'Flatulentie in de openbare ruimte'Dwarskijker over 'Eurovisiesongfestival', 'Alleen Elvis blijft bestaan' en 'Topdokters'

Ik had wel die hele zaterdagavond naar Ingeborg kunnen kijken, maar toen brak het Songfestival aan.

'Ik ontkom bij het zien van 'Topdokters' niet aan de hamvraag van Hamlet: zijn of niet zijn, en aan het bijbehorende inzicht dat al de rest gebeuzel is'


Eurovisiesongfestival

Eén – 14 mei

Alleen Elvis blijft bestaan

Canvas – 14 mei

Die meiavond – de blauweregen bloeide wellustig – wilde ik groots en meeslepend leven en als een bacchant uit de band springen, maar mijn ambt noopte me beheerst naar het Songfestival te kijken, waaraan een speciale aflevering van ‘Van Gils & gasten’ voorafging. In dat gelegenheidsprogramma scheen het me toe dat Ingeborg, die ik me nog levendig van ‘Blind Date’ herinner, een comeback aan het maken was. Dat ging met een drukte gepaard die ik niet meteen met Ingeborgs huidige, nogal etherische beroepsbezigheden in verband zou brengen. Ze beijvert zich namelijk voor meditatie en yoga, en handelt online in wierook en adventkaarsen. Hoe spiritueel ze ook mag zijn, en hoe ze ook naar het diepere, het hogere of het ijlere mag tasten, in de grofstoffelijke wereld bij Van Gils deed ze me veeleer aan een vrouw denken die iets te veel chardonnay opheeft. Zo’n vrouw vrolijkt het tranendal op, dat spreekt vanzelf, vooral als ze op een tuinfeest ineens tot haar middel in de vijver blijkt te staan, waar ze ambigue gilletjes slaakt als koikarpers koudweg langs haar dijen glippen. Haar wederhelft, niet zelden een BMW-rijder die in vastgoed speculeert, zegt dan langs de neus weg: ‘Let maar niet op haar.’ Of anders brengt hij moeizaam grijnzend een toost op de ‘waternimf’ uit. Wat ik in godsnaam op zo’n tuinfeest te zoeken heb, dat vraag ik me ook af terwijl ik dit zit te verzinnen. In ieder geval gaf Ingeborg ’m van katoen bij Van Gils. Zij was er als ervaringsdeskundige uitgenodigd, want in 1989 heeft ze zelf nog aan het Songfestival deelgenomen met ‘Door de wind’, een openhartig nummer over flatulentie in de openbare ruimte: een gevoelig thema in die dagen. Al klapwiekend zei ze dat ze alle teksten van alle kandidaten bestudeerd had, teneinde zo deskundig mogelijk voor de dag te komen. Iemand moet het doen. Met vertoon van zowat alle expressie waartoe een mens in staat is, bracht ze haar spiegelneuronen ter sprake, alsmede haar verregaand empathisch vermogen, waardoor ze zich zodanig in de zenuwspanning van Laura Tesoro kon inleven dat ze er haast aan bezweek. Ik had wel die hele zaterdagavond naar Ingeborg kunnen kijken, maar toen brak het Songfestival aan: een hoogtechnologische wieling van beelden die voortdurend de aandacht van middelmatige, meestal lachwekkend slechte deunen moest afleiden. Toen ik Laura Tesoro had gezien, die het spektakel mocht openen, en Douwe Bob, de Nederlandse inzending die als derde aan de beurt kwam, voelde ik me net niet homoseksueel genoeg om me ook nog eens neer te leggen bij de rest van het deelnemersveld. De nooduitgang leidde naar Canvas, waar ‘Alleen Elvis blijft bestaan’ dit keer een licht wierp op Hugo Camps. In het Tochtgat aan de Noordzee zijn journalisten van naam volkomen terecht schaars: Hugo Camps is één van hen. Altijd weer doet zijn aanblik me aan melancholieke personages uit negentiende-eeuwse Russische verhalen denken: mogelijk aan een doorwaaide moezjiek die, menig werst van huis, op een barre avond in een woest en ledig landschap tegen een sneeuwjacht optornt. Hij voelt zich koortsig en in de loeiende stormwind meent hij een Russisch-orthodox mannenkoor te horen. Het zingt hem crescendo toe dat hij, zo helpe hem God, nimmermeer zijn stulp zal vinden. ‘Nimmermeer’: zulke woorden zingen Russisch-orthodoxe koren nu eenmaal als ze op stoot zijn. Wolvengehuil gaat ondertussen in de stormwind verloren. Voor mijn part had dit stukje hier mogen eindigen, maar er was méér.


