Geweld in de jeugdpsychiatrie: de hel van de isoleercel

Eén op de vijf minderjarigen in de jeugdzorg is al ooit in een isoleercel beland, soms 24 uur lang, blijkt uit cijfers die Freya Van den Bossche (SP.A) in het Vlaams Parlement heeft voorgesteld. Psychotherapeut Tom Verhaeghe: ‘Het erge is dat die jongeren, net op de momenten dat ze doorslaan, eigenlijk ontredderd zijn en ze om hulp schreeuwen.’

'Mijn dochter lag in het midden van de cel, met riemen vastgebonden, enkel nog haar slipje aan. Dat beeld laat me nooit meer los'

Agressief gedrag is bij kinderen met psychische kwetsuren vaak hun manier van communiceren. Als je zo’n kind helemaal alleen in een cel zet, net op het moment dat het de aanwezigheid van een ander zo nodig heeft, voelt het zich – meestal voor de zoveelste keer in zijn leven – vreselijk in de steek gelaten. Tom Verhaeghe nam ontslag uit de afdeling jeugdpsychiatrie omdat hij dat tegenover zichzelf niet meer kon verantwoorden. ‘Elke dag waren er bij ons isolaties,’ zegt hij. ‘En wat denk je dat er gebeurt als een meisje dat als kind is misbruikt en opgesloten een paniekaanval krijgt, agressief wordt, en dan door vier mensen wordt overmeesterd en naar een isoleercel gesleept? Ze herbeleeft wat haar in haar jeugd is aangedaan. Zo genees je een trauma niet, je maakt het alleen maar erger. Ze heeft nood aan een band met iemand die ze kan vertrouwen.’

Het is moeilijk te geloven dat het in deze tijd nog steeds dagelijkse praktijken zijn. Ook voor Christa was dat onvoorstelbaar. Haar dochter was een rustig kind dat altijd hoge cijfers haalde.

Christa «We hadden nooit last met haar. Ze was de braafheid zelve. In het derde middelbaar belde opeens het medisch toezicht van de school: ‘Uw dochter doet aan zelfverminking.’ Ik wist niet wat ik hoorde. Toen ik er met haar over wilde praten, werd ze woest. Dat had ik nog nooit meegemaakt. Ze vond het vreselijk dat wij haar geheim hadden ontdekt. Opeens begreep ik ook waarom ze de badkamerdeur sinds kort op slot deed. Langzamerhand kwam ik erachter hoe ongelukkig ze was. Ze had geen zelfvertrouwen, stelde heel hoge eisen aan zichzelf, en als ze daar niet aan kon voldoen, viel ze in een put. Ik vond ook gedichten waaruit bleek dat ze niet meer wilde leven.»

Christa’s dochter ging niet meer naar school. Via het CLB werd er toen een dwangmaatregel opgelegd: als ze niet terugkeerde, zou er ingegrepen worden.

Christa «Ik werd steeds radelozer, vooral omdat ik niet wist wat er in haar hoofd omging. We hebben de ene psycholoog na de andere bezocht, maar ze wilde met niemand praten. We hebben zelfs een neuroloog geraadpleegd om te zien of er misschien een probleem met haar hersenen was. Hij was degene die zei: ‘Mevrouw, u moet ingrijpen. Het is niet tien voor twaalf maar kwart over.’

»Ze heeft drie zelfmoordpogingen gedaan. De laatste keer vond ik haar op een bierbak, onder een touw aan een balk. Ze zei: ‘Zie je nu dat ik niks waard ben. Zelfs dit kan ik niet.’ We waren ten einde raad, durfden niet meer te gaan werken, leefden constant met de schrik: als we haar alleen laten, ligt ze straks dood thuis.»


Gedwongen opname

Uiteindelijk schreef Christa een brief aan de jeugdrechter die de dwangmaatregel had opgelegd. Ze vroeg haar om hulp, in de hoop dat de rechter met haar kennis van de sector zou weten wat het beste was voor haar dochter.

