Exclusieve voorpublicatie: Deze man doodde Osama Bin Laden: 'Ik joeg voor de zekerheid nog een kogel door z'n hoofd'

Robert O’Neill is de enige mens in de geschiedenis die bevestigend kan antwoorden op de vraag ‘Hebt u Osama bin Laden neergeschoten?’. In deze voorpublicatie springen we aan boord van de helikopter die hem in de nacht van 2 mei 2011 naar de schuilplaats van de meest gezochte terrorist ter wereld vliegt.

'Ik richtte net boven de schouder van de vrouw en haalde twee keer de trekker over. Bin Ladens hoofd spleet open en hij zakte in elkaar'

Nu we wisten dat we ons in Pakistan bevonden, beseften we ook dat we elk moment neergeschoten konden worden. Er schoten allerlei dingen door ons hoofd: hoe zou het voelen als de helikopter waarin je zit wordt opgeblazen? Ben je dan op slag dood of stort het toestel eerst neer en komt er dan iets op je terecht waardoor je hoofd wordt afgehakt? Je bent alleen maar met dit soort vreemde, warrige gedachten bezig. Ik probeerde ergens anders aan te denken door om me heen te kijken en alles te observeren. We zaten op een soort kampeerstoeltjes, van het type dat je kunt opvouwen tot een klein statief en dat bij Walgreens waarschijnlijk voor 9,99 dollar te koop is. Ik zat met mijn gezicht in de vliegrichting. Cairo, de hond, en Cheese, zijn geleider, zaten pal links van me. Cairo maakte een volmaakt ontspannen indruk, als een gezinshond die op weg naar een kampeerpartijtje op de voorbank van een pick-up zit. Jammer dat hij zijn kop niet uit het raampje kon steken. Sommige jongens sliepen, en dat maakte nogal wat indruk op me. Ik zou nu onder geen enkele omstandigheid kunnen slapen. We moesten op weg naar de compound nog anderhalf uur vliegen.

Om te voorkomen dat mijn gedachten zouden afdwalen naar een plek waar ik helemaal niet wilde zijn, begon ik te tellen. Dat had ik als scherpschutter geleerd. Tellen houd je kalm en zorgt ervoor dat je hersenen bezig blijven, maar dan wel op een passieve manier. Ik telde van nul tot duizend en vervolgens van duizend tot nul, van nul weer tot duizend en daarna nog een keertje van duizend tot nul. Ik moet dat tientallen keren hebben gedaan voor we ongeveer tachtig minuten na het opstijgen een scherpe bocht naar het zuiden maakten. We waren aan het aanvliegen van het doelwit begonnen, en terwijl ik aan het tellen was, herhaalde ik tussen twee willekeurige getallen in: ‘De vrijheid zelf werd vanochtend aangevallen door een anonieme lafaard, en de vrijheid zal dan ook verdedigd worden.’ Dat was de eerste regel van de toespraak die president George W. Bush op de ochtend van 9/11 tot het Amerikaanse volk richtte. Ik heb geen idee waar het vandaan kwam, of hoe het kwam dat ik me die tekst nog letterlijk herinnerde, maar het begon vanzelf en ik bleef het maar herhalen. Boven het kloppende geluid van de rotorbladen uit kon ik de stem van president Bush bijna horen, en ik dacht: allemachtig, nu gaat het gebeuren. Ik doe aan deze missie mee en we gaan die klootzak over de kling jagen.

We maakten nog een flauwe bocht naar rechts, waarna de deur van de helikopter openging. We hadden nog twee minuten te gaan en keken naar een stad – een stad die geen flauw idee had dat we eraan kwamen. We vlogen laag over een golfbaan en het leek wel of we die zo konden aanraken, terwijl ik dacht: wat vreemd. In Afghanistan waren er in ieder geval geen golfbanen. Maar die aanblik maakte wel het een en ander duidelijk – we vielen een land binnen waar golfbanen waren. Dit was geen oefening. De compound kwam in zicht en zag er nagenoeg hetzelfde uit als het bouwsel waarmee we hadden geoefend. Het was in duisternis gehuld, alsof de stroom was uitgevallen, en ik had heel even het idee dat dat misschien wel door onze jongens van de CIA was geregeld.


