Gesprekken in Genua: Ilja Leonard Pfeijffer, schrijver, denker, ex-bohemien

We hebben afgesproken in het kantoor van schrijver Ilja Pfeijffer, dat de hele binnenstad van Genua bestrijkt. ‘Neem de Via XX Settembre,’ heeft hij me aan de telefoon gezegd, ‘ik pik je wel van de straat op.’ In de gaanderijen van de chique winkelstraat doemt even later de dichter op, met de hem kenmerkende trage tred. Hij lijkt me flink vermagerd, ik moet hem straks vragen waarom. Dat denk ik enigszins zorgelijk, want er is al zoveel te vragen aan het eind van het Pfeijffer-jaar 2016.

'Het ergste moet nog komen, over een jaar of tien zal de wereld heel erg veranderd zijn'

Vroeg in het jaar publiceerde Pfeijffer (48) zijn ‘Brieven uit Genua’, waarin hij zijn privédomein schaamteloos etaleerde, en won hij de VSB-poëzieprijs met ‘Idyllen’, die scherpe piek uit onze poëzie. Aan het eind van het jaar dwong hij vriend en vijand tot commentaar over zijn hoogst verfrissende bloemlezing ‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1.000 en enige gedichten’. Daar kwam nog de vijfjaarlijkse KANTL-prijs bij, uitgereikt door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde: volgens de Academieleden schreef Pfeijffer het beste proza van de jongste jaren met ‘La Superba’, de roman die verweven is met zijn verblijf in Genua. En dan zijn er ook nog zijn politieke columns, die hij als langeafstandsraketten richting Lage Landen stuurt. Waar begin ik in dit doolhof van mogelijke onderwerpen? Terwijl we bij Piazza Matteotti het labyrint van de oude stad induiken, stelt hij me gerust: ‘We hebben een paar dagen.’

Pfeijffer beslist gelijk tot een rondleiding in de avondschemering, door de steegjes waar de rekwisieten van zijn roman ‘La Superba’ uitgestald liggen. Ik zie gezellige cafés en trattoria’s, ouwelijke winkeltjes en prostituees. Eindigen doen we met een prettige voorspelbaarheid bij het terras van Caffè Letterario op Piazza delle Erbe, zijn vaste stek. Ook op een decemberavond geraakt het plein goed gevuld, wat resulteert in een gezellig gekwetter, een fontein van vrolijke stemmen. Ik vraag Pfeijffer wat het eerst in hem opkomt als hij er zich op betrapt te denken aan Holland. ‘De stilte,’ zegt hij, ‘de stille treincoupés, de uitgestorven straten, de perfect aangeharkte verveling.’ Hij bestelt een ijskoffie, ik diep ‘Brieven uit Genua’ op, zijn bijdrage aan de gerenommeerde reeks ‘Privé-domein’ van de Arbeiderspers. De serveerster bekijkt de omslagfoto: Ilja op dit plein.

HUMO Uit ‘Brieven uit Genua’ kun je onthouden dat je gok om een academische carrière als classicus te verruilen voor een literair bestaan best gelukt is. Sommige critici vonden het een ‘borstklopperig boek’, een lange zelffelicitatie.

Ilja Leonard Pfeijffer «Dat boek is bedoeld als een terugblik zo halfweg mijn leven, en als je ruim 700 pagina’s aan je leven wijdt, heeft dat automatisch iets van een zelffelicitatie. Het was niet mijn intentie mezelf de hoogte in te schrijven, maar wel om eerlijk te zijn. Binnen de kaften van dat boek is niks verzonnen, en dat was het moeilijkste aan dat project, dikwijls heb ik gedacht ermee te stoppen. Er zijn talloze passages waar ik mezelf bepaald niet in bescherming neem, en ook enkele passages waar ik – vanuit de opdracht eerlijk te zijn – schrijf over dingen waar ik trots op ben, en die laatste blijven dan bij sommige critici hangen.»

