Felix Nussbaum, schilder tegen Hitler

Deze week verschijnt bij De Bezige Bij het boek ‘Orgelman’ van Humo-redacteur Mark Schaevers. Het vertelt het korte leven van Felix Nussbaum (1904-1944), een Duitse schilder door Hitler op de vlucht gedreven, want Jood was hij ook.

20 april 2005. Jules Verdoot bladert op kantoor – hij werkt als ambtenaar in Brussel – door De Standaard. Zijn oog valt op een bericht van cultuurredacteur Jan Van Hove. ‘Een Duitse rabbi bad gisteren de kaddisj, het joodse lofgebed, bij de onthulling van een gedenkplaat aan de Archimedesstraat 22 in Brussel. Daar werden op het eind van de Tweede Wereldoorlog, op 20 juni 1944, de Joodse schilder Felix Nussbaum en zijn vrouw door de Wehrmacht opgepakt. Zes weken later vertrokken zij in Mechelen met het laatste transport naar Auschwitz. Ze kwamen er allebei om.’

'Het vaakst gebeuren Nussbaum-ontdekkingen in België: hier bleef zijn geschilderde erfenis achter toen hij zelf in Auschwitz verdween'

Gelukkig citeerde De Standaard de plaquette in de Archimedesstraat niet letterlijk, want de Nederlandstalige versie is in een vreemde variant van onze taal opgesteld: ‘Hier stond het huis waarin de schilder Felix Nussbaum met zijn vrouw Felka Platek leefde en werkte. Gedurende de nazi-tijt [sic] in Duitsland vond hij hier als jood; [sic] in het [sic] belgische [sic] ballingschap van oktober 1937 to [sic] juni 1944, toevlucht.’

Jules Verdoot woont niet ver van Mechelen, misschien las hij ook daarom verder. ‘Felix Nussbaum (1904-1944) is de jongste jaren opnieuw in de belangstelling gekomen. In 1998 werd in zijn geboortestad Osnabrück een museum over hem geopend. Het is een spectaculair gebouw van de architect Daniel Libeskind, die ook het Joods Museum in Berlijn heeft ontworpen. Het Felix Nussbaum Haus bewaart het grootste deel van het oeuvre van de vervolgde kunstenaar. Dat was trouwens diens laatste wens: ‘Als ik sterf, laat dan mijn werk niet sterven.’’

‘Nussbaum, Nussbaum... Die naam zei me iets, maar ik wist niet wat,’ vertelt Jules Verdoot me vele jaren later als ik hem in zijn woning in Heffen opzoek. Het duurde een tijdje eer het hem begon te dagen. Felix Nussbaum was de naam rechts onder op het schilderij dat al vele jaren tegen de muur van zijn slaapkamer hing.

Verdoot is van de jaargang 1957, hij is opgegroeid in het Brabantse Duisburg. Op de zolder van het ouderlijke huis, dat had hij altijd zo geweten, lag een schilderij. Een kader had het niet, het was ruw opgevouwen. De kleuren waren flets, er zat veel stof op, en in de hoeken zaten scheuren. Het was het enige schilderij op die zolder en het lag in de buurt van de schilderspullen van zijn vader. Die had een tijdje les gevolgd aan de academie in Brussel. Verdoot heeft zijn vader nooit gekend, hij was nog maar 2 jaar toen die ervandoor ging naar Spanje. ‘Dat schilderij moet via mijn vader in huis gekomen zijn. Ik vraag me af of hij Nussbaum zelf heeft gekend, hij was goed 14 jaar oud toen de oorlog begon.’

Schatten op zolder, jonge kerels vinden dat spannend, zegt Jules Verdoot, en hij herinnert zich dat hij het schilderij van de zolder haalde – ‘Mag ik dat hebben?’ – toen hij een jaar of 14 was. ‘Ik vond het mooi, op de één of andere manier sprak het me aan. Ik heb het met punaises tegen de muur van mijn kamer gehangen. Vlak ernaast hing een dartsbord.’

Toen zijn moeder in 2000 stierf, diende het huis leeggemaakt, en het schilderij verhuisde naar zijn slaapkamer in Heffen. Dit keer hing hij het met modernere punaises op, merk ik op een foto die hij erbij haalt, punaises met verschillende kleurtjes. ‘Ik had geen idee dat het het werk van een bekend schilder was.’


