitsland geweest: een kamp zogezegd om de weerbaarheid van de jeugd aan te scherpen. In werkelijkheid was het een premilitaire opleiding met Walen, Hollanders en Duitsers. De instructeurs waren SS’ers die door hun oorlogsverwondingen niet meer naar het front moesten. Het was zwaar: ik was een week lang ziek, het ging mijn krachten te boven.»

'De Duitsers hebben wandaden begaan, maar de anderen veel meer. Wie heeft de eerste atoombommen gegooid?'

HUMO Wat deden jullie op dat kamp?

Fossey «Veldspelen organiseren, zoals elke jeugdbeweging. Kaartlezen. Schieten met klein kaliber ook.»

HUMO Werden jullie klaargestoomd voor de oorlog?

Fossey «Ik heb me daar voorwaardelijk gemeld bij de Waffen-SS. Het ging slecht met de Duitsers, de Slag om Stalingrad was verloren. In die omstandigheden móésten wij gaan, vond ik. We waren er ook van overtuigd dat de Duitsers alsnog de oorlog zouden winnen met hun geheime wapens.»

HUMO Was u zich van de nationaalsocialistische ideologie bewust?

Fossey «Natuurlijk: ik was lid van de Dietsche Opvoedkundige Beweging, een onderdeel van De Nieuwe Orde, waar we leerden over rassenkunde. Nu heet dat: antropologie. Dat was vrij objectief, als ik daar vandaag op terugkijk. Het was een beschrijving van de vijf Europese rassen. En van de Joden.»

HUMO Wat zeiden ze over de Joden?

Fossey «Dat ze zeer bekwaam waren in financiële zaken (lacht).»

HUMO Geloofde u in Hitler?

Fossey «Voor de oorlog vertelde mijn moeder in haar lessen geschiedenis dat Benito Mussolini en Adolf Hitler hun land er opnieuw bovenop hadden geholpen na de Eerste Wereldoorlog. Dat was ook zo, zeker wat Hitler betreft.

»Het ultieme argument was een compagnie van zingende Duitse soldaten die kwamen voorbijgemarcheerd. Die soldaten, daar wilde ik er één van zijn. Zo zou ik man worden.

»Ik meldde me bij een invalide Vlaamse SS-officier op het kamp, maar die hield de boot af: ‘Wacht tot je wat struiser bent.’ Ik dacht: ‘Dan maak ik eerst de normaalschool af.’ Maar daar is niks van in huis gekomen: enkele maanden later, in december 1943, toen ik 18 was, heb ik me opnieuw gemeld. En ik ben opgeroepen in februari 1944.»

Ik ben niet misleid, ik wist goed genoeg wat ik deed. En ik wilde een man worden.

HUMO Wat vonden uw ouders daarvan?

Fossey «Mijn moeder, die pacifistisch was, betreurde het, maar ze zei: ‘Als je vindt dat het je plicht is, moet je het doen.’»

HUMO Hoe is het afscheid verlopen?

Fossey «In mineur, mijn vader was alleen; mijn moeder ging niet meer akkoord omdat ik mijn school had verwaarloosd. Mijn liefje was er ook bij, maar die had na mijn vertrek snel een andere vrijer.

»We werden verzameld in Schoten en zijn daarna verder gereisd naar Senheim in de Elzas, waar we in een voormalig krankzinnigengesticht werden ondergebracht – we zaten perfect op onze plaats (lacht).

»We werden grondig gekeurd. Ik was zo mager als een graat – 1 meter 73 groot, 60 kilo zwaar. ‘Können Sie den Dienst mitmachen?’ vroegen ze. Ik knikte van ja. Maar ze gaven ons de kwalificatie van voorwaardelijk inzetbare krachten. (Boos) We hadden ons gemeld om tegen de bolsjewieken te vechten, en we zaten daar maandenlang onder elkaar soldaatje te spelen.