HUMO Iets wat ook blijven hangen is: in de terugblik op je jongere jaren passeren je ex-vriendinnen met naam en toenaam en gequoteerde bedprestaties. Het is een lange lijst van onbekende én bekende namen. Een poging om wat opschudding te verwekken?

Pfeijffer «Dan toch het soort opschudding waar ik me veel zorgen over maakte. Ik vergelijk het schrijven van dat boek met een psychoanalyse, waarbij je dan ook nog eens je eigen therapeut bent, want zo intensief was het wel: vier jaar lang heb ik in mezelf gegraven, in sessies van zeven, acht uur. Ik wou niks verzwijgen wat ooit belangrijk voor me is geweest, dus ook niet die relaties. De uitgever werd er zenuwachtig van, won juridisch advies in, en de advocaat suggereerde me die passages te anonimiseren. Maar dat kon ik niet doen, vond ik, het hele project had maar zin als ik echt eerlijk was. Slechts een paar namen heb ik niet genoemd, omdat ik die vrouwen echt schade zou berokkenen. Tegelijk wou ik niemand kwetsen en ik heb het verschijnen van het boek met angst en beven tegemoet gezien. Gelukkig is het allemaal meegevallen.»

HUMO Het valt op hoeveel van je exen achteraf lesbisch zijn geworden. Na Pfeijffer…

Pfeijffer «Ik geef daar verschillende verklaringen voor. De waarschijnlijkste is dat het bijna ondenkbaar is dat na mij een andere man kan volstaan (lacht).»

HUMO ‘Een kutgenre’ noem je de autobiografie in dat boek: vind je het uiteindelijk goed dat je die oefening in eerlijkheid eens hebt gedaan?

Pfeijffer «Natuurlijk was het goed, want het móést. Een ander antwoord dan die literaire noodzaak heb ik niet. Heel mijn werk gaat over de verhouding tussen fantasie en realiteit: voor één keer wou ik die kwestie eens helemaal vanuit de realiteit benaderen.»

HUMO Het liep op een pijnlijke vaststelling uit: je bestaan als bohemien bleek een rol, en die beviel je niet meer.

Pfeijffer «Het was vooraf niet de bedoeling dat ik dat tijdens het schrijven zou ontdekken, daarom was het zo confronterend. Ik kwam erachter dat ik op een doodlopende weg beland was. Aan de buitenkant zag mijn leven er leuk en benijdenswaardig uit, maar veel schot zat er niet meer in. Ik leerde niet veel meer en alles wat ik meemaakte, maakte ik mee op papier. Als je eenmaal aan zo’n rol vastzit, is het niet makkelijk die af te schudden – ook al omdat ik er zelf in was gaan geloven.»

HUMO De bohemien dient veel te drinken: alcohol zag je als je grote bondgenoot.

Pfeijffer «O ja, daar had ik mezelf geheel en al van overtuigd: dat drank goed voor me was, bij mij hoorde. Het was een levensstijl geworden: ‘Drink niet tegen me op, ik zal je vermorzelen!’ Ik kón ook goed tegen de drank: ik had geen kwade dronk, en tot in een heel ver stadium kon ik mezelf onder controle houden. Of dat dacht ik toch, want inmiddels heb ik geleerd dat wel heel veel mensen ervan overtuigd zijn dat ze dat kunnen. Het is niet makkelijk toe te geven dat de drank te belangrijk geworden is in je leven.»

HUMO Naar het einde van het boek toe schrijf je je uitgever dat je voor je boek behoefte hebt aan een wending in je leven. En zie, als een deus ex machina duikt ze op: Stella, de nieuwe liefde in Genua.

Pfeijffer «De waarheid is soms te ongeloofwaardig om ze op te schrijven, maar zo is het echt gegaan. Met mijn literaire timmermansoog besefte ik dat het boek een wending nodig had. Maar ik mocht niks verzinnen, ik moest die spectaculaire wending in het echt meemaken. En dat gebeurde dus. Pas geleidelijk ben ik gaan inzien dat niet mijn boek maar mijn leven behoefte had aan die verandering: de drank stond mijn eigen ontwikkeling in de weg.»