Ondergedoken in Brussel

Nieuwsgierig geworden door

het bericht in de krant ging Verdoot aan het googelen, en vooral via de site van het Felix Nussbaum Haus in Osnabrück kreeg hij enig zicht op de wonderlijke geschiedenis van de kunstenaar.

Felix Nussbaum was een schilder die het in de vroege jaren 30 als aanvoerder van zijn generatie aan de Berlijnse academie helemaal zou maken. Tot Adolf Hitler het lot van de Joodse kunstenaar deed kantelen. Nussbaum heeft het zelf goed samengevat in het enige interview dat van hem bekend is en dat in februari 1939 in de Gentse krant Vooruit verscheen: ‘In 1932 behaalde ik den prijs van Rome en reisde daarheen. Ginds beleefde ik den terugslag van den machtsgreep van Hitler en sindsdien heb ik mijn land niet meer teruggezien. Angstig en doelloos zwierf ik een tijdlang rond aan de Italiaansche Rivièra, schreef daar zelfs een roman, maar schilderde weinig. Al mijn tijd was genomen door het gestadig zoeken naar rust en een nieuw vaderland. Nergens woonachtig doolde ik rond met snel genoteerde aquarellen, opgerold als bagage... Zwitserland, Frankrijk, Parijs... tot zich eindelijk de grens van België verlossend opende. Te Oostende begon ik weer te arbeiden, teekende en schilderde dapper. Ik weer me en word niet moe. Het gaat.’

Het bleef niet gaan: toen de Jodenjacht in de zomer van 1942 definitief werd ingezet, moest Nussbaum onderduiken in Brussel, de stad waar hij sinds 1935 woonde. In de zomer van 1944 werd hij gevat, samen met zijn vrouw Felka – ook zij schilderde – en naar Auschwitz gedeporteerd. Zijn naam en faam werden door Hitler compleet weggegomd, pas een kwarteeuw na zijn dood werd zijn werk weer opgediept. Dat hij als een feniks uit de as kon verrijzen, was zijn eigen verdienste: in de hoop op artistieke overleving had hij zijn schilderijen in enkele Brusselse kelders ondergebracht. Met hetzelfde doel had hij in de Archimedesstraat onder de pannen van zijn mansarde een twintigtal foto’s van zijn olieverfschilderijen verborgen; die werden daar gevonden toen het pand in 1983 werd afgebroken.

Eén van die foto’s herkent Jules Verdoot in de onlinecatalogus van het Felix Nussbaum Haus. ‘Twee vrouwen. De verloren onschuld’ staat erbij geschreven – ‘Verblijfplaats onbekend’. Maar dus niet voor Jules Verdoot, want die heeft nu een naam voor het olieverfschilderij in zijn slaapkamer. Hij leert ook dat het uit 1941 stamt, en dus tot Nussbaums schaarse maar ook kwalitatief verbluffende productie in de oorlogsdagen behoort. Inmiddels zijn de ‘Twee vrouwen’ verhuisd naar het Yad Vashem Museum in Jeruzalem.

Een kopie op ware grootte van het schilderij hangt in de huiskamer van Verdoot, hij kijkt er geëmotioneerd naar. ‘Voor mij was het een complete verrassing dat dat schilderij zo veel waarde had. En dan te bedenken dat het evengoed in een vuilniszak had kunnen belanden. Had het aan mijn moeder gelegen, dan was het er al lang niet meer geweest; voor haar was het een slechte herinnering aan mijn vader die ze liever kwijt dan rijk was.’

Rijk is hij er zelf trouwens niet van geworden, zegt hij erbij, en dat zou hij ook niet willen. ‘Meer dan een geldelijke waarde heeft het doek voor mij een sentimentele waarde. Het roept de sfeer van de oorlog op, en het is verbonden met die afschuwelijke Holocaust. Wij wonen hier tussen het Fort van Breendonk, waar de nazi’s mensen martelden, en de Mechelse Dossinkazerne: van hieruit is Felix Nussbaum vertrokken. Ik ben heel blij dat het schilderij in Yad Vashem beland is, het grootste Joodse museum ter wereld. Dat is het enige wat ik nog voor die man kon doen: via dat wereldbekende museum zijn schilderij tonen aan iedereen die het wil zien.’