Harde landing

De twee helikopters gingen uit elkaar. Dash 1 zette koers naar het punt tussen de twee huizen waar het aanvalsteam van twee kanten uit het toestel zou fast-ropen. Dat hield in dat ze langs dikke, gevlochten kabels die stevig aan de binnenkant van de heli bevestigd waren snel naar beneden zouden glijden. We droegen geen veiligheidsharnas, we grepen met onze handschoenen de kabel beet en lieten ons simpelweg naar beneden glijden. De zwaardere jongens sloegen soms ook hun onderbenen en voeten rond de kabel. Het is niet ongevaarlijk, maar op deze manier kunnen meerdere mensen snel na elkaar een heli verlaten. Terwijl we daarmee bezig waren, zouden scherpschutters vanuit beide kanten van het toestel hun wapen schuin naar beneden gericht houden met het oog op eventuele vijandelijke weerstand.

'De piloot van de heli liet de staart op de zuidwestelijke muur rusten en de neus behoedzaam op de grond zakken. Als hij niet één van de beste piloten ter wereld was geweest, zou het op een catastrofe zijn uitgedraaid.'

We vlogen naar de afgesproken positie aan de noordkant van de compound om daar de jongens af te zetten die voor de externe beveiliging zouden zorgen. De scherpschutters, Cheese, Cairo en de tolk sprongen uit het toestel, waarna we onmiddellijk weer hoogte wonnen en in de richting van het dak van het hoofdgebouw vlogen. Maar vrijwel direct daarna maakten we een harde landing. Onze piloot had gezien hoe Dash 1 had geprobeerd om boven de binnenplaats binnen de muren stil in de lucht te hangen maar daar niet goed in was geslaagd. De betonnen muren rond de compound creëerden een soort van komeffect, dat net voldoende invloed op de aerodynamische eigenschappen van de heli had om de opwaartse kracht van de rotorbladen negatief te beïnvloeden. De piloot van Dash 1 draaide de neus van de heli vakkundig naar rechts, liet de staart van het toestel op de bovenkant van de zuidwestelijke muur rusten en liet de neus behoedzaam op de grond zakken; een zogenaamde gecontroleerde crashlanding. Als hij niet één van de beste helikopterpiloten ter wereld was geweest, dan had hij geprobeerd om extra vermogen te geven, iets wat hoogstwaarschijnlijk op een catastrofe zou zijn uitgedraaid. Dan zou de heli op zijn kant zijn gerold en zou niemand aan boord het overleefd hebben.

Wij hadden van dat alles niets gezien. We hadden alleen via de radio de melding ‘Dash 1 going down’ gehoord, maar we dachten toen dat de piloot ‘Dash 1 going around’ had gezegd, waardoor wij dachten dat hij door grondvuur was getroffen en nu een zogenaamde race track deed – een rondje draaien en dan opnieuw aanvliegen. Het enige wat we zeker wisten, was dat we terug aan de grond waren, wat inhield dat we het perfecte plan konden vergeten en dat we onze actie vanaf hier zouden moeten ondernemen. Ook dit hadden we allemaal geoefend. We kenden de compound even goed als onze eigen voortuin. In de buurt van de noordoostelijke hoek, recht voor ons, bevond zich een poort. Die zouden we met explosieven openen en dan zouden we naar binnen gaan. Tot aan die poort was het maar een paar stappen. Binnen enkele seconden nadat we uit de heli waren gesprongen, had de breacher al een twee meter lange springlading op het midden van de deur aangebracht en werd die opengeblazen. De stalen poort spleet open alsof ze van blik was. Erachter bevond zich een massieve muur van baksteen. De breacher meldde: ‘Mislukte bres. Dit is waardeloos.’ ‘Nee, dit is goed,’ zei ik. ‘Dat is een nepdeur. Dat betekent dat we bij het goede adres zijn.’


