null Beeld

Gerrit Komrij overleden: Humo-journalist Mark Schaevers geeft duiding

De Nederlandse schrijver, dichter en Humo-columnist Gerrit Komrij is vannacht op 68-jarige leeftijd overleden. Vriend en collega Mark Schaevers stond vanmorgen De Ochtend op Radio 1 te woord.

Maarten Denys


Herbeluister Mark Schaevers over Gerrit Komrij »

Lees een Humo-column van Gerrit Komrij over 'dood' »

In memoriam: Gerrit Komrij (1944-2012)

Eenvoud en liefde

‘Ergens breekt een draadje, knapt een blaas, slibt een opening dicht, en heel het raderwerk ligt stil.’ Schreef Gerrit Komrij in de afdeling ‘Dood, seks en verwarring’ van zijn boek ‘Intimiteiten’.

Dat boek bracht ons in 1993 een eerste keer samen, hij had net de P.C. Hooftprijs gekregen. Wat ik bij een gesprek over literatuur nog nooit had gezien en nu zag, waren ogen die plots konden opvlammen als waren het kooltjes uit de hel.

Voor Gerrit waren de letteren behalve een spel ook een kwestie van leven en dood. Daarom had hij liever geen prutsers, schoolmeesters en zwatelaars in de buurt, op tijd en stond reinigde hij met demonische kracht de kunstenstal. ‘Misschien houd ik binnenkort weleens een hele grote blaaspartij,’ zei hij me die eerste keer. Zodat het aan dat tafeltje in de Amsterdamse sociëteit Arti was dat Gerrit beviel van Patrick Demompere, het pseudoniem waarmee hij een tijd als stalreiniger aan het werk ging in Humo.

‘Hoeveel vrienden heeft een mens?’ vroeg hij zich toen aan datzelfde tafeltje af. ‘Niet meer dan vingers aan één hand.’ Het was een bijzonder moment in mijn leven toen ik niet zo veel later een vinger kreeg van Gerrit. ‘We zijn vrienden,’ zei hij met een uitdrukkelijkheid die me verbaasde, maar misschien ook wel nodig was. Vriendschap was tenslotte één van die begrippen waar hij een leven lang mee worstelde. Vriend en vijand vond hij soms dicht bij elkaar liggen, vijanden - zo zei hij het - zijn dikwijls ook maar vrienden die een beetje in de war zijn.

Die vriendschap leverde me het privilege op heel zeker te weten dat de gevreesde polemist Gerrit Komrij ook een zachte, charmante man was. Iets wat niet iedereen moest weten, vond hij, want een advocaat van de directe bekentenis is hij nooit geweest. Het levert betere literatuur op, wist hij, als je over de lente zingt in de herfst. ‘Als je iets van jezelf weggeeft,’ zei hij me een keer, ‘word je zelf toch minder?’

Kunst is boven je leven uitstijgen: Gerrit was de ontsnappingskunstenaar bij uitstek. Ook als hij later met ‘ik’ leerde schrijven omdat ons tijdperk van een schrijver autobiografisch proza afdwingt, was dat met een slag om de arm. Ik hoor het hem nog zeggen: ‘Een autobiografie kan je toch ook verzínnen?’ Hij wou maskers, en hij wou die maskers kwijt, niet zijn enige tegenstrijdigheid.

***

We hadden een eerste interviewsessie van een dag lang nog datzelfde jaar 1993, in zijn werkkamer in Vila Pouca da Beira, het Portugese dorp waar hij naar eigen zeggen de zwaluwen van gezicht kende. Het was een novemberdag, het licht liet het afweten. ‘Je hebt toch genoteerd hoe mistig het buiten is, je ziet niks,’ zei Gerrit. ‘We hadden om het even waar kunnen zitten, in Rusland of in Vlaanderenland.’

Het kon om het even waar, maar we bleven het dáár herhalen, als een ritueel, altijd weer aan zijn grote schrijftafel, en met een soortgelijk parcours: we hielden pas op als we niet alleen goed gelachen hadden maar ook goed opgeschrikt waren door de demonen in de ons omringende mist.