De kunst van het vervalsen

Natuurlijk ben ik stikjaloers op Jules Verdoot. In het afgelopen dozijn jaren heb ik geregeld Nussbaums vage voetsporen proberen te volgen, kwestie van zijn verhaal eens goed uit te spitten, en ik heb altijd gehoopt op één van die omzwervingen zelf op een ‘nieuwe’ Nussbaum te stoten.

De kans dat het zou lukken was groot, gezien die wonderbaarlijke schilderijenvermenigvuldiging in de afgelopen decennia: tien jaar na zijn dood waren amper vier werken van Nussbaum bekend, vandaag staan er in de onlinecatalogus meer dan vierhonderd werken opgelijst. En het vaakst gebeuren Nussbaum-ontdekkingen in België, want in ons land heeft zich zowat de helft van zijn actieve schildersleven afgespeeld en hier bleef zijn geschilderde erfenis achter toen hij zelf naar Auschwitz verdween.

Ook in de 21ste eeuw is Nussbaums oeuvre blijven aangroeien. In 2004, bijvoorbeeld, doken er uit Belgisch privébezit in de Amsterdamse galerie Eurofinearts zeven werken tegelijk op. Op een veiling in Tel Aviv in 2008 bracht een tot dan onbekend zelfportret van midden de jaren 30 249.000 dollar op.

Het intrigerendste ‘nieuwe’ werk kreeg Inge Jaehner, de directrice van het Felix Nussbaum-museum in Osnabrück, in 2007 voorgeschoteld toen een Zweedse kunsthandelaar haar een stilleven met pop en pompelmoes aanbood. Jaehner werd getipt dat er Amerikaanse belangstelling was en ging daarom snel op zoek naar de gevraagde 200.000 euro om het werk in Osnabrück te houden, want dat olieverfschilderij liet zich al bij de eerste aanblik als een sleutelwerk kennen. Nussbaum heeft er allerlei elementen uit eerdere stillevens in herschikt: een roze pop en een beschilderde vaas uit het ene doek, een liggende vaas en een stel boeken uit een ander, en een verslenste tulp uit nog een ander. Dat staaltje picturale sampling avant la lettre had Nussbaum duidelijk bedoeld als zijn ultieme stilleven in bange oorlogsdagen.

Het was allemaal wat té duidelijk: ‘Stilleven met pop en pompelmoes’ bleek het werk van een vervalser.

In de zomer van 2011 zit ik met Jürgen R. op een terras in Berlijn. Een jaar eerder is tegen hem en zijn opdrachtgevers een proces gevoerd. Volgens de aanklacht heeft hij voor het schilderen van het stilleven 5.000 euro gekregen, de opdrachtgevers hebben zelf het grootste deel van de betaalde 200.000 euro opgestreken. Maar hij zal geen getallen noemen, zegt Jürgen R. me meteen na onze kennismaking, ze zouden toch niet juist zijn. ‘Er zijn twee waarheden, een juridische en een andere; ik moet en zal me bij de juridische waarheid houden.’ Hij is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar en negen maanden.

Jürgen R. praat liever over het vervalsen van schilderijen dan over zichzelf, maar ik verneem toch dat hij in 1957 in Halberstadt geboren is – dat lag toen in de DDR. Hij was een instellingskind: een wondermooie tijd had hij daar, naar eigen zeggen. Tot een strikte chronologie is hij niet te bewegen, maar ergens in de loop der jaren is hij door de Stasi opgepakt voor het verspreiden van geschilderde vlugschriften. Ook de gevangenis vond hij een mooie tijd. Een paar Russische schilders hebben hem vervalsingstechnieken bijgebracht. Na de val van de Muur was hij een tijd werkloos, tot hij zich in de Uhlandstraße in Berlijn als restaurator vestigde. Dat is alweer voorbij op het moment van onze ontmoeting: nu somt hij meer plannen dan bezigheden op.

Hij plant een boek over het vervalsen van schilderijen, want hij heeft daar theorieën over. ‘Zonder vervalsingen is de kunstmarkt dood,’ zegt hij. En: ‘Als ik iemand vervals, richt ik me op zijn beste werk, dat geeft het meest geloofwaardige resultaat. Het komt erop aan vertrouwde elementen met nieuwe te combineren: je moet de experts genoeg eten en drinken geven.’