Sproeien en bidden

Toen we naar binnen gingen, keek ik naar links. We liepen door de carport en plotseling drong het allemaal tot me door: allemachtig, we zijn er, dat is het huis van Bin Laden. Wat cool. We overleven het waarschijnlijk niet, maar we schrijven geschiedenis en ik zuig dit helemaal in me op. Ik hoorde geweervuur; het onmiskenbare geluid van een automatische AK-47 en het door een geluiddemper sterk afgezwakte vuur uit een semiautomatische 5,56mm van onze mensen. Sommige schoten klonken dichterbij dan andere, maar verscheidene van mijn jongens hadden nu ook het vuur geopend.

Ik kwam een hoek om en zag één van onze jongens die zo te zien net een vuurgevecht achter de rug had, hoewel de schotenwisseling net twee seconden had geduurd. Hij loste enkele schoten door een raam, waarna binnen een man en een vrouw neergingen. Hij bleef naar ze kijken terwijl hij het vertrek zo goed en zo kwaad als het ging van buiten probeerde veilig te stellen. Ik zag het tweetal dood naast elkaar liggen. Hij keek zorgelijk. ‘Ik heb zojuist ook één van de vrouwen doodgeschoten,’ zei hij. ‘Net toen ik het vuur opende, sprong ze voor hem. Krijg ik nu problemen?’ ‘Laten we ons daar voorlopig maar geen zorgen over maken,’ antwoordde ik. ‘Eerst deze missie maar eens afmaken.’ Oké, dacht ik. Nu offeren de vrouwen zich ook al op. Dit móét het juiste adres zijn. Ik vond niet dat de dode man op Bin Laden leek, maar ik kon hier niet blijven hangen. Het hele huis moest nog worden veiliggesteld. Via de voordeur gingen we het hoofdgebouw binnen. Een paar van mijn jongens liepen voor ons uit en beenden door de gang, ondertussen de aangrenzende vertrekken veiligstellend. Enkele jongens bleven achter om de twee lichamen nader te onderzoeken. Dat was een standaardprocedure en we waren er allemaal uiterst deskundig in.

De begane grond bestond uit een lange gang met aan weerszijden vertrekken, en met helemaal aan het einde een gebarricadeerde deur. Op een plek als deze stel je eerst in de juiste volgorde de kamers veilig en probeer je zo kort mogelijk op de gang te zijn. Slechteriken hebben de neiging om juist in gangen ‘te sproeien en te bidden’. Hoewel zelfs Allah niet altijd aanwezig is om hun kogels naar het doelwit te leiden, schieten ze af en toe toch raak. Overal om ons heen hoorden we vrouwen krijsen en kinderen huilen – later hoorden we dat behalve Osama bin Laden ook drie van zijn vier vrouwen in de compound woonden en ook nog eens zeventien kinderen – maar deze bevolkingsdichtheid verschilde nauwelijks met die van onze andere doelwitten. Er waren vier vertrekken. Ik ging het laatste binnen, helemaal rechtsachter in de gang. Daar bevond zich een klein meisje, zo te zien doodsbang en alleen. Maar zelfs onder deze gespannen omstandigheden konden we niet doen alsof ze er niet was. Eén van de jongens nam haar bij de hand en bracht haar naar een andere kamer aan de overkant van de gang waar al een hoop vrouwen en kinderen bijeen waren gebracht, en droeg haar over aan één van de vrouwen. We waren in gevecht en op zoek naar de meest gezochte man ter wereld, terwijl deze man ervoor zou zorgen dat het jonge meisje in een onder de gegeven omstandigheden zo veilig mogelijke omgeving werd opgevangen. Hij kwam terug naar het vertrek waar ik was en samen keken we naar het einde van de gang, waar twee van onze jongens probeerden de gebarricadeerde deur te forceren. Nadat dat met een voorhamer niet wilde lukken, brachten ze er een springlading op aan. De deur gaf kennelijk toegang tot de trap naar boven, dus moesten we in de kamer blijven en wachten tot ze de deur open gekregen hadden. Ondertussen hadden we wel alle plafonds bekeken, op zoek naar eventueel opgehangen explosieven – want zo wilden de slechteriken hun boobytraps nog wel eens monteren, met de bedoeling het hele huis op te blazen. Het verbaasde ons eigenlijk dat we ze nog niet hadden gezien. Tot nu toe dan.