»Uiteindelijk zijn we naar Breslau, het huidige Wroclaw, overgebracht. En van daaruit naar Tsjechië, waar we verder in gevechtseenheden werden opgeleid. Toen waren we klaar voor het front in Trampke, een flink eind over de Oder. In het begin was het erg rustig: de Russen waren al ver opgerukt, ze hadden tijd nodig om zich te hergroeperen, neem ik aan.

»Het waren Russen uit de Centraal-Aziatische republieken tegenover wie we lagen, enfin: spleetogen, die aan het einde van de oorlog ook geen zin meer hadden om te sneuvelen. Ze lieten ons geordend terugtrekken, van dorp naar dorp. Maar toen we de Oder naderden, moest het almaar sneller. Ik zie ons nog een heuvel afrennen, in volle vaart naar de stad, tot een onderofficier ons terug op onze posten riep: (buldert) ‘Ihr feigen Hunde, ihr geht hier bald in Stellung!’ – we moesten in stelling gaan liggen, boven op de heuvel. Ik heb toen wel geluk gehad: een kogel tegen mijn helm, waardoor ik een halfuur lang niks meer heb gehoord.»

HUMO Bent u bang geweest?

Fossey «Als je in de penarie zit, raast de adrenaline door je lichaam. Je bent nijdig, je wilt er levend uitkomen. De angst komt pas achteraf, als alles tot je doordringt.»


Vlaamse oostfrontstrijders anno 1942. 'Het ging slecht met de Duitsers, de Slag om Stalingrad was verloren. In die omstandigheden móésten wij gaan, vond ik.

Taai beestje

HUMO Hebben de Russen u krijgsgevangen gemaakt?

Fossey «In Stargard, waar we op het laatst zaten, hadden we bij een kruidenier een paar zakken suiker gevonden. Ik had zo’n grote honger dat ik er te veel van heb gegeten. Toen ik als laatste buitenkwam, zag ik in de verte mijn kameraden in een amfibiewagen wegrijden – op de vlucht voor de Russen, die elk moment konden aankomen. Toen heb ik alle vloeken uitgestoten die ik kende. Ik doolde in mijn eentje door de verlaten straten, tot ik plotseling een bestelwagen zag opduiken die de laatste achtergebleven burgers kwam oppikken. Ik sprong mee op die wagen, en ik raakte er nog uit – op het laatste nippertje.

»Na enige omzwervingen ben ik bij het Légion de Wallonie van Léon Degrelle beland. Ik heb er mijn eerste lekkere warme maaltijd in tijden gegeten. Het klikte direct met de Walen. Zij droegen een Belgisch schildje op hun uniform, wij een Vlaams leeuwtje, maar op slag waren we allemaal Belgen (lacht). Met het Légion de Wallonie ben ik de Oder overgestoken.

»Ook na de oorlog, in gevangenschap, was de verstandhouding met de Walen fantastisch. Er is een Belgisch liedje, kent u dat? ‘Flamands, Wallons, ça ne sont que des prénoms. Belge est notre nom de famille!’ Wij hebben dat veranderd. ‘Flamands, Wallons, ça ne sont que des prénoms. Incivique est notre nom de famille!’ Wij, incivieken, verstonden elkaar in de nor (lacht).

»Met de Division Langemarck (Vlaamse SS-eenheid, red.) zijn we een eind oostwaarts over de Oder getrokken, tot we weer moesten wijken. In Altdamm hebben we een artillerievoorbereiding van de Russen meegemaakt: ze schoten met alles wat ze hadden. Onwaarschijnlijk! In onze kruipgrachten spatte de modder hoog op, we zaten van kop tot teen te daveren. Toen het ophield, dachten we: ‘Nu komen ze.’ Maar ze kwamen níét, ze vielen níét aan. Die wilden niet meer vechten.

