Exclusieve voorpublicatie 'Roekeloos': de autobiografie van Chrissie Hynde

Chrissie Hynde, frontvrouw van The Pretenders en voor eeuwig een rockicoon, heeft gewacht met de publicatie van de autobiografie ‘Roekeloos’ tot haar beide ouders overleden waren, en met reden: de passages over haar tijd in geboortestad Akron, Ohio, schetsen geen vrolijk beeld van haar vormende jaren.

'Waarom iemand voor de lol bondagespullen aantrekt, is mij altijd een raadsel geweest. Daarom noemen ze die lui pervers, denk ik'

Met Iggy in bed: ‘Pak mijn pik vast!’

Ik bevond me in een hotelkamer, dat wist ik zeker, want ik zag de plattegrond met de noodroute op de kamerdeur hangen. Ik had een T-shirt en een onderbroek aan. Oké, dat was een goed teken. Er was niks gebeurd, in elk geval niet in dit bed.

Maar wie was die bloterik naast me? Wacht even – die stem kende ik!

Ik draaide me om en zag zijn blonde haren verspreid over het kussen. Een mannelijke geur rees op vanonder het laken. Ik keek in zijn ogen, een zee van groen waaruit een bloeddoorlopen zon opkwam.

Het was Iggy Pop.

Nooit eerder was ik zo blij verrast in deze onbetamelijke, maar niet echt ongebruikelijke situatie. Dat meen je toch niet? Ik had de mannenjackpot gewonnen! Ik was mijn hele bandleven al verliefd op dit superlekkere stuk, en eigenlijk al langer. Nu lag ik onweerlegbaar in bed met Iggy Pop.

'Ik had de mannenjackpot gewonnen! Ik lag onweerlegbaar in bed met Iggy Pop'

De pik in kwestie is zo goed gedocumenteerd dat ik het niet nodig vind er verder op in te gaan. Als je dit leest, heb je je er waarschijnlijk al diverse malen aan vergaapt in het muziekprogramma ‘The White Room’; misschien heb je hem zelfs in het echt gezien, net als duizenden anderen. Iedere rockfan ter wereld kent het apparaat ongeveer even goed als ik. Hij heeft hem op het podium vaker tevoorschijn gehaald dan Jim Morrison ‘Jij bent de volgende, schatje’ kon zeggen.


Muziekjournalist: het onderbuikgevoel

Ik was geen dichter. Ik was geen schrijver. Mijn enige kwalificatie, als ik die al nodig had, was dat ik net zo gefrustreerd was als de rest, een gefrustreerde muzikant (hét cliché van de muziekjournalistiek), eigenwijs, brak, illegaal aan het werk, verstoken van ambitie en als ik niet het juiste woord kon vinden in mijn ondermaatse vocabulaire, verzon ik er wel een.

Ik ging voor de NME schrijven.

Ik kreeg £30 voor mijn eerste artikel en bedacht dat ik het daarmee wel kon uitzingen tot ik een ander baantje vond, want ik twijfelde er geen seconde aan dat ik meteen de laan uit zou vliegen na alle haatmail die volgde op mijn eerste recensie. Woedende Neil Diamond-fans wilden me afmaken. De schele gescheiden vrouwen bij Stouffer’s (Amerikaanse voedingsketen, red.) die me hadden uitgelachen om mijn Bowie-plakboek waren fans van Diamond en ik had een appeltje met ze te schillen. Zo, dat zou ze leren. Het was misschien kinderachtig van me, maar dit terugpakken van mensen was best lekker. En zo deden Engelsen het. Waar Amerikaanse journalisten heel attent de menselijke kant van een verhaal belichtten, mikten Engelsen recht op de onderbuik. Precies in mijn straatje.

Hoe smalender mijn toon en hoe slechter mijn recensies, hoe blijer ze bij de NME met me waren. Slechte publiciteit is wat ze wilden. De postkamer liep nu over van de haatmail en dat vonden ze prachtig. Ze wilden het slecht, dus ze konden het krijgen.

Het enige wat ik had waren meningen, maar mijn werkgevers wilden me veranderen in de sterattractie van de bende bloedhonden die de Britse muziekpers heette. Het leven was nu een eindeloze aaneenschakeling van albumpresentaties; aan het begin van de middag, met schalen gerookte zalm (nee bedankt!), sarnies en heel veel drank. De NME-medewerkers stortten zich als aasgieren op de tafel met glazen, lieten zich vollopen en strompelden dan terug door Long Acre om een beledigend portret te schetsen van de artiest wiens presentatie ze bezocht hadden.