'Daar stond Osama bin Laden, langer en magerder dan ik had verwacht. Maar het was wel degelijk de man wiens gezicht ik wel tienduizenden keren op foto's had gezien'

De breachers lieten de lading c-5 op de deur die naar het trappenhuis leidde exploderen en die spleet open. Toen we naar boven gingen, had ik vier of vijf man voor me. De vrouwelijke inlichtingenanalist had ons op het hart gedrukt dat als we de trap opgingen, we rekening moesten houden met Khalid bin Laden, de 23-jarige zoon van Osama, die gewapend als laatste verdedigingslinie voor zijn vader zou fungeren. ‘Als je Khalid ziet,’ had ze ons verteld, ‘weet je dat Osama op de verdieping erboven zit.’ Het was pikdonker in het trappenhuis, dus als Khalid of wie er ook mocht zitten niet over nachtzichtapparatuur beschikte, kon hij ons wel horen aankomen maar kon hij ons niet zien. Maar wij konden hén wel zien. Terwijl we naar de eerste verdieping liepen, dook er vlak boven ons, op de overloop halverwege de trap, een gestalte op. We zagen hem slechts een enkel ogenblik, want hij dook ogenblikkelijk weg achter een balustrade. Hij was bewapend met een AK-47. Onze voorste man bleef plotseling staan en richtte zijn wapen. Ik had op dat moment de paar jongens voor me natuurlijk vast moeten pakken en ze de trap af moeten trekken, zodat de voorste man de situatie kon afhandelen vóór iemand eventueel een handgranaat onze kant uit zou gooien. Bij deze aanpak liepen we het risico om met z’n allen in één keer uitgeschakeld te worden. Maar dit was zo’n ontzagwekkend moment dat ik onmogelijk aan mijn tactische instincten kon gehoorzamen. Hier stonden twee volwassen mannen tegenover elkaar die probeerden om elkaar te doden, zo’n dertig centimeter van elkaar verwijderd en slechts gescheiden door een dikke balustrade. In dat gespannen moment zou je bijna vergeten dat wíj wel konden zien en hij niet. Maar onze voorste man ging magnifiek doordacht te werk: Khalid wist dat iemand vlakbij hem was, maar hij wist niet zeker of het om Amerikanen ging. Met een fluisterstem sprak onze voorste man een zinnetje uit dat hij voor deze missie speciaal uit het hoofd had geleerd. Hij deed dat twee keer, in de twee talen die Bin Ladens zoon beheerste, het Arabisch en het Urdu. ‘Khalid, kom eens hier.’ Khalid, die bij het horen van zijn naam enigszins in verwarring raakte, stak zijn hoofd om de balustrade en zei: ‘Wat is er?’ Dat waren de laatste woorden die ooit nog over zijn lippen zouden komen. De voorste man schoot hem in het gezicht. De kogel ging vlak boven zijn kin naar binnen en kwam er aan de achterkant van zijn hoofd weer uit. Khalid zakte ter plekke in elkaar. Het bloed vormde een plas rond zijn hoofd en doordrenkte zijn witte bloes.