HUMO Stella had de kracht je droog te leggen.

Pfeijffer «Als ik met Stella wilde zijn, moest ik stoppen met drinken, die eenvoudige keuze was me meteen duidelijk. Zonder haar was ik niet op het idee gekomen dat het anders zou moeten, en ik had het ook wel nodig dat ik het kon doen voor haar: een romantisch offer voor de liefde. Maar goed, vervolgens moest ik het wel echt zélf doen, dat stoppen met drinken.»

HUMO Aan het eind van het boek is je dat gelukt. Ik heb getwijfeld of ik een Chouffe zou meebrengen: drink je nog altijd niet?

Pfeijffer «Na ruim anderhalf jaar drink ik nog steeds geen druppel. Ik ben 15 kilo vermagerd.»

HUMO Chapeau.

Pfeijffer «Dank je. Het is het moeilijkste wat ik ooit heb gedaan. Want misschien nog moeilijker dan geen alcohol meer te drinken was dat ik mijn hele identiteit kwijtraakte. Ik moest mezelf opnieuw uitvinden. Alles was ondergeschikt geraakt aan de drank, alles draaide erom dat ik om een uur of vijf aan dit tafeltje belandde, waar de rest van de avond drank zou zijn.»

'Stoppen met drinken is het moeilijkste wat ik ooit gedaan heb. Ik moest mezelf opnieuw uitvinden'

HUMO In ‘La Superba’ schreef je uitvoerig over een collega-bohemien, de excentrieke Brit Don, koning van Piazza delle Erbe. Zijn onfortuinlijke einde heeft je allicht ook geïnspireerd om met de drank te kappen.

Pfeijffer «Don was glorieus geslaagd in zijn streven om een mythe te worden, en ik heb daar zelf toe bijgedragen door over hem te schrijven. Hij vond dat zelf geweldig, maar toen hij in ellendige omstandigheden stierf, kreeg ik daar bijna spijt van en stelde ik me veel vragen. Moet je ernaar streven een mythe te worden? Had Don geen karikatuur van zichzelf gemaakt? Don zat elke avond aan zijn vaste tafel gin-tonic te drinken, daar week hij niet van af, hij was heel egoïstisch. Als zijn zus uit Manchester op bezoek was, gingen wij met haar uit eten, en niet hij: zijn taak was het gin-tonic te drinken aan zijn tafeltje. Ik zag de overeenkomsten met mijn eigen leven. Was ik ook niet bezig een mythe van mezelf te maken? Het klinkt heldhaftig, je leven in teken van de kunst stellen, je bestaan aan de poëzie op te offeren, maar eigenlijk slaat dat soort romantiek op niks.»

HUMO Als bohemien was je de liefde ook flink gaan relativeren: je vond het vooral wérk, al die begeerte: ‘Misschien heb ik wel genoeg geneukt in mijn leven.’

Pfeijffer «Het is alsof Stella in mijn leven gekomen is om al mijn eerdere met zoveel aplomb gedane beweringen over de liefde te ontkrachten. ’t Is bijna een bekering. Je kunt atheïstisch redeneren dat er geen God bestaat, maar dan word je getroffen door een bliksemschicht: al die andere argumenten zijn dan nog wel geldig, behalve dat ze nergens meer op slaan. Het belangrijkste verschil is dat ik nu niet meer alleen ben, niet alleen meer voor mezelf leef – en dat is voor het eerst in mijn leven.»

HUMO Hoe kijk je als ex-bohemien, als ik je zo noemen mag, op je vroegere werk terug?

Pfeijffer «Emeritus bohemien is misschien beter. Ik wil die boeken niet afvallen. Het is een fase geweest, en nu kunnen we naar iets nieuws. Daar was ik allang aan toe, maar Stella bood een alternatief verhaal, een aanlokkelijk perspectief.»

HUMO En vinden ze hier in het café, waar je naar eigen zeggen een maandloon achterliet, het nieuwe perspectief even aanlokkelijk?