»Bij een zoektocht naar munitie ben ik toen aan mijn been geraakt, een schampschot. ‘Du hast Schwein gehabt,’ zei een verpleger. Dat klopt: ik heb duizend keer geluk gehad. Ik mocht in mijn eentje naar Szczecin pikkelen, waar ik werd verzorgd. In het lazaret Friedland viel ik ten prooi aan hoge koorts, het gevolg van paratyfus B. Verschrikkelijke diarree, alles stroomt uit je lijf, je voelt je zo slap als een schotelvod. Ik werd in quarantaine in Neubrandenburg geplaatst, tot we ook daar het front hoorden naderen. ‘Der Ivan kommt,’ zei de ziekenzuster. ‘Wie kan lopen, krijgt zijn papieren.’ Ik heb wat restte van mijn uniform aangetrokken, ik heb de zuster gevraagd mijn veters te strikken, en ik ben gaan lopen – naar Wismar. En dan het veld in. Tot de Amerikanen me krijgsgevangen hebben gemaakt.»

HUMO Hoe was het om de oorlog te verliezen?

Fossey «Verschrikkelijk: mijn wereld stortte in. Al die verloren jaren. De oudere leiders hadden het kunnen weten.»

HUMO Bent u misleid?

Fossey «Nee, ik wist goed genoeg wat ik deed. En ik zeg het: ik wilde een man worden. De meeste jongens, die het in de opleiding veel beter deden dan ik, liggen inmiddels onder de grond. Ik loop nog altijd rond. Ik moet wel een taai beestje zijn.»

HUMO Wás u op het einde van de oorlog een man?

Fossey «Vroeger was ik een jongetje bij wie de traantjes altijd klaarzaten. Dat was eruit. Ik was hard geworden.»

HUMO Hebt u mensen gedood?

Fossey «In het begin denk je: ‘Die kerel aan de overkant heeft ook een vader en een moeder.’ Maar aan het front verdwijnt die gedachte snel. Het is: jij of ik. Daar komen geen gevoelens meer bij kijken, zeker niet als je voortdurend terrein verliest.»

'Je wordt almaar meer Duitsgezind, en voor je het weet, maak je deel uit van de Hitlerjeugd Vlaanderen'


De man die werk vond

HUMO Hebt u lang gevangengezeten?

Fossey «Ik was een kleine garnaal: ik heb maar vijf jaar gekregen. Toen ik terugkeerde van mijn proces stond ik te dansen in het kamp in Hemiksem: ik moest de gevangenis niet in, ik mocht in het kamp blijven! (Wijst naar een portret aan de muur) Kijk, dat was ik toen, op mijn 21ste, geschilderd door een tekenleraar die ook in Hemiksem zat.»

HUMO Hoe kijkt u daar nu naar?

Fossey «Wat moet ik in hemelsnaam van mezelf vinden?»

HUMO Je zou niet zeggen dat die wakkere jongen net een wereldoorlog heeft meegemaakt

Fossey (schouderophalend) «Ik heb 39 maanden vastgezeten, daarna kon het leven herbeginnen.»

HUMO U bent niet rancuneus?

Fossey «Ik was tevreden met mijn straf. Op de dag van mijn proces heeft een SS-jongen tien jaar gekregen. Die moest wel de gevangenis in, een kerel die in de oorlog een been had verloren. Ik dacht: ‘Is hij misschien nog niet genoeg gestraft?’»

HUMO Was u uw burgerrechten lang kwijt?

Fossey «Die had ik, dankzij mijn advocaat, snel terug.»

HUMO Hebt u achteraf uw leven weer kunnen oppakken?

Fossey «Ik ben weer aan de slag geraakt via een annonce in De Standaard, waarin ik mezelf via een geijkte formule als ‘beproefde jongeman’ omschreef. Ik kreeg een administratief baantje bij een oorlogsburgemeester uit West-Vlaanderen, die handelde in meubelstoffen.

»We hielpen elkaar. Een jongen uit mijn compagnie werkte bij United Press, het grote Amerikaanse persagentschap. Ik ben niet dol op Amerikanen, maar als je solliciteert, stellen ze maar één vraag: ‘Kun je het?’ Ik kon vertalen. Dus ik ben daar begonnen voor 6.000 frank per maand, een mooi bedrag in die tijd.

