'Girl in a Band', de memoires van Sonic Youth-bassiste Kim Gordon

Op 24 februari wordt in Amerika ‘Girl in a Band’ in de boekenwinkels gelegd, de memoires van Kim Gordon (61). Meer dan drie decennia was zij de bassiste van het ondertussen voorgoed in noise opgegane Sonic Youth; de vrouw van, achter en voor frontman Thurston Moore; en één van de invloedrijkste figuren van de recente Amerikaanse alternatieve rockscene. Humo geeft u een exclusief inkijkje.


Over girlpower en Spice Girls

Er zijn zo veel vormende momenten en gebeurtenissen in de geschiedenis van Sonic Youth, dat het geen sinecure is om er zelfs maar de belangrijkste uit te halen. Aanvankelijk bestond de band enkel uit Thurston, Lee Ranaldo en mezelf, met wisselende, elkaar in snel tempo opvolgende drummers. Die vertrokken net zo snel als ze gekomen waren, als wandelaars die even halt houden voor een winkelraam, binnen turen en weer verder stappen. Vóór de naam Sonic Youth werd gekozen, zijn er een pak alternatieven overwogen. Male Bonding was er één van. Red Milk. En: The Arcadians. Woorden en uitdrukkingen die we haalden uit toenmalige passies, even vluchtig als een gemoedstoestand. Toen Thurston met ‘Sonic Youth’ afkwam, wisten we: wat het ook was dat die naam uitstraalde, het was zó dat we onze muziek wilden laten klinken.

In de begindagen stond ik veel te zelfbewust op het podium. Ik probeerde vooral de indruk te geven dat ik mijn basgitaar onder controle had, daarbij hopend dat de snaren niet zouden springen, dat het publiek het leuk genoeg zou vinden. Ik was me op het podium niet bijzonder bewust van het feit dat ik ook een vrouw was, en ‘meisjesachtigheid’ heb ik nooit met opzet nagestreefd. Tenzij misschien wanneer ik hoge hakken draag – en nog is de kans groot dat ik me dan in de eerste plaats een travestiet voel. De noodzaak de band van een frontvrouw te voorzien, was nooit in me opgekomen, tot we bij Geffen tekenden.

Er is zoiets als het befaamde onderscheid tussen art en craft, kunst en vakwerk. Kunst, en alles wat wild en ongetemd is, en wat al experimenterend de grenzen aftast, wordt verondersteld een mannelijk gegeven te zijn. Knutselen, controle en opsmukwerk zijn er voor de vrouwen. Onze cultuur staat vrouwen zelden toe zo vrij te zijn als ze zelf willen, omdat het ons angst aanjaagt. Als vrouwen zich wél laten gaan, gaan we ze automatisch mijden, of we doen ze af als ‘gek’. Redenen waarom, als vrouwelijke zangers te veel grenzen proberen te verleggen, ze doorgaans niet lang meegaan. Het zijn flitsen, schichten, kometen: Janis Joplin, Billie Holiday. Vrouwen worden geacht de wereld te beschermen en te bewaren – rauwe kunst houdt vaak het omgekeerde in. Daarom is Kathleen Hanna van Bikini Kill zo fantastisch. De term girlpower werd verzonnen door de Riot Grrrl-beweging die Kathleen in de jaren 90 van een motor voorzag. De term werd later geadopteerd door de Spice Girls, een groep samengesteld door mannen. Elke Spice Girl kreeg een verschillende persoonlijkheid mee, bijgevijld en zo gestyleerd dat ze gemakkelijk te marketen waren. Mijn dochter Coco was in die tijd één van de weinige meisjes op de speelplaats die de groep niet kende. Ik zag dat als een geheel eigen vorm van girlpower: neen zeggen tegen female marketing.


Over haar broer en Charles Manson

Vijfenveertig jaar geleden bestond er geen naam of woord voor wat mijn oudere broer overkwam. Mijn ouders behoorden tot een generatie die vond dat iedereen zijn eigen problemen zelf moest oplossen, en die psychotherapie als een overbodige luxe zag. Mijn broer Keller begon zich wat ongebruikelijk te gedragen, ja – maar probeerde in het Zuid-Californië van de vroege jaren 70 niet iedereen ‘zichzelf te vinden’? Er kleefde in die tijd bovendien een zweem van paranoia aan de sector. Er verschenen voortdurend artikels in de krant over gefrustreerde ouders die hun beeldenstormende kinderen niet langer de baas konden en ze dan maar onterecht in een instelling stopten. Het leidde in Californië tot een wet die voorschreef dat instellingen patiënten niet langer dan 48 uur tegen hun wil konden vasthouden. Mijn ouders hadden gestudeerd, maar ze hadden geen oog voor psychologie, en therapie en medicijnen waren er enkel voor de échte zotten, niet voor zij die zich enigszins eigenaardig gedroegen, en al helemaal niet voor hun eigen eigenaardige zoon. Later hebben ze alsnog een psychiater gezocht voor Keller, maar toen was het al te laat. De komende jaren zouden we de 48-uurregel goed genoeg leren kennen.

