null Beeld

Goudzoekers op de kermiskoers

Sinds hij er afgelopen zondag nét niet in slaagde een sprintend peloton voor te blijven in de 15de etappe van de Ronde van Frankrijk en de wereld ontroerde met zijn tranen van ontgoocheling, is Jack Bauer niet langer een nobele onbekende.

Humo kende de Nieuw-Zeelander al langer, want hij leerde de stiel in Mariakerke, bij Staf Boone. Die laatste was het onderwerp van ‘Goudzoekers in de kermiskoers’, een artikel van Joost Vandensande uit 2012.

U kunt het volledige artikel hieronder herlezen.

Verschenen in Humo 3758 van dinsdag 11 september 2012


Goudzoekers op de kermiskoers

Als je het als wielrenner wil maken, moet je naar Belgie?. Elk jaar strijken hier Nieuw-Zeelanders, Kazachen, Russen en Canadezen neer – met amper een euro op zak – om in de Vlaamse kermiskoersen het vak te leren. Allemaal jonge wolven die maar e?e?n droom hebben: profwielrenner worden. Vroeger kwamen ze vooral uit Australie?, vandaag uit Oost-Europa, en de meesten vinden onderdak in de boerderij van Gentenaar Staf Boone. En allemaal hopen ze de nieuwe Levi Leipheimer of Allan Peiper te worden, de bekendste toppers uit de Boone-stal.

Michael Tvardovskiy komt uit Kiev, de hoofdstad van Oekrai?ne. Voor het tweede opeenvolgende jaar laat hij zijn familie een paar maanden achter en komt hij naar Gent – de wielerhoofdstad van de wereld, zoals hij zelf zegt. De tijd dringt, beseft hij, want hij is al 23, maar hij wil nog niet twijfelen aan zichzelf. Met enkele lotgenoten verblijft hij op een kleine boerderij in Mariakerke, op een boogscheut van het centrum van Gent. Het is een bescheiden huisje met aanpalende koterijen, ronddwalende kippen op het erf en truitjes en broeken met zeemvellen aan de wasdraad. De luxe is ver te zoeken, de sfeer doet denken aan de gezellige chaos van een scoutskamp. Op de bovenverdieping staat in elke hoek wel een bed. We tellen twaalf renners, voor het merendeel Litouwers.

‘In Oekrai?ne worden er nauwelijks koersen georganiseerd, terwijl er in Vlaanderen soms wel tien op een dag plaatsvinden,’ vertelt Michael in gebroken Engels. ‘Alleen kan ik maar drie maanden blijven: mijn visum verlengen kost geld, en dat heb ik niet. Ik droom ervan om een heel jaar hier te kunnen blijven, dan zou ik nog beter worden. In Kiev vriest het in de winter tot 20 graden onder nul, en dan kun je onmogelijk trainen. Gelukkig kan ik hier op the farm terecht. Het voelt aan als een tweede thuis, en Staf is als een tweede vader.’

Staf Boone, een 69-jarige goedmoedige Gentenaar met de uitstraling van een bourgondie?r, geeft al veertig jaar onderdak aan buitenlandse renners die hier hun geluk komen zoeken – goudzoekers noemt hij ze. Meer nog, hij heeft zelf een wielerploeg opgericht voor zijn dromenjagers: de Kingsnorth International Wheelers, genoemd naar het geboortestadje van de Britse renner Peter Murphy, die in de jaren zeventig en tachtig in Gent verbleef. Maar in de jaren zeventig kwamen vooral Nieuw-Zeelanders en Australie?rs bij hem aankloppen.

Staf Boone «Die hadden werkelijk geen rotte frank op zak (lacht). Gary Wiggins, de vader van Bradley, was er zo e?e?n. Sympathieke gast, maar als hij gedronken had, veranderde hij in een beest. Sinds Gorbatsjov de grenzen heeft opengezet, komen ze vooral uit Oost-Europa. Ik herinner me nog een jaar dat ik er meer dan veertig te slapen moest leggen, een echte invasie. Ze hadden allemaal maar e?e?n adres: het mijne (lacht).