Christa «Als ik toen had geweten wat ik daarmee over mijn dochter heb afgeroepen…

»Via de huisdokter hoorden we dat de jeugdrechter had bepaald dat onze dochter zou worden opgehaald voor een gesprek met een psychiater. We wisten niet wanneer dat zou gebeuren. Op een avond werd er aangebeld en stonden er drie agenten en een deurwaarder voor de deur om haar mee te nemen. Ik mocht er niet bij zijn, bleek toen. Mijn dochter wou niet mee. De huisarts werd erbij gehaald. Iedereen heeft geprobeerd met haar te praten, maar ze werd alleen maar bozer en bozer. Op den duur restte er maar een ding: dwang, haar meepakken als een crimineel. Handboeien aan en meesleuren. Hoe kunnen ze nu denken dat er na zo’n ervaring nog iets gaat komen van dat gesprek met een psychiater? Ze was in alle staten, hebben we later gehoord.»

Omdat haar ogen wegdraaiden, vond de psychiater dat ze moest worden gecontroleerd op drugs.

Christa «Drugs! Mijn dochter! Dat was echt totaal niks voor haar. Maar toch wilden ze bloed prikken. Daarvoor moesten haar armen bloot. De armen waar ze in sneed. Haar meest geheime, meest kwetsbare plek. Natuurlijk verzette ze zich daartegen als een wild dier. Ze sloeg om zich heen alsof haar leven ervan afhing.

»Nu, wij wisten dit allemaal niet. Wij zaten thuis te wachten tot ze terugkwam van het gesprek. Ze was om 7 uur vertrokken. Om 10 uur was ze nog niet terug. Om 11 uur nóg niet. Om 1 uur ’s nachts hadden we nog steeds niks gehoord en waren we vreselijk ongerust. Om 2 uur stonden er twee politieagenten voor de deur die zeiden dat ze onmiddellijk gecolloqueerd was en naar een gesloten psychiatrische inrichting was gebracht. We mochten haar veertien dagen lang niet zien. Ik ben toen volledig ingestort. Ik wilde erheen, haar daar weghalen, maar als je kind gecolloqueerd is, staat ze onder voogdij van de staat en heb je niets meer over haar te zeggen. Ik stond totaal machteloos. Alles was onwerkelijk: mijn dochter, die nog nooit een vinger naar iemand had uitgestoken, gewelddadig? Ik kon het niet geloven.

»Gelukkig werden we de volgende ochtend opgebeld door de hoofdverpleger die zei: ‘Mevrouw, uw dochter is hier vannacht binnengebracht en ik weet dat u haar eigenlijk niet mag zien, maar ik wil dat u zo snel mogelijk komt.’ Ik ben meteen in de auto gesprongen. Daar aangekomen hoorde ik van de hoofdverpleger dat mijn dochter volgens zijn collega’s zo agressief was geweest dat ze haar naar een isolatiecel hadden gebracht. Hij bracht me naar die cel en deed de deur open, en wat ik toen zag… De kamer was helemaal leeg, alleen in het midden stond een blok. Daarop lag mijn dochter met riemen vastgebonden, met enkel nog haar slipje aan, terwijl ze haar maandstonden had. Haar snijwonden, die ze zo minutieus verborg, open en bloot. Het eerste wat ze zei was: ‘Mama, mijn kleren! Alsjeblieft mijn kleren!’

»‘Ga haar kleren halen,’ heb ik tegen de verpleger geroepen, die me meteen een handdoek gaf om haar te bedekken. ‘Mevrouw,’ zei hij, ‘ik vind dat dit eigenlijk niet kan. Daarom heb ik u gebeld.’ Dat had hij op eigen initiatief gedaan. Ik neem daar mijn hoed voor af. Hij heeft haar losgemaakt, ik heb haar aangekleed en naar haar kamer gebracht. Daar heeft ze wekenlang gezeten zonder tegen iemand een woord te zeggen. Ze at niet, dronk bijna niet. Dat je om hulp vraagt voor je kind en dat ze haar dan zoiets aandoen, daar kan ik met mijn verstand niet bij.»

Pas na veertien dagen kreeg Christa de hoofdpsychiater te spreken, die meteen toegaf dat haar dochter eigenlijk niet thuishoorde in de volwassenenafdeling. Ze werd overgebracht naar een jeugdafdeling, waar ze ook school kon lopen. Daar heeft ze zich dan helemaal op gestort. Maar intussen waren er dingen gebeurd die onuitwisbare sporen hebben nagelaten.

Christa «Ze snijdt zich nog steeds. Ze zit nog steeds met angsten, maar we weten nog steeds niet wat er precies aan haar scheelt. Er is nooit een diagnose gesteld en ze heeft nooit willen praten over wat er die bewuste avond is gebeurd. Met geen woord. Ze wil ook absoluut niet meer naar een psycholoog. Daarin heeft ze ieder vertrouwen verloren.