Maandenlang heeft hij het werk van Nussbaum bestudeerd, zegt hij, het duurt even voor je genoeg greep op een kunstenaar hebt om hem overtuigend na te bootsen. Je moet weten hoe hij de onderbouw van een schilderij opzet, welke verf hij gebruikt, hoe hij ze aanbrengt. ‘Je leert van andere schilders.’

Voor de keuze van de motieven kreeg hij hulp van een oudere kunsthandelaar, Gustav N., een nomade die zichzelf een diploma kunstgeschiedenis toedicht. ‘Hij bezorgde me enkele A4’tjes met ideeën. Maar ik heb het allemaal beter in elkaar gezet. Ik heb de vaas verplaatst en de pompelmoes verschoven, zodat het schilderij meer diepte kreeg. Voor mij was het trouwens geen pompelmoes, maar een appel. De roos en die boeken heb ik er zelf aan toegevoegd. En ik heb wat barstjes aangebracht; dat kan ik ook.’

‘Ik vind het spannend en leuk met de techniek van een ander een schilderij te maken. Het is een kunstvorm, vind ik. Schilderen kan iedereen, maar wie kan er schilderijen vervalsen?’

Ik heb enkele kranten meegebracht om uit te citeren. De Berliner Zeitung, die het over de ‘Fälscherkönig’ had, of de Berliner Kurier met deze kop: ‘Meestervervalser neemt zelfs museum beet’. Ik merk enige trots bij hem.


Oude verf gerecycleerd

Het Nussbaum-museum een loer draaien is ook een tweede keer gelukt, nu met een zelfportret van Nussbaum. Wanneer dezelfde Zweedse kunsthandelaar zich bij Inge Jaehner meldt met een ‘Zelfportret met masker’, wil ze het niet kopen, ze vindt het een zwakker werk. Toch vindt ze het schilderij interessant omdat het weer allerlei al bekende rekwisieten uit vroegere schilderijen combineert, en ze neemt het schilderij in de oeuvrecatalogus van het Felix Nussbaum Haus op.

Op ons zomerterrasje geeft Jürgen R. meteen toe dat het niet zijn beste Nussbaum is: ‘Een Zuid-Afrikaanse vriend had eraan gewerkt, ik was zelf niet tevreden over het resultaat. De neus was te lang, ik heb één en ander overschilderd. Ik heb er een kat en een bal aan toegevoegd. Maar ik had het nog beter moeten doen.’ Een koper in de VS vindt het goed genoeg om er 320.000 euro voor te betalen.

Voor de vervalsersbende kan het nu niet snel genoeg gaan. Jürgen R. wordt tot vlijt aangespoord. Hij schildert een variatie op ‘Het komisch concert’, een werk uit Nussbaums Oostendse periode. Jürgen R.: ‘De compositie was helemaal van mij, een combinatie van elementen uit schilderijen van Nussbaum. Ik heb er oude schilderijen voor opgekocht, de verf erafgehaald en weer bruikbaar gemaakt.’ Het schilderij wordt te snel te koop aangeboden, en de bende loopt tegen de lamp als iemand het nog naar verf vindt ruiken. ‘Wat onzin is,’ zegt Jürgen R. me. ‘Wat je rook, was een chemisch product dat ik gebruikte om het ding enig patina te geven.’

Hij heeft zijn beroepstrots en herhaalt een paar keer dat de rechtbank onmogelijk had kunnen bewijzen dat het om een vervalsing ging, als hij het niet zelf had toegegeven. ‘Ik denk dat ik door mijn vriendin verraden ben. Hoe vaak zei ze niet, wanneer ze in mijn gsm het nummer van een andere vrouw vond: ‘Ik ga vertellen dat je die schilderijen namaakt!’’

Hoeveel Nussbaums hij heeft nagemaakt, houdt hij na afloop van het proces liever voor zich. Hij vermeldt nog een zelfportret waarbij Nussbaum een zak over zijn hoofd had, maar de verf hield niet. Zijn topvervalsing heeft hij vernietigd, beweert hij. Het betrof een variant van Nussbaums laatste doek uit april 1944, ‘Triomf van de dood’, met musicerende skeletten tegen een achtergrond van kapotgeschoten huizen. ‘Dat had zeker anderhalf miljoen euro kunnen opbrengen. Het was mijn afscheid van Nussbaum.’