Het was in de tijd dat ons gezin in Malibu woonde dat mijn broer ineens het plan had opgevat enkel nog wit te dragen. Hij torste een buitensporige baard en liep aldoor rond met een bijbel in de hand. Niet om religieuze redenen, was zijn vaste repliek als iemand ernaar vroeg, eerder wegens de literaire uitmuntendheid. Hij begon ook nieuwe woorden uit te vinden, en dat mondde vervolgens uit in een eigen alfabet en een privétaal. Hij noemde zichzelf Oedipus. Vreemd genoeg leek hij desondanks niet eens zó buitengewoon: in die tijd liep het in LA vol met excentriek bebaarde mannen, zoals bijvoorbeeld Charlie Manson. Keller overnachtte toen soms in een huis aan de voet van de Topanga Canyon, waar hij op een nacht Bobby Beausoleil ontmoette, een lid van de Manson-familie. Bobby zou hem herhaaldelijk uitgenodigd hebben op de Manson-ranch, maar daar is Keller gelukkig nooit op ingegaan. Toen hij nog op de middelbare school zat, werd op een dag Marina Habe, één van zijn ex-vriendinnetjes, vermoord teruggevonden. Men zegt: vermoord door de Manson-familie. Marina was 17, knap en in het bezit van een rood, stijlvol sportkarretje. Haar lichaam werd aangetroffen langs Mulholland Drive. Iemand had haar talloze keren met een mes gestoken.

Keller is nu halfweg de 60, en lijkt er beter aan toe te zijn. Zijn brein is nog altijd hetzelfde, zwalpend tussen werkelijkheid en verbeelding en terug, maar de medicijnen hebben ’m liever gemaakt, warmer. Vroeger was hij agressief en paranoïde, hij kon in een vingerknip fysiek gewelddadig worden – maar nu kan ik me die persoon amper nog voor de geest halen. Wanneer ik hem nu zie, zal hij me vertellen over de Nobelprijs voor de Vrede die hem net is toegekend. En meteen daarna zal hij met akelig veel precisie een oude kennis of plaats omschrijven die ik zelf al vergeten was. Vorig jaar las hij me een zelfgeschreven gedicht voor, in het Duits. Het is een taal die hij niet spreekt, maar te oordelen aan zijn bloemrijke Duitse accent zou je gezworen hebben dat hij in Berlijn was opgegroeid.


Over verzet en uitverkoop

In 1990 – Sonic Youth bestond tien jaar – tekenden we bij een major. We waren niet overdreven gelukkig met wat de kleinere labels Blast First en Capitol voor onze laatste plaat ‘Daydream Nation’ hadden gedaan, en besloten uit te kijken naar wat de grote platenmaatschappijen voor ons konden betekenen. We hadden toen nog geen manager, en dus was het onze advocaat, Richard Grabel, die de boodschap voor ons verspreidde. We hadden eerder al andere onafhankelijke bands in zee zien gaan met majorsThe Replacements, Hüsker Dü – en dat was vaak verschrikkelijk afgelopen. We waren op onze hoede, maar vertrouwden erop dat de band lang genoeg samen was om een eventuele mislukking toch te overleven. Eerlijk: we schepten er ook een pervers genoegen in om te zien wat een groter productiebudget zou doen met ons onconventionele geluid.

Er was veel kritiek. Hoe had Sonic Youth in godsnaam kunnen tekenen bij een label als Geffen? Alsof we alle verhalen over David Geffen niet al lang zélf hadden gehoord, ook over het gevecht dat hij met Neil Young had gevoerd na de release van diens platen ‘Trans’ en ‘Everybody’s Rockin’’. Geffen had Neil voor het gerecht gedaagd omdat die zogezegd zijn contract niet was nagekomen – hij had platen gemaakt die ‘muzikaal niet overeenkwamen met zijn vorige output’, of iets van die strekking. Uiteindelijk is dat met een sisser afgelopen, nadat Geffen zijn verontschuldigingen had aangeboden.