»Ik heb haar een keer gevraagd of ze boos op me was. ‘Nee, mama,’ zei ze. ‘Ik begrijp het wel.’

»Maar dat beeld van dat vastgebonden, blote, kwetsbare meisje op dat blok, dat laat me niet los. Elke dag knaagt het schuldgevoel en denk ik: ‘Had ik het maar geweten, dan had ik het nooit gedaan.’ Maar ja, denk ik dan ook: ‘Dan was ze er nu misschien niet meer.’»

'Vertel nooit aan iemand dat je de maatschappij niet begrijpt, en zeker nooit dat je dood wilt zijn. Want dan word je gestraft'


Repressie

Dat de hulpverlener zich niet goed voelde bij de opsluiting van Christa’s ontredderde dochter, begrijpt Tom Verhaeghe heel goed.

Tom Verhaeghe «Ik vond het van meet af aan lastig kinderen te isoleren. De maatschappij betaalt om de psychische problemen van die jongeren te behandelen, maar zodra ze die problemen uiten, riskeren ze opsluiting en soms zelfs een strafinstelling. En wat mij vooral frustreert, is het eeuwig terugkerende argument: ‘Maar er is geen alternatief!’ De interne opleidingen waren ook vooral gericht op afzonderingstechnieken, niet op het opbouwen van een band met de patiënt. De nadruk kwam steeds meer te liggen op repressie en isolatie. Terwijl er in het team heel veel mensen waren die wel bereid waren naar andere manieren te zoeken om de kinderen te kalmeren. Als we vooruitgang boekten, was dat vaak ondanks in plaats van dankzij het systeem. Het probleem is dat een instelling een heel gesloten eiland is, dat er weinig mensen van buitenaf komen kijken en luisteren hoe het er binnen aan toegaat. Binnen veel instellingen zitten de hulpverleners vast in uitgeschreven protocollen waar ze niet van durven afwijken. En het gevaar van procedures is dat je ze uitvoert en denkt: oké, procedure gevolgd, dus goed gedaan! En dat je je voorts niet meer durft af te vragen of je wat je doet nu eigenlijk wel oké vindt. En je moet heel sterk in je schoenen staan om binnen zo’n systeem te durven zeggen: ‘Ik vind dat opsluiten geen goed idee.’

»Als jou wordt gevraagd om te helpen bij het bedwingen van een patiënt zonder dat je de aanleiding daarvoor hebt gezien, wat doe je dan? Ben je collegiaal, of probeer je het kind alsnog met woorden te kalmeren en het een afzondering te besparen? Het is één van de vele kwesties waar je als hulpverlener mee wordt geconfronteerd.»

HUMO Waren er duidelijke regels voor wanneer isolatie aangewezen was?

Verhaeghe «Die illusie was er wel. Waar ik werkte, was er bijvoorbeeld de regel: een isolatieruimte mag niet pedagogisch gebruikt worden – niet als straf of om een kind te corrigeren. Maar in de praktijk zijn negen van de tien afzonderingen pedagogisch van aard.

»Bovendien bestaat in zo’n gesloten eiland als een inrichting het gevaar dat in een team van hulpverleners de wet van de sterkste geldt, en één teamlid rigoureus zijn visie doordrukt. En als dat iemand is die op repressie focust, dan kan die de hele inrichting daarin meesleuren.

»Jo Vandeurzen heeft ondertussen wel werk gemaakt van een groter aantal inspecties. De instelling waar ik werkte, is doorgelicht, en het aantal isolaties is er naar ik verneem drastisch verminderd. Het is nodig de geslotenheid van het systeem te doorbreken zodat hulpverleners de vrijheid voelen om te durven zeggen wat ze denken en voelen bij het moeilijke werk dat ze elke dag proberen te doen.»

'Dat je om hulp vraagt voor je kind en dat ze haar dan zoiets aandoen, daar kan ik met mijn verstand niet bij'


Misdadigers

Dat is ook het doel van de studiedag ‘Jeugdhulpverlening (z)onder dwang?’ in het Vlaams parlement, georganiseerd door Tom Verhaeghe samen met hoogleraar klinische psychologie Ariane Bazan (ULB), psychologe Trees Traversier en professor medische ethiek Ignaas Devisch, op initiatief van Freya Van den Bossche. Iedereen zit er samen: de psychiater, directeuren van instellingen, hulpverleners, ouders van patiënten. Alles kan gezegd worden, maar je merkt dat iedereen in eerste instantie op de rem blijft staan. Het is een gevoelige kwestie.