Goudzoekers in de kermiskoers (deel 2)

»Hoe die mannen jaar na jaar bij mij terechtkomen, weet ik ook niet. Goeie waar verkoopt zichzelf, zeker? Of ze geven mijn adres aan elkaar door. Gisteren belde er nog een Litouwer. Wel, ik heb nog een plaats over op een studentenkot, en hij mag komen. Sommigen blijven een maand, anderen twee jaar. Veel vraag ik niet: zo’n 200 euro per maand. Ze zitten hier rustig, en ze hebben alles wat ze nodig hebben. Bovendien zorg ik ervoor dat ze kunnen koersen zoveel als ze willen.»

undefined

Zelfs die 200 euro is voor Michael een haast onoverkomelijk bedrag: hij heeft al nauwelijks geld om eten te kopen. Als we in de keuken conservenblikken van de voedselbank opmerken, voelt hij zich in zijn trots gekrenkt. Wat de huur betreft, knijpt Staf een oogje dicht – eigenlijk doet hij dat voor bijna alle renners, blijkt later.


Heimwee naar huis

Iedereen loopt druk heen en weer: vandaag moeten ze koersen. De voertaal onder de Oost-Europeanen blijkt Russisch, en alles wordt in goede banen geleid door Naglis Ciplijauskas (41), een ex-renner uit Litouwen die in Belgie? is blijven plakken.

Naglis Ciplijauskas «Ik heb ooit nog de Vuelta gereden, de Colom- biaan Luis Herrera was mijn kop- man. Maar toen onze ploeg Posto?- bon failliet ging, heb ik er de brui aan gegeven en ben ik hier in de bouw begonnen.

»Omdat ik hier ook een kamer heb, help ik de jongens een handje. Ze kunnen alle hulp gebruiken, want het is een hard bestaan: ze laten hun hele familie en al hun vrienden achter, en dikwijls slaat de heimwee toe – die is hun grootste vijand. Maar ze zijn jong, en de meesten vinden makkelijk gezelschap: er zijn er veel die snel een lief vinden, of zelfs trouwen en hier blijven. De Gentse meiskes vallen goed in de smaak. Ik herinner me een Nieuw-Zeelander die met de dochter van de bakker had aangepapt: elke dag lag het hier vol rijst- taartjes (lacht).»

We knopen een gesprek aan met Simas Kondrotas, ook een Litouwer. Hij heeft een akelig litteken aan zijn schouder: lelijk gevallen over een paaltje, zegt hij. Vandaag maakt hij zijn wederoptreden. Ooit was hij een grote belofte, maar plots ging het verkeerd. ‘Ik deed dingen die ik beter niet had gedaan,’ antwoordt hij mysterieus. Wat er allemaal precies is gebeurd, houdt hij liever voor zich. Zijn ploegmaats van vroeger rijden nu bij ProTour-teams, maar Simas denkt snel terug op de eerste rij te kunnen postvatten: ‘Ik ben 27 jaar, maar als ik nu goede uitslagen haal, rij ik volgend jaar misschien ook in het profpeloton.’ Het lijkt moeilijk te geloven, maar Staf bevestigt het: ‘Hij heeft pech gehad met zijn ongeluk, maar het voor-

bije jaar heeft hij enkele belangrijke amateurkoersen gewonnen. Alleen: hij staat niet zover als zijn vrienden, en dat steekt toch bij hem.’

Het erf stroomt vol, en er verschijnen nog een Engelsman, een Nieuw-Zeelander en een Rus, Pjotr Karandasjev. Die ligt niet zo goed in de groep, er gaan geruchten over conflicten, onder andere met Michael.

Goudzoekers in de kermiskoers (deel 3)

Staf «Pjotr is ne speciale, anders blijf je hier geen twee jaar aan e?e?n stuk. Mijn vrouw vond dat ik hem onderdak moest geven, met zijn engelengezicht. Hij heeft talent, maar hij werkt zich niet dood – hij zal het nooit ver schoppen.»

Naglis «De contrasten zijn soms groot, maar ze moeten leren aan e?e?n zeel te trekken. Dat ligt niet in hun aard, iedereen is nogal egoi?stisch ingesteld. Dat is ook normaal: ze moeten zich bewijzen om hogerop te geraken. Gek genoeg komen de Russen en de Amerikanen nog het best overeen. Tussen de Australie?rs en de Engelsen gaat het dan weer wat moeizamer.»