»Later heeft een jaloerse collega mijn verleden naar buiten gebracht in De Rode Vaan: ‘Amerikaans persagentschap zit vol oorlogsmisdadigers’. Ik had intussen een getuigschrift bouwkundig tekenaar, ik ben zelf opgestapt. Ik ging eerst bij een architect werken, later in een bouwbedrijf van een zwarte. Dat waren de mooiste jaren van mijn professionele leven, samenwerken met de mensen op de werf.»

HUMO Hebt u, alles welbeschouwd, voor de juiste zaak gevochten?

Fossey «Duitsland blijft het hartland van Europa, nog altijd. Ze hebben verschrikkelijke dingen gedaan, dat geef ik toe. Over de Holocaust spreek ik me niet uit, maar honderdduizenden Joden deporteren was misdadig. Heel wat Duitse Joden voelden zich eerst Duitser en pas daarna Jood. Bovendien was het een braindrain: hoeveel bekwame Joden zijn er niet verdwenen? En: als je tegen de Joden optreedt, krijg je Amerika tegen. Dat weet je van tevoren.

»Tijdens de oorlog zagen we de Joden uit het stadspark verdwijnen, maar je duwt dat weg, je wilt dat niet weten. Mijn nicht had een Joodse vriend, een violist in het orkest van het stadsonderwijs. Ik heb me achteraf de bedenking gemaakt: als die voor onze deur had gestaan, op de vlucht voor deportatie, hadden we hem verstopt – zonder twijfel. Wij waren geen antisemieten.

»(Fel) De Duitsers hebben wandaden begaan, maar de geallieerden veel meer. Wie heeft de eerste atoombommen gegooid? Wie heeft tientallen Duitse steden platgebombardeerd? Wie heeft honderdduizenden vrouwen verkracht? Maar u weet hoe het gaat: de winnaar heeft gelijk.»


Mijn vader kon dankzij August Borms (foto) tijdens WO II gaan werken op de commissie voor rechts- en eerherstel. Zo verzeil je in bepaalde kringen.

Minderwaardig

HUMO Tegenwoordig worden de jonge Syriëstrijders geregeld vergeleken met oostfronters. Terecht?

Fossey «Die vergelijking gaat niet op. Wij zijn toegetreden tot een erkend en bestaand leger, onderworpen aan de Conventies van Den Haag.»

HUMO Het Duitse leger.

Fossey «Dat was strafbaar: als Belg mag je geen dienst nemen in een vreemd leger. Maar konden wij dat weten? Dat staat in het militair wetboek, en wij waren nooit soldaat geweest (lacht).»

HUMO Wat is het verschil dan?

Fossey «Die Syriëstrijders zijn geboren moordenaars. Geen soldaten. Soldaten doden om te overleven, dat is iets anders. Die maken geen weerloze mensen af.

»Ik kan u het verhaal vertellen van een zwaargewonde Sovjetofficier, die in het niemandsland lag te brullen van de pijn. De Russen hadden hem voor dood achtergelaten, maar leden van de Wiking (pantserdivisie SS, red.) hebben hem opgeraapt en laten oplappen in een Duits hospitaal. Wij waren geen moordenaars.»


Jan en Jeanne

HUMO Heel wat Syriëstrijders hebben ook aan het front gevochten.

Fossey «De meesten zijn ginds opgeleid om hier te moorden.»

HUMO Historicus Bruno De Wever noemt Syriëstrijders kleuters in vergelijking met de oostfronters.

Fossey «Zijn vader had het moeten horen, dat was ook een zwarte. (Zwijgt) Ik zal u zeggen wat ik denk: als Bruno De Wever aan onze kant was blijven staan, had hij nooit zo’n academische carrière gemaakt. Maar moet hij daarom op ons spuwen?»