Verhaeghe «Iedereen is bang voor de impact van zijn standpunt op hem persoonlijk en op de instelling.»

Als het gesprek loskomt, komt iedereen terug op het verhaal van Christa. De deelnemers zijn het erover eens dat de trajecten voor ouders met kinderen met problemen heel onduidelijk zijn, en dat daar nodig iets aan moet veranderen. Dat het ook schandalig is dat kinderen in crisistoestanden altijd op volwassenenafdelingen terechtkomen, omdat de jeugdafdeling daarop niet voorzien is. Ja, zegt een andere hulpverlener, maar: ‘Als je op de jeugdafdeling in crisisopvang voorziet, zet je de sluis open. Dan spoelen de probleemgevallen binnen. En als we hen niet meer mogen opsluiten, hoe houden we de situatie dan onder controle?’

Verhaeghe «De essentie van de behandeling in België bestaat er nog vaak in hevige emoties zo snel mogelijk een halt toe te roepen met standaardprotocollen of – erger nog – ze te onderdrukken met medicatie of isolatie. Die aanpak is er gekomen toen er steeds op werd aangedrongen dat de psychiatrie, analoog aan de geneeskunde, resultaatgericht moest werken. Kijk, omgaan met sterke emoties maakt nu eenmaal deel uit van het werk van een hulpverlener: het is moeilijk om daar dagelijks mee te worden geconfronteerd, maar om het kind te helpen is het belangrijk voorbij die zware emotie te kijken en het kind aan te spreken. Je moet proberen de band op te bouwen die essentieel is om met zo’n kind te kunnen werken.»

Een directeur van een instelling merkt op: ‘Het is altijd weer een zware afweging: iemand bij agressie opsluiten, waardoor de patiënt het risico loopt opnieuw te worden getraumatiseerd, of de veiligheid van anderen op het spel zetten?’

Verhaeghe «Vaak wordt er dan gekozen voor het eerste, met het idee: het therapeutische komt daarna dan wel. Maar zo richt je steeds meer schade aan.»

Een andere hulpverlener zegt: ‘Waar ik moeite mee heb, is dat wij worden afgeschilderd als misdadigers, terwijl wij doen wat we kunnen. Als je met z’n tweeën een groep van twaalf moet begeleiden en één van hen ontploft, dan is er toch geen andere oplossing dan isolatie voor degene die onrust stookt?’

HUMO Is het probleem een kwestie van te weinig personeel?

Verhaeghe «Zeker niet alleen of altijd. Om iemand te bedwingen heb je niet zelden vier man nodig. En als een kind overmeesterd is, is het geen gevaar meer voor zichzelf of de omgeving en is er dus eigenlijk geen reden meer om het op te sluiten.»


De Noorse aanpak

Een hulpverlener vraagt: ‘Maar als iemand nu echt helemaal doorslaat, vinden jullie dan dat ik zomaar de klappen moet incasseren?’

Daarop antwoordt de Noorse professor jeugdpsychiatrie Einar Heiervang, die is uitgenodigd om uit te leggen waarom het isoleren en vastbinden van min-16-jarigen in Noorwegen verboden is: ‘Ik sprak net met een collega van u die vertelde dat de isolatiecellen op een keer opgeknapt moesten worden en een week lang buiten dienst waren. Die week hadden ze in noodsituaties bijna vanzelf andere oplossingen gevonden. Het is vaak gewoon omdat de cellen er zijn, dat ze worden gebruikt. In IJsland zijn alle bedden met riemen op een gegeven moment gewoon verbrand.’

Mijn buurvrouw in de zaal, zelf ook hulpverlener, fluistert in mijn oor: ‘Ze zeggen dat wel altijd: wij zij hulpverleners en dus geen misdadigers, maar ik heb in de instelling waar ik werk echt wel misdadige dingen zien gebeuren. Hulpverleners zouden beter toegeven dat het in heftige situaties soms moeilijk is de eigen reflexen te beheersen.’

HUMO Is dat zo, meneer Verhaeghe?