'In het Tochtgat aan de Noordzee zijn journalisten van naam volkomen terecht schaars'

Thomas Vanderveken zei ter introductie dat Hugo Camps over een meedogenloos scherpe pen beschikte, maar ook niet te beroerd was om zo nu en dan een knieval van bewondering te doen. Daar konden we in dit programma een aantal keren getuige van zijn. We kregen een fragment uit ‘Hier is… Adriaan van Dis’ te zien, waarin Hugo Claus in 1983 de verkoop van ‘Het verdriet van België’ kwam bevorderen. Van Dis stelde met dik aangezette ironie vragen die Claus in hetzelfde register beantwoordde. Uit hun beider toon moest een soort verstandhouding blijken: ons kent ons, of het scheelt niet veel. Na afloop van dit fragment keek Hugo Camps verzaligd, alsof hij nectar had geproefd. Het kwam mij voor dat de gevierde journalist ooit zijn zinsmelodieën naar de veelgeprezen spreektrant van Hugo Claus had gemoduleerd, wellicht uit adoratie. Er was nog een puntje van overeenkomst: net als Claus had hij akelig jong met een barre kostschool moeten kennismaken, een nor voor onschuldigen. Hij zat er wekenlang vast, en voor straf soms nog langer: het oude verhaal. Die verschrikking inspireerde Camps tot de uitroep ‘Giet er benzine overheen!’ Waarna het hem daagde dat kostscholen heden misschien toch een tikje draaglijker zijn dan in de grauwe jaren na de oorlog, toen de wederopbouw voorrang had op het welbevinden van kinderen. Hedendaagse kostscholen in de as leggen zou wellicht overdreven zijn. Nu ja, de hyperbool is een beetje columnist anders wel toevertrouwd.

Het had er voor een naïeveling als ik de schijn van dat Hugo Camps zo oprecht mogelijk was in dit programma. Hij zei dat hij zich, hoewel ze veertig jaar lang vriendschappelijk met elkaar waren omgegaan, altijd geïntimideerd had gevoeld in de schaduw van Hugo Claus. Thomas Vanderveken, die goed oplet, vroeg meteen of die ongemakkelijke gewaarwording de vriendschap al met al niet in de weg zat. Wellicht is een entourage nog net iets anders dan een vriendenkring. ‘Vriendschap is een duur woord,’ sprak Camps, waarna hij een ommetje maakte en hardop betwijfelde of Claus wel eens ‘Ik hou van jou’ tegen zijn vrouwen zou hebben gezegd. Als men tegenwoordig over Claus spreekt, heeft men het aanzienlijk vaker over de man dan over zijn oeuvre. Tekentje aan de wand.

Camps trakteerde ons op Juliette Gréco, toen ze wellustig in bloei stond. Zij zong ‘Deshabillez-moi’, en de gevierde journalist, tevens Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, gaf te kennen dat die opdracht wel een kolfje naar zijn hand was geweest, anderhalve eeuwigheid geleden. De pin-up van de existentialisten is ondertussen 89 en kan het optreden nog steeds niet laten, al zingt ze ‘Deshabillez-moi’ vast alleen nog voor de bejaardenhulp, die zich routineus van die taak kwijt. Camps, die zichzelf met mei ’68 associeerde, meende ook te weten dat mevrouw Gréco haar linkse idealen trouw was gebleven. Zelf had hij dat niet gedaan: ooit was hij hoofdredacteur van Het Belang van Limburg geworden, een krant die destijds de CVP van dienst was of er zwaaide wat. In deze fase van zijn leven sloeg hij hopscheuten niet af, bij uitstek een hap waaraan links een arrivé hoort te herkennen, als links tenminste zelf geen hopscheuten zit te eten.