Osama bin Laden

Het groepje mannen hervatte zijn tocht naar de eerste verdieping, met mij helemaal achteraan. Op weg naar boven moest iedereen over het lijk van Khalid heen stappen, waarna op de voorste man na iedereen onmiddellijk begon met het veiligstellen van de kamers die zich links en rechts op de eerste verdieping bevonden. De voorste man hield zijn geweer gericht op de bovenkant van de trap naar de tweede verdieping, die zich recht voor hem bevond en waarvan het halletje bovenaan was afgesloten met een gordijn. Op een gegeven moment, nog voor ik bij hem was, vuurde hij op een lange gestalte achter het gordijn, maar het resultaat van dat schot was niet te zien. Ik bewoog me naar hem toe en legde mijn hand op zijn schouder. We waren maar met ons tweeën. Nu ging het gebeuren. De voorste man tuurde langs de loop van zijn geweer en bleef het gordijn onder schot houden. Mijn hand rustte op zijn schouder. Ik kon hem tegenhouden of ik kon hem met een lichte handbeweging laten weten dat hij verder moest. Op dat moment waren we met veel te weinig mensen. Degenen die zich op de tweede verdieping bevonden, wisten nu dat we eraan kwamen en het was niet ondenkbaar dat er op dat moment bomvesten werden aangetrokken – zoals zoveel mindere Al Qaeda-leiders in het verleden ook al hadden gedaan – en dat de aanwezigen zich barricadeerden om zich gewapenderhand te verdedigen. Onze tactiek schreef voor dat we moesten wachten tot er meer jongens naar boven waren gekomen, of dat we naar beneden moesten om Cairo te halen, die dan voor ons uit moest lopen. Maar daar hadden we geen tijd voor. De lieden die op de tweede verdieping zaten, waren ongetwijfeld van plan om zich te verzetten en we moesten er dan ook zo snel mogelijk op af. De voorste man besefte dat ook, en zei iets in de wetenschap dat er maar één van zijn mensen achter hem stond, zonder te weten wie dat was. ‘Hé, we moeten door, we moeten door.’ Ik wist wat hij dacht, want het was precies hetzelfde als ik dacht: oké, en nu worden we door die zelfmoordterrorist te grazen genomen. Maar toen vloog me een gedachte aan die zo helder was dat het leek alsof er in mijn hoofd een stem klonk: ik ben het zat om hierover in angst te zitten, het moet nou maar eens afgelopen zijn. Eropaf! Het had niets met moed te maken, eerder met vermoeidheid of ongeduld – ik ben het zat om te wachten tot het gebeurt.

'Robert O'Neill: 'In de helikopter op weg naar de schuilplaats van Bin Laden begon ik te tellen. Tellen houdt je kalm. Dat had ik als scherpschutter geleerd'

Ik kneep zachtjes in zijn schouder. We gingen snel de trap op in de richting van het gordijn, dat door hem snel opzij werd geduwd. We troffen er twee vrouwen aan die het op een krijsen zetten. De voorste man sprong op het tweetal af in de veronderstelling dat ze een bomgordel droegen, werkte de vrouwen tegen de grond en belandde boven op hen. Als ze zich nu opbliezen, zou zijn lichaam het grootste deel van de explosie opvangen en zou ik een wat grotere kans hebben het te overleven en datgene te doen waarvoor we gekomen waren. Ik draaide naar rechts en keek via een openstaande deur in een aangrenzend vertrek. Daar stond Osama bin Laden, vlakbij de deur en naast het voeteneind van het bed, langer en magerder dan ik had verwacht, terwijl ook zijn baard korter en zijn haar een stuk grijzer was. Maar het was wel degelijk de man wiens gezicht ik tienduizenden, misschien wel honderdduizenden keren op foto’s had gezien. Vlak voor hem stond een vrouw, hij had zijn handen op haar schouders gelegd. In een fractie van een seconde richtte ik mijn wapen iets boven de rechterschouder van de vrouw en haalde snel achter elkaar twee keer de trekker over. Bin Ladens hoofd spleet open en hij zakte in elkaar. Ik joeg voor de zekerheid nog een kogel door zijn hoofd.