Zoek de schat

Dichter dan bij deze vervalser zal ik wel nooit bij een ‘nieuwe’ Nussbaum raken, ik heb afscheid genomen van die droom. Maar voor een ander kan dat geluk zeker nog weggelegd zijn. Een lucratief geluk, want het schilderij waar ik concreet aan denk, is een topwerk en dus enkele honderdduizenden euro’s waard.

‘Schilderij met embryo’s’ heet het in een Berlijnse catalogus uit 1931. Het is een bevreemdend, cryptisch werk dat voor Nussbaums doen erg direct met een politieke kwestie verbonden is: hij zond het in voor de internationale tentoonstelling ‘Frauen in Not’, waarmee de linkerzijde zich in het toen heftige debat over de abortuswetgeving liet horen. Op die expositie is hij in goed gezelschap: Käthe Kollwitz, Otto Dix, Max Beckmann, enzovoort.

Het doek werd nog getoond op Nussbaums laatste solotentoonstelling in Brussel in februari 1939 – voor de krant Vooruit de aanleiding om hem te interviewen. Het is daar toen allicht verkocht en als het niet door een onoplettende erfgenaam met het vuil is meegegeven, hangt het nog ergens in een huiskamer – een Belgische huiskamer, naar alle waarschijnlijkheid.

Wat het schilderij te zien geeft, weten we van een vriend van Nussbaum, Fritz Steinfeld, die kort na de oorlog een boekje vol herinneringen aan Nussbaum wijdde. Hij vond dit unheimliche doek met de embryo’s het mooiste wat zijn vriend ooit geschilderd had en beschreef het daarom zorgvuldig: ‘Op de achtergrond van het schilderij stond een streng slot- of burchtachtig huis. Rechts zag je – vrolijk als Botticelli’s ‘Primavera’ – liefdesparen die op een zwart-witte bodem van marmer tussen verspreide, donkere bomen wandelen. Vooraan had je flirtende koppeltjes, verderop stapten er enkele in vaste omarming naar het slot. Links daarentegen verliet een onafzienbare stoet van treurende vrouwen het slot – een offerstoet. Links op de voorgrond legden ze hun offergaven neer: onvoldragen kinderen, embryo’s.’

Steinfeld had het over het oogstrelende coloriet, een onvergetelijk ‘glazig-slijmerig groen’, en het doek maakte hem zo lyrisch dat hij het met een symfonie van Beethoven vergeleek. ‘Zoals al zijn schilderijen vertelde het weer iets, maar het had een heel strenge compositie en uitstekend op elkaar afgestemde kleuren. Men werd tegelijk aan oude meesters en aan gewaagde modernen herinnerd – en toch vormde het één geheel.’

Het kan lonen als u vanavond nog eens goed kijkt wat er zoal in uw slaapkamer hangt, of mogelijk ligt op zolder tussen de spullen van uw ouders een Nussbaum-schat opgerold. Daarom nog een extra tip van formaat: van het zoekgeraakte schilderij bestaat ook een zwart-witreproductie – ze stond afgedrukt bij het interview in Vooruit. ‘Kinderen voor kerk en staat’ kreeg het doek hier mee als titel, en die duwt een strijdlustige interpretatie naar voren: heeft Nussbaum het over de weigering om, tegen de druk van hogere machten in, kinderen groot te brengen? De vrouwen met de embryo’s, links vooraan, zijn niet louter in treurnis verzonken, er is ook iets ferms in hun houding.

Het eerste flirtende liefdespaar rechts vooraan lijkt Felix Nussbaum en zijn vrouw Felka af te beelden. Hij fluistert haar iets in het oor, zij is zichtbaar zwanger. Er waren in die jaren speculaties over een abortus van Felka. Ze waren in ieder geval kinderloos toen ze in de Dossinkazerne in de trein van het 26ste transport geduwd werden. Een nicht van hen zei later eens: ‘Hun schilderijen waren hun kinderen.’ En die leven nog.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234