Ik was per ongeluk naam gaan maken, terwijl ik al die tijd juist naar de achtergrond wilde. Ik was vergeten dat ik in een band wilde spelen. Ik wilde niet bekend zijn om iets waarvan ik wist dat ik er niet goed in was.


Nancy Spungen

Ik wil niet meteen zeggen dat Nancy een drugskoerier was, maar ze kon een eind rubberslang, een lepel, een zippo en een doos vochtige doekjes kwijt in haar gleuf en dan had ze nog ruimte voor een bus haarspray en een doosje chocolaatjes.


Sid & Nancy

Ik vond het rot voor Sid dat hij zo in de problemen zat. Het enige goede aan het verhaal was dat het voorbij was. Nou ja, het deel van Sid en Nancy dan.

Normaal gesproken zou er in zo’n situatie een roerende reactie van familie en vrienden komen, zo van: ‘Sid? Die zou zoiets nóóit doen, niet bij zijn grote liefde!’ Maar in dit geval trok een voelbaar schouderophalen door de Londense punkscene. Niemand die de twee kende, keek er echt van op dat Sid een mes in bewijsstuk ‘N’ had gestoken. We waren alleen verbaasd dat hij het nog zo lang had volgehouden als de helft van Sid & Nancy.


Stappen met John en Tim

Na een Pretenders-show in LA gingen de jongens de hort op met John McEnroe terwijl ik bleef hangen met John Belushi, de geliefde komiek die me backstage kwam vertellen dat zijn moeder (net als Hynde zelf, red.) uit Akron kwam.

Ik zei dat ik moeilijk kon omgaan met alle aandacht en hij probeerde me te overtuigen dat de pers geen foto’s zou plaatsen als ik er met een zonnebril op stond. Dat leek me een beetje vergezocht, aangezien ik altijd alleen maar foto’s van hem zag met een zonnebril op. Hij vroeg of ik zin had een avondje met hem te gaan stappen, dus we kropen samen in een witte limousine en vertrokken.

Onze eerste halte was één of andere bar aan de Sunset Strip, waar hij me voorstelde aan Jack Nicholson, die heel aardig was, precies zoals je je Jack Nicholson voorstelde. Het was er heel rustig, geen waanzinnig feest, dus we namen een paar drankjes en ik voelde me ontspannen. De volgende stop was hoog in de Hollywood Hills.

‘Je moet Tim leren kennen,’ zei John.

Timothy Leary deed in zijn blootje de deur open. De meeste mensen zouden even een boxer hebben aangeschoten, maar Leary niet: hij dook de kamer ernaast in en kwam terug terwijl hij een overhemd dichtknoopte, maar nog steeds sans broek. Zo bleef hij rondlopen, totdat het normaal begon te voelen. Het laatste wat me bijstaat van die avond was dat hij me een pil gaf en dat ik die innam. Kom op, zeg! Het was Timothy Leary – nee zeggen behoorde niet tot de mogelijkheden.

De volgende ochtend werd ik wakker in mijn hotelkamer in het Sunset Marquis, zonder dat ik me kon herinneren hoe ik daar gekomen was. Ik herinnerde me Leary’s blote reet, maar meer ook niet.

'Met ex-echtgenoot Ray Davies van The Kinks: 'Onze strijd was er één van wilskracht.'

De Amerikaanse tour zat erop en we speelden in Japan toen we het verdrietige bericht kregen dat John Belushi dood was aangetroffen in zijn bungalow bij het Chateau Marmont: drugs.

Vlak voor we het podium opgingen in Osaka rommelde ik door mijn tas. Ik kwam een zonnebril tegen – Belushi had die er waarschijnlijk in gedaan om me te helpen ongewenste aandacht af te weren. Ik liep ermee het podium op om het Japanse publiek te begroeten en voor zover ik weet, heeft nooit iemand daarvan een foto geplaatst.