Verhaeghe «Er is heel veel machteloosheid bij hulpverleners. Soms stoppen we kinderen in een cel omdat we niet meer weten hoe we contact met hen moeten maken. Terwijl het juist zo belangrijk is om bij het kind te blijven, ook als je je onmachtig voelt, om desondanks toch te proberen de band en het vertrouwen te bewaren.»

HUMO Om dat allemaal te kunnen moet je als hulpverlener sterk in je schoenen staan.

Verhaeghe «Ja. Daarom is het zo belangrijk dat er opleidingen komen die daarop gericht zijn. Professor Einar Heiervang heeft daar ervaring mee.»

Einar Heiervang «Een hulpverlener moet zich heel bewust zijn van het effect dat zijn eigen gemoedstoestand heeft op een patiënt. Als ik onzeker of geïrriteerd ben, zal de patiënt dat direct voelen. Die zal daardoor ook onzeker worden, en daarna onrustig en mogelijk agressief. Een patiënt die in de war raakt, moet zien dat jij niet bang bent en dat je zeker bent van je stuk. In de opleiding in Noorwegen leer je je eigen gevoelens te controleren, en welke gevoelens je wel of niet aan je patiënt toont. Om zo sterk te zijn moet een hulpverlener ook weten dat als de dingen uit de hand dreigen te lopen, er genoeg collega’s op een gang of in een bureau klaarstaan om toe te schieten. Patiënten die weten dat hun omgeving zo is georganiseerd, zullen automatisch ook minder vaak doorslaan, omdat ze dat overwicht in de omgeving voelen. Wij hebben op onze afdeling het afgelopen jaar maar één voorval van agressie gehad. Nu, dit lukt allemaal natuurlijk alleen maar als er ook van bovenaf, op directieniveau, absolute steun is voor de geweldloze aanpak.

»Maar in Noorwegen is studie na studie bewezen dat de afschaffing van afzonderingscellen niet alleen de patiënten, maar ook de hulpverleners ten goede komt.»

Verhaeghe «Je moet de emotionele impact van zo’n interventie op de hulpverleners die erbij betrokken zijn niet onderschatten. Na heel heftige afzonderingen volgt er een emotionele weerslag en daardoor valt er vaak personeel uit, waardoor je een chronisch personeelstekort krijgt.

»Als we nu gewoon al eens beginnen met bij afgezonderde kinderen de deur open te laten, en ze het gezelschap te geven van een hulpverlener. Iedereen weet dat bijna al onze patiëntjes hechtingsproblemen hebben: geef hun dan toch niet het gevoel dat ook wij ze fundamenteel alleen laten.»


Bang, bang, bang

Als iemand zich door de psychiatrie in de steek gelaten voelt, is het Erik. Erik is heel verbaal en loopt hard van stapel.

Erik «Ik ben 18 jaar en ben geboren met een stoornis in de hersenen die jullie abnormale mensen ‘autisme’ noemen (lacht). Als je wilt weten hoe mijn hersenen werken, moet je eens op YouTube kijken naar een filmpje over Temple Grandin (bekijk het, het geeft heel goed weer hoeveel informatie er bij autisten tegelijk binnenkomt, red.).»

HUMO Je hebt een heel druk hoofd.

Erik «Ja, ik vergelijk mezelf met een computer. Ik ben slim, maar bij het minste wat er fout loopt of dat me niet duidelijk is, sla ik tilt. Als ik bang word, zet ik mijn masker op en doe ik wat ik denk dat de maatschappij van mij verwacht, maar soms weet ik het even niet. Dat is omdat jullie abnormale mensen niet logisch en niet duidelijk zijn en altijd dingen veranderen. Dan wil ik weleens ontploffen of begin ik heen en weer te draaien van de zenuwen en doe ik raar in de ogen van jullie. Daarom werd ik op school vroeger veel gepest en soms zelfs in elkaar geslagen. Op den duur wou ik dus niet meer naar school. En op een gegeven moment heb ik in een brief aan de Sint gezegd dat ik met hem mee wou naar de hemel, dat ik een ster wou worden, dat ik dood wilde zijn.

»Ik was 15 en twee maanden toen ik voor het eerst in de volwassenenpsychiatrie opgenomen ben. Zes politieagenten zijn gekomen en hebben me met boeien om, op mijn blote voeten, in mijn pyjama meegenomen.

»Ik heb daar in de psychiatrie een hel meegemaakt, een heel lange nachtmerrie. (Denkt na) Maar hoe vertel ik je nu hoe bang ik daar was? Bang zijn is voor iedereen anders. Mijn knuffels waren mijn rustgevende dingen. Maar dat vonden ze daar stom omdat ik al 15 was, dus werden ze afgepakt.