Staf «Het is misschien een cliche?, maar je merkt dat de Oost-Europeanen veel serieuzer en gedisciplineerder zijn dan de rest, minder uitgelaten ook: hun wil om te slagen is groter. Een Australie?r begint al eens te zeuren als het begint te regenen.»

Naglis «Toen ik zo oud was als zij, bestond de Sovjet-Unie nog. We gingen trainen in de bergen van Kirgizie? en we sliepen in tenten – ko?u?d dat het er was. Alle jonge wielrenners zaten er bijeen om gehard te worden, heimwee stond niet in ons woordenboek (lacht). Michael heeft dat ook meegekregen – Oekrai?ne leunt nog erg aan bij Rusland. Maar anders dan de Russen is hij open en vriendelijk.» Staf «Hij heeft de minste middelen van allemaal. Hij kwam midden in de nacht in Belgie? aan met het vliegtuig, en hij moest een taxi nemen: 150 euro! Hij was meteen al zijn geld kwijt.

»Mijn ene broer, die hier om de hoek woont, bezorgt de jongens verse groenten uit zijn tuin. En van mijn vrouw krijgen ze al eens een overschotje. Die jongens koersen drie keer per week, ze moeten genoeg vitaminen binnenkrijgen, he?.

»Tom Fitzpatrick, onze Engelsman, is een prima kerel, maar het verschil met Michael is toch groot: hij heeft bijvoorbeeld een iPhone, en eigenlijk is hij hier met vakantie.»

Tom kan Staf alleen maar gelijk geven: ‘De instelling en de mentale weerbaarheid van de Oost-Europeanen inspireert de rest van het team. Zeker als ze zelf aan hun gammele fietsen beginnen te sleutelen: dan voelen wij ons verwende jongens.’

Tom Delany, een twintigjarige Nieuw-Zeelander, is daar een uitzondering op. Ook hij kan zich nau- welijks iets veroorloven, en sinds kort wast hij af in een Chinees restaurant in Gent. Niet ideaal in combinatie met het koersen, en je voelt de twijfel groeien.

Tom Delany «Wielrennen is zo’n harde sport, soms vraag ik me af waarom ik het doe. I’m training my butt off, maar ik boek geen resultaten – gisteren werd ik bijvoorbeeld tweee?nvijftigste. I’m chasing the dream, maar dat kan geen eeuwigheid meer duren. Het is een avontuur, ja, maar ik moet ook realistisch blijven.

.

»Anyway, als het niet lukt, blijf ik toch hier: Gent is een fantastische stad. Ik wilde koste wat het kost weg uit mijn land: we zitten er zo gei?soleerd van de rest van de wereld. Daar is ook niemand gei?nteresseerd in wielrennen, alleen het rugby telt. Dat ik mijn familie achterlaat, hoort erbij. Ik wil de wereld zien, en hier gebeurt het, toch?»

Goudzoekers in de kermiskoers (deel 4)

Kabas zonder doping

Het is tijd om naar de koers te vertrekken, en die wordt in Belzele bij Evergem verreden, twaalf kilometer verder. Ze rijden er met de fiets naartoe – dat doen ze bijna altijd, maar veertig kilometer is wel de limiet. En als het regent? ‘No problem,’ zegt Pjotr, ‘het is een goede opwarming.’ Het lijkt alsof Briek Schotte het hem heeft ingefluisterd.

De Twintigste Grote Prijs Cafe? ’t Kruisken blijkt een kermiskoers van het soort waarvan je dacht dat het niet meer bestond. Hier ademt Vlaanderen nog echt de koers en walmt de geur van het hamburgerkraam tientallen meters ver. Als op het laatste moment de kampioen van Belgie? – bij de eliterenners zonder contract, welteverstaan – opdaagt, ontstaat er paniek bij de organisatoren: ze hebben geen rugnummer 1.

Staf is in zijn element: hij passeert geen vrouw zonder haar uitgebreid te complimenteren. ‘Waar het koers is, is het kermis. Iedereen kent mij, want ik doe ongeveer honderdtwintig koersen per jaar. Zeg nu zelf, op voetbalmatchen vind je die sfeer niet, he?.’

De verouderde fietsen van de Kingsnorth International Wheelers steken af tegen de flitsende exemplaren in carbon van de Belgische renners, maar Boones discipelen kunnen er wel om lachen. ‘Soms rijden we vier seizoenen met onze fietsen. De Belgen krijgen er drie per seizoen,’ grinnikt Michael. ‘Wat we niet hebben, hebben we ook niet nodig, denken we dan maar.’