Pfeijffer «Het is ze wel opgevallen. Ze hebben personeel moeten ontslaan (lacht).»


Dom is dom

We zijn Stella gaan oppikken in de kunstgalerie waar ze werkt, hebben goed gegeten in restaurant Mangiabuono en ’s anderendaags, op een terras dichter bij de haven, moet ik toegeven dat Stella tot het soort sterren behoort dat een leven een andere kant op kan leiden.

Pfeijffer «Ik had ook weleens het gevoel aan een nieuwe plek toe te zijn, maar met Stella heb ik een zwaarwichtig motief gevonden om hier in Genua te blijven.»

HUMO Je band met Genua zal spoedig ook weer blijken uit een documentairereeks die je hier voor de VPRO maakt, ‘Via Genua’. Wat mogen we verwachten?

Pfeijffer «Géén politiek pamflet, want dat zou totaal oninteressant zijn. De VPRO heeft nog de moed om de dingen een beetje los te laten: de reeks is opgevat als een echte zoektocht. De vraag die we ons stellen: is Genua het voorland van Europa? In onze gelukzalige Rijndelta is het gemakkelijker om de ogen te sluiten voor de massale immigratie, die hebben ze daar pas in 2015 ontdekt toen die migranten allemaal over de snelweg naar Wenen gingen lopen. Italië kampt al vijftien jaar met dat probleem, omdat het zo dicht bij Afrika ligt, en veel migranten komen in de havenstad Genua terecht. We lopen straks even door Via di Pre, de straat die het uitgangspunt van de documentaire wordt. Je zal zien: het is daar Afrika.»

HUMO Wat heb je zelf geleerd van die zoektocht?

Pfeijffer «Dat er geen simpele oplossingen zijn. Ik heb meer oog gekregen voor positieve dingen, zoals de enorme veerkracht en onderlinge solidariteit van die vluchtelingen in de afschuwelijkste omstandigheden – het zijn vaak bewonderenswaardige mensen. Maar tegelijk besef ik steeds meer hoe moeilijk het voor hen is een toekomst op te bouwen in Europa, en al helemaal in Italië. We filmden een jongen die nog maar een paar dagen eerder was aangespoeld met een boot vanuit Libië. De angst stond nog in zijn ogen wanneer hij vertelde hoe die boot begon te zinken, hoe de opvarenden allemaal hun kleren uitdeden om het lek te dichten. Het is een heel intelligente jongen. Inmiddels zit hij in een wijk in het noorden, met de bus een uur van hier: hij verveelt zich dood, mag niets, kan niets doen. Je gaat beseffen dat de lokroep van de criminaliteit zowat de enige uitweg wordt.»

[imageid:1645455;width:440;height:;align;right]

'Veel van mijn exen zijn lesbisch geworden, het is ondenkbaar dat na mij een andere man kan volstaan'

HUMO Je schreef vorig jaar het boek ‘Gelukszoekers’ met een duidelijke boodschap: evenmin als de regen kun je migratie tegenhouden.

Pfeijffer «Als je ziet welke ongelooflijke vernederingen die vluchtelingen trotseren om hier te raken, snap je dat de stroom nooit zal ophouden. Daar ben ik nog meer van overtuigd geraakt, maar het is me ook duidelijker geworden hoeveel er moet gebeuren om die mensen te kunnen opvangen. Bij geen van de migranten die ik heb geïnterviewd, ontbreekt het aan goodwill, ze komen om te werken, niet om te profiteren of om drugs te dealen. Dat het toch zo loopt, heeft te maken met een maatschappij die hen uitsluit.»

HUMO De dominante houding in het noorden is dat we deze invasie cultureel en economisch niet aankunnen. Je houdt er rekening mee dat jouw opinie als die van een Gutmensch wordt weggezet?

Pfeijffer «Laat ik Gutmensch dan als geuzennaam op me nemen. Ik maak me grote zorgen over de toon van het debat. Het populisme heeft de wind mee, of laten we het maar het fascisme noemen, dan weten we tenminste waar we het over hebben. Het zorgelijkste is dat feiten doelbewust genegeerd worden, met als meest eclatante voorbeeld de verkiezingscampagne van Trump. Zelfs het argumenteren als zodanig wordt gezien als een vuil trucje van de elite.