»Ik moest bij een volwassene slapen die ik ‘slangenmeneer’ heb genoemd omdat hij een slang had, ergens op zijn lichaam. Omdat ik bang was en naar mama had gebeld dat ik weg wou, werden ze boos in de psychiatrie. En wat ik nu zeg, weet niemand, maar die eerste nacht moest ik toen meteen al in de cel. De cel is een groene kamer – echt een kleur die mijn ogen pijn doet. Er staat een ijzeren bed – zo’n oud ijzeren bed van de films. De poten waren met vier ijzeren bouten vastgemaakt en op het bed lag een matras met riemen. Ik moest een raar wit kleed aandoen en omdat ik dat niet wou, werden ze nog bozer. Met vieren hebben ze mijn kleren uitgedaan – ze hebben daar heel lang over gedaan en werden steeds bozer. Waarom mocht ik mijn kleren niet aanhouden? Ik zat met zoveel vragen, maar vooral dat ik alles wat er gebeurde niet kende, maakte me zo bang.

»Ik moest van hen op dat bed liggen en dan deden ze die riemen vast, en hoe meer ik brulde en smeekte dat ik braaf ging zijn en dat ik niet meer stout ging zijn. Dan was er een spuit die ik niet wou, maar smeken en beloven hielp niet want ik was stout en als je stout bent – dat dacht ik lang – word je zo gestraft. Snap jij het?»

HUMO Nee.

Erik «Begrepen ze dan echt niet dat ik bang was, bang voor het nieuwe, maar vooral omdat niemand me iets zei? Ik mocht er alleen uit als zij dat beslisten. Ik lag een hele tijd in het donker, hoorde voetstappen maar wist niet wie er kwam.

»Ook als ik niet in de cel zat, was ik bang, bang van de volwassenen die er waren. Ik heb een meneer gezien die heel boos werd en de verpleger een kopstoot gaf. De politie heeft hem daarna met een matrak geslagen en hem aan zijn haar naar buiten gesleept, en brullen dat hij deed. Ik ben me toen beginnen te snijden omdat niemand me begreep: hoe vertel je dat je bang bent, bang, bang, bang? Maar om te weten hoe bang ik was, moet je in mijn hoofd leven, dan pas zou je begrijpen hoe bang ik was, vastgebonden in die cel, maar vooral bang om aan mijn moeder te vertellen wat ze hadden gezegd en gedaan. Dat is hun macht: zij worden altijd geloofd en jij hebt nooit rechten. Die worden je afgenomen.

»Als ik één ding heb geleerd, dan is het: vertel nooit aan iemand dat je de maatschappij niet begrijpt, of dat je je aangeboren aandoening haat, en zeker nooit dat je dood wilt zijn. Als je dat wel doet, gebeuren die dingen.»

HUMO Maar je praat er nu wel over.

Erik «Ik heb erover leren praten, ja, maar heel veel dingen hou ik voor mezelf. Ik wil mijn ouders geen problemen bezorgen. Kijk, als je vraagt of een jongen of een meisje zoals ik in de volwassenenpsychiatrie thuishoort, dan zeg ik eerlijk: ‘Neen.’ Maar wat moeten onze ouders doen als we weer eens een uitbarsting krijgen en ze het echt niet meer weten?»

HUMO Het gaat nu goed met je. Je zit op internaat.

Erik «Ja. Thuis kan ik niet leren. Daar zijn te veel herinneringen. Ik ben er te bang. Thuis heb ik een geheime schuilplaats en als de bel gaat dan verstop ik me daar meteen. Pas als mama op de deur klopt en ik weet dat het niet de politie is, kom ik er weer uit. En niemand, echt niemand weet mijn geheime plek zijn.»


Geen taboe

Na zo’n verhaal kun je maar tot één conclusie komen: laat de wet die isolatie van minderjarigen verbiedt er alsjeblieft komen. Ga naar Noorwegen en kijk hoe ze het daar doen.

HUMO Professor Einar Heiervang, hoe doen jullie het?