Met het voorschot dat we van Geffen hadden gekregen, kochten Thurston en ik onmiddellijk een groter huis, op Lafayette Street, tegenover het Public Theater. Dat was middenin een periode van recessie, dus we hadden een prima deal. Het werd trouwens tijd: de huisbaas van ons vorige appartement op Eldridge Street had het gebouw verkocht, en een Chinees restaurant had het gelijkvloers ingepalmd.

Gary Gersh, onze A&R-man bij Geffen, was teleurgesteld dat we voor de platenhoes van ‘Goo’, onze eerste plaat bij hen, hadden gekozen voor een zwart-witte Raymond Pettibon-tekening. Hij had gehoopt op een glamoureuze foto van de band – toen heel erg ‘in’ – met mij centraal vooraan. De tekeningen van Raymond hadden al veel hoezen van het SST-label gesierd, in het bijzonder die van Black Flag. We vonden de zines en de tekeningen van Ray geweldig, en ik had in de jaren 80 nog over hem geschreven in ‘Artforum’. De zwart-witte tekening was gebaseerd op het koppel uit Terrence Malicks ‘Badlands’.


Loren Connors & Kim Gordon: Issue Project Room (live)


Over Neil Young en modeltreinen

Begin jaren 90 trokken we op tournee met Neil Young, van wie we allemaal fan zijn. Een idee van de platenfirma, al vermoed ik dat Neil op zijn minst wist wie wij waren. Avond na avond in zijn voorprogramma spelen was een bijzondere, blikverruimende ervaring. Om te beginnen omdat plots elke muziekjournalist ons dezelfde vraag stelde: ‘Hoe voelt het om eindelijk de mainstream binnen te dringen?’ Ik kon enkel antwoorden dat de Neil Young-tour bewees dat we in het geheel níét in de mainstream zaten – en indien wel, dan dat de mainstream een hekel aan ons had. Er kwamen elke avond gigantische massa’s af op Neil, onder wie horden trouw gebleven hippies. Massa’s volk die elke avond opnieuw afknapten op ons – áls er al eens fans waren die applaudisseerden nadat één van onze songs was afgelopen, dan werden die door de rest van het publiek luidruchtig tot de orde geroepen. Social Distortion, dat vóór ons optrad, droeg de voorkeur weg van de stage manager van Neil, omdat hun tattoos, gescheurde leren vesten en gestileerde kapsels op zijn minst ‘rock’ uitstraalden – wij werden door hem bekeken als ‘buitenlands uitschot’, foreign pond scum. Onze muziek stoorde hem, en dat er een vrouw in de band zat, vond hij ook al geen voordeel.

’s Avonds gingen we Neil weleens opzoeken in zijn tourbus, om te koken en over punkrock te praten. Neil was lief. Hij zat dan aan zijn elektrische modeltreintjes te knutselen, bijvoorbeeld aan het geluid van één van de minikoeien in het decor. ‘Vinden jullie dat deze ‘mooo’ te hoog klinkt? En deze? Is dit beter?’ Tussendoor zei hij dat onze song ‘Expressway to Yr. Skull’ fantastisch is – later zou hij nog laten optekenen dat hij het de beste gitaarsong aller tijden vond. Het klinkt melig, en als een onnozel understatement, maar in tegenstelling tot zijn omgeving en zijn fans heeft Neil ons altijd zeer hard gesteund.

De kans is klein dat Sonic Youth veel fans gewonnen heeft op de Neil-tour, maar onze faam werd groter. Ineens drongen tijdschriften als Spin bij me aan om te poseren voor fotoshoots. Later dat jaar vroeg Neil ons trouwens nog op te treden op een benefietavond voor de Bridge School – een goed doel dat hij in de jaren 80 samen met zijn vrouw Pegi had opgestart. De Bridge School, in Hillsborough, Californië, helpt kinderen met communicatieproblemen en lichamelijke handicaps. Neil heeft twee zonen, Zeke en Ben, die allebei aan hersenverlamming lijden. Het was een akoestisch event, en dat was een compleet nieuw gegeven voor ons. Ik had bovendien het vreemde voorgevoel dat die avond alles verkeerd zou lopen tijdens ons optreden. Dat was ook het geval. Halverwege onze cover van ‘Personality Crisis’ van New York Dolls riep ik ‘Fuck’ in de microfoon, en ik sloeg een akoestische gitaar kapot. Daarna verlieten we het podium en werden we afgelost door Willie Nelson. Ik voelde me verschrikkelijk door die ‘fuck’. Ook en voornamelijk omdat ik, toen we het podium waren afgestapt, een heleboel kinderen in rolstoelen op de eerste rij had zien zitten: helemaal vergeten dat zij daar waren. Later kwam Ben, de jongste zoon van Neil, op me af in zijn rolstoel. Hij zei: ‘Iedereen heeft weleens een slechte dag.’