De vrouw, van wie later bleek dat ze Amal was, de jongste van Bin Ladens vijf vrouwen, viel half over me heen. Ik droeg haar naar het bed. Ze bloedde uit haar kuit. Ze had onze voorste man naar boven zien komen en zijn wapen op haar echtgenoot zien richten, waarna ze razendsnel voor haar man was gesprongen, precies op het moment dat onze eerste man de trekker overhaalde. Ze leek geen ernstige verwondingen te hebben opgelopen, maar ze wekte de indruk haast catatonisch te zijn. Ik geloof niet dat we haar geboeid hebben. Toen pas zag ik een klein jongetje, Bin Ladens jongste zoon, een twee jaar oude kleuter die op dikke korte beentjes in een hoek van het vertrek waggelde. Hij had alles zien gebeuren, maar het was zo donker en hij was nog zo jong dat hij geen flauw idee had van wat er allemaal gebeurde, behalve dat het weinig goeds te betekenen had. Hij huilde. Ik dacht: dit arme kind heeft hier niets mee te maken. Maar hij was wel midden in een ongelooflijke klotesituatie verzeild, de arme drommel. Ik pakte hem op en zette hem op het bed bij de vrouw.


Een goudmijn

Nu kwamen ook de andere SEALs het vertrek binnen. Daar stond ik, min of meer verlamd, terwijl ik toekeek hoe mijn mannen het werk deden dat ik hen al honderden keren had zien doen. Een van de jongens kwam naar me toe en vroeg: ‘Alles in orde met je?’ Was alles wel in orde met mij? Ik voelde me volkomen leeg. ‘Ja,’ zei ik. ‘Wat gaan we nu doen?’ Hij zei lachend: ‘We gaan nu op zoek naar de computers.’ ‘Ja,’ zei ik, ‘je hebt gelijk. Hè, ik kom weer een beetje bij zinnen. Jézus.’ ‘Dat mag je wel zeggen. Je hebt zojuist Osama bin Laden om zeep geholpen.’

We gingen naar beneden en vonden daar iets wat nog het meest op een haastig geïmproviseerd kantoor leek dat uit drie verschillende vertrekken met computers bestond. Op dat moment deden onze jongens wat ze al veel vaker hadden gedaan: ze pakten de behuizingen op en zetten die weinig zachtzinnig op hun kop. Als bij toverslag sprong de hardware open en kwam de harde schijf tevoorschijn. Alles wat er ook maar enigszins belangrijk uitzag, stopten we in grote fijnmazige tassen, terwijl ondertussen alles werd gefilmd. Ik bukte me om onder een bed te kijken en zag daar enkele grote plunjezakken liggen. Ik trok ze onder het bed vandaan en maakte ze open. Ze zaten vol met iets wat nog het meest leek op gevriesdroogde en vacuüm verpakte ribeyesteaks. ‘Wauw,’ zei ik. ‘Ze hadden het nog een hele tijd kunnen uithouden; moet je eens kijken wat een eten.’ We vonden nog een stuk of wat van die zakken, allemaal gevuld met gevriesdroogd vlees. Maar toen zei iemand: ‘Wacht eens even, dat is geen vlees, dat is opium.’ Alles bij elkaar vonden we honderden kilo’s van dat spul, dat op diverse plekken in het huis was verstopt. We hadden zojuist niet alleen een einde gemaakt aan het leven van Osama bin Laden, we waren blijkbaar ook op de centrale bank van Al Qaeda gestoten, terwijl we ook qua informatie een goudmijn hadden blootgelegd.

'Vlak voor hem stond een vrouw, hij had zijn handen op haar schouders gelegd. Later bleek dat ze Amal was, de jongste van Bin Ladens vijf vrouwen.'