HUMO Syriëstrijders zijn ook vertrokken uit idealisme.

Fossey «Wat is idealisme? Naar Syrië trekken niet veel ontwikkelde jongens, geloof me. Islamitische volkeren dragen een zekere wreedheid in zich, net als die uit Oost-Europa: kijk naar wat zich in de Balkan heeft voorgedaan. Ik heb een afkeer van alles wat naar fysiek geweld neigt.»

HUMO U bent gaan vechten omdat u een man wilde worden.

Fossey «Ook omdat het onze plicht was: het ging slecht. We móésten helpen. Plus, als je na de oorlog carrière wilde maken, moest je over front-ervaring beschikken.»

HUMO Dat zeggen moslims ook: de jihad is een heilige plicht.

Fossey «Woorden, woorden, woorden. Het zijn over het algemeen vrij minderwaardige kerels. Dat is het grote verschil: bij ons liep er af en toe een avonturier tussen.

»Nogmaals: wij traden toe tot een bestaand leger, terwijl de weerstand mensen opriep dingen te doen die bij wet verboden zijn. Daarom had je bij hen meer misdadige elementen dan bij ons.»

HUMO Syriëstrijders keren getraumatiseerd terug van het front, ze betekenen een gevaar voor de maatschappij. Waren jullie dat ook?

Fossey «Wij wilden alleen maar een nieuw leven opbouwen, potvermillekes toch. Enkelen zijn daar niet in geslaagd, maar die zouden anders ook ontspoord zijn. U weet wel, mannen die na een huwelijk hun vrouw slecht behandelen.»

HUMO Hebt u wraakgevoelens gekoesterd jegens de maatschappij?

Fossey «Je moet nuchter blijven nadenken. Kon je wraak nemen? Ik dacht het niet.»

HUMO Zijn de andere oostfronters in de loop der jaren een alternatieve familie geworden?

Fossey «Dat is geleidelijk gekomen, met de nicht van mijn vrouw. Haar man was een oud-SS’er. Met hem heb ik dagenlang gewandeld, het hele land doorkruist, tot Nederland en Noord-Frankrijk toe. Met hem ging ik ook naar de bals van de oostfronters.

»Mijn vrouw heb ik leren kennen in een danscafé, de Frascati in de Vestingstraat, waar iedereen naartoe ging als hij vrijkwam. Er stond geen jukebox, maar wel een platenspelertje waarop je kon dansen. Daar heb ik Jeanne voor het eerst ontmoet. Ik had samen met haar broer vastgezeten, ook een SS’er. Ik heb drie jaar met Jeanne verkeerd en we zijn zestig jaar getrouwd geweest: vijf kinderen, elf kleinkinderen, zeven achterkleinkinderen. En we hadden een eigen huis. Dáár hebben we naar uitgekeken, niet naar wraakoefeningen.»

HUMO Hebt u altijd Volksunie gestemd?

Fossey «Ja, maar later is dat Vlaams Belang geworden.»

HUMO En nu de N-VA?

Fossey «Nee. Ik ben niet zo’n partijhopper.»

HUMO De discussie onder flaminganten bij de N-VA, raakt u dat?

Fossey «Het is prachtig dat een Vlaams-nationale partij zo machtig is geworden. Maar die discussie kan hun een aanzienlijk stuk van hun macht ontnemen. Vergeet niet: de N-VA heeft een grote aanhang van het Vlaams Belang naar zich toe getrokken. Die mensen zouden door de bevriezing van de communautaire kwestie weleens kunnen teruggaan.»

HUMO Droomt u nog van een onafhankelijk Vlaanderen?

Fossey «Een onafhankelijk Vlaanderen dat zo dicht mogelijk bij Nederland aanleunt. Sta me toe voor één keer een socialist te citeren, de burgemeester van Leuven, Louis Tobback. Tobback, een orangist, heeft ooit verklaard: ‘1830 was een ramp.’ Wel, ik ben het daar volkomen mee eens.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234