Over Thurston en de band

Drie decennia lang zijn Thurston en ik het bijna altijd met elkaar eens geweest over de esthetische kant van de zaken. We zaten doorgaans op dezelfde lijn als het op platenhoezen aankwam, om maar iets te zeggen. Als we al ruzie hadden, dan over de manier waarop hij me behandelde en me in het bijzijn van anderen aansprak. In de begindagen van Sonic Youth was Richard Edson, onze allereerste drummer, de eerste om zich vragen te stellen over de dynamiek tussen ons. Richard kwam voor me op. Hij zei dingen als: ‘Wat er ook aan de hand is; er kan geen reden zijn om zo tegen haar te praten, man.’

Lee heeft zich daar nooit zo over uitgesproken. Terwijl: als Thurston me bits of bot aansprak, moet het hem ook ongemakkelijk hebben gemaakt, en het was ongetwijfeld moeilijk voor hem en voor Steve Shelley om uit te maken waar de grens lag: de grens tussen Thurston en ik als koppel, en wij twee als bandleden van Sonic Youth.


Over Thurston thuis

Thurston bezit een zekere onvoorspelbaarheid die hem interessant en spannend maakt, en aangenaam om in de buurt te hebben. Voor de buitenwacht is hij vriendelijk, goedgemutst, grappig – het soort persoon dat gemakkelijk leuk te vinden is. Toen ik voor het eerst zijn moeder ontmoette, zei ze dat – toen Thurston klein was – werkelijk iedereen in de buurt hem kende. ‘Het overkwam me vaak genoeg dat iemand op me afstapte: ‘Oh, ben jij de moeder van Thurston?’’ Met zijn rijzige gestalte en zijn lange haar moet hij het gouden kind geweest zijn, en als de jongste van drie kinderen was hij het gewoon dat mensen hem innemend vonden. ‘Is hij echt zo easy going als hij lijkt?’ vroeg mijn vriend John Knight me eens, nadat de twee elkaar voor het eerst hadden ontmoet. De waarheid was: nee, Thurston is níét zo easy going. Hij kan opvliegend zijn, om maar iets te zeggen, en dat humeur flakkerde vroeger bijvoorbeeld hoog op telkens hij een nieuwe editie van zijn zine Killer moest afwerken en hij onder stress kwam te staan. Ik herinner me die keer dat zijn nietjesmachine niet werkte: hij nam het ding vast en wierp het door het venster. De glasscherven vlogen alle kanten op. Dat soort dingen maakten mij bang.

Een vriend vertelde me ooit dat hij vond dat Thurston en ik een fantastisch koppel waren, dat we perfect bij elkaar pasten net omdat we allebei onze onafhankelijkheid hadden bewaard. Een kwaliteit die, speculeerde hij, bijgedragen moet hebben aan het succes en de langdurigheid van ons huwelijk. Thurston deed zijn ding, tal van nevenprojecten inbegrepen, en ik had zelf ook mijn bezigheden. Natuurlijk kan geen enkel huwelijk de zinderende spanning en de opwinding van de eerste jaren behouden, maar na verloop van tijd – wat die vriend ook beweerde – verwerd ons huwelijk tot een verbond van eenzamen. Misschien gingen we gewoon te professioneel met elkaar om. Misschien veranderde ik zelf in iemand die – zoals de nietjesmachine – niet langer voor hem voldeed.


Over Nirvana en Kurt Cobain

De allereerste keer dat Thurston en ik Nirvana zagen optreden, was in Maxwell’s, een beroemde concertzaal in Hoboken, New Jersey. Bruce Pavitt, oprichter van het platenlabel Sub Pop, zei dat als ik Mudhoney goed vond – wat het geval was – ik Nirvana fantastisch zou vinden. Hij zei ook: ‘Je móét hen live zien. Kurt Cobain is als Jezus. De mensen houden van hem.’