Het zomert volop, ook al is het eind augustus, en het volk stroomt toe in het dorpscentrum. Overal langs het parcours zetten mensen stoelen voor de deur om de renners rondjes te zien draaien. Aan cafe? ’t Kruisken tellen we zes bookmakers. ‘Vergif,’ krijg ik te horen. ‘Op veel plaatsen zijn ze trouwens niet meer welkom: ze vervalsen de koers, want ze zitten altijd wel met enkele renners in de slag.’

In het internationale gezelschap van Staf Boone – ‘een echt vreemdelingenlegioen,’ wordt weleens gegrapt in het kermiskoersmilieu – bevindt zich e?e?n curiosum: Mario Willems, 39 jaar, afkomstig uit Lotenhulle en de ongekroonde koning van de kermiskoersen. Hij gunt zijn buitenlandse ploegmaats amper een blik, maar voor Staf kan hij niets verkeerd doen: ‘Mario geeft het voorbeeld zonder woorden: hij rijdt al zijn hele leven kermiskoersen. Hij had prof kunnen worden, maar hij wilde niet weten van al die spuiten. In zijn kabas zul je geen doping vinden.’

Aan de kant van de weg ontstaat er plots opschudding. Een renner zit met zijn knie tussen twee wagens gekneld – het is Michael. Meer dan een bloeduitstorting is er gelukkig niet te zien. Even kijkt de Oekrai?ner teleurgesteld, maar hij start toch.

De Grote Prijs Cafe? ’t Kruisken is 120 kilometer lang: de renners moeten achttien rondjes afwerken. En elkaar voortdurend in de gaten houden, want de kermiskoers is een discipline op zich. ‘Iedereen valt de hele tijd aan,’ zegt Tom Fitzpatrick. ‘De eerste keer dat je aan zo’n koers meedoet, weet je niet waar je het hebt, je trapt meteen op je adem. Wij buitenlanders weten ook niet wie we moeten volgen, we kunnen de tegenstand niet goed inschatten. En alle Belgen spannen samen. Ze praten voortdurend tegen elkaar en wij hebben er het raden naar wat ze bekokstoven.’

Staf «Dat gaat maar om 10 euro, soms zelfs minder. Daar sprinten de Belgen niet voor, maar voor mijn jongens is dat vaak de enige manier om aan geld te geraken. Als ze straks bij de eerste twintig eindigen, hebben ze op het eind van de dag misschien 50 euro verdiend.»

Het peloton gaat hard tekeer: er rijden enkele profs mee die het tempo de hoogte injagen. Naar het einde toe moeten enkele Kingsnorth-renners afhaken. Ook Michael: ‘Ik heb maar met e?e?n been kunnen rijden, mijn knie is helemaal gezwollen.’ Hij laat zich diep ontgoocheld in het gras vallen, met tranen in de ogen: we?e?r een kans verkeken. ‘Ik hoop dat die knie snel geneest, want ik moet overmorgen opnieuw koersen.’

Behalve kermiskoning Mario Willems eindigt niemand van de ploeg voorin. Na de koers gaat het er heftig aan toe tussen Staf en zijn renners. Hij geeft ze onder hun voeten, want ze hebben niet slim gereden volgens hem. ‘Als ze blijven zitten telkens als de besten aanvallen, zullen ze nooit een profploeg vinden.’ Gelukkig heeft er een vriend van Staf gewonnen: de Litouwer Gedeminas Bagdonas. Hij heeft net een profcontract versierd bij een Franse ploeg, en zo maakt hij de droom weer tastbaar voor Boones jongens.

Goudzoekers in de kermiskoers (deel 5)

Mislukt Huwelijk

Een week later is de kniepijn van Michael verdwenen en lijkt de hemel weer opgeklaard. Met zijn conditie gaat het steeds beter, maar er resten nog maar een tiental wedstrijden om resultaten te halen en een plaatsje bij een groter team te pakken te krijgen.

Michael «Ik maak me ongerust: ik doe er echt alles aan om te slagen, maar binnenkort moet ik terug naar Oekrai?ne.»

HUMO Wat als het niet lukt?