Heiervang «Het verschil met België is dat de regering bij ons al in de jaren 60 werk is gaan maken van het verbod op isolatie van kinderen. In de dertig jaar dat ik hier werk, is het altijd een vanzelfsprekendheid geweest. Jeugdinrichtingen hébben gewoon geen isolatieruimten. Er is ook geïnvesteerd in heel laagdrempelige lokale centra voor geestelijke gezondheidszorg in het hele land. Zodra een huisdokter een probleem vermoedt, weten ouders waar ze moeten aankloppen. Mensen verblijven ook nooit lang in psychiatrische instellingen: ze gaan met medewerking van de familie zo snel mogelijk terug naar hun vertrouwde omgeving, onder toezicht van de lokale centra. En voor extreme situaties zijn er overal crisiscentra met een paar bedden.»

HUMO Mentale problemen zijn bij jullie dus totaal geen taboe.

Heiervang «Je weet toch dat in 2002 onze eerste minister een depressie heeft gehad, daar totaal geen geheim van heeft gemaakt en daarna gewoon weer aan het werk is gegaan? Dus: neen, geen taboe. Alle bioscopen tonen spotjes om mensen te helpen problemen zoals een psychose te herkennen. (Imiteert reclame) ‘Zie je dingen die anderen niet zien? Bel dan naar…’ Ook op scholen is er veel voorlichting. We proberen dus ook alle grote problemen voor te zijn.»

HUMO Jullie wetgeving en aanpak zijn het gevolg van een manier van denken die al sinds de jaren 60 heeft postgevat. Maar als we daar in België op moeten wachten, zullen nog veel probleemkinderen ellende en eenzaamheid moeten doorstaan.

Heiervang «Ja. Het is niet makkelijk een systeem van jaren te veranderen. De meest voor de hand liggende manier is met de wet te beginnen. Je zult zien wat voor menselijke oplossingen zich opeens blijken aan te dienen als er geen isoleerruimten meer zijn.»


En nu in België

Goed, nu is het dus alleen nog een kwestie van de vraag te stellen aan de bevoegde ministers.

Minister van Volksgezondheid Maggie De Block laat per e-mail weten dat ze zeker geïnteresseerd is in good practice uit andere landen, maar dat we niet alle goeie voorbeelden zonder meer kunnen kopiëren naar de Belgische zorgsetting. Maar, zegt ze, als de zorgverstrekkers zelf van mening zijn dat aanpassingen van de wet noodzakelijk zijn om kwaliteitsvolle zorg te verlenen, dan zal ze dat zeker bestuderen.

We bellen ook naar minister van Welzijn Jo Vandeurzen.

HUMO Meneer de minister, de aanpak in Noorwegen bewijst dat het verbieden van isolatie en fixatie van jongeren zowel hunzelf als de hulpverleners ten goede komt. Welke argumenten kunt u dan nog formuleren om zo’n wet niet te willen?

Jo Vandeurzen «Nu, om te beginnen bepaalt de huidige wet al dat isolatieruimtes alleen gebruikt mogen worden in uitzonderlijke omstandigheden.»

HUMO Ja, maar zoals pas weer te lezen was, worden ze in sommige instellingen bij 48 procent van de jongeren toegepast, en soms stoppen ze jongeren bij aankomst systematisch in afzondering.

Vandeurzen «Ja, en er komen binnenkort extra controles om die zaken onder de loep te nemen. Het is duidelijk dat isolatie en fixatie zoveel mogelijk uit onze zorg- en hulpverleningssector moeten worden gebannen. En de standaardprocedure om jongeren bij binnenkomst te isoleren moet een halt worden toegeroepen. We voorzien ook in nieuwe opleidingen voor de hulpverleners omdat we weten dat een goede training kan voorkomen dat er te snel en te makkelijk naar het instrument van isolatie wordt gegrepen.»

HUMO Maar, zegt professor Einar Heiervang, het is omdat het instrument voorhanden is dat ernaar wordt gegrepen. Een verbod zou een omslag kunnen betekenen.

Vandeurzen «Kijk, als er goeie praktijken en inspirerende modellen zijn waaruit blijkt dat er zonder gebruik van isolatie ook een goeie behandeling kan worden geven, dan moeten we die met de sector zeker nader bekijken. Pas daarna kunnen we gaan kijken naar de regelgeving.»

HUMO Dus u boekt binnenkort een reisje naar Noorwegen.

Vandeurzen «Misschien moeten we met Noorwegen eens ervaringen uitwisselen. Ik zal eerst uw artikel lezen.»



Wie meer wil weten over deze

problematiek, kan terecht op de website zonderdwang.be

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234