Nirvana wás een geweldige liveband, en Thurston en ik – samen met de rest van de wereld – voelden onmiddellijk iets bij hun mengeling van sterke melodieën en tegendraadsheid. Nirvana was deels hardcore, deels The Stooges, maar met een cheesy refreinpedaaleffect dat meer new wave was dan punk. Ik ken geen andere groep die wegkwam met die combinatie. Als performer was Kurt Cobain tegelijk waanzinnig charismatisch en extreem in zichzelf gekeerd.


Over Courtney Love

Niet lang nadat we ook Courtney Love hadden ontmoet, stuurde ze me een brief – mensen schreven brieven, toen – om me te vragen of ik ‘Pretty on the Inside’, het debuut van haar band Hole, mee wilde producen. Eerst weigerde ik, ik zag meteen dat ze ofwel een borderlinepatiënt was, ofwel een soort van de pot gerukte, besmettelijke energie met zich meedroeg – en dat is het soort drama dat ik probeer te vermijden in mijn leven. Ik ben van mening veranderd, omdat ik tegelijk inzag dat ze op zijn minst iets deed dat muzikaal wel interessant is, en omdat het soms moeilijk kan zijn om ‘nee’ te zeggen.

Als Courtney iets van je wou, dan zette ze bovendien al haar charmes en overtuigingskracht in om je zover te krijgen. In die tijd had Courtney nog een gerafeld litteken langs haar neus, dat eruitzag alsof haar huisgenote had gepoogd haar snel een geïmproviseerde nose job te geven. In wat voor de rest een charismatisch gezicht was, viel het geen klein beetje op. Jaren later, toen we samen op Lollapalooza speelden, heeft ze me eens omschreven welke plastische chirurgie ze van plan was te ondergaan. Ze zei toen: ‘Wellicht weet je dit niet, maar ik héb ooit al eens een neusoperatie gehad.’ Ik denk dat ze er toen al een paar achter de rug had.

Halverwege de opnameperiode zei Courtney me ineens dat ze Kurt Cobain aantrekkelijk vond, een ogenschijnlijk onschuldige mededeling die me toch in elkaar deed krimpen. Ik hoopte vurig dat de twee elkaar nooit zouden ontmoeten. Het was de mening van vrijwel iedereen dat een – toen nog denkbeeldige – combinatie van Kurt en Courtney géén goed nieuws was. Trainwreck coming. Ze vroeg mij in één adem door ook om advies over haar ‘geheime affaire’ met Billy Corgan van The Smashing Pumpkins. Courtney en Billy samen vond ik ook al geen prettige combinatie. Niemand mocht Billy Corgan in die tijd, omdat het, welja, een huilebalk was en omdat The Smashing Pumpkins een groep was die zichzelf té ernstig nam. Geen punkrock. Er was iets aan Billy Corgan en de Pumpkins – te pretentieus? te imagobewust en te veel acteerwerk? – dat veel mensen tegen de haren instreek.

Dat Courtney zich ooit aangetrokken had gevoeld tot Billy, was bovendien verrassend, aangezien zij duidelijk wél heel erg punkrock was. Anderzijds: ze was ook ambitieus en manipulatief, wat duidelijk genoeg te merken viel tijdens de opnames van ‘Pretty on the Inside’. Courtney kon evengoed eerlijk en real zijn – je wist nooit welke richting ze zou uitgaan – maar de wetenschap dat dat elk moment kon omslaan, was voldoende reden om haar nooit te dicht te laten komen.


Over Kurt Cobain en Courtney Love

Toen Nirvana met ons tourde in 1991, nog voor ‘Nevermind’ doorbrak, wist niemand in Europa wie ze waren. Ze stonden op festivals vaak als eerste band van de dag geboekt, maar speelden geweldige shows, die werden gefilmd door Dave Markey, de documentairemaker die was meegekomen om de tour vast te leggen in een film die later ‘1991: The Year Punk Broke’ zou heten. Kurt was altijd grappig, en aangenaam in de omgang. Tevens het soort mens dat elke vorm van aandacht en affectie als een spons in zich opnam. Ik voelde me grote-zussig, bijna moederlijk, wanneer we ergens samen waren, en dat zie je ook in die film.

Later, nadat Kurt en Courtney een relatie waren begonnen en ze met Frances Bean al een dochtertje hadden, speelde ik met Sonic Youth in Seattle. Kurt en Courtney kwamen kijken. Na de show sprak Kurt me aan in de kleedkamers. ‘Ik weet niet wat ik moet doen! Courtney denkt dat Frances mij leuker vindt dan haar...’ Ik herinner me het gesprek nog levendig, ook al omdat ik er verschillende zaken uit leerde. Dat Kurt blijkbaar niemand had bij wie hij zich comfortabel genoeg voelde om advies aan te vragen. Ten tweede dat Courtney haast uitsluitend met zichzelf begaan was. En tot slot: dat Kurt wellicht gewoon meer tijd met Frances doorbracht dan Courtney.