Ik ken geen begaafder interviewee dan Gerrit. Hij had zelf weet van zijn talent op dat vlak, knipte terecht uit z’n verzamelde interviews een deeltje voor Privé-Domein weg: ‘De buitenkant’. Als je z’n trage spreektempo te pakken kreeg, kon je meedoen aan een soort rap in slow motion, kon je hem begeleiden tot een plek de trance nabij. Als je ‘m z’n aarzelingen maar liet uitbroeien, dan kreeg je de wonderlijkste variaties te horen, bijvoorbeeld over ons voorkeurthema naar het einde van zo’n sessie toe: de onrust die hem nooit verliet.

De ene keer maakte hij er grote gebaren bij: als hij zei dat hij zo graag twee figuren tegelijk zou zijn, én de generaal in uniform die van op een grote steen met z’n zwaard over de wereld scheert, én het onooglijke, gezellige vrouwtje dat rust vindt in de armen van een sterke man, dan speelde hij ze allebei na. De andere keer zei hij het afgemeten, met een wonderlijk compact beeld: ‘Ik wou dat ik een ficus was, maar wel in een hele drukke tent.’ Er woonde veel melancholie in z’n wat slepende stem.

***

‘De demonen van Gerrit Komrij’ was de titel die hij zelf koos toen ik hem een jaar of tien geleden voor Humo om een wekelijks feuilleton verzocht had, een soort ‘Humeuren en temperamenten’ revisited,die wonderlijke introspectie uit 1989. Het zou een boek opleveren dat ‘Demonen’ heet en zo sterk is als de eerste regel: ‘Hoop is de lichtgevende verf waarmee we onze kerker hebben beschilderd.’

Als Gerrit de contouren aftastte van de monsters die hij vermoedde in het duister en de mist, dan vergat hij (één van zijn vele sympathieke kanten) zichzelf niet. Zo schreef hij het een keer op: ‘'Hoe kun je de mensen haten, je bent er zelf toch één?' vraagt iemand me. Ik kijk hem radeloos aan. Zijn vraag klopt niet. De vraag moet anders luiden. 'Hoe kun je de mensen niet haten,' luidt de ware vraag, 'je bent er zelf toch één?'’

***

In zijn abecedarium ‘De buitenkant’ hield hij het - zuinig voor zijn doen - onder het lemma ‘dood’ bij één quote, eentje uit onze eerste rapsessie in de studio van Vila Pouca: ‘Hoewel ik al tien jaar schuin tegenover het dorpskerkhof woon, mogen ze mijn stoffelijke resten met de vuilnisman meegeven, het zal me werkelijk worst zijn.’ Het zal naar verluidt toch dat dorpskerkhof worden waar hij rust, in de bocht naar Avô toe; daar zal hij wel mee kunnen leven, nu hij dood is.

Dat leven niet zonder dood kan, dood niet zonder leven, daar heeft hij zijn leven lang over geschreven, hij kon eindeloos variëren op het thema van de onvermijdelijkheid van de dood. ‘Wind bestaat niet als het continu waait.’ Er is geen boek van Gerrit waar de dood niet doorheen waait. Een grafzuil, zo zei hij het me een keer, is nu eenmaal intrigerender dan een wiegje.

‘Dat ik op steeds vertrouwder voet verkeer met de dood, blijkt al uit het feit dat ik steeds gehechter raak aan het leven,’ heet het in ‘Demonen’. Drie jaar geleden, toen hij vijfenzestig werd (het was in Brussel, er zat publiek bij) vroeg ik hem hoe oud hij graag zou worden. ‘Honderdtien,’ zei hij, ‘dat is nog binnen de grenzen van het mogelijke.’

Ik citeerde bij die gelegenheid wat Carel Peeters ooit in Vrij Nederland schreef: dat Komrij de ingewikkeldste én de simpelste ziel van Nederland was, absoluut solide in zijn tegenstrijdigheid. Dat noemde Gerrit toen een compliment, hij had tenslotte zelf in 1985 die titel bedacht: ‘De gelukkige schizo’. ‘Het had ook ‘De ongelukkige schizo’ kunnen zijn,’ zei hij toen we het er veel later over hadden, ‘want ongeluk is wat mij het gelukkigst maakt.’