»Ook al kun je er vandaag politiek niet mee scoren, het blijft wel een goed idee om je grenzen open te stellen. Dat je er duizenden mensenlevens mee kunt redden, zou al moeten volstaan als argument: Afrikanen zouden het vliegtuig kunnen nemen in plaats van op gammele bootjes te stappen. Het is een recordjaar geworden, hè, met haast 5.000 doden in de Middellandse Zee. Europa zou bovendien baat hebben bij open grenzen, want we hebben gezien de vergrijzing immigratie nodig. En als je open grenzen hebt, kunnen de Afrikanen ook weer terugkeren, want zij zijn ook pragmatisch, ze komen alleen als er werk is. Herinner je je de bangmakerij toen de grenzen voor de Polen opengingen? Ze stonden met miljoenen klaar om van onze welvaartsstaat te komen profiteren, heette het, maar dat doemscenario is nooit uitgekomen.»

HUMO Het doemscenario ‘Trump als president’ is wel uitgekomen. Je reageerde met een gedicht dat begon met: ‘Nu de wereld de verkiezingen verloren heeft’.

Pfeijffer «Zo voel ik het, het is een buitengewoon zorgwekkende ontwikkeling. Een fascist in het Witte Huis! Een fascist als leider van de mondiale supermacht, als opperbevelhebber van de grootste nucleaire mogendheid, en ook nog eens een klimaatscepticus aan het hoofd van de grootste industriële natie… »

HUMO Les één om Trump en zijn gelijken te bestrijden, hoor ik geregeld: demoniseer populisten niet, noem ze geen fascisten, hou ze niet voor dom.

Pfeijffer «Ik word daar erg moe van. ‘We hebben Trump onderschat,’ was in Nederland één van de reacties van de publieke omroep, de NOS: ‘We moeten de boze burger meer een stem geven.’ Maar de boze burger is al de hele tijd op de tv! Moeten we nog méér mongolen in beeld brengen die roepen ‘Daar moet een piemel in!’ Nee. Voor onwetendheid moet je geen begrip opbrengen, onwetendheid moet je bestrijden. Anders blijf je maar aanmodderen. Als zij de oorlog verklaren aan de elite, en wij de elite zijn, dan kunnen ze die oorlog krijgen. Dan gaan we het gevecht aan, in plaats van begripvol te zitten knikken: ‘We moeten beter naar jullie luisteren.’ Fuck that! Dus we gaan ze wel dom noemen, ja.

»Het échte probleem waar je vroeg of laat op uitkomt, is dat het heel moeilijk is om de democratie met vol enthousiasme te blijven verdedigen. Als een meerderheid het land naar de kloten wil, dan zegt een democratie: het zij zo, daar moet je je bij neerleggen. Dat probleem zit ingebakken in de democratie, de oude Griekse wijsgeren hebben dat al feilloos geanalyseerd: in een democratie kan het plebs de macht nemen. Zoals in de jaren 30 een falende democratie tot een dictatuur heeft geleid: we zijn gewaarschuwd.»

HUMO We hebben vandaag linkse populisten nodig, zegt de radicale intello Slavoj Zizek. Zie je wat in Beppe Grillo, die hier in de buurt woont?

Pfeijffer «We hebben géén linkse populisten nodig. Kwaad moet je niet met kwaad van een andere kleur bestrijden. Het is zoals Michelle Obama zei: ‘When they go low, we go high.’ Dat is meer het discours van Bernie Sanders. En in Nederland zie ik enige hoop in de jonge Jesse Klaver, die langetermijnvisies durft te presenteren op een heel antipopulistische manier.

»Beppe Grillo zou ik trouwens geen linkse populist noemen, ik heb hem hier twee keer horen spreken op een massabijeenkomst. Zoals hij daar staat te schreeuwen is hij beangstigend, hij is een gevaarlijke man, heel rechts inzake migratie.»