Michael «Dat vraag ik me liever niet af. Sinds vorig jaar heb ik enorm veel vooruitgang geboekt. Ik ben zeker veertig procent ver- beterd, zeggen Staf en Naglis me.»

HUMO Over een maand word je 24. Is dat niet te oud om prof te worden?

Michael «Helemaal niet! Bagdonas, de winnaar van vorige week, is er al 27. Ik heb nog wel even, maar ik besef dat ik nu? mijn kans moet grijpen. Ik ben pas laat met wielrennen begonnen, ik mocht niet eerder van mijn vader. Pas sinds mijn ouders gescheiden zijn, kan ik er voluit voor gaan. Mijn stiefvader staat er helemaal anders tegenover. Ook mijn moeder steunt me, maar ik probeer zo weinig mogelijk een beroep op hen te doen. Niet dat ze arm zijn, maar ze hebben zeker niks te veel. Wielrennen is een dure sport (zucht).»

HUMO Denk je dat al die opofferingen het waard zijn?

Michael «Ja, want dit is mijn droom. En het is toch normaal dat je moet lijden om die te kunnen verwezenlijken? Weet je, onze houding is anders dan die van jullie. In Belgie? vraagt een mens zich vooral af wat hij met zijn leven wil aanvangen, in Oekrai?ne hoe hij moet overleven – dat is het grote verschil. Wij weten hoe het is om met weinig te moeten rondkomen. Belgen kijken soms vreemd op als ze zien hoe wij hier op de boerderij leven, maar voor ons valt dat best mee. Onze basisbehoeften zijn vervuld, meer hebben we niet nodig.

»Bovendien leer ik veel in die kermiskoersen, en ze maken me fysiek beter. In Oekrai?ne zijn er nauwelijks wielerploegen en koersen, als sportman krijg je er weinig kansen. Ik ken jongens met bakken talent, maar ze hadden geen geld om naar hier te komen en ze moesten er uiteindelijk mee kappen. Hun ouders konden niet bijspringen, en daardoor hebben ze geen carrie?re kunnen uitbouwen. Maar ik probeer tijdens de winter veel te werken en te sparen voor mijn reis naar Belgie?.»

HUMO Hoe verdien je dan de kost?

Michael «Mijn stiefvader werkt in een fabriek waar ze plastic zakken voor supermarkten maken, en daar kan ik helpen.»

HUMO Droom je ervan om veel geld te verdienen met wielrennen?

Michael «Nee, helemaal niet. Als wielrenner train je veel, maar je voelt je vooral vrij – da?a?rom doe ik het. Als geld je eerste en enige doel is, haal je nooit goede resultaten. Maar het zou wel geweldig zijn als ik van deze sport zou kunnen leven.»

Goudzoekers in de kermiskoers (deel 6)

Staf Boone reageert laconiek als we hem naar Michaels toekomst vragen. Hij weet dat het leven van een profwielrenner niet altijd comfortabel is en dat schamele lonen schering en inslag zijn – wielrennen blijft de sport van de arbeidersklasse.

Staf «Bij een kleine profploeg krijg je 500 euro per maand, alleen bij ProTour-ploegen word je deftig betaald. Kijk naar Naglis: die was ooit de beste jongere in de Ronde van Spanje, maar zijn ploeg had plots geen geld meer. Nu werkt hij als voeger in de bouw, maar hij kan zich tenminste een auto veroorloven (wijst naar een bestelwagen op het erf, red.).

»Veel van mijn jongens zullen het niet waarmaken, dat weet ik ook. Na een tijdje beseffen ze dat hun dromen niet realistisch zijn, en dan stoppen ze vanzelf. Tenzij je een serieuze dommerik bent – zo zijn er ook. Maar als je er echt voor hebt afgezien en het lukt toch niet, dan kom je wel tot de juiste conclusie. Ik weet waarover ik spreek, he?: ik had zelf beroepsrenner kunnen worden, maar na elke koers moest ik meteen naar huis om de koeien te melken, dus een wielercarrie?re zat er niet in. En ik dronk ook graag op tijd en stond een Rodenbachske (lacht).»