James ‘Jimmy’ Honeyman-Scott: het onhebbelijke broertje

Je wilde niet met Jimmy in een vliegtuig zitten. Na een paar drankjes kon hij zijn handen niet van de stewardess af houden. ‘La me effe aan je memmen, pop!’ zei hij dan, terwijl ik wegdook achter de inflight entertainmentgids. In de auto een man op krukken passeren was ook iets wat je hoopte te vermijden. Jimmy kon niet rijden, maar draaide het raampje open van de wagen die ik bestuurde en riep zo hard als hij kon, als een echte boer uit Hereford: ‘Uit de weg, klootzak!’ De arme man wist niet hoe snel hij weg moest komen. Eén van de meer gênante avonden was in een piepklein restaurantje in Parijs. De chef-kok had gewerkt voor de toen nog niet lang overleden Jacques Brel, op diens boot, en daar was hij heel trots op. Jimmy liet zo’n harde scheet dat iedereen er even stil van was, precies op het moment dat er een nummer van Jacques Brel werd opgezet en de kok kwam uitserveren. We gingen allemaal door de grond, vooral onze producer Chris Thomas, die bevriend was met de kok. We waren duidelijk allemaal ontzet over Jimmy’s gedrag, wat het alleen maar erger maakte. Hij was zo dronken en gedreven door onze pogingen hem te negeren dat hij de avond afrondde met een ijshoorntje op zijn hoofd, terwijl de rest van ons beschaamd wegsloop uit de zaak, waar hij achterbleef met zijn scheten en gegniffel.

Hij was een soort onhebbelijk broertje met wie je nergens gezien wilde worden.


Bloedbad aan de Kent State-universiteit Vrijdagavond 1 mei 1970

Onze charmante president, Richard Nixon, die mijn ouders mijns inziens praktisch in hun eentje in het Witte Huis hadden gekregen, zou naar verluidt troepen naar Cambodja hebben gestuurd. Voor ons weekendfeestvierders werkte dat nieuws als een rode lap op een stier. Wat een leugenaar! Nixon had gezegd dat hij dat niet zou doen!

We moesten ons standpunt kracht bijzetten. Zoals altijd op vrijdagavond barstte het op straat van de idioten, dus aan mankracht geen gebrek, en we waren zonder uitzondering ver heen toen we vuilnisbakken naar het midden van Water Street rolden en de inhoud in de fik staken. Het was een hele show, met de rook en de vlammen die de lucht in schoten. Iedereen die het waagde om door onze blokkade te rijden kon zijn autoramen gedag zeggen. Autoruiten inslaan voelt geweldig.

Het verbranden van de vlag was ook een populaire vorm van protest en ik moet toegeven dat we niet beseften hoeveel geluk we hadden dat we in een land woonden waar geprotesteerd mócht worden. We namen gewoon aan dat het leven in principe eerlijk was. Per slot van rekening waren we met Lassie opgegroeid. Bovendien waren we over het hele land met zijn honderdduizenden, dus we waanden ons veilig omdat we een grote groep vormden. We voelden geen greintje gevaar.


Zaterdag 2 mei

Die zaterdagochtend begon met het nieuws dat in Kent een avondklok was ingesteld. Na tien uur ’s avonds mocht je het huis niet meer uit, tenzij je op de campus woonde, waar de avondklok pas om elf uur inging. Drie keer raden waar iedereen die niet op de campus woonde die avond heenging. Juist. We vielen iemands kamer binnen om te profiteren van het extra uur. We wilden naar muziek luisteren en feesten zoals altijd. En we stonden stijf van de adrenaline door ons spectaculaire protest van de avond ervoor.

Bij het vallen van de avond denderde een A-team van langharigen de heuvel af en gooide noodfakkels door de ramen van het houten ROTC-gebouw (Reserve Officers’ Training Corps, red.). Oud en vervallen als het was, ging het binnen een paar minuten in vlammen op en zond feloranje rookpluimen de hemel in – helemaal in het straatje van de duizend stonede studenten. Onze gezichten lichtten op door het enorme vreugdevuur en overal waar je keek werd er uitbundig gedanst, gejuicht en met bandana’s gezwaaid.

'Lemmy en ik hielden van motoren, muziek en drugs. Al stonden die motoren eigenlijk meestal aan de kant'

Als uit het niets verschenen de jeeps van de Nationale Garde. Ze scheurden over het campusterrein terwijl overal om ons heen de traangasbommen ontploften. Binnen een paar seconden zag de campus eruit als een liveverslag uit Vietnam. Iedereen begon te rennen en riep dat we weg moesten bij het ROTC-gebouw, omdat de brand uit de hand liep, terwijl de vloot legertrucks naderde. Brandweerauto’s denderden over het terrein. De brandweer deed nog zijn best om de brand te blussen, maar het gebouw viel niet meer redden. Studenten trokken de brandslangen uit de wagens, waardoor het water niet op het gebouw terechtkwam maar alle kanten uit spoot.