HUMO Ik onthou uit je recente politieke geschriften: ‘Het ergste moet nog komen.’

Pfeijffer «Ik ben niet optimistisch gestemd. Over een jaar of tien zal de wereld heel erg veranderd zijn, veel dingen die we nu als zekerheden beschouwen, zullen niet meer bestaan. Kapitalisme, democratie, dat zijn allemaal verliezende concepten.»


Kus mijn kloten

Terwijl de woorden van Pfeijffer bezinken, haal ik zijn bloemlezing ‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1.000 en enige gedichten’ boven, een dikkerdje van haast 1.500 pagina’s dat onze poëzie een stevige nieuwe adem weet in te blazen.

'Voor onwetendheid moet je geen begrip opbrengen, onwetendheid moet je bestrijden'

HUMO Het was geen geringe claim die je ergens in een interview maakte: je zou zo’n half miljoen gedichten gelezen hebben om er ruim duizend uit te kiezen.

Pfeijffer «Iemand van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag heeft berekend dat we er zo’n 10.000 titels aangevraagd hebben. Neem een gemiddelde van vijftig gedichten per bundel, dan heb je het over een half miljoen gedichten. Zo’n bloemlezing is natuurlijk onbegonnen werk als je daar onvoorbereid aan begint. De meeste oudere dichters kende ik al, de jongere dichters ken ik meestal van reputatie.»

HUMO Het is toch geen bloemlezing van reputaties geworden?

Pfeijffer «Natuurlijk niet, maar helemaal blanco sta je er niet tegenover: je weet waar je moet gaan zoeken. En je leest niet elk gedicht van a tot z. Als er in de eerste twee regels niks interessants gebeurt, is de kans klein dat het verderop wél het geval is. Het viel me trouwens geweldig mee: de jongste dichters, zowel in Nederland als Vlaanderen, zijn erg goed. Je zou schoorvoetend van een bloeiperiode van de poëzie kunnen spreken. Deels komt dat door de podiumcultuur: de jongste generatie heeft gevoel voor ritme en is zich ervan bewust dat je een publiek moet bereiken – een scherp contrast met de dichters van de jaren 70 en 80, die meenden dat het genoeg was om op hun onwelriekende zolderkamer eenzelvige verzen te maken. Nederlandse en Vlaamse dichters kennen en lezen elkaar ook beter dan decennialang het geval is geweest.»

HUMO In het spoor van de bloemlezing van Gerrit Komrij uit 1979 vertrouwde je geheel op eigen smaak, in jouw geval betekent dat veel ‘rare’ gedichten, veel muzikale gedichten ook of poëzie ‘stinkend naar de actualiteit’. Was Komrij een leermeester?

Pfeijffer «Ook al spraken we nooit met elkaar af, ik zou Gerrit zonder reserve een vriend durven te noemen, we kwamen elkaar voortdurend wel ergens tegen. Hij is voor mij een leermeester als bloemlezer, maar ook als polemist. Gerrit leerde me dat een polemist geduldig moet zijn, hij kon jarenlang het juiste moment afwachten om terug te slaan. Wat ik ook heel mooi vond aan zijn manier van polemiseren, was zijn elegantie.»

HUMO Komrij werkte vanuit Portugal aan z’n bloemlezing, jij vanuit Italië: een beetje afstand helpt?

Pfeijffer «Ik vond het alleszins heel prettig dat, toen mijn bloemlezing eenmaal was verschenen en al het gekrakeel losbarstte, ik me in mijn zuidelijke residentie, 1.200 km van het kippenhok, kon terugtrekken. Het helpt ook om dat gekrakeel te relativeren.»

HUMO De bloemlezing van Komrij noopte een aantal dichters tot een kortgeding, nu blijft het gekrakeel beperkt tot wat grote woorden in kleine kring. Over de impact van poëzie vandaag heb je een wat dubbele boodschap: niemand leest nog gedichten, zeg je enerzijds, anderzijds verhoop je van je bloemlezing ‘het effect van een baksteen’.