Naglis «In je leven moet je een doel hebben, anders blijf je stilstaan. Maar je mag ook niet te hard zijn voor die jonge renners. Mijn leerschool was echt spartaans, met alle gevolgen van dien. Al op jonge leeftijd leerde ik om geen pijn te voelen, ook niet als ik moe was of het koud had – nee, ik mo?e?st doorgaan en ik mocht vooral geen emoties tonen. Maar dat heeft zich gewroken in mijn prive?leven. Ook in mijn huwelijk ging ik altijd maar door, en ik was veel te hard voor mijn vrouw. Ze kon het op den duur niet meer aan en is van mij gescheiden.

»Maar Michael, tja... Volgend jaar zien we hem zeker terug, en ik ben benieuwd hoe ver hij dan zal geraken. Ik geloof wel in hem, ook omdat het zo’n goeie jongen is. Toen de Kazach Alexandre Vinokourov in Londen Olympisch kampioen werd, spraken alle Belgische commentatoren schande (Vinokourov zou het op een akkoordje hebben gegooid met de tweede, de Colombiaan Ri­goberto Ura?n, red.), maar hij stond te dansen van vreugde. Voor hem is Vinokourov een held.»

Michael «Hij is mijn grote voorbeeld. Waar hij ook reed, hij viel voortdurend aan. Hij is ook een goed mens: wat hij allemaal niet heeft gedaan om zijn vriend en landgenoot Andrej Kivilev te eren (Kivilev kwam in 2003 om het leven na een val in Parijs-Nice, red.). Hij heeft een fonds opgericht, en exact een jaar later heeft hij de rit gewonnen waarin Andrej om het leven was gekomen. Ik snap al die kritiek op hem niet: hij heeft toch zijn schorsing uitgezeten? Andriy Griv­ko, een Oekrai?ner, rijdt bij hem in de ploeg. Als ik goeie uitslagen behaal, wil hij een goed woordje voor me doen. Staf zegt wel dat ik hem meer aan Roger De Vlaeminck doe denken, maar die ken ik niet. Was dat een goeie renner?»

Staf (verderop) «Een hele goeie!»

HUMO Zien we je over enkele jaren meerijden in de Ronde van Frankrijk?

Michael «Daar ga ik van uit. Dat meen ik, echt.»

Goudzoekers in de kermiskoers (deel 7)

Eén op de honderd bereikt de top

Van de honderden wielrenners die bij Staf Boone gelogeerd hebben, hebben er enkelen ook effectief de top bereikt. De bekendsten zijn Alex Stieda (de eerste Canadees ooit in de gele trui, red.) de Amerikanen Levi Leipheimer (Omega Pharma- Quick.Step) en Fred Rodriguez (ex-Lotto) en de Australiër Allan Peiper, die in de jaren tachtig furore maakte als tijdrijder bij het grote Panasonic-team.

Allan Peiper «In de jaren zeventig was naar Europa komen nog zoiets als reizen naar de maan. Maar wie wielrenner wilde worden, mo?e?st wel komen: alleen hier worden er zoveel koersen gereden.

»Ik was amper zeventien en ik had maar vijftig frank op zak toen ik hier aankwam, maar ge- lukkig kon ik bij Staf terecht. Ik belandde in zijn schuur: veel meer comfort dan stromend wa- ter was er niet. Ik kreeg e?e?n deken, een grote handdoek had ik zelf meegebracht, en die legde ik ook op me als het te koud werd. Staf regelde mijn licentie en gaf me tubes als ik weer platzak was. En ik vocht voor elke premie, of ik verkocht al eens een koers om toch aan geld te geraken (lacht). Later kon ik bij de familie Planckaert logeren.

»Van alle jongens die elk jaar bij Staf belanden, druipt bijna iedereen weer af. Maar af en toe is er e?e?n bij met talent – misschien e?e?n op de honderd, en aan die ene trekken alle anderen zich op. Onmogelijk zijn hun dromen niet – het lijkt zelfs alsof elke topper in Vlaanderen is opgestaan. Zelfs Greg LeMond liet alles achter in de Verenigde Staten om op een kamertje in Kortrijk te gaan wonen.

»Zo’n jong toptalent is de Nieuw-Zeelander Jack Bauer, die ik onlangs in mijn ploeg (Team Garmin, red.) heb opge- nomen. Hij heeft drie jaar bij Staf gewoond, en hij is echt een mo- delprof. Zo los ik mijn schuld aan Staf af. Ik weet dat hij trots is op wat zijn poulain nu bereikt.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234