Toen ontstond er een stormloop. Iedereen raakte in paniek en probeerde aan het traangas te ontkomen. Sommigen beschermden hun gezicht tegen het bijtende, plakkerige gas met natgemaakte shirts, maar we konden nergens heen omdat het terrein met hekken was afgezet. We zaten in de val. En als een paar duizend mensen in paniek op een hek af stormen, steven je af op een bloedbad.

Er was geen uitweg. Als je viel, veel succes dan maar, want je zou geheid onder de voet gelopen worden. Het hek kwam met de seconde dichterbij.


Maandag 4 mei

Op het glooiende campusgrasveld krioelde het van de studenten. Ik had er nog nooit zo veel mensen gezien. Ik kon niet eens zien wat er van het afgebrande ROTC-gebouw over was. Ik baande me een weg door de menigte.

Toen hoorde ik het tat-tat-tat-tat-tat-geluid. Ik dacht dat het vuurwerk was. Er daalde een onheilspellende stilte neer over de binnenplaats. Een jongensstem riep: ‘Ze hebben verdomme iemand vermoord!’ De stilte voelde als de zwaartekracht die ons omlaag trok. Alles vertraagde en de stilte werd dieper. Er gingen minuten voorbij – niets. Toen het geluid van een sirene. Een ambulance gleed door de menigte.

Toen zag ik het. Het ROTC-gebouw, dat was gereduceerd tot een paar centimeter houtskool, was omsingeld door de Nationale Garde. Ze zaten allemaal op een knie en richtten hun geweer op... ons! Ze leken doodsbang. Wat was er aan de hand? Woedende studenten hadden hen met stenen bekogeld en geroepen: ‘Oprotten – van onze campus af!’ Daarop hadden ze het vuur geopend.

'Met Vivienne Westwood (rechts). 'Door om te gaan met Malcolm (McLaren) en Viv begon ik te begrijpen wat glamour was: dat hoe je je aan je medemens presenteert een manier is om ideeën over te brengen.'

Wij keken naar hen en zij naar ons. Het waren kinderen van 19, net als wij. Maar in uniform. Net als onze jongens in Vietnam.

Waar je ook maar keek, zag je onbegrip. Ik ging op het gras zitten. Docenten zeiden tegen ons dat we weg moesten. Ik ging nergens heen. Ik werd opgetild door een paar mannen. Ik bleef stug in kleermakerszit terwijl ze me wegdroegen. Ik begreep er nog steeds niets van. Maar het was tijd om te gaan. De lessen zaten erop.

Wie wel bleef, was Jeff Miller. Hij kon niet opstaan van de plek waar hij voorover op de grond lag, en waar het bloed uit zijn levenloze lichaam stroomde, de dichtstbijzijnde goot in.


Lemmy & Chrissie

De eerste keer dat ik hem zag, was in een winkel aan King’s Road. Er werd geen woord gewisseld. Hij bekeek me van boven tot onder, kwam dicht bij me staan, doopte het zilveren pijpje dat hij aan een ketting om zijn nek droeg in een plastic zakje met wit poeder, schoof het in mijn snufferd, draaide zich om en liep naar buiten. Ik bleef er drie dagen van stuiteren.

Lemmy en ik hielden van motoren, muziek en drugs. In dit geval stonden die motoren eigenlijk meestal aan de kant; de muziek was alomtegenwoordig en dat gold ook voor de drugs – en hoe. Alles was nu van drugs doortrokken: tranquillizers, speed, barbituraten, wiet en niet te vergeten heroïne. Cocaïne was zo duur dat we zonder meer aannamen dat het goed spul was, de oudste truc ter wereld. Lemmy wist van de hoed en de rand en nam niets dan amfetamine, wiet en Jack Daniel’s tot zich. Het gezonde leven. We hielden van dezelfde dingen, we waren bastaardhonden met een voorkeur voor de geneugten des levens. Hij was fan van The Beatles in een tijd dat The Beatles een overblijfsel leken van een ver, bijna vergeten verleden. Hij had veel meer verstand van muziek dan je ooit zou denken als je bands als Hawkwind of Motörhead aan het werk zag. Dat hield hij goed verborgen.