Ik vroeg hem op de drempel van de vijfenzestig ook wat hij zelf de sleutelwoorden van z’n oeuvre vond – oeuvre gebruikte ik omdat ik wist dat dit woord hem altijd lachen deed, hem deed denken aan hors-d’oeuvre en spiegeleieren, zoals hij het een keer zei. Het relativeren zat ‘m in het bloed, of misschien moet ik bij een beroemd scatoloog als Gerrit zeggen in de stront – hij beleed de waarheid dat ook de paus en de koningin hun kont afvegen. Die sleutelwoorden, daar had hij geen seconde bedenktijd voor nodig. ‘Eenvoud en liefde,’ zei hij, wat me verraste. De toevoeging onmiddellijk erna klonk al een stuk vertrouwder, met die paradoxale zwenking: ‘Daarom gaan mijn boeken over ingewikkeldheid en oorlog.’

'Ik zit heel simpel in elkaar,' zei hij die keer, 'je probeert datgene te beschrijven wat je in je diepste wezen onrust bezorgt, je fulmineert tegen alle lelijkheid en haat die je op je weg van wieg naar graf voor de voeten geworpen krijgt.'

Daar diende die demonische lach van hem voor: soms had hij, als beschermengel van al het weerloze dat van waarde is, de hulp van de duivel nodig.

***

‘De mensen zijn arm. De mensen rochelen, roddelen en strompelen. De mensen zijn niet gelukkig.’ Schreef hij over zijn ‘niemandsdorp’ Vila Pouca da Beira. Het was een gelukkige omstandigheid dat hij daar belandde: hij was er ver genoeg van Nederland opdat hij dicht bij zijn geboorteland kon blijven. Deze winter nog, toen Nederland gek werd omdat de Elfstedentocht nipt niet kon doorgaan en er de klok rond over niks anders bericht werd, was dat in huize Komrij via de satelliet een immer klaterende bron van hilariteit; had Gerrit dichter bij de bron van deze verdwazing gewoond, hij had zo veel montere vrolijkheid niet kunnen opbrengen.

Hij was licht én zwaar bij onze laatste rapsessie aan zijn schrijftafel. Licht over het pseudogeroddel onder pseudovrienden op Facebook, een aanstekelijke gekte die te veel van zijn tijd was gaan wegvreten. Zwaar over de marginalisering van de literatuur in een tijd die alles aanvrat: ‘Waarheid en kwaliteit zijn vandaag belachelijke woorden geworden, je durft ze niet meer te gebruiken.’ Het waren gezellige dagen; dat Gerrit vroeger dan ooit slapen ging, realiseerde ik me pas achteraf.

Hoe moe hij was, zag ik pas goed in de lente, bij zijn laatste doortocht in België. Ik pikte hem op bij een lezing in Maastricht, we reden door de Maasvallei, lieten Limburg rechts liggen (‘een voorportaal van de hemel die België heette’, noemde hij het ooit), en reden forold times’sake langs Luik. Hij keek gulzig naar de lelijke straten terwijl hij vertelde over de eerste keer dat hij hier was, in carnavalsdagen. Ik heb zijn heimwee naar het verloren paradijs van alle eerste keren altijd aangemoedigd, we hadden het er vaker over: de eerste keer Venetië binnenvaren, de eerste keer discotheek iT binnenstappen om drie uur ’s nachts, de eerste keer ‘de mooiste jongen van Amsterdam’, Charles Hofman, in de ogen kijken.

Bij aankomst in Zaventem stelde hij voor ter plekke de vis van de dag te eten, hij was te uitgeput om nog in Brussel te gaan stappen. ‘Da’s ook de eerste keer,’ merkte hij nog op.

Hij is vervolgens veel verder weggevlogen dan ik had kunnen vermoeden. Dit had ik ‘m nog willen zeggen: dat ook de laatste keer een met goud omrande herinnering kan zijn. Die laatste keer dat hij me, van op de trappen van het Sheraton, met één vinger ten afscheid wuift, die laatste blik van hem, tegelijk hulpeloos en hulpverlenend. De blik van een vrolijk ontredderd mens.

***

‘Wat is een schrijver?’ Gerrits definitie in ‘Eendagsvliegen’: ‘Plankruimte in een bibliotheek die hem heeft gebaard.’ Ik zal hem van de plank blijven grissen, ik zal hem blijven lezen, alleen al om de dood te pesten. In ‘Demonen’ staat geschreven: ‘Dood is ook maar een verzinsel.’

Mark Schaevers

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234