Pfeijffer «Ik word weleens op en neer gegooid tussen die uitersten. Met die bloemlezing kan ik misschien 10.000 mensen bereiken, met veel geluk in de loop der jaren misschien 100.000. Is dat de moeite waard? Of het een succes is of een nederlaag, hangt af van je humeur.»

HUMO Eén kwestie ‘verhitte de gemoederen’, als we De Morgen mogen geloven. Je selecteerde één gedicht van de populaire Nederlandse dichteres Tjitske Jansen, maar ze weigerde de opname omdat ze achter die zuinige selectie een strafmaatregel van jouw kant vermoedde: jaren geleden was ze een keer niet ingegaan op je avances.

Pfeijffer «Die aandacht heeft me wel gestoord, want het is een kwestie van niks.»

HUMO Je hebt er inmiddels ook op gereageerd, iets in de trant van: ‘I did nót ask for sex with that woman’.

Pfeijffer «Uiteindelijk is het alleen spijtig dat er géén gedicht van haar is opgenomen, want ze is een goeie dichteres. De rest – ook al zou het waar zijn, wat het niet is – heeft er niks mee te maken.»

HUMO In het labyrint van het internet zag ik ook een reactie voorbijflitsen van Koenraad Goudeseune, een dichter die je geen vermelding waardig achtte: ‘Kus mijn kloten!’ Heb je begrip voor dit soort reacties van dichters aan wie je de toegang tot de Olympos weigerde?

Pfeijffer «Velen hebben het niet gehaald, en daar kan ik verder niets aan doen. Ze hadden maar betere gedichten moeten schrijven. Ik kan zo’n reactie ook opvatten als een compliment: kennelijk vindt Koenraad Goudeseune het van belang om in mijn bloemlezing te zijn opgenomen. ‘Kus mijn kloten!’ kan ook een goeie reactie zijn als hij bedoelt: ‘Bekijk het maar, ik ga toch lekker door.’ En hij kan altijd zelf een bloemlezing maken.»

HUMO De dichtersbiotoop is klein, je hebt er vele vrienden en vriendinnen. Is het überhaupt mogelijk te bloemlezen volgens Komrijs adagium ‘Kijk naar de gedichten, niet naar de dichters’?

Pfeijffer «Ik heb mijn best gedaan, voor zover dat gaat. Vrienden voortrekken, of vijanden expres met hun slechtste gedichten representeren, dat soort spelletjes heb ik niet willen spelen. En evenmin heb ik nepgedichten opgenomen, nog zo’n spelletje van Gerrit.»

HUMO Je neemt maximum twaalf gedichten op, iets wat slechts twee levende dichters vergund is: Tonnus Oosterhoff en Erik Jan Harmens. Die laatste is een vriend met wie je recent samen een bundel schreef.

Pfeijffer «Ja, en dat doe je niet met de eerste de beste, alleen met iemand die je bewondert. De vriendschap staat er dus los van, ik vind Erik Jan Harmens één van de interessantste dichters van het moment, samen met Tonnus Oosterhoff

HUMO Door het aantal opgenomen gedichten te turven, valt ook wiskundig exact te achterhalen wie je de grootste Vlaamse dichter vindt onder de levenden.

Pfeijffer «Dat heb ik niet eens geturfd. Mijn favoriete Vlaamse dichter is Hugo Claus, en die is dood. Wie is het dan wel geworden? »

HUMO Charles Ducal, Stefan Hertmans en Leonard Nolens kregen elk zeven gedichten, boven hen uit tilde je Peter Verhelst, met elf gedichten.

Pfeijffer «Leuk spelletje, dat tellen, je moet er vooral niet te lang mee bezig zijn. Maar ik ben het alsnog met die rangorde eens: ik hou van Peter Verhelst omdat hij telkens weer iets anders doet, risico’s neemt.»