De hemden van Ray Davies

Op een dag gooide ik uit razernij een paar nieuwe overhemden die ik net voor hem had gekocht uit het raam, nog in de verpakking. We hingen allebei over de rand van het kozijn en keken toe hoe ze vijf verdiepingen naar beneden zeilden en de grond raakten, stuiterend over het trottoir beneden. Prachtige smalgestreepte hemden met witte boorden, het soort dat hem zo goed stond. Waarschijnlijk zou één van ons wel naar beneden zijn gegaan om ze op te halen, maar voor we de kans kregen, dook er een oude zwerver op. Hij bleef staan bij de ongeopende verpakkingen die daar verspreid lagen, bukte zich, stak ze onder zijn aftandse regenjas en liep door, nu met een licht verende tred.

Ray vergeleek zichzelf vaak met een zwerver, dus het was heel treffend om dit komische drama van bovenaf te bekijken. Ik deed mijn uiterste best om kwaad te blijven, maar ik voelde de tranen van het lachen opkomen. Onze strijd was er één van wilskracht.


‘Sex’ met Malcolm McLaren en Vivienne Westwood

Ik kende niemand die zich bezighield met mode. Er waren geen designerlabels, althans niet voor mensen zoals wij. Gucci? Dat was voor iemand z’n sneue tante. Maar door om te gaan met Malcolm en Viv begon ik te begrijpen wat glamour was: dat hoe je je aan je medemens presenteert een manier is om ideeën over te brengen.

Met z’n drieën gingen we in de Rainbow Room bij Biba kijken naar de New York Dolls, en ik zag de radertjes in Malcolms hoofd al draaien; dat zie je altijd aan de manier waarop iemand naar een band kijkt. Het was een cruciale avond, voor ieder van ons op zijn eigen manier. De Dolls zorgden dat de vlam niet uitging, het was onze favoriete band uit New York.

Die avond was ook gedenkwaardig doordat Viv een broodje naar een ober gooide en ze uiteindelijk hoog boven het publiek op een tafel belandde, waar ze obscene dingen deed met haar achterste. Viv kon gevaarlijk zijn en je moest haar of haar achterste niet tegen krijgen.

Een jeugddelinquent uit West Londen, Steve Jones, hing vaak rond in ‘Sex’ (kledingwinkel opgericht door McLaren en Westwood, red.). Ik had geen idee dat hij gitaar wilde spelen; dat wist hij van mij ook niet. Malcolm en Viv hadden hem om de één of andere reden onder hun vleugels genomen, om hem een beetje op het rechte pad te houden. Het was waarschijnlijk beter om hem in de winkel te laten rondhangen dan dat hij de tent leegroofde.


Het ellendige rubber

Het idee om sexy te gaan doen vond ik weerzinwekkend, ik zou dat nooit bewust doen. Zeker niet na de keer in Biba’s Rainbow Room, bij een concert van Ann Peebles. Ik had die avond een rubber rokje aan van ‘Sex’, met netkousen en jarretelles eronder. Ik vond die hoerenlook leuk, lekker heftig punk, zoals de New York Dolls, een tikje glam. Eén van de leden van Mott The Hoople stond aan de bar en bleef maar trakteren, waarschijnlijk vanwege dat rubber. Ik zeg nooit nee tegen een drankje. Na vijf of zes glazen Southern Comfort ging ik tegen de grond op de damestoiletten. Ik was er zo beroerd aan toe dat ik mijn been niet in mijn eigen wc-hokje kon trekken, dus iedereen die het volgende hokje in wilde moest eromheen stappen en op de pot gaan zitten met mijn been tussen haar voeten. Met de beste wil van de wereld kon ik dat been niet bewegen.

Hoe warmer je het krijgt, hoe strakker zo’n rubber rokje gaat zitten, en dat kun je nou net niet gebruiken als je moet overgeven. Ik wist mezelf eindelijk boven de wc-pot te krijgen en met heel veel moeite kon ik die rubberslang tot op mijn enkels omlaag sjorren, zodat ik enigszins comfortabel weer het bewustzijn kon verliezen.

Toen de tent dicht was, werd ik gevonden door een dikke schoonmaakster die me op de been hielp. Het duurde eeuwen voor ze die rok over mijn zweterige dijen en buik had getrokken. Erg gênant – en pijnlijk ook. Waarom iemand voor de lol bondagespullen aantrekt, is mij altijd een raadsel geweest. Daarom noemen ze die lui pervers, denk ik.

Daarna heb ik nooit meer geprobeerd me sexy te kleden.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234