Om in ‘Alleen Elvis…’ even aan politiek te doen, voerde Camps het heersende populisme terug op strategische timing. ‘Als de ene onheilstijding aan het wegtrekken is, komen Francken en Jambon snel met een ander onheilsbericht aanzetten,’ sprak hij, waarop Thomas Vanderveken zich op slag een spelregel van zijn programma leek te herinneren: ‘Dat zijn zware beschuldigingen en hier is niemand die ze kan tegenspreken.’ ‘Ik kan het niet bewijzen,’ gaf Camps ruiterlijk toe. Iets beweren, het niet kunnen bewijzen en dat geen punt vinden: het columnisme in een notendop.

Het mooiste fragment was naar mijn smaak uit het antiquarische programma ‘Tienerklanken’ gelicht, een schim uit mijn kindertijd: zwart-witbeelden van de Belgische tenorsaxofonist Jack Sels (1922-1970) die een innige versie van ‘These Foolish Things’ speelde. De Antwerpenaar Jack Sels verbleekte niet bij de groten van de naoorlogse jazz, ook al waren die doorgaans zwart. Bij zijn leven, dat te kort was, heeft hij nooit de erkenning gekregen die hem op grond van zijn talent toekwam, en na zijn dood eigenlijk ook niet. Fijn dat Hugo Camps hem in herinnering bracht. Voorts vond ik het ook aardig dat Camps de bohemienachtige kant van de journalistiek een warm hart toedroeg, in een tijd dat veel van onze vakgenoten langeafstandslopers en geheelonthouders zijn, en principieel saai.

Camps heeft de gave van het woord – hij klinkt vaak als muziek in zijn oren, neem ik aan, en het zou me ook niet verbazen dat hij geregeld de karakterisering ‘woordkunstenaar’ het hoofd moet bieden, meestal uitgesproken door goedbedoelende lieden die zich weinig aan woordkunst gelegen laten liggen. Deze aflevering van ‘Alleen Elvis…’ was nogal verbeus, zoals laaggeletterden het uitdrukken. Wegens tijdgebrek werden dan ook te veel onderwerpen van het grote aanraakscherm naar het internet doorgeschoven. Als vanouds ben ik een voorstander van autonome tv-programma’s die het zonder dependances op het www kunnen stellen. Voor het overige was deze ‘Alleen Elvis…’ naar mijn maatstaven geheel humorvrij, terwijl de wereld ondertussen onverminderd aan ernst ten onder ging.

Over humor gesproken: ik wendde me weer tot Eén, waar Oekraïne in de gedaante van Jamala het Songfestival won met een jammerlied over Stalins deportatie van de Krim-Tataren, onder wie de grootmoeder van de zangeres. Die klaagzang ging voor goede verstaanders ook over de huidige politieke spanningen tussen Oekraïne en Rusland. Ik wou wel meezingen, de wil wás er, maar de praktijk viel knap tegen. Ik vrees dat je al een honkvaste Krim-Tataar moet zijn om de hitpotentie van deze waarlijk gedrochtelijke en pathetische draak in te zien. Dit onding moet wel het allerberoerdste nummer zijn dat ooit het Songfestival heeft gewonnen. Al snel raakte bekend dat de Russen zich op hun taas getrapt voelden – ‘vernederd’ heet dat in de heetgebakerde kringen rond Poetin. Ik gooide een raam open en speurde naar Tupolev 95’s aan de nachthemel. Ondertussen geurde de blauweregen.