HUMO De Vlaamse dichters noem je zelf ‘met recht genereus vertegenwoordigd’. Iemand heeft het nageteld: één dichter op de vijf komt uit het zuiden. Demografisch gezien is dat een genereuze ondervertegenwoordiging.

Pfeijffer «Dan zou ik nog wel een bloemlezing willen zien met een hoger percentage Vlamingen – Komrij had er minder, denk ik. De vroege Vlaamse poëzie was vaak religieus gekleurd, daar heb ik weinig van opgenomen.»

'Als je ziet welke ongelooflijke vernederingen die vluchtelingen trotseren, snap je dat de stroom nooit zal ophouden'

HUMO Na de Vlamingen past het ook de vrouwen eens te tellen: weer één op de vijf.

Pfeijffer «Kijk dan eens naar de jongste generatie, daar komt het in de buurt van fiftyfifty. In de eerste generaties was het aanbod ook geen fiftyfifty – natuurlijk is dat een grote onrechtvaardigheid, maar dat kun je de bloemlezer niet verwijten.»

HUMO Opvallend is het belang dat je hecht aan liedjesteksten. Vier keer duikt Lennaert Nijgh op, leverancier voor Boudewijn de Groot. Is ‘Het land van Maas en Waal’ grote poëzie?

Pfeijffer «De grootste liedjesschrijfster is Annie M.G. Schmidt, maar ook Lennaert Nijgh vind ik echt grote kwaliteit hebben. Misschien geen Nobelprijskandidaat, maar zijn beste teksten kunnen wedijveren met de andere gedichten in de bloemlezing. Ik vind ‘Het Land van Maas en Waal’ ijzersterk, en eigenlijk atypisch voor een songtekst met z’n grote informatiedichtheid en sterke beelden.»

HUMO Je schrijft zelf liedjesteksten voor Ellen ten Damme, en noemde dat weleens ‘heerlijk hondsmoeilijk’.

Pfeijffer «Ja, omdat je niet alleen aan een boel formele eisen moet voldoen, maar het moet ook nog eens geloofwaardig klinken uit háár mond: het is bijna zoals je een tekst op een personage schrijft voor een toneelstuk.»

HUMO Laten we, zo aan het eind van het jaar, ook maar meteen de discussie afsluiten of Bob Dylan terecht de Nobelprijs Literatuur won.

Pfeijffer «Om te beginnen zie ik geen enkele reden om hem op formele gronden te diskwalificeren. Sappho schreef de oudste Europese gedichten en dat zijn ook songteksten. Dus Dylan mag meedoen, maar dan duikt wel de vraag op of hij ook echt beter is dan de groten onder de dichters, en dat is natuurlijk niet zo. Neem zo’n tekst als die van ‘A Hard Rain’s A-Gonna Fall’: die zit vol clichés en poëtisch bedoelde beeldspraak. Duizenden dichters schrijven interessantere teksten, en daarom was die keuze belachelijk.»

HUMO De jonge Dylan van ‘A Hard Rain’s A-Gonna Fall’ roerde zich wel in de discussies, en jij vindt dat dichters van nu dat ook moeten doen. Dat leid ik af uit het enige gedicht van jezelf in de bloemlezing. Je zegt je collega’s daarin dat het, nu de winter komt, in de poëzie ergens over mag gaan.

Pfeijffer «Het móét ergens over gaan, zou ik zeggen.»

HUMO ‘Ik heb het zelf in het verleden fout gedaan,’ is een regel uit dat gedicht.

Pfeijffer «Zowel de wereld als mijn poëtica zijn veranderd. In mijn vroege poëzie wilde ik zekerheden ondermijnen, dingen op een rare manier zeggen. Vandaag is daar geen behoefte meer aan, eerder aan het tegendeel. Er zijn al zoveel onzekerheden: wat valt er nog te ondergraven als alles al ondergraven is?»

Ilja Leonard Pfeijffer,

‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1.000 en enige gedichten’, Prometheus

‘Brieven uit Genua’, Privé-domein, De Arbeiderspers

‘Idyllen. Nieuwe poëzie’, De Arbeiderspers

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234