We gingen haastig verder met ons werk en probeerden zo veel mogelijk infomateriaal in de zakken te stoppen, die we vervolgens aan de daartoe aangewezen jongens gaven, die voor het verdere transport zouden zorgen. Op dat moment hadden we de limiet van dertig minuten die we nodig dachten te hebben om hier neer te strijken en weer te vertrekken zonder daarbij in conflict te komen met de Pakistaanse strijdkrachten, al met een aantal minuten overschreden. Bin Ladens hoofd was een puinhoop: het was boven zijn wenkbrauwen in tweeën gespleten, als een meloen die van een paar meter hoogte op een stenen vloer was gevallen. Ik bukte me en drukte de twee helften tegen elkaar in een poging om het gelaat in een enigszins herkenbare vorm terug te brengen, terwijl onze man met de camera een groot aantal foto’s maakte. Die waren bestemd voor de commandant van de grondstrijdkrachten, die ze op zijn beurt, hoopten we, naar het commandocentrum in Jalalabad zou doorsturen. Maar het meest urgente was wel dat we hem lieten weten dat Bin Laden dood was. We ritsten de lijkzak dicht en met z’n vieren droegen we de overleden leider van Al Qaeda de trap af en naar de voordeur, waar we bij de carport rechtsaf sloegen.

'We hadden zojuist niet alleen een einde gemaakt aan het leven van Osama bin Laden, we waren blijkbaar ook op de centrale bank van Al Qaeda gestoten'

Daar stond Jonny de sniper. ‘We hebben hier je mannetje,’ zei ik. Jonny keek me een minuut lang alleen maar aan. ‘Je neemt me in de maling.’ ‘Nee,’ zei ik. ‘Laten we naar huis gaan, man.’ Ik holde terug het huis in. Het hoefde uiteraard niet gezegd te worden, maar ik zei het toch maar: ‘We moeten hier weg. Vergeet de vrouwen en kinderen, vergeet het ondervragen verder maar, we vertrekken.’ Haastig verlieten we het huis. Een explosievenspecialist en één van de breachers werden naar de verkeerd neergekomen heli gestuurd om er springladingen met een vertragingsmechanisme op aan te brengen, want dat uiterst geheime toestel moest uiteraard opgeblazen worden. De piloot protesteerde, want hij dacht dat hij er nog wel mee kon opstijgen, maar we namen geen enkel risico.

We riepen de Chinook-helikopters op. Dash 2, de helikopter waarmee ik bij de compound was gearriveerd, was vanaf een vooruitgeschoven basis in de bergen waar hij had staan wachten al op weg om het team van de gecrashte helikopter en de lijkzak op te pikken. Het toestel had vertraging – een kleine twintig minuten – omdat het nieuwe brandstof moest krijgen, maar ik neem aan dat de legertop wilde dat het ‘bewijs van zijn overlijden’ met één van de speciale toestellen zou worden vervoerd. Op dat moment keek ik naar één van de naburige huizen en zag ik daar een knaap staan die iets op zijn mobieltje intikte. Later bleek dat de vent te zijn die wereldberoemd zou worden omdat hij de operatie live had getweet, en ervan uit was gegaan dat het om een Pakistaanse militaire actie ging. De helikopter maakte een rondje en kwam terug, waarna we aan boord gingen. Ik zat naast een andere SEAL, die de vraag stelde die iedere SEAL aan een andere SEAL stelt nadat bekend is geworden wat er is gebeurd. ‘Wie heeft hem te grazen genomen?’ Toen pas drong het goed tot me door. ‘Ik,’ antwoordde ik. Hij richtte zich enigszins op en zei: ‘Nu weet je hoe het voelt om een held te zijn.’

Robert O’Neill, ‘Operator. Het eigen verhaal van de man die Osama bin Laden doodde’, Xander Uitgevers

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234