'Ik ontkom bij het zien van 'Topdokters' niet aan de hamvraag van Hamlet: zijn of niet zijn, en aan het bijbehorende inzicht dat al de rest gebeuzel is'


Topdokters

VIER – 17 mei

Als een stemacteur in een trailer van VTM over bijvoorbeeld een ‘topcast’ toetert, dan is mijn eerste reactie meestal: ‘Dat zat wel.’ Woorden die versterkt worden met ‘top’ – de commerciële televisie is er gul mee – vind ik bluf, maar voor ‘Topdokters’ maak ik graag een uitzondering. Laat ik me, of ik dat nu leuk vind of niet, eerst even voorstellen: ik ben een man van vele angsten. Alleen al de gedachte aan ziekte, ziekenhuizen en zorgelijk kijkende artsen kan mij het klamme zweet doen uitbreken, bij voorkeur in het holst van de nacht, als ik weer eens slapeloos in het duister lig te staren, een donkerte waarin ik hooguit drie schapen ontwaar: die zijn zó geteld. Denkend aan ons aller eindbestemming, en aan de enge ziektes die erheen leiden, vraag ik me altijd af waarom niet alle mensen depressief zijn. Dat ook hypochondrie mij niet vreemd is, spreekt vanzelf.

Het hoeft dus geen betoog dat ik niet voor mijn genoegen naar ‘Topdokters’ kijk, maar toch vind ik dat ik móét kijken, op gevaar af dat ik mijn hoofd in één aflevering meermaals tegen de harde werkelijkheid stoot, die in veel gevallen nog ietsjes onverkwikkelijker is dan ik vrees. En dan te bedenken dat ik een graag geziene gast op feesten ben.

Ik ontkom bij het zien van ‘Topdokters’ ook niet aan de hamvraag van Hamlet: zijn of niet zijn, en aan het bijbehorende inzicht dat al de rest gebeuzel is, of in het beste geval: iets dat ons een poosje van die hamvraag afleidt. De medici die in dit programma aan bod komen, kunnen het ongewilde niet-zijn soms voor onbepaalde tijd uitstellen, en daarom de even primitieve als naïeve illusie koesteren dat ze tegen de dood opgewassen zijn. Klinkklare onzin natuurlijk, maar ze druisen met alle kennis, medische spitstechnologie en vaardigheden die ze tot hun beschikking hebben wel zoveel mogelijk tegen de dood in, zonder daarbij in wonderen bezijden de wetenschap te geloven. Ze doen vooral niet dik over hun beroepsbezigheden, want ook aan bescheidenheid en realiteitszin herkent men de topdokter.

Professor Tessa Kerre, hematoloog, fietste ’s ochtends naar haar werk in UZ Gent. Ze had zoals gewoonlijk geen idee wanneer ze die dag thuis zou komen. Haar man wuifde haar uit. Op haar fiets was ze in de doordeweekse drukte van de stad niet te onderscheiden van iemand die even uien, bleekselderie en prei gaat kopen op de versmarkt. We zagen hoe ze even later in het universitair ziekenhuis een leukemiepatiënt bemoedigde, wiens lichaam vijandig op een stamceltransplantatie had gereageerd. Daardoor moest hij dat lastige proces nog eens overdoen. Die man, die er slecht uitzag, vatte zichtbaar hoop. Later zou blijken dat hij zozeer was opgekikkerd dat hij weer zin had in dansen. Geen spoor meer van leukemie: geluk is een kolossale opluchting. Het lot en de ziekte van Anouk kon professor Kerre dan weer niet keren. Anouk straalde op een ontroerende manier zachtmoedigheid uit, die ook professor Kerre niet ontging. Op den duur schoot de pijnpomp tekort, zodat Anouk, die geen hoop op hoop meer had, om de ultieme menselijke genade vroeg: ‘Ik wil dat u het uitvoert.’ Daarin stemde professor Kerre liefdevol toe, en een jongere collega zou haar bijstaan. Voor het zover was, zagen we dat die collega zich sterk moest zien te houden: ‘Hier kies je niet voor als je geneeskunde gaat studeren,’ zei professor Kerre. Ze herinnerde zich nog alle levensbeëindigingen waarbij ze betrokken was: ‘Altijd zeer verdrietig, maar ook mooi.’ ‘Heel belangrijk dat het kan,’ zei ze, ‘maar het blijft iemand dooddoen.’ Het kinderlijke werkwoord ‘dooddoen’ verraste me volkomen. Tessa Kerre en haar collega liepen door een donkere ziekenhuisgang naar de ziekenkamer van Anouk, en de rest ging ons niet aan. ‘Topdokters’ heeft altijd de juiste, beschaafde toon die nauw verwant is met de gepaste afstand: nooit te dichtbij maar toch altijd betrokken. De firma Woestijnvis op haar best.