Kim Gordon & Nirvana: Rock and Roll Hall of Fame 2014


Over dochterlief

Coco Hayley Gordon Moore, geboren op 1 juli 1994. Ze heeft ons leven voorgoed veranderd, er is voor mij niemand belangrijker dan zij. But the band played on.

Toen Coco twee maanden oud was, vlogen Thurston en ik naar LA voor de opnames van een clip bij onze cover van de Carpenters-song ‘Superstar’. De zanglijn van Thurston was geweldig, de hele productie zag er beeldig uit. (En ‘Superstar’ heeft één van de beste songteksten aller tijden.) Ik zat na de bevalling nog niet helemaal op mijn oude gewicht, maar slaagde er toch in mij in een soort extravagante, roodfluwelen prom dress te wurmen. Naar Californië reizen met een baby van twee maanden: een zoveelste ‘jonge moeder’-uitdaging waar ik me zorgen over kon maken. Tepels die tijdens de opnames van een clip ineens melk lekken: not very rock.

Omdat we vonden dat de band ondertussen te veel bagage met zich meedroeg, overwogen we om de naam Sonic Youth te vervangen door Washing Machine. Mensen willen af en toe iets nieuws ontdekken, en Washing Machine kwam ons voor als een goede bandnaam. Het platenlabel had daar een enigszins afwijkende mening over – ze dachten dat we zot geworden waren – en we hebben dan maar beslist om er de titel van de nieuwe plaat van te maken. De T-shirts waren er eerder dan de muziek. Op een avond zag ik twee lieve 13-jarige jongens die met hun vader naar een Sonic Youth-concert waren gekomen, en die allebei zo’n shirt droegen. Ik nam een foto, omdat ik vond dat er een goede platenhoes in zat. Toen we die hoes later wilden afwerken, wist ik helaas hun namen niet, noch waar ik hen kon bereiken; for legal reasons hebben we er op de foto dan maar hun hoofd afgesneden.

Het was rond die tijd dat ik het boek ‘Mother Daughter Revolution’ las, over de eerste golf van het jaren 70-feminisme. Ik heb het niet uitgelezen – wie heeft de tijd en de energie om als jonge moeder boeken te lezen? – maar ik herinner me dat het ging over de pressure to please, over de druk om perfect te zijn. Elke vrouw kent die druk, en gaat die vervolgens ook weer onbewust meegeven aan haar eigen dochter. Niets is ooit goed genoeg. Niemand kan alles tegelijk zijn – moeder, partner, minnares én concurrent op de werkvloer. De song ‘Little Trouble Girl’ gaat over ‘gezien willen worden voor wie je écht bent’, over uitdrukking geven aan die delen van jezelf die niet per se beantwoorden aan het perfecte beeld dat je van jezelf wil ophangen, maar net zo goed echt en waarachtig zijn. Ik vroeg Kim Deal van de Pixies om de melodische zanglijnen voor haar rekening te nemen. Waarom? Omdat ik het zelf niet kon! Haar stem was perfect voor dat nummer.

Van alle Sonic Youth-platen vind ik het geluid van ‘Washing Machine’ bij de allermooiste horen, en de songs ‘Washing Machine’ en ‘The Diamond Sea’ waren fijn om op te nemen. Die laatste trouwens in één take.

Tijdens Lollapalooza reisde de band Amerika door met een port-a-crib achteraan de tourbus, waarin Coco in slaap viel met het luide ronken van de motor op de achtergrond. Ze was een geweldige busslaapster. De eerste avond bracht ons naar George, in de staat Washington. We waren de officieuze coheadliners, samen met Hole, en een pak van onze vrienden maakten deel uit van de line-up: Pavement, Beck, The Jesus Lizard, Cypress Hill, Elastica, Mike Watt, Superchunk en Yo La Tengo. Het was de avond dat Courtney Love Kathleen Hanna ineens in het gezicht sloeg. Het zette de toon voor de rest van de tour, en Courtney werd iemand om te ontwijken en straal te negeren – ik bedoel: meer dan al het geval was.

Vertaling en bewerking: Frederick Vandromme

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234