Professor Kerre overzag haar huidige leven, dat hoofdzakelijk uit werken bestond, ook bij nacht en ontij: ‘Ik ben een slechte moeder, een slechte echtgenote, een slechte dochter en een slechte vriendin,’ stelde ze nuchter vast, als was het een diagnose. Ze vond dat ze nog van geluk mocht spreken dat haar man haar beroepsleven nog steeds verdroeg. Ze had kunnen zeggen dat haar werk een offer is, maar dat deed ze niet. Ik merkte dat ik haar zeer bewonderde.

In een heel andere toonzetting kreeg professor Herman Tournaye, de fertiliteitsarts, in UZ Brussel een Parijse vrouw van veertig in zijn behandelkamer. Zij koesterde een diep verlangen naar kunstmatige inseminatie. In het vooruitzicht van een eventuele zwangerschap rookte zij vooralsnog een pakje sigaretten per dag, om het af te leren. Ze had een extra verzoekje voor professor Tournaye: ze was blond en had blauwe ogen en had het erg op prijs gesteld dat haar eventuele kind met die uiterlijke kenmerken ter wereld zou komen. Dat professor Tournaye hoffelijk bleef, zelfs ronduit vriendelijk, vond ik op zich al bewonderenswaardig. De inseminatie mislukte. ‘Is kinderen krijgen een recht? Ik denk het niet,’ dacht de professor hardop en zo vriendelijk mogelijk in een apartje, nadat hij, in overleg met collega’s, een verzoek had afgewezen van een koppel dat met een vruchtbaarheidsprobleem kampte: twee gevorderde veertigers. De vrouw draaide op antidepressiva en de man was een ex-alcoholist, die uitgerekend nu hervallen was. Alsof scenaristen van ‘Thuis’ dit ongetwijfeld spannende stel hadden bedacht, gniffelend van voorpret.

Een herstelbare man van 79 mocht zich in overbruggingen verheugen. In de operatiekamer, waar een ader een vene heet, zat de sfeer er van meet af aan goed in. De patiënt was onder narcose, en professor Inez Rodrigus, cardiochirurg, zei dat haar jonge team haar verplichtte om naar Studio Brussel te luisteren tijdens openhartoperaties. Er was duidelijk arbeidsvreugde in het spel. Dat de stemming haast luchthartig was, zat de uiterste concentratie kennelijk niet in de weg, noch het chirurgische precisiewerk. Op een bepaald moment werd het hart van de patiënt stilgelegd, waarna een hart-longmachine zijn bloed rond moest pompen. Na verloop van tijd moest het hart het weer van de hart-longmachine overnemen: in afwachting van dat onverbiddelijke moment – stel dat die 79-jarige tikker het vertikte – bestierf ik het haast van plaatsvervangende stress, maar aan professor Rodrigus kon je niets merken, wat ik dan weer ijzingwekkend geruststellend vond. Hoeveel ton weegt haar verantwoordelijkheid? Ik weet nu ook dat Inez Rodrigus er een esthetiek op nahoudt waar een leek als ik geen weet van heeft. Op het oog is een hart een bloederig, pulserend gezwel in een drassige omgeving, maar professor Rodrigus vindt het ene hart al mooier dan het andere, en zij kan ook waarlijk verrukt zijn over de schoonheid van de onderdelen van dat orgaan. Hartenlust bestaat.

Ik zal een tv-programma niet snel essentieel noemen. Dit keer wel.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234